  |
Geschiedenis van de collectie

In 1910 werd herdacht dat vijftig jaar daarvoor de Max Havelaar verschenen was. Een Multatulitentoonstelling werd georganiseerd in een van de zalen van het Stedelijk Museum te Amsterdam, waarbij - althans gedeeltelijk - kon worden teruggegrepen op een expositie van Multatuliana, die ter gelegenheid van het Internationaal Vrijdenkerscongres in 1883 eveneens in de hoofdstad had plaatsgevonden.
Op 8 december 1910 besloot men tot oprichting van de vereniging 'Het Multatuli-Museum' die zich ten doel stelde 'het verzamelen en bijeenhouden van boeken en handschriften van Eduard Douwes Dekker en van geschriften, bescheiden (waaronder ook portretten) en andere voorwerpen, op hem betrekking hebbende of met zijn leven en werken in onmiddellijk of in middellijk verband staande'.
Het eerste bestuur bestond uit J.N. van Hall, voorzitter, J.G. Götze, secretaris-penningmeester, P.J.A. Meersmans, bibliothecaris, C.W.E. Baard, W.A.F. Bastiaanse en S. Kalff. Aan hun activiteit is het te danken, dat de grondslag werd gelegd voor een - zich voortdurend uitbreidende - collectie Multatuliana.
Herdenking 1920

Voor de herdenking van Multatuli's honderdste geboortedag in 1920 opperde het bestuur diverse plannen, die evenwel slechts ten dele ten uitvoer konden worden gebracht. Een daarvan was het oprichten van een gedenkteken voor Eduard Douwes Dekker, doch de 'financiële commissie', onder leiding van H. Brugmans, slaagde er niet in de benodigde gelden bijeen te krijgen.
In de jaren 1929-1931 werd dit plan opnieuw opgevat, maar ook toen kon het om dezelfde redenen niet uitgevoerd worden. Het ingezamelde bedrag, groot 2220,-, werd op 21 november 1931 door het bestuur in ontvangst genomen en later voor de uitbreiding van het Multatuli Museum besteed.
Desondanks was de herdenking in 1920 - ondanks veel tegenslagen - een belangrijke gebeurtenis. Comités in verschillende plaatsen van het land zorgden ervoor, dat ook in de provinciesteden Multatuli-avonden werden belegd. De hoogtepunten van deze herdenking waren echter ongetwijfeld de Multatulibijeenkomst op 27 februari 1920 te 's-Gravenhage, waar Johan de Meester een openingsrede uitsprak en de Multatulidag op 2 maart 1920 te Amsterdam, waarvoor C. Benima een toneelstuk, 'Max Havelaar' getiteld, had geschreven, dat onder regie van Jan Musch door 'Het Schouwtoneel' opgevoerd werd. Tevens verscheen, omstreeks die tijd, op initiatief van het bestuur, een bloemlezing uit de werken van Multatuli, ingeleid door J. van den Bergh van Eysinga-Elias, terwijl verder nog een Multatulipenning werd uitgegeven.
Universiteitsbibliotheek

In 1926 werd de collectie Multatuliana van het Stedelijk Museum naar de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam overgebracht. Het eerste gedrukte jaarverslag van de vereniging verscheen een jaar later, in 1927. In het jaarverslag wordt melding gemaakt van bestuursveranderingen, gehouden lezingen, aanwinsten etc. Sinds 1927 verschijnt er jaarlijks een soortgelijk verslag, met een onderbreking van enkele jaren gedurende de Tweede Wereldoorlog.
Op 25 september 1930 overleed te 's-Gravenhage Mimi Douwes Dekker-Hamminck Schepel, Multatuli's weduwe, aan wie bij haar leven het erelidmaatschap van de vereniging was opgedragen. Een jaar later kocht het bestuur uit haar nalatenschap een verzameling Multatuliana, waaronder zich de bibliotheek van Multatuli bevond.
Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in augustus 1939, werd allengs een begin gemaakt met het onderbrengen van de Multatulihandschriften in een geëigende - althans tegen oorlogshandelingen beter beschermde - omgeving, waaruit zij, na de bevrijding, ongeschonden tevoorschijn zijn gekomen. Sindsdien worden de ongeveer achtduizend manuscripten van het Multatuli Museum bewaard in de Universiteitsbibliotheek.
Multatuli Museum, Korsjespoortsteeg

Vanuit de Universiteitsbibliotheek werd in 1957 de Multatulicollectie overgebracht naar het geboortehuis van Multatuli aan de Korsjespoortsteeg te Amsterdam. Daar werd, na veel financiële strubbelingen, in 1975 het Multatuli Museum geopend zoals dat thans nog steeds bestaat. Conservator was mevrouw J.A. Roelfsema-Tenge, die in 1957 de heer Henri A. Ett was opgevolgd. Toen mevrouw Roelfsema in 1988 te kennen haar conservatorschap op te willen geven, besloot het bestuur een professionele conservator aan te stellen. In februari 1989 werd de heer Jos van Waterschoot benoemd, die thans nog steeds deze functie uitoefent. Onder zijn leiding werd het museum gemoderniseerd, de catalogus geautomatiseerd en het museum in de winter van 1999 grondig gerenoveerd.
|