Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

W

Waarheen?, 'Een woord aan de lezers van Max Havelaar', titel van een brochure van W.H. uit 1860. In hetzelfde jaar verscheen een tweede druk, eveneens bij P. Engels te Leiden. De schrijver prijst de Max Havelaar als een meesterlijk werk, maar komt in het geweer tegen de oproer die M. zijns inziens predikt. Hij meent dat deze in vertrouwen aan de koning had moeten schrijven. De politieke strekking van de Max Havelaar wordt door hem echter afgekeurd.

Waarheid, Op vele plaatsen in zijn werk predikt M. het streven naar waarheid: 'Het vinden der waarheid - dat is: het naderen tot waarheid - zou niet zoo moeilyk wezen, als we minder lafhartig waren. In vele gevallen durven wy niet weten wat waar is.' (Idee 143, VW II, p. 377). In Idee 263 schrijft hij: 'Er is niets poëtischer dan de waarheid. wie dáárin geen poëzie vindt, zal steeds een pover poëetje blyven daarbuiten.' (VW II, p. 464)

Het zoeken naar waarheid is een belangrijk thema in de eerste bundel Ideën, die als volgt opent: 'Wees door de Natuur bedeeld met zucht naar kennis... maak van 't streven naar waarheid uw hoofddoel, uw enig doel... offer alles op aan dat streven...' (VW II, p. 309). In deze bundel handelen ook de Ideën 79-83 (VW II, p. 326-327) en Idee 94 (VW II, p. 330) over waarheid. E'n van M.'s vele grieven tegen de christenen is dat zij de waarheid 'vervelend' maken (Idee 82, VW II, p. 327). Idee 94 luidt: 'Iets kan maar éénmaal geschieden. Iets kan worden opgevat, overgebracht, verhaald, beschreven, op oneindig veel wyzen. Daarom: leugen: waarheid = oneindigheid: één. 't Is mogelyk dat iets niet geschied is. Toch kan 't worden verzonnen, overgebracht, verhaald, beschreven, op oneindig veel wyzen. Dan is 't nog erger: 1 : w = oneindigheid : nul. Die verhoudingen zyn om van te schrikken. Er komen waarachtig kemelvellen te kort.' (VW II, p. 330)

Reeds in zijn verantwoording van het beleid te Natal schreef M. op 3 oktober 1843 generaal Michiels n.a.v. de prauwverhuur: 'Indien er bepalingen bestaan, die de verzaking der waarheid vorderen, dan zijn dezelve voor mij van geene kracht. Ik acht de waarheid hooger dan het Staatsblad en geef openlijk deze verklaring, ook al zoude mijne ongeschiktheid tot ambtenaar als een onmiddelijk gevolg dier verzekering beschouwd worden.' (VW VIII, p. 320)

Op 9 augustus 1863 schrijft hij aan Mimi: 'Ik heb heel verkeerd gedaan je gister zoo brusque te schryven. Eigenlyk komt dat nooit te pas. En toch beloof ik geen beterschap. Ik hecht er aan altyd precies te schryven zoo als ik dat op 't ogenblik voel, al weet ik dat je 't leelyk vindt. Waarheid bovenal. Ik verlies je liever om 'n waarheid, dan dat ik je zou behouden door 'n leugen of 'n halve leugen zelfs.' (VW XI, p. 213)

*leugen

Waltman Jr., Jan, 1839-1891, uitgever en eigenaar van een technische boekhandel en drukkerij te

Delft. In 1881 associeerde hij zich met J. Muusses te Purmerend; de firmanaam werd *J. Muusses & Co. In 1889 werd de firma ontbonden, waarbij het Multatuli-fonds overging naar Muusses. Waltman Jr. werd rond 1870 door de Delftse student *Van Plettenberg benaderd met het verzoek werk van M. uit te gaan geven. Bij Waltman Jr. verschenen vanaf 1870 achtereenvolgens M.'s Nog-eens: Vrye-Arbeid in Nederlandsch-Indië, Duizend-en-eenige Hoofdstukken over Specialiteiten en de Millioenen-studiën.

Aanvankelijk wilde hij alleen via Van Plettenberg met M. omgaan, biechte hij enkele weken na M.'s dood aan Mimi op (brief van 24 maart 1887, VW XXIV, p. 354). Maar er was al snel sprake van wederzijdse sympathie, die resulteerde in een uitvoerige briefwisseling, die tot 1884 zou gaan duren. Van deze correspondentie zijn alleen M.'s brieven bewaard gebleven. Op 15 augustus 1876 logeerde Waltman Jr. enkele dagen bij M. in Wiesbaden (VW XVIII, p. 441).

Toen de uitgave van M.'s werk werd overgenomen door de firma Muusses & Co, schreef M. Waltman Jr. op 20 oktober 1881 dat hij 'nooit iets anders dan goeds' van hem ondervonden had (VW XXI, p. 490).

Na de associatie met Muusses in 1881 bleef Waltman Jr. het contact met M. over herdrukken van diens werk onderhouden.

Wawelaar, dominee, getekend als type van de predikant in de Max Havelaar. Droogstoppel geeft passages uit één van diens preken weer (negende hoofdstuk, VW I, p. 126-131; *Noach). Dominee Wawelaar hield deze preek in een bidstond voor het bekeren van de heidenen (VW I, p. 124). Het was, aldus Wawelaar, de roeping van Israël om de bewoners van Kanaän uit te roeien. De roeping van Nederland is om de heidenen te bekeren, die anders 'op de eilanden des Indischen Oceaans' verdoemd zijn. Hij schildert uitvoerig wat dat inhoudt: '"(...) Hoort ge niet - ja, gy hoort het, want uit de voorgelezen tekstwoorden hebt gy gezien dat uw God is een machtig God, en een God der gerechte wrake - ja, gy hoort het gekraak der beenderen en het geknetter

der vlammen in het eeuwige Gehenna waar weninge is en tandengeknars! Dáár, dáár branden zy, en vergaan niet, want eeuwig is de straffe! Dáár lekt de vlam met nooit voldane tong aan de gillende slachtoffers van het ongeloof? Dáár sterft de worm niet, die hun harten dóór en dóór knaagt, zonder ooit die te vernietigen, opdat er steeds een hart te knagen overblyve in de borst van den Godverzaker! Ziet, hoe men het zwarte vel afstroopt van het ongedoopte kind dat, nauwelyks geboren, werd weggeslingerd van de borst der moeder, in den poel der eeuwige verdoemenis..." Toen viel er een juffrouw flauw.' (VW I, p. 127-128) Het is de plicht van Nederland 'beschaving, godsdienst, Christendom, aan den verdoolden Javaan' te brengen. De Javaan moet door arbeid tot God worden gebracht. Verder wees Wawelaar de toehoorders op hun verdere plichten, zoals het geven van ruime bijdragen aan de zending, het ondersteunen van bijbelgenootschappen, het schrijven van preken en gezangen voor de Javanen (VW I, p. 128-129).

Frits Droogstoppel gaat op katechesatie bij dominee Wawelaar. Deze klaagt over Frits' verwaandheid: hij stelt te veel vragen. Volgens zijn vader is dit te wijten aan de 'neuswyzigheid' die hij uit het *pak van Sjaalman haalde. Droogstoppel vertelt hoe Wawelaar bij hem thuis kwam om Frits te waarschuwen (VW I, p. 228-229). De vragen die Frits toen stelde, werden in de eerste uitgave van de Max Havelaar door *J. van Lennep geschrapt. *Ds. Francken kwam op tegen de typering van ds. Wawelaar.

Welzijn des volks, behandeld in Idee 451 (VW III, p. 74-78), waarin M. zich als één van de eerste schrijvers bezighoudt met de sociale kwestie. Dit Idee is gebaseerd op een lange brief aan M.'s vriend en industriëel *J.C.P. Hotz van januari 1864 (VW XI, p. 255-287). Het pleidooi in Idee 451 is gegoten in de vorm van een brief aan een 'amice' en is gedateerd 19 januari 1864. M. betoogt hierin dat er zeer veel ontbreekt aan het welzij n van het volk: aan de 'zedelyken', de 'verstandelyken' en aan de 'stoffelyken' toestand.

Hij verdeelt zijn betoog dan ook in deze drie onderdelen en behandelt achtereenvolgens de morele, intellectuele en materiële tekortkomingen. Deze tekortkomingen zijn 'voor een groot deel [...] toe te schryven aan verkeerdheden in de Staatsinrichting', luidt zijn tweede stelling. 'Welk nut heeft het Volk getrokken van de Franse revolutie, als de plaats der ci-devants overal wordt ingenomen door ander canaille?' (VW III, p. 89). 'Ik erken dat de lamzalige onderdanigheid van middelstand en armen my meer stuit dan de trots der anderen' (VW III, p. 89-90; *standsverschillen).

De godsdienst speelt in de maatschappij 'een ellendige hoofdrol'. (VW III, p. 93). Hoe meer inrichtingen van liefdadigheid, hoe lager de algemene welvaart en zedelijkheid *liefdadigheid.

Voor het laatste onderdeel, de materiële toestand, maakt hij gebruik van Les Ouvriers Européens van de Franse auteur *Le Play, waarna hij ingaat op de situatie in eigen land: 'Wy beklagen hier den werkman, niet omdat-i verstoken is van Oosterse pracht, van Paryse verfyning... 't is hier om vlees te doen, om vlees dat in zyn weiden groeit. Vlees van de runderen die hy ziet grazen, die hy loeien hoort in 't veld. Vlees, dat-i ziet te koop hangen in de winkels der slachters. Vlees, dat-i ziet wegvoeren naar Engeland... Vlees, dat hy overal ziet of waarneemt... behalve op zyn tafel, behalve op zyn schotel, behalve in zyn maag.' (VW III, p. 114)

De Nederlandse arbeider heeft het in feite slechter dan een slaaf (*slavernij). Als bewijs voor zijn stellingen publiceert hij de *begroting van een Hollands huisgezin van *Klaas Ris, waaraan hij toevoegt: 'Later hoop ik er meer te publiceren, en ik zal ze den Koning voorleggen, opdat hy wete hoe de arme drommels gevoed worden, die zo schreeuwen en geestdriften, als hy Amsterdam bezoekt. Kan de Koning 't helpen... vraagt ge? Dat beweer ik niet. Maar wel beweer ik, dat een koning zulke dingen weten moet, en dat de ministers behoren weggejaagd te worden, die hem onkundig laten van den toestand des Volks.' (VW III, p. 121)

De belangen van de armen worden niet vertegenwoordigd in de Kamer, stelt hij verder: 'Hoe zal de mishandelde arme zich doen horen? Dáárvoor zal ik optreden. En dit schryven is een begin. De arme wordt niet vertegenwoordigd? Welnu, van heden af, ben ik de vertegenwoordiger van dien arme. De Regering draagt geen kennis van de behoeften des Volks? Ik zal haar die behoeften doen kennen.' (VW III, p. 141)

Het ware te wensen, dat er in buiten Kamer 'een vlees-party' opstond, 'die - god bewaar ons! - later in de geschiedenis den naam zal dragen van kaas- en broodvolk. Zoals we dat meer zagen gebeuren, en zullen zien gebeuren, omdat het ligt in den almachtigen aard der dingen.' (VW III, p. 143). Vrije en algemene verkiezingen zijn noodzakelijk om verandering in de situatie te brengen, afschaffing van het censuskiesrecht en kiesrecht voor vrouwen (VW III, p. 144).

*smeer *troonrede *vaderlandsliefde

Wiesbaden, vroegere hoofdstad van het hertogdom Nassau, met in 1870 ca. 30.000 inwoners, woonplaats van M. en Mimi vanaf najaar 1870. Vanaf 1 november woonden zij er op de Schillerplatz 4 (mededeling Mimi, VW XIV, p. 218), in het najaar van 1873 verhuisden ze naar de Geisbergerstrasse 12, in 1874 betrokken ze een huis aan de Schwalbacherstrasse 9a (*Bredasche Courant), in oktober 1877 vertrokken ze naar de Dotzheimerstrasse. Op 5 augustus 1879 vertrokken ze naar Geisenheim, om zich tenslotte in 1880 te Nieder-Ingelheim te vestigen. Te Wiesbaden schreef DD. zijn Millioenen-studiën, Nog-eens: Vrije Arbeid, Duizend-en-eenige hoofdstukken over Specialiteiten en de laatste vijf bundels Ideën. In de gevel van het huis aan de Dotzheimerstrasse werd in1933 een gedenksteen aangebracht. De spreekster bij de onthulling was Maria Anderson, echtgenote van Friedrich Anderson, de zoon van *Marie Anderson. *Sonneberg *Rambach *Adolfshöhe (Lit. B. Dongelmans, 'Een wandeling met Multatuli', in: Over Multatuli, 1988, nr. 20, p. 5-13; S. Kalff, 'Multatuli's laatste woonplaats (Nieder-lngelheim en omstreken)', in: De aarde en haar volken, 1902, p. 12-16)

Willem III, 1817-1890, zoon van Willem II en Anna Pauwlona, sedert 1849 koning der Nederlanden, hield zich aan de parlementaire regeringsvorm en liet dus de verantwoordelijkheid voor de regeringsdaden over aan de ministers.

Op hem deed M. een beroep aan het slot van de Max Havelaar: 'Want aan U draag ik myn boek op, Willem den Derde, Koning, Groothertog, Prins... meer dan Prins, Groothertog en Koning... KEIZER van het prachtig ryk van INSULINDE dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd... Aan U durf ik met vertrouwen vragen of het uw Keizerlyke wil is: Dat de Havelaars worden bespat door den modder van Slymeringen en Droogstoppels? En dat daar-ginds Uw meer dan dertig millioenen onderdanen worden MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN UWEN NAAM?' (VW I, p. 294)

Antwoord kreeg hij niet, de koning hield zich waarschijnlijk met belangrijker zaken bezig dan 'rechtdoen en 't behouden van Insulinde voor Nederland' aldus schrijft M. in noot 178-179 (VW I, p. 375) uit 1875 bij deze slotwoorden. Hij verzoekt zijn uitgever G.L. Funke in 1875 een exemplaar van de nieuwe (vierde) druk aan de koning de sturen, al gelooft hij er niet in dat de koning het boek in handen zal krijgen (31 oktober 1875, VW XVIII, p. 62). Funke belooft het zo te regelen dat het boek op een zaterdagavond verstuurd wordt, zodat de koning het op zondag in handen kan krijgen. Op die dag is de kans het geringst dat het door iemand kan worden weggemoffeld (1 november 1875, VW XVIII, p. 65). Zowel in het slot van Pruisen en Nederland (VW IV, p. 89-90) als in zijn 'Brief aan den Koning' (VW V, p. 683; *Brief aan den Koning 4) roept M. de koning op parlement en kabinet terzijde te stellen en zelfstandig 'het Nederlandse volk' voor vreemde overheersing te behoeden (*koning).

Dat men in het personage koning George uit Vorstenschool een persiflage op Willem III meende te zien, heeft M. steeds bestreden (*Vorstenschool). Hij schrijft hierover bijv. op 15 maart 1872 aan Funke: 'Dit beduidt geenszins dat ik iets schryf tegen Willem III. Dat zal ik uitdrukkelyk verklaren. Ik houd hem voor veel beter dan men meent. Maar hy kán niet! Myn V.S. is in géén opzigt Chr. Scand. [chronique scandaleuse). Dat haat ik! 't Is van algemeene strekking. Ik zal 't zeggen.' (VW XV, p. 133)

Een felle ontkenning hiervan vinden we ook in zijn brief aan J.N. van Hall van 2 november 1874 (VW XVII, p. 74). Op 14 juli 1876 is hij aanzienlijk minder positief over de koning: 'Ik ben zeer ingenomen tegen Willem III, en acht hem tot het laagste in staat, dus ook tot medewerking aan den moord der De Witten. Ik begryp niet hoe iemand de voorbereiding tot het onttroonen van Jakob kan, zonder afschuw te voelen voor dien intrigant en z'n harteloos wyf. Jakob was toch haar vader! En dat dekmanteltje van yver voor 't ware geloof?' (VW XVIII, p. 411)

(Lit. H.H.J. de Leeuwe, 'Douwes Dekker, Willem III en Koningin Sophie', in: Over Multatuli, 1986, nr. 17, p. 127)

Wintgens, Willem, 1818-1895, geb. te Den Haag, studeerde rechten te Leiden en vestigde zich in 1838 na zijn promotie in zijn geboorteplaats. Van 1848 tot 1885 was hij vrijwel onafgebroken lid van de Tweede Kamer, van 4 januari tot 4 juni 1868 was hij minister van Justitie in het kabinet Van Zuylen van Nijevelt. Toen hem door enkele Kamerleden partijdigheid werd verweten, bood hij zijn ontslag aan.

Zijn redevoeringen in de Tweede Kamer werden in 1866 onder de titel Conservatieve koloniale politiek gepubliceerd. In 1870 verscheen van zijn hand De pligt van Nederland jegens eigene zelfstandigheid en Java's nationaliteit en in 1886 Politieke nabetrachting. In Over vryen arbeid (geschreven in december 1861 januari 1862) schrijft M. over Wintgens: 'Ik verklaar overigens my geheel te verenigen met de opinie van den heer Wintgens, die de vraag deed: of niet de ergste Droogstoppels de zogenaamde vry-arbeiders waren, wyl ze den Javaan meer rechtstreeks uitzuigen dan hun confraters op de Lauriergracht? Ik zeg volmondig ja op die vraag. maar ik constateer tevens dat de heer Wintgens, door zyn superlatieven gradus - "of dat niet de ergste Droogstoppels waren?"- zich beweegt in den omtrek der paragrafen onzer schoolboekjes, waar boven stond: "over de trappen van vergelyking" en dat hier dus maar sprake is van wat meer of min droogstoppelig...' (VW II, p. 203)

N.a.v. Wintgens' rede in december 1862 in de Tweede Kamer, schrijft M. hem een brief. Er volgde een briefwisseling, die tot 1873 zou gaan duren. In zijn eerste brief van 5-6 december prijst M. Wintgens' rede en verzoekt hem de regering te vragen 'wat er gedaan is tot schadeloosstelling der slagtoffers van de gruwelen die ik schetste in den "Max Havelaar", en welke maatregelen er thans worden toegepast om dergelijke misbruiken in den vervolge te voor- komen' (VW X, p. 708). Onder verantwoordelijkheid van Wintgens als minister van Justitie werd M. op januari 1868 bij koninklijk besluit gratie verleend ondanks het afwijzende advies van de rechtbank (VW XII, p. 619; *klap).

Op 30 november 1871 vormt wederorn een redevoering van Wintgens, de aanleiding voor M. om hen schrijven. Hij prijst Wintgens' 'Philippica' en vervolgt: 'Hoe dit zy, ik ben zoo vry U te vragen, of 't U aangenaam wezen zoude zeer ernstig werk te maken van radicale verandering in den geest die ons regeert, en zoo ja, of ik daaraan kan meˆhelpen?' (VW XIV, p. 633-634)

Wintgens antwoordt dat zijn redevoering geheel tegen Thorbecke gericht was, maar dat die er niet op heeft gereageerd (3 december 1871, VW XIV, p. 635).

In zijn volgende brief schrijft M. hem: 'Nog altyd betreur ik de aftreding van het Ministerie Heemskerk-Wintgens, Hasselman! Waarlyk toen ware er iets te doen geweest, iets rationeels te pogen althans, mits, mits - ja, er zyn mitsen die ik niet beoordelen, kan. De Koning had moeten meˆhelpen. Ik was in die dagen gereed met een beroep op het volk, om U een andere Kamer te bezorgen!' (5 december 1871, VW XIV p. 637)

ln Idee 1023 beschuldigt M. Wintgens, naar hij later in Idee 1050a (VW VI, p. 446) aangeeft, ten onrechte van plagiaat. Wintgens had nl. in een redevoering de woorden 'als Kunst geen Regeringszaak is, zouden we tot het besluit komen dat Regeren geen kunst is' gesproken (VW VI, p. 312).

Wira Koesoemo, Raden, geb. ca. 1814, schoonzoon van de regent van Lebak, districtshoofd (demang) van Parang Koedjang. Hij knevelde de bevolking, lezen we in de Max Havelaar (VW I, p. 110, 117, 258, 262 en 333) DD.'s voorganger *Carolus klaagde regelmatig over zijn gedrag, o.a. in een missive van zo augustus 1855 aan aan de resident van Bantam (VW IX p. 459). DD. beschuldigde hem van de vergiftiging van Carolus. Na een onderzoek naar de knevelarijen door *Brest van Kempen (verslag 20 september 1856 VW IX, p. 641-654), werd hij op 11 december 1856 ontslagen door gouverneur-generaal Pahud (VW IX, p. 671-674). DD. verkeerde in de veronderstelling dat Wira Koesoemo pas in 1860 ontslagen werd (aantekening bij de Max Havelaar, VW I, p. 365). Zijn conduite-staat is afgedrukt in Frits Jaquet & Rob Nieuwenhuys, 'De tienduizend buffels van Max Havelaar', in: Het oog in 't zeil (jrg. 6, 1988, nr. 1 p. 1-9).

Wiskunde, is 'in genen dele een zogenaamd droog vak', schrijft M. in Idee 599 (VW IV, p. 350). In Idee 600 vervolgt hij: 'Het weinig dat ik er van weet, was me steeds een der rykste en zuiverste bronnen van poëzie. Aan de inspanning om waarheid te zoeken op het terrein van exakte wetenschap, heb ik de heerlykste ogenblikken van m'n leven te danken, en de kracht die my tot nog toe staande hield. Ik noem niemand een dichter, die dit niet begrypt. Men versta my wel. Ik beweer niet dat de beoefening der wiskunde iemand tot poëet maakt - in hogen zin altyd. Verzenmaken heeft hiermee niets, totaal niets uit te staan - ik beweer dat een dichter poëzie vindt in wiskunde, en van de beste soort! Eigenlyke mathematici - vakmensen - zyn zelden dichters, en dit hebben ze gemeen met de vele anderen die zich gewoonlyk niet aan wiskunde te buiten gaan.' (VW IV, p. 350)

In Idee 532 schrijft hij zich te hebben beziggehouden met 'wiskunstige waarheden (...) over de eigenschappen der dusgenoemd-identieke vergelykingen en der kwadraatgetallen'. Hij heeft 'middel gevonden om bekende waarheden helderder voor te stellen'. Graag zou hij zich belast zien met het onderricht in mathesis en algebra, maar het ontbreekt hem aan loisir (VW III, p. 360-361). Uit de periode waarin dit Idee werd geschreven, nl. eind 1864 - begin 1865, is een brief van M. aan Mimi bewaard, waarin een soort geometrische benaderingswijze voor de bepaling van wortels wordt gegeven (september 1864, VW XXIV, p. 609-611). Ook in het memoriaal (ca. 1870; VW XXIV, p. 730-734) zijn, omgeven door meerdere onduidelijke wiskundige aantekeningen, kwadraat- en wortelberekingen te vinden.

*Pythagoras

Wolff en Deken, nl. Betje Wolff (geb. Bekker, 1738-1804) en Aagje Deken (1741-1804), de auteurs van de romans in brieven De historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart (1782), Willem Leevend (1784-1785) en Cornelia Wildschut (1793-1796). In 1787-1789 publiceerden zij Brieven aan Abraham Blankaart (*Blankaart). Na het overlijden van Betje Wolffs man, predikant te Beemster, trok Aagje Deken bij haar in. Aanvankelijk woonden ze in de Beemster in De Rijp, in 1781 verhuisden ze naar Beverwijk, waar zij het buiten Lommerlust betrokken. Na de intocht van het Pruisische leger weken ze uit naar Frankrijk; in 1797 vestigden ze zich in Den Haag.

'Toen ik in de Beemster logeerde by de juffrouwen Wolff en Deken,' schrijft Fancy aan Tine in de Minnebrieven, 'waren de mensen nog dommer dan uw zeer, zeer domme Max' (VW II, p. 57).

In één van zijn verlovingsbrieven aan Tine citeert M. uit een werk van Wolff en Deken: 'Vele minnaars, man geworden zijnde, nemen niet eens de moeite hunne gebreken te verbergen'. Hij vervolgt: 'lk had echter te veel achting voor de verstandige deugdzame schrijfsters van die woorden (Wolf en Deken) om het zoo terstond te verwerpen, en ik heb er het volgende op gevonden, hetgeen geloof ik de ware bedoeling is. (...) Wanneer men dit nu toepast op het huwelijk zoude men vóór het aangaan daarvan de gebreken moeten toonen en later, als de waren geleverd zijn zoude het pligt wezen zich zoo goed mogelijk voor te doen.' (17 december 1845, VW VIII, p. 586)

De stof voor Sara Burgerhart ontleenden de schrijfsters aan het maatschappelijk leven van hun tijd; het verhaal speelt zich af in de Amsterdamse koopmanswereld. Het boek is een typisch produkt van de Verlichting met haar rationalistisch-pedagogische tendensen.

In de Minnebrieven vergelijkt Fancy zich met Sara Burgerhart (VW II, p. 57). M. rekent dit boek samen met Wolff en Dekens roman Willem Leevend tot de * "Verstand- en Hart-" litteratuur. In Idee 1237 gebruikt hij Sara Burgerhart als bewijsvoering voor de invloed 'dien de nauwe onderlinge aanraking met buurtgenoten uitoefenden op meningen, zeden en ontwikkeling': 'Men lette slechts op de rol die in de Sara Burgerhart wordt gespeeld door 't geding: Warmoesstraat versus Keizersgracht. Het is mogelyk dat de juffrouwen Wolff en Deken hierin enigszins anachroniseerden, en voor heden namen wat reeds in haar tyd nagenoeg gister was, doch dat 'n dusdanig mededingerschap bestaan heeft, kan men voor zeker houden.' (VW VII, p. 455)

In een brief aan C. Busken Huet d.d. 4 september 1866 schrijft M. dat hij Sara Burgerhart 'anders

graag lyden mag', maar dat de 'plompe moraal' van het boek hem ergert (VW XI, p. 678). In een noot hij Idee 1078 citeert hij enkele regels uit Cornelia Wildschut. De portrettering van de z.i. bijzonder geslaagde karaktertekening van Cornelia's moeder, schrijft hij op het conto van Aagje Deken, waarna hij zich verbaasd afvraagt 'Hoe iemand die in staat bleek, dát portret te leveren, haar naam kon lenen tot meestempelen van 't gehele werk, is my 'n raadsel! Aagje, Aagje, waarom niet op eigen wieken gedreven?' (VW VI, p. 753). *humor

Wouter, d.i. E.W. Bernhold, geb. 25 januari 1876 te Sulzheim in Beieren als Eduard Bermann, buitenechtelijk kind van de weduwe Adelheide K. von *Gugel-Bermann. Op 9 maart 1876 werd hij door zijn vader 'Herr Hauptman Eduard Bernhold' officiëel erkend.

Op 13 maart 1878 ontvangt M. in Leeuwarden, waar hij bij Vitus Bruinsma logeert i.v.m. zijn voordrachten, het bericht dat Mimi een kind heeft aangenomen. Hij telegrafeert haar terstond: 'Behalte das Kind in Gottes Namen' (VW XIX, p. 310). Hoewel hij aanvankelijk zijn bedenkingen heeft, is hij snel zeer enthousiast over 'Wouter' zoals Mimi de jongen inmiddels gedoopt heeft. Zo schrijft hij op 18 juni 1883 J.M. Haspels onder meer: 'de kleine Wouter (nu 7 1/2) jaar) brengt ons veel geluk aan. Hij is inderdaad 'n aardige jongen. Dat de noodige dosis ondeugendheid niet ontbreekt, spreekt vanzelf. Dat hoort er by. Zooveel mogelyk geven wy M en ik hem onderwys in huis, maar 2 maal in de week moet hy een duitschen meester hebben, omdat we hem anders naar de school zenden moeten. (leerplicht!) (...) Aan den anderen kant is 't zeker niet goed voor 'n kind, geen wryving met andere kinderen te hebben. Hy loopt gevaar, te veel optegroeien als moeders kindje.' (VW XXII, p. 629-630)

Wouter is later naar Indië vertrokken (Semarang, Java); hij overleefde de bezetting, maar overleed in augustus 1945 aan de gevolgen van mishandeling door republikeinse Indonesiërs.

(Lit. W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987, p. 233-236)

Woutergeschiedenis, een vertelling van M., waarin Wouter (Woutertje) Pieterse hoofdpersonage is. M. was met dit verhaal, dat oorspronkelijk 'Fancy' getiteld zou worden, reeds in 1860 - dus kort na de voltooiing van de Max Havelaar - te Brussel begonnen (cf. VW X, p. 211, 218-221). Van voortzetting kwam voorlopig niets, de kopij bleef in portefeuille en werd pas twee jaar later verwerkt in de *Ideën.

Het verhaal liep als een feuilleton door verschillende afleveringen van de Ideën en werd pas in 1890 door Mimi afzonderlijk uitgegeven onder de titel De geschiedenis van Woutertje Pieterse. De hoofdstukken lopen vaak door in verschillende Ideën en zijn van de andere Ideën onderscheiden door een veelal uitvoerig opschrift. In de eerste twee bundels (1862-1865) komt de geschiedenis regelmatig terug, in de vijfde, zesde en zevende bundel (1873-1877) neemt het verhaal de meeste ruimte in. De geschiedenis is onvoltooid gebleven, aangezien M. na 1877 geen nieuw werk meer voortbracht.

De geschiedenis wordt ingeleid in Idee 361, waarin M. uitvaart tegen de god van zijn jeugd. Aan het begin en aan het eind van dit Idee roept hij uit 'Wat poëzie, myn God, opdat ik niet verga van walging, over zoveel walglyks óm my!' (VW II, p. 523): 'Gy zoudt uw armen niet zo vadsig kruisen, als ging 't heelal, uw maaksel, u niet aan? Ge zyt daar niet, nietwaar? Als gy daar waart, ge zoudt van tyd tot tyd uw vuist verheffen, en die dondrend neerslaan op 't verrot gebouw, dat zich een maatschappy noemt hier beneden. (...) Ik werk, en sloof, en tob, met weinig kracht, en in uw traagheid ligt 'n almacht braak! Dat is toch jammer van zo'n almacht, vindt ge niet? (...) Maar toch, al zaagt ge 'r niet beminlyk uit, toch voelde ik eerbied, vrees, of wat het zy... iets voelde ik, toen de baker my berispte, omdat ik vroeg of ze u gekend had zonder baard, en of gy jong geweest waart als een ander? Dat was verboden vragen, zei me 't mens, en 'k zou verdoemd zyn, als ik 't weer vroeg, dacht ze.' (VW II, p. 523-524)

Het Idee eindigt met 'Lieve Fancy, wilt ge my een sprookje vóórzeggen?', waarna het eerste opschrift volgt: 'CHRONOLOGISCH-archaelogisch onderzoek naar den oorsprong dezer geschiedenis, en van den naam der Hartenstraat. Over Poëzie in 'n stad wier naam uitgaat op dam. Ongeneeslyke liefde, en vlechten van vals haar. De held van deze historie verdedigd tegen 't vermoeden van misdaad. Apothéose van Glorioso. 't Gevaar van den roem, en de veiligheid van 't bovenste plankje. De geduldige Kat van vader *Van Alphen, die nooit zoveel geduld nodig had - ik meen de Kat - als de kinderen die z'n versjes moesten leren - de versjes van Van Alphen, meen ik - en als martelaars van de ouderlyke ydelheid, die ze moesten aanhoren.' (VW II, p. 525)

In deze geschiedenis schetst M. de ontwikkeling van de kleine Wouter die met zijn gevoelige en dichterlijke geest voortdurend in botsing komt met zijn klein-burgerlijke omgeving. Wouter droomt van *Femke, leest *Glorioso, levert voor Meester *Pennewip en anderen onthutsende gedichten (*Roverslied), ontmoet *Juffrouw Laps, brengt *Juffrouw Pieterse tot wanhoop, loopt in de val van de *Hallemannetjes d.z.b.f.w., gaat in de handel bij de heren *Ouwetyd & Kopperlith en ervaart de hem vreemde wereld van de familie *Holsma en de *naast-by-liggende plicht. In een noot (1872) bij het begin van de Woutergeschiedenis schrijft M. dat zijn voornemen was in 'de "Wouter" een schets te geven van den stryd tussen laag en hoog, tussen zielenadel en ploertery. Wouter is een nieuwe - en betere! - Faust, een Don Quichot naar den geest'. In 1879 voegt hij hier in een noot aan toe dat 'De door sommigen geopperde mening dat de Wouter-geschiedenis myn biografie wezen zou, (...) bespottelyk van ongerymdheid [is].' (VW II, p. 715).

Toch gaf hij zelf aan dat hij meer dan eens gebruik maakte van zij n eigen belevenissen, en bewust de handeling ca. 50 jaar eerder dan zijn eigen jeugd plaatst (brief aan Mimi d.d. 21 augustus 1864, VW XI, p. 368). In zijn memoriaal van september-oktober 1852 staan bijv. in de lijst van tijdens het verlof te bezoeken personen, de namen Strootman, Gilkens en Stijntje genoemd. P. van 't Veer noemt de namen van de personages Schlossmann, Wilkens en Sientje uit de Woutertje te veel gelijkend om toeval te zijn (Het leven van Multatuli, 1979, p. 18 en p. 442).

In een brief aan G.L. Funke d.d. 14 juli 1873 schrijft M.: 'Myn program van Wouter was precies wat Lamartine zei op blz. 207-210 van z'n Heloïse & Abelard uitgaaf 1864 Michel Levy frères. Ik (Mimi) vond die passage 'n paar maanden geleden, en wy waren beiden verbaasd (...) Mocht ik sterven, publiceer gy dan die bladzyden en getuig dat ik ze eerst voor 'n paar maanden onder de oogen kreeg toen ik iets opzocht over Heloïse. Ook vond ik 't niet, maar Mimi. En zy, m'n program kennende was er verbaasd van. Hy zegt letterlyk wat ik in m'n gemoed had!' (VW XVI, p. 93)

De passage bevindt zich in de studie over Milton: 'Als de dichters van de toekomst een heldendicht willen maken, dan moet dat zijn de geschiedenis van 't menselijk hart. Een groot gedicht, dat bij de wieg begint en bij 't graf eindigt, dat loopt langs alle lotswisselingen, dan eens gelukkig en dan weer ellendig, van een gewoon mensenleven, (...)'.

Op 16 september 1876 schrijft hij zijn uitgever over de 'stagnatie in Wouter', en legt de schuld daarvoor bij de 'V. Vlotens, en by de wys waarop de pogingen van derzulken by 't publiek worden opgenomen. Ze hebben m'n indrukken bedorven' (VW XVIII, p. 454: *J. van vloten). Kort daarna schrijft hij Idee 1252, waarin hij zijn verachting voor het publiek uit. Hij verklaart 'de keus te hebben tussen sterven en sprookjes-vertellen, sprookjes die toch niet begrepen worden.. welaan ik zal voortgaan. (...) Ik herhaal uitdrukkelyk dat ik de Woutergeschiedenis - of wat er dan verder volgen mag - alleen voortzet uit armoed.' (VW VII, p. 506).

De Woutergeschiedenis is later op onderling verschillende wijze opnieuw uit de Ideën verzameld

door J. van den Bergh van Eysinga-Elias (1920), N.A. Donkersloot (1938), G. Stuiveling (1950), H.A. Ett (1958) en Marijke Stapert-Eggen (1979). Er zijn drie Duitse vertalingen verschenen: in 1901 (tweemaal: door *Mischke en *Spohr), in 1955 door H. Bruck. Een Amerikaanse vertaling verscheen in 1904. Verder verschenen er vertalingen in het Hongaars (1964), Slowaaks (1954) en Tsjechisch (1953).

Wijnbergen, Everdina Huberta (baronesse) van, (Tine) 1819-1874, eerste vrouw van DD., van wie zij twee kinderen kreeg: Pieter Jan Constant Eduard (*Edu, 1 januari 1854, Amsterdam) en Elisabeth Agnes Everdine (*Nonnie, 1 juni 1857, Soerabaja). Tine werd geboren op 27 september 1819 te Antwerpen als dochter van C.F.J.P. van Wijnbergen en M.A. Fischer (over de familie van Tine: VW VIII, p. 459 e.v. kwartierstaat: VW VIII, p. 462-463; geboorte-acte: VW

VIII, p. 464). Zij had twee zusters, genaamd *Henriëtta Marie en *Sophia Louise. De adellijke titel van Tine en haar zusters is niet officieel geregistreerd. Enkele dagen na de geboorte van Sophia overleed hun moeder. Na de dood van hun vader in 1829 werden de meisjes opgevoed door hun grootmoeder, Everdina van Wijnbergen-Kleijnhoff en haar twee ongehuwd gebleven dochters, Everdina en Wilhelmina Carolina van Wijnbergen te Wageningen (*tantes). De familie was niet rijk. Op haar vijftiende jaar, in 1834, werd Tine bij Mej. Scheffer, kostschoolhouderes te Hasselt (Overijssel), geplaatst, waar ze voor haar hulp gratis onderdak en onderwijs zou ontvangen (J. Pee, Multatuli en de zijnen, 1937, p. 65; P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 174). Tine beschreef deze jaren later in een brief aan DD. als de 'beproevingsjaren' (cf. brief van DD. aan Tine d.d. 24-27 oktober 1845, VW VIII, p. 507). Zij bleef er tot zij met haar zuster in 1837 werd opgenomen in het gezin van haar neef en voogd *Jan Pieter van der Hucht. Met hem, zijn vrouw en acht kinderen en hun zwager C. Pen met vrouw en drie kinderen, ver-

trokken zij in 1845 naar Java, waar Van der Hucht een deel van het theeland *Parakan Salak ging exploiteren. Zijn broer, *Willem van der Hucht, had zich hier al in 1843 gevestigd en hij was het, die DD. verzocht om de zusters Wijnbergen in Batavia af te halen en naar de Preanger te begeleiden. Op 26 september 1845 verlooft Tine zich met DD. (*verlovingstijd) en op 10 april 1846 wordt het huwelijk voltrokken (VW VIII, p. 674-675; *huwelijk).

Na de gebeurtenissen in *Lebak in 1856, verbleef zij eerst bij haar zwager Jan Douwes Dekker te Rembang. Over haar laatste tijd op Java ontbreken de gegevens. In mei 1859 kwam zij met de kinderen naar Europa, waar zij in Luik haar man weer ontmoette. Ze verbleven tijdelijk in *Visé tot zij in augustus daar werden weggestuurd (*J.J.A. de Chateleux). Van daar vertrekt Everdine met de kinderen via Antwerpen eerste naar Rotterdam en vervolgens naar haar zuster Henriëtte te Den Haag. Haar zuster, inmiddels baronesse van Heeckeren tot Waliën (*Heeckeren tot Waliën), raadt haar aan te breken met DD. Tine weigert en vertrekt met ƒ 20,- op zak naar Jan Douwes Dekker in de Buthe bij Brummen.

Na DD.'s vertrek uit Indië zal zij nooit meer een 'normaal' huwelijks- of gezinsleven met haar man hebben. Haar man vertrekt naar Brussel, waar hij eind 1859 zijn Max Havelaar schrijft, met motto van Henry Pène opgedragen aan E.H.v.W. In de uitgave van 1875 laat hij dit veranderen in: 'Aan de diep vereerde nagedachtenis van Everdine huberte Baronnesse Van Wynbergen, der trouwe gade, der heldhaftige liefdevolle moeder, der edele vrouw' (VW I, p. 517).

'Tine', zoals zij in de Max Havelaar en in de Minnebrieven heet, woont vanaf 1860 met de kinderen in Brussel, veelal in zeer moeilijke omstandigheden. Daar moet zij echter vanwege grote schulden (*Willème) weer vertrekken en op 31 maart 1866 komt zij berooid in Amsterdam aan, waar zij haar intrek neemt op de zolderkamer van *d'Ablaing van Giessenburg.

In deze tijd nemen *J. van Vloten en anderen het initiatief op om haar en haar kinderen te steunen. Inmiddels had DD. sinds 1862 een verhouding met zijn latere vrouw *Mimi Hamminck 5chepel. Tine vat het plan op om naar Java terug te keren, maar vertrekt uiteindelijk naar haar vriendin *Stéphanie Omboni-Etzerodt in Milaan. Zij vindt er werk als gezelschapsdame en later als opzichteres op een kostschool te Padua. Vanuit Nederland ontvangt zij via *Potgieter regelmatig een broodnodige toelage.

In 1869 keert zij met haar kinderen naar Nederland terug, waar zij vanaf 22 februari tot mei 1870 met haar man en Mimi samenwoont (*ménage à trois) op de Zuidwestbinnensingel 18 in Den Haag. Eind mei 1870 vertrekt zij met de kinderen voorgoed naar Italië, waar zij haar intrek neemt bij Stéphanie te Padua. Ook nu ontvangt ze weer regelmatig geldelijke steun van Potgieter. In 1873 verhuist ze naar Venetië, waar Edu in dienst was getreden bij Blumenthal & Co. Op 13 september 1874 overlijdt zij te Venetië (VW XVI, p. 711-715). Edu vraagt zijn vader om geld voor de begrafenis, waarop deze hem ƒ 20,- stuurt en ook *G.L. Funke, *C. Vosmaer, *Mina Krüseman en *S.E.W. Roorda van Eysinga vraagt ook geld te zenden. Tot het laatst toe getuigen Tine's brieven aan haar man (en anderen) van grote liefde voor hem.

Op 18 januari 1874 schrijft zij nog aan Potgieter: 'Ja waarde heer Potgieter ik heb veel veel geleden, maar ik heb ook zeer veel geluk gehad en nog kan ik mij dikwijls niet begrijpen hoe ik melancolieke buijen hebben kan als ik mijne kinderen aanzie. en inweerwil van alles zou ik nog niet willen ruilen met die eentoonige niets beduidende levens van sommige menschen. en dat ik heb kunnen doen wat ik gedaan heb, dat ik de moed behouden heb, O! dat alles heb ik aan Dekker te danken, want hij heeft mij sterk gemaakt toen wij zeer gelukkig waren.' (VW XVI, p. 389)

M. karakteriseerde zijn 'Tine' in de Max Havelaar onder meer als volgt: 'Ik zeide dat ze niet schoon was, en toch wilde ik niet gaarne dat ge haar voor het tegendeel hieldt. Ik hoop dat ge haar schoon vinden zult, zodra ik gelegenheid zal hebben haar voor te stellen, gloeiend van verontwaardiging over wat zy de "miskenning van het genie" noemde, als haar Max in het spel was, of wanneer haar een denkbeeld bezielde, dat in verband stond met het welzyn van haar kind.' (VW I, p. 79)

'Want Havelaar wist zeer goed, dat hy alleen gefaald had door zyn te ver gedreven vrygevigheid, en dat haar fout - ls er dan een fout bestond aan haar zyde - alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor haar Max altyd alles had goedgekeurd wat hy deed. (...) Zy begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie vrykocht te Menado, die zo bitter bedroefd was te moeten stygen op de tafel des afslagers. Zy vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan de Alfoeren in de Minahassa, wier paarden waren doodgereden door de officieren van de Bayonnaise. Zy had er niet tegen dat hy te Menado en te Amboina de schipbreukelingen der Amerikaanse whalers by zich riep, en zich te grand-seigneur achtte om een herbergiersrekening voor te leggen aan het Amerikaans Gouvernement. Zy begreep volkomen hoe het kwam, dat de officieren van byna elk aangekomen oorlogsschip grotendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd pied-à-terre was. Was hy niet háár Max? Was het niet te klein, te nietig, was het niet ongerymd, hem die zo vorstelyk dacht, te willen binden aan de regels van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden?' (VW I, p. 98-99)

Op 5 augustus 1863 schrijft hij over Tine aan Mimi: 'Zy weet alles van my, en begrypt alles en deelt er in. (...) Zy is juist myn innigste vertrouweling, zelfs in dingen die ik niet uitdrukkelyk gezegd heb, omdat ik geen tyd had, of wyl ik in een bui was van verwaarlozing (schynbaar), of omdat het van zelf sprak. (...) Ja, je zult de MB [Minnebrieven] begrypen, en eigenlyk daarin alles vinden wat my aangaat. Ook zul je daarin zien hoe Everdine my terug voert naar fancy. Hoe zy me beknort dat ik 'r verliet, of afdwaalde. Dat zyn chûtes van de ziel-adelaars ruityd! zie je d...t is juist zoo mooi in Everdine dat zy my toeroept: Zwem, je kùnt! in oogenblikken van moedeloosheid! (...) Genot is deugd! O en zie de smaak van haar genot! Je kunt het weten uit haar brieven. Zy zou den hemel tot een kermis maken, en van 'n kermis den hemel.' (VW XI, p. 202-203)

Tine's brieven aan Stephanie werden door Julius Pée, die ze uit het bezit van Stephanie wist te bemachtigen, gepubliceerd in Tine. Brieven van Mevrouw E.H. Douwes Dekker-Van Wijnbergen aan Mejuffrouw Stéphanie Etzerodt later Mevrouw Omboni ('s-Gravenhage, 1895). In deze brieven, waarvan de orginelen verdween zijn, uit Tine regelmatig haar wanhoop (eerste brief d.d 30 maart 1863, VW XI, p.130). *erfeniskwestie

Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb, brochure van M. voor de slachtoffers van de watersnood ('bandjir', VW I, p. 497) in Nederlands-Indië in mei 1861 (VW I, p. 479-505). Op verzoek van de uitgever *H. Nijgh schreef M. dit geschrift, waarvan de titel ontleend is aan de *Toespraak tot de hoofden van Lebak uit de Max Havelaar (VW I, p. 107). Deze schets begint met een behandeling van eerdere watersnoodverzen en verhalen (*Cremer, *Focqenbroch). Hierna benadrukt M. het economisch belang van Java voor de Nederlandse welvaart. De schets eindigt met de vertelling 'Banjir', het verhaal van Karidien, een eenvoudige Javaan, die een tijger had weten te doden met zijn klewang. Met het hiervoor gekregen geld ƒ 22,- vierde hij feest, toen de Banjir zijn hele familie doodde.

Nog in hetzelfde jaar verscheen een tweede druk. Het geschrift werd later opgenomen in de Herdrukken (1865) en in de Verspreide Stukken (1865, herhaaldelijk herdrukt). De uitgever kon spoedig ƒ 1300.- naar Indië sturen, schrijft M. in zijn naschrift bij de derde druk (1865, VW I, p. 506-507). De Nederlandse natie bracht in totaal ca. tien maal dit bedrag bijeen: dat is 'nog niet een negende gedeelte van wat één Chinees te Semarang heeft bygedragen, die ogenblikkelyk de waarde van een ton gouds in ryst ter beschikking stelde'. Hij betuigt in dit naschrift zijn 'bitter berouw over Havelaar's dwaling, en over de naieve domheid van stukjes als "Wys my de plaats"'. *Bommelerwaard *Cremer

Wijsbegeerte, De openingszin van Idee 452 luidt: 'Geen mening is zo ongerymd, dat ze niet haar aanhangers heeft, en geen dwaling is zo zot, dat zy niet nu en dan door zogenaamde wysgeren in bescherming genomen is, vooral door hen die de wysbegeerte - een roeping van alle mensen - tot een beroep van enkelen hebben gemaakt.' (VW IV, p. 313)

Over wijsgeren en wijsbegeerte schrijft M. ook in de Ideën 773-779 (VW IV, p. 495-501). In Idee 776 noemt hij *Kant, *Fichte en *Hegel, wanneer hij uitweidt over zijn eigen opvattingen over de leer van de filosofie: 'Myn aandringen op juistheid van uitdrukking en goed verstaan zal - wat wysgerig belang aangaat - in de ogen van velen achterstaan by een Kantiaans vertoog over Kritik der reinen Vernunft of iets dergelyks.' (VW IV, p. 498)

M. betoogt dat niet het streven naar waarheid eenvoudig is, maar dat de methode volgens welke naar waarheid gestreefd moet worden, eenvoudig moet zijn 'En daartoe zyn juistheid van bepaling en duidelykheid van uitdrukking aan den enen kant, inspanning om goed te verstaan aan den andere zyde, hoofdvereisten.' (VW IV, p. 498-499).

Over het (trancendentaal-) idealisme, de filosofische opvatting dat we de wereld om ons heen slechts kennen in de vorm van onze voorstelling ervan (m.a.w. onze waarneming betreft alleen ideeën van objecten), schrijft hij in Idee 774: 'en vooral de Duitse school heeft 'n onoverwinlyken afkeer van al wat is. In stede van voorlichting, leverde deze aan het waarheid-behoevende Volk byna immer een verward, kwasi-diepzinnig weefsel van frasen, welker inkleding alleen van lust tot onderzoek afschrikt. (...) Het was hiermee alweer als gewoonlyk: Publiek wilde bedrogen zyn, en kauwde gretig op de distelen die Kant, Fichte, Hegel en dezulken hem voorzetten.' (VW IV, p. 497)

Een gunstige uitzondering maakt hij voor *Locke. De Franse philosophes verloren zich al snel in 'uitgebreide oppervlakkigheid' (Idee 777, VW IV, p. 499). In Idee 788 herhaalt M. als motto zijn uitspraak uit Idee 542: 'Wysbegeerte een roeping van allen' (VW IV, p. 508), en hij opent Idee 791 met de stelling: 'Wysbegeerte, zucht om te weten, te begrypen, is de roeping van allen. Dit moet erkend worden door ieder die 't woord etymologisch juist opvat.' (VW IV, p. 511). *stelsels

In 1910 publiceerde B. Damme zijn Multatuli als wijsgeer, met een voorwoord van Domela Nieuwenhuis. M. spoort ons aan, aldus Damme, onze hoogste gave, het denken, te ontwikkelen. Voor alles: denk, handel zelf. Gebruik uw gezond verstand, raadpleeg de rede. Damme noemt M. de wijsgeer van het gezonde verstand. Hij acht onze hoogste roeping mens te zijn: waarnemen, nadenken, toepassen, wil len, werken, streven naar ontwikkeling. In 'Multatuli als filosoof' (Over Multatuli, 1993, nr. 31, p. 15-23) toont Wim van Dooren aan de hand van vele citaten uit de Ideën het filosofische belang van M. overtuigend aan. *Kappelman