Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

Z

Zaaier ging uit om te zaaien, Een, het motto voor de *Ideën. De regel is afkomstig uit Marcus IV:3 e.v., waarin Jezus aan zijn discipelen de zogenaamde gelijkenis van het zaad vertelt: 'Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. En het geschiedde in het zaaien dat het ééne deel van het zaad viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen en aten het op. En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had; maar toen de zon opgegaan was zoo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zoo is het verdord. En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op en verstikten het, en het gaf geen vrucht. En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht die opging en wies, en het ééne droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud. En Hij zeide tot hen: Wie ooren heeft om te hooren, die hoore. (...) Een zaaier is die het Woord zaait.'

*C. Vosmaer gaf in 1874 aan zijn 'Studiën over Multatuli's werken' de titel Een Zaaier. 'Zie, kerel,' schrijft M. op 17 oktober 1874 aan Vosmaer, 'van uw "Zaaier" zal voor my de Victorie beginnen. Ja, 't is 'n ware weldaad' (VW XVII, p. 49). Spoedig daarna werd het stuk fel aangevallen door *J. van Vloten. De toevoeging 'Zaaier' aan M.'s naam werd ook later veel gebruikt door bewonderaars, o.a. in het herdenkingsnummer van De Dageraad (Amsterdam, 1910; *De Dageraad 2), dat M.'s motto als titel droeg.

Zeeziektegeschiedenis, vertelling opgenomen in Idee 229-249 (VW II, p. 436-459). Een vreemdeling (de auteur), een monnik en de arts Colineau, die een middel tegen zeeziekte heeft uitgevonden, met zijn vrolijke vrouwtje zijn de reizigers op de brik Sainte-Vierge die vanuit Marseille vertrekt: 'Nu inderdaad het tweede hoofdstuk. Ik zal spreken van geloof en van liefde. Van de Sainte-Vierge en van meikersen. Van zeeziekte en van 'n monnik in bruine pij. Maar ook zal ik spreken van ongeloof en sarcasme, van bittere wysheid - bitter nog, omdat ze maar half was - van weemoed en van stryd. En, zoals zy eens gezegd heeft, van de overwinning in 't eind.' (VW II, p. 438)

De zich atheïst noemende vreemdeling verbaast zich over het geloof van het echtpaar en de monnik. Hij staat uiteindelijk zijn bed af aan Colineau en zijn vrouw en knielt huilend voor de monnik. De vertelling eindigt als volgt: 'Zo had de nietswetende wysgeer geknield voor de ze- genspraak van den monnik. Zo had de onnozele dweper z'n zegen gegeven aan een twyfelaar, aan een ontkenner, aan een "Geist des stets verneinte". Zo had de onwetende, kinderlyk dartele vrouw een traan geschonken aan den man, wien ze zo-even een bezemsteel had genoemd, die kermis houdt. En in aller harten woonde liefde. Waardoor waren die wonderen gewrocht? Door de godsdienst van het goede. Het laatste hoofdstuk van deze geschiedenis mag ik niet verkopen. lk geef dat aan wien ik liefheb.' (VW II, p.459) M. beschouwde de de zeeziektevertelling zelf als 'iets zéér schoons'. De critici, aldus vermeldt hij in een noot (1872), achtten het verhaal niet de moeite van het lezen waard, zelfs niet voor 'een enkel woord van afkeuring' (VW II, p. 694-695; de noot werd in 1879 herdrukt als Idee 242a). Toch heeft een 'wereldberoemden litterator' (*Van Limburg Brouwer) hem in het artikel 'Il movimente intellectuale in Olanda' (ll Rivista Europea, 1871), in één adem genoemd met twee andere dii minores (Jan ten Brink en Van Hoëvell).

In een brief aan Mimi van 6 juni 1863 geeft M. de biografische achtergrond van dit verhaal (VW XI, p. 155-156).

Zegen Gods door Waterloo, De, 'Gemoedelijke opmerkingen van A.Z. (Medegedeeld door Multatuli)', brochure geschreven als reactie op het halve-eeuw-feest van de slag bij Waterloo in 1865 (VW III, p. 553-559). De brochure werd herdrukt in Herdrukken (1865) en in Verspreide Stukken (1865). Deze satire is zogenaamd geschreven door een brave protestantse burgerman, die blijkens het adres in de ondertekening: 'Lauriergracht, naast 37, en elders', een buurman van Batavus *Droogstoppel is. M., bewonderaar van *Napoleon, schrijft met sarcasme over de overwinning bij Waterloo 'waar de gruwelyke Overweldiger werd overwonnen door den groten Prins

Willem van Oranje', waar 'Prins Willem van Oranje de Grote den Overweldiger versloeg, met Gods hulp' en waar 'Prins Willem de Grote, van Oranje, den Overweldiger verslagen had, met Gods hulp'.

Hij stelt dat de economische en maatschappelijke toestand in Nederland na de nederlaag van de Fransen aanzienlijk verbeterd is. Zo zijn bijv. de taal- en letterkunde tot bloei gekomen en is het volk beschaafd geworden. 'Bovendien, ik gelove dat zonder die overwinning, (ik bedoele de grote overwinning van prins Willem den Grote, met Gods hulp, by Waterloo) ik gelove, zegge ik, dat zonder die overwinning, misschien hier en daar in de Koloniën gruwelen zouden gepleegd zyn, en dat de aanleggers en medeschuldigen zouden zyn beloond en geëerd, terwyl men (indien niet, met Gods hulp, prins Willem de Grote van Oranje den Overweldiger had verslagen, te Waterloo) terwyl men dan, zegge ik, misschien hen die zich zouden verzet hebben tegen die gruwelen, zou hebben gesmaad en mishandeld.' (VW III, p. 554)

De satire is tevens geschreven als antwoord op De laatste veldtoght van Napoleon Buonaparte van *J. Scheltema.

In 1875 tekent M. aan dat zijn 'schetsje van den waanzin waarmee men in '65 den val van Napoleon herdacht' nog altijd kan dienen tot karakterisering van het 'leuterparoxysme waaraan een geïdiotiseerd volk zich zo gaarne overgeeft'. Hij vervolgt: 'De krankzinnigheid der hedendaagse thorbeckomanie past (met Gods hulp) precies in 't kadertje der verstandelyke ontwikkeling en der uitdrukkingswyze van den snuggeren A.Z., en van z'n groot aantal geest- verwanten.' (VW III, p. 559)

*Beets

Zielknijper, personage uit de *Woutergeschiedenis, de dominee die 'bakers onwaardeerbaar gezegde' 'dankie wel, juffre Pieterse, m'n koppie is omgekeerd, dat zie je wel!' tot tekst gekozen had (Idee 394, VW II, p. 585).

Hij is de geestelijk leider der 'Stotters' die zijn 'Medestotters' toespreekt. De preek is een parodie op de orthodoxe preken van die tijd, met voorzang, waarvan de eerste strofe luidt: 'O, Baker vol van Zaligheid,/Wie zou Uw Lof niet zingenl/O, Baker Die de Baker zyt/Van alle Stervelingen !/O Baker hoor ons juichen aan,/Als wij met U uit baak'ren gaan.' (VW II, p. 585)

De preek bestaat uit drie delen: 1. 'den historischen zin myner tekstwoorden'; 2. 'de ontwikkeling van de stralen die daarin doorlichten'; 3. 'de beschouwing der bakerplichten, die uit de voorafgegane bakerbeschouwing voortvloeien'. De dominee prijst 'Multatuli den Stoffelist', de 'nooit volprezen Multatuli' en vervolgt:

'Doch verder gaat de helse Pennewippery onzer dagen. Er zyn er die den braven, eenvoudigen Multatuli zelven verdenken, óf van onkunde, óf van opzettelyke verkrachting der waarheid... Verdoolden! Ziet ge niet, waartoe gy wordt vervoerd door uw zucht om alles te bekladden en te bederven wat ten leven leidt? (...) Was Hy niet heilig, Hy de enige onvolprezen Baker Stotter in Zyn bonte jak? En als men dit toestemt - wat dan toch wel niet kán ontkend worden - moet dan niet ook hy heilig en onfeilbaar wezen, die de daden en woorden van dien Heiligen persoon heeft te boek gesteld?' (VW II, p. 591)

In 1875 voegt M. in een noot aan dit Idee toe dat hij er destijds goed aan gedaan heeft deze bakerpreek mee te delen: menigeen is na het lezen ervan voorgoed genezen van het 'idiote kerkgaan' (VW II, p. 718).

Zürcher, Johannes, 1851-1905, schilder en geleerde, aanvankelijk onderwijzer te Swolgen en later te Amsterdam. Hij was medewerker van de Noord-Brabantsche Courant en schreef diverse artikelen over kunst in o.a. Het Nieuws van den Dag. Hij promoveerde in Berlijn. In 1879 huwde hij een rijke vrouw. Tien jaar later scheidde hij van haar, zonder overigens aanspraak te maken op haar geld. Hij hertrouwde in 1892 in Londen met een eveneens rijke vrouw. In1899 publiceerde hij de autobiografsche roman Roeping. Winfried's verhaal uit den polder (Amsterdam: C.A.J. van Dishoeck). Naar aanleiding van dit boek, noemde Willem Kloos hem een leerling van M. 'met een eigen cachet' (Nieuwere literatuurgeschiedenis. Amsterdam, 1905, dl. III, p. 159). Zürcher was een bijzonder man, hij zou vijftien talen spreken, maakte naam als schilder en liet bij zijn dood ca. 150 schilderijen na.

Hij was een groot vriend en bewonderaar van M. In juli 1880 logeerde hij twee dagen bij M. en Mimi (VW XX, p. 477). Na afloop van zijn bezoek bood hij M. geld om de villa *'Auf der Steig' in Nieder-Ingelheim te kopen. Hij schonk hem 14000 mark (brief van M. aan J.A. Roessingh van Itterson d.d. 11 oktober 1880, VW XX, p. 513). In 1882 is Zürcher één van de initiatiefnemers van het *Huldeblijk. Behalve een huis schonk Zürcher M. ook regelmatig boeken. Direct na M.'s overlijden reisde Zürcher samen met Willem Paap naar Nieder-Ingelheim. Zij waren niet aanwezig bij de crematie, hetgeen vermoedelijk verband hield met het in veiligheid brengen van M.'s brieven en manuscripten (*Paap). Diezelfde maand schreef hij over M.'s dood in Het Nieuws van den Dag (25 februari). In een brief aan Marie Berdenis van Berlekom van 13 mei 1886 schrijft M. over Zürcher: 'Kent ge hem, d.h. als kunstkritikus? Hy behandelde in 't "Nieuws v.d. D." herhaaldelyk de tentoonstellingen in Arti, en onlangs gaf hy in dat blad z'n 1e artikel over den Salon (schilderyentent. st.) in de Louvre. Universeeler man heb ik nooit gezien. Hy spreekt maleisch als 'n Bataviaan, zonder ooit in Indie geweest te zyn. Hy teekent, schildert, portretteert. (...) Hy componeert. (...) Hy spreekt italiaansch, voor zoover ik er over kan oordeelen, zeer goed. Hy doet aan latyn, grieksch, hebreeuwsch, gotisch, keltisch en nog meer.

Hy heeft m'n Vorstenschool in duitsche verzen vertaald. (Die ik niet mooi vind. Maar ze zyn zachts zoo goed als veel verzen die door anderen wèl mooi worden gevonden.) En by dat alles is hy tegenover my ten minste, zoo kinderlyk zacht en inschikkdyk - ik ben soms lastig, weet je - dat ik er puur verlegen mee ben.' (VW XXIII, p. 594).

Zijn, het, Het zijn liegt niet: 'Wie de wetten van het zyn nagaat - ik gebruik hier 't woord: wetten by benadering: er is geen: opdat, alles is: omdat! - zeilt den stroom der vooroordelen dood.' (Idee 575, VW IV, p. 332). De *fysica vormt het 'ware geneesmiddel tegen het verbranden van oude vrouwtjes en het bouwen van malle torens' (Idee 577, VW IV, p. 333). 'Het zyn liegt niet' is ook het motto van Idee 899, dat opent met de woorden: 'Het is onze plicht de kluisters der biologie te verbreken.'(VW IV, p. 636).

In de bijbel is op zeer veel plaatsen de ware betekenis van het 'symbool Jehovah' bewaard gebleven, betoogt M. vervolgens in Idee 900: 'Men zou een lange lyst kunnen maken van al de eigenschappen die aan 'n persoonlyken God worden toegeschreven, en die volkomen van toepassing zyn op de vervoeging van het werkwoord Zyn. Eeuwigheid, Onkreukbaarheid, Rechtvaardigheid, Alomtegenwoordigheid, Waarheid, Almacht, Alwetendheid... we vinden dat alles in den aard der dingen, in het [Grieks 'pan'), het alles waarmee de Grieken de Natuur trachtten aan te duiden.' (VW IV, p. 637)