Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

V

Vader Anton, naam van de dagboekschrijver uit M.'s *'Losse bladen uit het dagboek van een oud man'. Hij is kort na Napoleon geboren. Op zijn zestigste jaar keerde hij terug uit Indië. In het tweede deel van de 'Losse bladen', getiteld 'Jongelingsdromen' waande hij zich een reus naar de geest van Napoleon. Hij zou tronen omverwerpen, het juk van onderdrukte volken breken, hun bevrijdende weldoener worden etc. Van deze plannen kwam weinig terecht: op zijn zestigste jaar woonde hij met een oude nicht en jonge neef op Beekhoven en was hengelen zijn grootste vermaak.

Van den Rijn-bijdragen, titel van een reeks artikelen, later ook wel de 'Van-den-Rijntjes' genoemd, die M. van 10 juli 1866 tot 28 december 1869 (nr. CXV) schreef voor de Opregte Haarlemsche Courant. Hij was op voorstel van *C. Busken Huet als correspondent aangesteld. Busken Huet had de uitgevers, de heren *Enschedé, gewezen op het profijt dat zij konden trekken uit M.'s aanwezigheid te Koblenz en diens 'geoefenden blik in politieke zaken' (brief van Busken Huet aan M. d.d. 9 juli 1866, VW XI, p. 626). Busken Huet regelde ook een honorarium van ƒ 50,- per maand. Op 20 juli 1866 schrijft hij M. dat de artikelen 'veel te lang en veel te subjectief' zijn. Hij benadrukt nogmaals het objectieve karakter dat de stukken moeten hebben (VW XI, p. 635). Waarschijnlijk heeft Busken Huet de eerste afleveringen grotendeels zelf gecorrigeerd.

In zijn 'Van den Rijn'-bijdragen haalt M. veel buitenlandse kranten aan. Om zijn eigen mening te kunnen ventileren, verzon hij de Mainzer Beobachter, waaruit hij naar hartelust kon citeren. Het eerste bericht uit de Mainzer Beobachter wordt vermeld in zijn 'Van den Rijn'-bijdrage van 19 november 1866. Het betreft het verlenen van 'concessien tot het houden van brandewijnkroe-gen': 'Er is onder anderen vastgesteld, dat in landelijke gemeenten slechts ééne concessie mag verleend worden op 300 zielen. De Mainzer-Beobachter vindt dit nogal veel, en zegt te hopen, dat de ondoelmatigheid dezer bepaling zal worden opgewogen door een streng toezigt op de hoedanigheid van het verkochte. Ook zou er, volgens dat blad, moeten worden gelet op het tappen van sterke dranken in kraampjes op de markten, waar zeer dikwijls de wet wordt ontdoken, door het gratis schenken van brandewijn, als voorgewende toegift bij den tegen te hoogen prijs aangerekenden verkoop van kleine artikelen.' (VW XI, p. 744)

*Opregte Haarlemsche Courant

Verbrugge, personage uit de Max Havelaar, controleur in Lebak. Hij stond als ambtenaar van het Binnenlands Bestuur direct onder de assistent-resident. *Abraham Juliaan Langeveldt van Hemert stond model voor hem.

Na de dood van *Slotering was hij tot de komst van Havelaar, enkele maanden waarnemend assistent- resident. Hij wordt afgeschilderd als een goed mens': 'Traag zolang er niets te doen viel, en ver van de beredderringszucht die in Europa voor yver geldt, maar yverig waar bezigheid nodig was... eenvoudig maar hartelyk voor wie tot zyn omgeving behoorden... mededeelzaam, hulpvaardig en gastvry... welgemanierd zonder styfheid... vatbaar voor goede indrukken... eerlyk en oprecht, zonder evenwel lust te voelen de martelaar van deze hoedanigheden te wezen... in het kort, hy was een man die, zoals men 't noemt, overal op zyn plaats zou wezen, zonder dat men echter op het denkbeeld komen zou de eeuw naar hem te noemen, wat hy dan ook niet begeerde.' (VW I, p. 69)

*Duclari

Verlof, Van 24 juli 1852 tot januari 1856 was DD. om gezondheidsredenen met verlof in Nederland. Aanvankelijk kreeg hij een tweejarig verlof toegekend in Nederland, op een verlofstractement van ƒ 2700,- per jaar (Besluit van de gouverneur-generaal d.d. 1 augustus 1852, VW IX, p. 270). Op 2 mei 1854 diende hij een verzoek in tot verlenging van zijn verlof, dat door de inspecteur van de militair geneeskundige dienst allernoodzakelijkst werd beoordeeld 'uit hoofde van hooge graad van melancholie en hierdoor ongeregelde werking van hersenen en ruggemerg' (VW IX, p. 342).

Eind juli 1852 vertrokken DD. en Tine vanuit Amboina naar Batavia, om vandaaruit met de Harmonie (*Harmonie 1) naar Nederland te varen. Op 15 september vertrokken ze vanuit Batavia, met kerstmis waren ze in Hellevoetsluis en voor Oud en Nieuw in Amsterdam. In zijn 'Brief aan A.C. Kruseman' had DD. in 1851 zijn grote plannen voor dit verlof beschreven, ook in zijn memoriaal had hij opgeschreven wat hij wilde gaan ondernemen, en welke mensen hij wilde gaan bezoeken. DD. en Tine namen hun intrek in het deftige Doelen Hotel (VW IX, p. 303), waar ze, met onderbrekingen, een half jaar woonden. Daarna betrokken ze voor vier maanden een huis aan het Singel nr. G 331 te Amsterdam (VW IX, p. 338). Het gezin leefde op grote voet: DD. wilde inderdaad graag de *Rodolphe zijn, die hij zich in zijn brief aan Kruseman had voorgesteld. Zo amuseerde hij bijv. een dag lang een groep weeskinderen in uitspanning De Nederlanden en voorzag hen van speelgoed e.d., hij feestte met de Leidse studenten, en vermaakte zich op de *kermis. Wat hij in elk geval wilde verwezenlijken was zijn schrijverschap.

Daarnaast was ook de speurtocht naar de erfenis van Tine een belangrijk punt op zijn agenda (*erfeniskwestie). Beide zaken werden een fiasco: zijn toneelstuk De Bruid daarboven werd door vriend en uitgever Kruseman niet gewaardeerd en van de verwachte miljoenen van de erfenis bleek uiteindelijk geen cent te vinden. Op 1 januari 1854 werd zijn zoon *Edu geboren. Ondertussen werd het geldgebrek, mede door de vele kostbare bezoeken aan casino's in *Spa, *Wiesbaden en *Homburg, nijpender. Het gezin verhuisde van het huis aan het Singel naar Het

Wapen van Utrecht, een eenvoudig hotel aan het Rokin te Amsterdam. In oktober diende DD. een verzoek in tot buitenlands verlof, met het doel de extra tijd te gebruiken om rijk te worden aan de speelbank (rekest aan de minister van Koloniën van 18 oktober, VW IX, p. 362-364). Zijn spelsysteem faalde.

Op 17 mei stapt hij uiteindelijk, met veel tegenzin, in Hellevoetsluis aan boord van het schip De India. Op 10 september 1855 ging het fregat voor anker op de rede van Batavia. *Führi *Van der Pool *vrijmetselarij (Lit. P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 246-284; P. van 't Veer, 'Dekker met verlof', in: Over Multatuli, 1978, nr. 1, p 13-36 en 1979, nr. 3, p. 15-24, met een aanvulling door H.H.J. De Leeuwe in Over Multatuli, 1978, nr. 2, p. 73-75)

Verlovingstijd, De verlovingstijd van DD. en *Everdina van Wijnbergen (Tine) is bekend geworden door de Brieven-uitgave (dl. I) van DD.'s tweede vrouw, Mimi. DD. beschrijft in zijn brieven aan Tine onder meer zichzelf en zijn familie, geeft zijn dromen over macht en grootheid prijs, en probeert met Tine van gedachten te wisselen over seksualiteit en *huwelijk DD. en Tine verloofden zich op 26 september 1845 te *Parakan Salak. Op 13 september was DD. benoemd tot tijdelijk ambtenaar te Krawang. Vanuit Buitenzorg, Gintong en tenslotte zijn standplaats Poerwakarta schreef hij haar zijn brieven (VW VIII, p. 465 e.v.). Eind december keerde hij voor enige tijd terug naar Parakan Salak en Buitenzorg. Van 28 februari tot 1 april 1846 volgen brieven uit Poerwakarta. Na de ondertrouw op 19 maart hebben deze brieven veelal de aanhef 'Lieve beste bruid!'

Versluys, Jan, 1845-1920, geb. te Oostburg, leraar wiskunde in Haarlem en de Haarlemmermeer. In 1866 werd hij leraar aan de Rijks HBS in Groningen en in 1881 aan de Rijksnormaalschool te Amsterdam. Hij publiceerde een groot aantal leerboeken, die veel invloed hebben uitgeoefend op de vernieuwing van het wiskunde-onderwijs. Verder schreef hij artikelen op het gebied van de zielkunde en de levensbeschouwing. Hij was daarnaast tot 1876 redacteur van Het Schoolblad; in 1883 was hij oprichter en hoofdredacteur van het weekblad Het Nieuwe Schoolblad.

Hij verdedigde hij M. verscheidene malen in Het Schoolblad. M. toonde zich ingenomen met Versluys' vakmanschap. Op 30 november 1873 schrijft hij zijn uitgever J. Waltman Jr. vereerd te zijn met Versluys' kritiek. Hij verzoekt Waltman Versluys een exemplaar van Over Specialiteiten te sturen (VW XVI, p. 320). In zijn verweer tegen J. van Vloten in Het Schoolblad, schrijft Versluys dat M. in vele opzichten 'boven het peil der gewone menschen' staat (8 december 1874; VW XVII, p. 198).

Versluys wil zijn bewonderde schrijver ook financieel helpen (o.a. brief aan V. Bruinsma d.d. 28 december 1874, VW XVII, p. 220-221); zijn 'Multatulibond' komt echter niet van de grond (brief aan V. Bruinsma d.d. 23 januari 1875, VW XVlI, p. 290). In april 1876 logeert hij enige dagen bij M. en Mimi, waarna Mimi haar studie wiskunde serieus ter hand neemt (brief van M. aan G.L. Funke d.d. 12 mei 1876, VW XVIII, p. 360).

Twee jaar later logeert M. op zijn beurt bij het echtpaar Versluys. Wanneer Versluys in 1882 tot één van de initiatiefnemers van het *Huldeblijk behoort, neemt M. het hem kwalijk dat zijn wensen hieromtrent niet gehoord worden.

In 1889 publiceerde Versluys Een en ander over Multatuli (Amsterdam: W. Versluys), waarin hij verslag uitbrengt van de onderhandelingen over het Huldeblijk en van zijn teleurstelling over M.'s gedrag. Hij had gemeend dat de leden van zijn commissie wel enig krediet bij M. zouden hebben (a.w., p. 76). In hetzelfde jaar wijdde hij in Het Nieuwe Schoolblad enkele kolommen aan de weerlegging van de Multatuliwespen van Veritas (ps. van *Marie Anderson). Dit artikel werd later afzonderlijk uitgegeven als Nog iets over Multatuli [en] Nog een en ander over Multatuli (1889, Amsterdam: W. Versluys).

*Bientjes

Verspreide stukken, bundel geschriften van M., in 1865 uitgegeven door R.C. Meijer (= d'Ablaing van Giessenburg) te Amsterdam. De bundel bevat de reeds eerder in *Herdrukken gepubliceerde stukken en werd later uitgebreid met de 'Maatschappy tot nut van den Javaan en de Brief aan de 'Koning over de openingsrede'. De Verspreide stukken beleefden zes drukken; de laatste verscheen in 1879. Alle herdrukken verschenen bij *G.L. Funke.

Versteegh, Caroline Joanna, 1822-1864, dochter van Johannes Martinus Versteegh, suikerfabrikant te Djatie-Rongo (Semarang). In 1841 werd DD. te Batavia verliefd op haar. In zijn 'Brief aan A.C. Kruseman' schrijft hij dat hij haar 'ongezien verheven had tot mijn ideaal' (VW IX, p. 149).

Via pastoor *J.H. Scholten laat Caroline weten dat zij 'genegenheid' voor DD. voelt. Weldra blijkt dat zij en haar vader wèl duidelijke voorwaarden stellen: hij moet matigen in het geld uitgeven, hij mag geen 'klappen' uitdelen, en... hij moet rooms-katholiek worden. Vooral dat laatste is voor haar vader erg belangrijk. Ook laat haar vader zich nauwgezet inlichten over DD.'s gedrag in Batavia. Op 14 juni bedankt Caroline hem hartelijk voor een haar geschonken ringetje, op 28 augustus ontvangt DD. het Vormsel. Op 8 oktober van dat jaar waarschuwt Caroline hem dat de berichten die ze uit Batavia over hem ontvangen, niet gunstig zijn. DD. wordt gewogen en - ondanks zijn katholieke doop -, te licht bevonden.

Volgens Mimi schreef vader Versteegh op 24 augustus l842 de officiële afwijzing: Caroline's hand werd DD. 'om verschil van karakter' geweigerd (VW VIII, p. 98; Brieven WB I, p. 33). Op 4 januari 1843 trouwt Caroline te Salatiga met de 39-jarige Nicolas Guillaume, kapitein der infanterie en magazijnmeester der genie-werken bij de vesting Willem III. DD. is verslagen. Vier jaar later schrijft hij Tine, met wie hij inmiddels verloofd is: 'Ik beminde Caroline Versteegh onuitsprekelijk. Ik ben krankzinnig geweest omdat ik haar verloor, ik ware, geloof ik, krankzinnig van geluk geworden als zij de mijne geworden was. Nu nog houd ik de nagedachtenis van die liefde in hooge waarde, en toch, geloof ik, dat ik met haar niet zoo gelukkig zoude geworden zijn als met u. Zie hier de reden. Ik dweepte met haar, zij was mij een heilige.' (27 oktober 1845, VW VIII, p. 500)

Op 30 november 1845 schrijft hij haar dat hij in het bezit is van een haarlok van Caroline (30 november 1845, VW VIII, p. 558), op 15 december gaat hij in een brief aan Tine nogmaals nader op zijn gevoelens voor Caroline in: 'Ik had haar als een ideaal lief, en idealen zijn er niet. (...) Daarbij komt nog iets; ik geloof niet dat Caroline mij lief had. Wel dat zij mij boven eenige anderen voortrok, maar hare liefde was niet in overeenstemming met de mijne. Zij kwam mij altijd koel voor. Naderhand heeft haar broeder mij verzekerd dat zij dit niet was, maar als hij gelijk had waarom dan haar hart altijd zoo gesloten gehouden? Op last van haren vader huwde zij een ander. Haar broeder zeide dat het haar verdriet gekost heeft te gehoorzamen, maar als zij bemind had zooals ik, ware het gehoorzamen haar onmogelijk geweest.' (VW VIII, p. 583)

In dezelfde brief schrijft hij dat hij indertijd niet huichelde toen hij rooms-katholiek werd: 'ik meende op dat oogenblik werkelijk dat hare godsdienst de schoonste was'. Hij denkt wel dat hij daar in de toekomst wellicht problemen mee zou hebben gekregen (VW VIII, p. 584).

Enkele (fragmenten van) brieven van Caroline aan DD. zijn opgenomen in VW VIII (p. 81 e.v.), evenals het door DD. in 1841 voor haar geschreven gedicht (p. 87).

Veth, Pieter Johannes, Dordrecht 1814 - Arnhem1895, oriëntalist en ethnoloog, hoogleraar oosterse talen in Franeker (1841) en Amsterdam (1842), later hoogleraar in de Mohammedaanse instellingen en land- en volkenkunde van Indonesië in Leiden (1864-1885). Hij richtte in 1873 het Aardrijkskundig Genootschap. Hij schreef o.a.Java, geografisch, ethnologisch, historisch (3 dln., 1873-1884).

Van 1844 tot 1876 was Veth medewerker van De Gids. In juli en augustus 1860 publiceerde hij in dit blad zijn befaamd geworden recensie van de Max Havelaar, getiteld 'Multatuli versus Droogstoppel, Slijmering en Comp.' (p. 58-82 en p. 233-269). Met Veths beoordeling van de Max Havelaar was M. hogelijk ingenomen. Zo schrijft hij na de verschijning van het eerste deel aan Tine: 'die is prachtig, ik heb geen woorden om uittedrukken hoe mooi! Dat is een advokaat! Ik geef die recensie niet voor ƒ 1000! Die recensie is mij borg dat ik mijn zaak winnen zal. 't Is prachtig in een woord. En het boek, èn de zaak worden verheven boven de wolken, en op een manier die aantoont, dat ik niet alleen sta.(...) Het is onbeschrijfelijk mooi, ferm en forsch. De recensie is als mijn boek. Kortom ik heb hoop. Na zulk een recensie kan men mij niet in den steek laten. (...) Die prof. Veth is een dappere strijder! Een kampioen van belang, hoor, - ik zal weinig meer te zeggen hebben, vooral daar er nog een vervolg komt. 't Is heerlijk, prachtig. Verheug u daarmee. Hij begrijpt alles in mijn boek, zelfs alle dingen waarvan een ander zeggen zou: wat doet dat er bij?' (2 juli 1860, VW X, p. 273)

Op 16 oktober van datzelfde jaar wendt Veth zich schriftelijk tot *Jacob van Lennep, aan wie hij vraagt M. de vrije beschikking over het manusccipt van de Max Havelaar te geven. Van Lennep moet zich volgens hem niet plaatsen 'tusschen hem [=M.] en het publiek'. Veth beschuldigt Van Lennep er vervolgens van dat hij om politieke redenen de verspreiding van het boek tegenwerkt. 'Een onbelemmerde verspreiding eener onkostbare tweede uitgave, ziedaar de billijke wensch van den auteur', aldus Veth (VW X, p. 329-332). Van Lennep antwoordt hem per kerende post dat hij zich nooit met de uitgave bemoeid zou hebben 'indien er ooit sprake ware geweest het boek op de wijze van schotschriften en pamfletten rond te strooien' (VW X, p. 333).

Na de mislukking van de *Nationale Inschrijving, waarvan Veth één van de initiatiefnemers was, is M.'s gunstige oordeel over hem veranderd. Op 13 april 1861 schrijft hij Tine dat Veth een 'ellendeling' is, die geen druf toont: 'hij durft niet om D.v.T. [*Duymar van Twist] niet te stooten' (13 april 1861, VW X, p. 428). In 1866 maakt hij zich in een brief aan C. Busken Huet nog druk over 'de infernale knak' die Veth hem gaf door hem '6 maanden schuldmakend te doen wachten op 't "adres aan de natie" dat door hem geredigeerd was maar nooit verscheen' (6 juli 1866, VW XI, p. 623).

In 1872 bezorgde Veth onder de titel Insulinde een Nederlandse vertaling van The Malay Archipelago van *Wallace. Het verbaast M. dat Veth, 'wiens kennis van indische zaken verbazend is', zich niet gestoord heeft aan 'het gebrek aan wetenschappelyke consciëntie' van dit werk, 'of althans dat daarvan zo weinig blykt' (noot uit 1872 bij Idee 227, VW II, p. 688).

Veth was een voorstander van *Vrije Arbeid. Hoewel M. deze politieke stellingname afkeurt, roemt hij Veths kennis van Indië in een noot bij Idee 535: 'Wat positieve kennis van Indië aangaat, en afgezien van alle politische bevoegdheid, bezitten wy in Nederland een man die meer beduidt dan alle specialiteiten tezamen. Prof. Veth heeft dienaangaande in zekeren zin de taak vervuld, die ik in hfdst. MX myner Duizend-en-enige Hoofdstukken den fabriekheer aanwys. Met eerbiedwaardige vlyt wist hy zich meester te maken van de bouwstoffen die hem door de ambachtslieden van 't Specialismus geleverd zyn. Hy gaat dus in wetenschap ieder hunner - my ook! - ver, zéér ver te boven. Wie niet verbaasd staat over de kennis van Prof. Veth heeft geen verstand van kennis.' (noot 1872, VW III, p. 444)

Vloten, Johannes van, 1818-1883, geb. te Kampen, Nederlands letterkundige wiens optreden voor een groot deel verantwoordelijk is voor het einde van M.'s schrijverschap, promoveerde in 1843 tot doctor in de godgeleerdheid te Leiden. Hij was van 1842 tot 1846 leraar aan het gymnasium te Rotterdam. Hij keerde daarna naar Leiden terug voor verdere studie, waarbij hij grote belangstelling aan de dag legde voor de Nederlandse taal- en letterkunde. In 1850 publiceerde hij zijn eerste boek: het verzamelwerk Nederlandsch Liedboek (Den Haag, 1850). Verder volgden onder (veel) meer de door hem verzorgde uitgaven: Bloemlezing van Middeleeuws proza (1852), Nederlandsche Geschiedzangen (1852), Paschier de Fijne (1853), Mariken van Nieumeghen (1854) en Het Nederlandsche Kluchtspel (1854). In 1854 volgde hij W.J.A. Jonckbloet op als hoogleraar aan het Deventer Athenaeum Illustre. Hij zette zijn stroom publikaties voort met IJselkout, studies over letteren, wijsbegeerte en staatkunde (1855-1856) Baruch d'Espinoza (1862), Aesthetica of Schoonheidskunde (1865) en tekstuitgaven, die vaak oppervlakkig en onnauwkeurig waren.

Tussen 1855 en 1858 verzorgde hij een uitgave van de brieven van Hooft. Als fel criticus streed hij, onder meer in vlugschriften en artikelen in De Dageraad, tegen het christendom en de modernen in het bijzonder. In 1865 werd hij gepasseerd bij de opvolging van Jonckbloet in Groningen. Hij startte met de uitgave van zijn eigen tijdschrift *De Levensbode: 'waarheid zal de drijfveer en het doel van al mijn arbeid wezen'. In zijn rectorale rede van 16 februari 1867, uitgegeven als Eerlijke wenschen omtrent het hooger en middelbaar onderwijs, Nederlandsche volkszin en maatschappelijke oprechtheid, voer hij uit tegen 'vermolmde kansels'. In hetzelfde jaar verschenen hiervan een tweede en een derde druk. Van Vloten kreeg een waarschuwing, maar toen hij zich hier tegen verzette, werd hij in juli ontslagen (J. van Kampen, 'Van Vloten en de Gemeenteraad van Deventer' in: Verslagen en Mededelingen 89e stuk, 1974, van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, Zwolle, 1975, p. 81-112). Sindsdien woonde hij op Kleveroord (onder Bloemendaal, vlak buiten Haarlem); als gefortuneerd man kon hij van de pen leven.

Zijn ergernis toonde hij onder meer in zijn Noord-nederlandsche karakterfeilen en de ziektegeschiedenis van het Woordenboek (1868), gericht tegen professor Matthias de Vries, door hem 'het malle ventje' genoemd. Uit 1871 dateert zijn geschrift Tweeërlei Nederlandsch volksvergif, namelijk de jenever en de 'moderne godsdienstvervalsching', uit 1872 zijn uitgave van de Nederlandsche Baker- en hinderrijmen. Kritiek op zijn werk beantwoordde hij met steeds fellere aanvallen op Busken Huet, Jonckbloet, Loffelt en Charles Boissevain. Verwijs heette 'verslaafd aan Schiedam en De Vries', ook 'dubbelverbitterd'. Hij bezorgde verder veel bloemlezingen en schreef de Beknopte geschiedenis der nieuwe letteren van de middeleeuwen tot op de helft der 19de eeuw (1876).

M. maakte in 1864 kennis met Van Vloten, toen hij een voordracht hield te Deventer. Enkele dagen later, op 3 juni, voorziet hij Van Vlotens exemplaar van de eerste uitgave van de Minnebrieven van notities (VW II, p. 171-179). Hij brengt een bezoek aan Van Vloten en zijn vrouw en schrijft daarover aan d'Ablaing van Giessenburg: 'Ik ben allerprettigst ontvangen door prof van Vloten een man zoo pleizierig eenvoudig, zoo onprofessoraal als maar gedacht worden kan. En als ik hem bekyk in z'n vrouw, zooals ik gewoon ben, dan is hy goed.' (4 juni 1864, VW XI, p. 318).

M. kreeg van hem diens Baruch d'Espinoza, Jezus van Nazareth (naar aanleiding van Renans Leven van Jezus, 1863) en Over arbeidersvereenigingen en vennootschappen van handwerkslui (Nutslezing van december 1863). M. bestudeert een en ander en is enthousiast over *Spinoza (brief aan Van Vloten d.d. 19 juni 1864, VW XI, p. 333 e.v.). In zijn Bloemlezing uit het Nederlandsch Proza der 19e eeuw die het jaar daarop verscheen, noemt Van Vloten M. 'dit edel slachtoffer van Indisch wanbeheer en Nederlandsche lamlendigheid' (p. 577).

Idee 482 rekent M. Van Vloten onder de mannen die lof verdienden, omdat zij voor de waarheid opkwamen, en 'smaad verdragen om den wille der waarheid' (VW III, p. 230). Wanneer Tine in mei 1866 Van Vloten om hulp vraagt, is hij, naast *Kallenberg van den Bosch, *C. Busken Huet en *Van der Valk, één van de ondertekenaars van de circulaire (VW XI, p. 603-604; *Potgieter). M. is bitter teleurgesteld, omdat hij z.i. door 'welwillende vrienden' in de circulaire wordt voorgesteld als verkwister (brief aan Kallenberg van den Bosch d.d. 5 augustus 1866, VW XI, p. 651-652). Aan Busken Huet schrijft hij op 9 augustus: 'In plaats daarvan die circulaire - waarin ik word voorgesteld - basta daarvan. Ik kan daarover niet beginnen zonder meer te zeggen dan ik wil, en anders te spreken dan ik wil. Toen ik 't stuk las, ben ik er ziek van geweest, en nog beeft me alles by 't denken daaraan. O, van Vloten!' (VW XI, p. 657).

Van Vlotens vriendschap voor M. is door de hele gang van zaken danig bekoeld. M. op zijn beurt doet toch een poging om de verstandhouding wat te verbeteren. Ondanks zijn teleurstelling biedt hij Van Vloten in 1867 zijn hulp aan, wanneer deze door zijn rede in conflict is gekomen met de curatoren van het Achenaeum en enkele raadsleden van Deventer. M. schrijft hem onder meer: 'Zeker hebt gy geen behoefte aan myn hulp, maar ik voel behoefte om meetedoen. (...) Toe, zend my uw: "eerlyke wenschen" of hoe heet het stuk, waarvan ik dezer dagen den zen druk aangekondigd zag. (...) Wilt ge Mevr. v. Vloten vriendelyk van my groeten? En Willem en Odo, - de andere namen weet ik niet meer, maar herinner my dat het lieve jongens waren.' (23 maart 1867, VW XII, p. 149)

Van Vloten stuurt hem de gevraagde brochure; zij 'eerlyke wenschen' bevallen M. echter niet (brief aan Busken Huet d.d. 21 juni 1867, VW XII, p. 285). Het jaar daarop kwamen ze elkaar nog tegen en deze ontmoeting was volgens M. een 'waar genoegen', als hij aan Van Vloten schrijft op 17 juli 1868 (VW XIII, p. 90). Op 23 oktober woont hij op uitnodiging van het bestuur van het studentendispuut Vrije Studie te *Delft de lezing van Van Vloten (verslag uit de

NRC en de Delftsche Courant opgenomen in VW XIII, 190-193). Op 20 november spreekt hij zelf aldaar over de stelling 'Vrije studie is het onbelemmerd streven naar waarheid', hiertoe geïnspireerd, naar hij aangaf, door de verhandeling van Van Vloten. Volgens de recensent van de Delftsche Courant was het zeker niet M.'s bedoeling 'eene laakbare leemte in dr. van Vlotens speech' aan te vullen, maar was het 'juist de rijkdom van gedachten door dezen ontwikkeld die er hem toe hadden geleid hetzelfde thema andermaal tot een onderwerp van bespreking maken' (24 november 1868, VW XIII, p. 230). In 1870 noemt hij Van Vloten nog 'dien moedigen geestver- want', wiens redevoering over Vrije Studie hem inspireerde tot het schrijven van zijn eigen ideeën over dit onderwerp. In Idee 766 beveelt hij zijn lezers Van Vlotens 'hartig stuk' van harte aan (VW IV p. 491).

De geestverwant laat echter niets meer van zich horen, al trekt hij zich wel het lot van Tine aan, getuige het feit dat Potgieter zich voor raad inzake haar situatie ook in 1870 tot Van Vloten richt (brief van Potgieter aan van Vloten d.d. 31 juli 1870, VW XIV, 167). Wanneer in de Arnhemsche Courant enkele maanden later een oproep (*Kern) tot steun aan Tine en de kinderen verschijnt, reageert Van Vloten met een ingezonden stuk, waarin hij er op wijst dat het indertijd d.m.v. de circulaires verkregen fonds nog steeds bestaat en dringend aanvulling kan gebruiken (13 december 1870, VW XIV, p. 267-268). M. reageert gekwetst op het bericht dat Tine nog geld

ontvangt van Van Vloten c.s. (mededeling Mimi, VW XIV, p. 269) en schrijft aan H. Huisman, dat ook V. Vloten 'op z'n plaats' zal worden gezet (20 december 1870, VW XIV, p. 274). Tine zal 'eerstdaags van Vloten afdanken' (brief van M. aan S.E.W. Roorda van Eysinga d.d. 22 december 1870, VW XIV, p. 276) Zij schrijft echter aan Potgieter dat zij hun steun hard nodig heeft (23 december 1870, VW XIV, p. 27) Wanneer later bij Potgieter toch twijfels rijzen over de vraag of hij, in verband met M.'s reacties, nog wel geld aan Tine moet sturen, vraagt hij Van Vloten om

advies (9 februari 1871, VW XIV, p. 451). Hoewel Van Vlotens antwoord niet bekend is, moet hij zijn toestemming gegeven hebben: op 21 mei int Tine opnieuw honderd francs (VW XIV, p. 556). Via Potgieters correspondentie met Tine (en met *Stéphanie Omboni-Etzerodt) blijft Van vloten, evenals Kallenberg van den Bosch, op de hoogte van haar omstandigheden in Italië (zie bijv. brief van Potgieter aan Van Vloten d.d. 11 december 1872, VW XV, p. 511). Aannemelijk is, dat dit de ware reden is voor Van Vlotens verbolgenheid op M., waarvan hij nu meer en meer in het openbaar blijk gaat geven. M. zelf zou afgunst op zijn succes als voornaamste oorzaak zien van Van Vlotens vijandigheid (brief aan J. Waltman Jr. d.d. 25 december 1875, VW XVIII, p. 140 en brief aan A.C. Loffelt d.d. 26 januari 1876, VW XVIII, p. 211).

Van Vlotens kritieken bevatten steeds vaker persoonlijke aanvallen. Bijvoorbeeld in zijn artikel 'Bilderdijk en zijn Floris V door Douwes Dekker bevit' in De Levensbode van 23 oktober 1873 (VW XVI, p. 256 e.v.). Ook in De Levensbode van 28 oktober moet M. het ontgelden. Van Vloten schrijft het artikel 'Een dictatoriaal schrijven' naar aanleiding van M.'s brief aan de voorzitter van het Demokratisch Congres ('congres 3), waarin M., aldus Van Vloten, 'het pronkziek gewicht, dat hij aan zijn doen en laten hecht, aan den onbevooroordeelden lezer open- baart'. Aan het slot spot hij : 'Verbeeld u Nederland voor dezen methodieken Heiland onvoorwaardelijk in 't stof gebogen, en disciplinair door hem getuchtigd, tot het even ordelijk en tuchtlievend blijkt, als hij-zelf. - Wat inderdaad kan men meer verlangen? - Naar Wiesbaden dus, hoe eer hoe beter, "daar woont Hij-zelf, daar wordt Zijn heil verkregen", en meer heeft waarlijk niemand van nooden. (...) van een geest, als die van D.D., is het echter te betreuren, dat hij zoo in ijdeltuitigste eigenliefde en de ziekelijkste zelfverblinding ten ondergaat.' (VW XVI, p. 268).

De aanval van Van Vloten maakt M. ziek en weerhoudt hem ervan te werken, aldus schrijft hij zijn uitgever G.L. Funke op 8 november 1873: 'De zaak is die ruwe aanval van van Vloten. Niets ware makkelyker dan daarop behoorlyk te antwoorden, en dit wist hy ook wel, en zou er zich niet aan gewaagd hebben, zonder 'n byzaak. Buiten myn weten en tegen myn wil heeft die kerel zich aan myn vrouw opgedrongen als edelmoedige helper. Zy, in nood ('t is al jaren geleden) heeft de zwakheid gehad dat aantenemen, en begryp de rest nu maar. Dit maakt me woedend! Hy is met aanvallen begonnen na en naar aanleiding van Vrye Studie. Ik wist al lang hoe 't hem hinderde dat zyn stuk geen opgang maakte. Vandaar dat infame stuk van *Q in den Arnhemmer.' (VW XVI, p. 288-289)

Is Van Vlotens afkeer van de persoon M. en van zijn vereerders - hij ergert zich onder meer aan zijn 'profeeten-vertoon' ('A.S. Kok en Bilderdijks Floris V', in: De Levensbode, 1874, p. 154-156; VW XVI, p. 478) -, dan al duidelijk, ronduit vijandig wordt hij wanneer in het voorjaar en de zomer van 1874 Een Zaaier van *C. Vosmaer als feuilleton in Het Vaderland verschijnt. Op 13 september overlijdt Tine in Venetië en gezien Van Vlotens zorg voor haar en de kinderen, vormt dit een extra motivering voor de felheid waarmee Van Vloten nu reageert. Na een discussie met J. Versluys in *Het Schoolblad van november, waarbij de laatste hem zijn uitvallen tegen M. hoogst kwalijk neemt, weigert Van Vloten verder aan dit blad mee te werken. Op 3 januari 1875 verschijnt een artikel van zijn hand, waarin hij aankondigt M. te zullen raken. Men heeft hem onlangs een zaaier genoemd, maar vergeten eraan toe te voegen 'van meer onkruid onder zijn tarwe', aldus Van Vloten in het artikel 'Een bovenwerp' (Onze Tolk, jrg. 6, 1875, nr. 14; VW XVII, p. 239-244). Dit onkruid volgt in een serie van ca. vijftien artikelen die vanaf 17 januari tot 16 mei vrijwel wekelijks gepubliceerd worden in Onze Tolk en op 25 juni gebundeld verschijnen als Onkruid onder de tarwe. In dit werk laat Van Vloten niet veel van M. heel en doet hij een boekje open over diens privéleven. Hij verwijt M. 'behaagzieke vertoonzucht', zijn gedrag tegenover Tine en de kinderen, de publiciteit rond zijn tweede huwelijk, de Minnebrieven noemt hij ziekelijk en getuigt van zenuwzieke overspanning, Vosmaer en anderen zijn in hun Multatuli-vergoding verblind, enz. enz.: 'En door al dat moois laat zich dan, met zooveel anderen, ook een Vosmaer beet nemen, en dringt het ons als de fijnstgevoelde en keurigste waarheid op! Zieke truffels - gelyk M. 't zelf zoo juist uitdrukt - anders niet, worden er ons in voorgezet.' (VW XVII, p. 611).

Ook in vele andere artikelen, onder meer in de Nederlandsche Kunstbode, toont Van Vloten openlijk zijn vijandschap ten opzichte van M. In zijn in december 1875 verschenen Beknopte geschiedenis der nieuwe letteren (p. 505; VW XVIII, p. 123) schrijft hij dat M.'s 'behaagzieke, geniale zelfvertroeteling' tenslotte overging in 'volslagen grootheidswaanzin'. Op 26 januari 1876 schrijft M. aan J.N. van Hall: 'Ik las dezer dagen in den "Kunstbode" dat ik m'n "arme vrouw had weten diets te maken dat zedelykheid niet te-pas kwam by genie!" Hoe te bewyzen dat dit 'n leugen is? Zie eens hoe precies die vuile Van Vloten uitvoert, wat ik op blz 87 van Ideen III 8ø uitgaaf (kleine uitgaaf: slot van nummer 642) Kappelman in den mond legt. Profetisch! (...) Och, 't is zoo verdrietig! Het banale voorschrift: "ik zou me zulke dingen niet aantrekken" helpt me niet' (VW XVIII, p. 221).

Enkele dagen later schrijft hij uitgebreid over Van Vlotens kritiek aan A.C. Loffelt: 'lk ontving zoo-even ter inzage, 't eerste nummer van den Kunstbode waarin alweer eenige liefelykheden van V.Vloten. Nog altyd weet ik niet of 't me zal gelegen komen de stukken van dien man grondig te beantwoorden. Hy liegt! Maar om dit aantetoonen, moet ik zeer intieme verhoudingen aanroeren en blootleggen, die te fyn en te goed zyn voor 'n grof publiek. Dit stuit me, daar ik te doen heb met 'n partner wien niets te grof is.' (VW XVIII, p. 228).

In een noot bij Idee 766 vinden we wederom zijn vermoeden dat 'die heer' het hem euvel schijnt te hebben geduid dat 'hij de vryheid nam na hém 't onderwerp: Vrye Studie tot 'n punt van behandeling te maken'. Ook Versluys ziet volgens M. hierin de oorzaak van het feit dat Van Vloten hem weken achtereen in Onze Tolk met zijn hatelijkheden overstelpte. M. spreekt van Van Vloten en diens 'stuiptrekkenden "Onze Tolk" (noot bij Idee 766, VW IV, p. 698).

De reden die hem voorlopig ervan weerhoudt om Van Vloten van repliek te dienen, is: 'walging' (VW IV, p. 698-699).

De weerlegging van een artikel van Van Vloten over M.'s hoofdeis der Kritiek, waarvan de 'godkundige Doctor Van Vloten' de zin verdraaid heeft, laat hij ook in 1878 achterwege, omdat hij 'onwel' is 'en zeker volslagen ziek worden zou als ik me neerboog tot de inspanning waarop 't behandelen van zekere sujetten my altyd te staan komt'. Hierdoor blijft Idee 1197b oningevuld (VW VII, p. 336). In zijn betoog over citeren (*laven aan bronnen') in Idee 1262, spot hij dat hij zal proberen zich 'professorlyk' te onthouden van de fout 'zélf iets te leveren op letterkundig gebied' en zal schrijven óver letterkunde en letterkundigen. Als het lukt, dan kan de lezer eerstdaags 'een Vondel-almanak en een bundel byeengeharkte kinderdeunen en bakerliedjes met geleerde Noten' van hem verwachten. Rijp voor 'het samenflikken van bedelaarsdekens voor 'n poppewiegjen, en 't zingen van 'n Vondel-almanak' is hij nog niet, vervolgt hij.

In een noot bij deze regels tekent hij in 1879 aan dat hij hiermee het oog had op de Letterkundige produkten' die geleverd zijn door 'den Theologiae Doctor en gewezen letterprofessor Van Vloten' (VW VII, p. 573 en 681). Van Vlotens uitgave van bakerrijmpjes noemde hij eerder in een brief aan Vosmaer 'miserabel', en niet uit 'tegen-ingenomenheid' naar hij meedeelt (ca. 17 juli 1874, VW XVI, p. 617). In een brief aan P.A. Tiele geeft hij een voorbeeld van een z.i. waardeloze annotatie van Van Vlotens Vondeluitgave (4 augustus 1875, VW XVII, p. 768).Van Vlotens brochure Kiezersindrukken, tot waarschuwing en opwekking (1877) wordt in een noot bij Idee 135 (1879) 'de behartiging overwaardig' genoemd, om het sprekende voorbeeld van de zekerheid 'dat de uitdrukking van den Volkswil vervalst wordt'(VW II, p. 679).

M. wordt tegen Van Vloten in bescherming genomen door onder meer *Versluys, *Admiraal, *Van Loffelt en *Roorda van Eysinga. Voor dergelijke 'Multatuli-narren' (J. van Vloten, 'Baas boven baas', in: De Nederlandsche Kunstbode, 3e jrg., 1876, p. 6; VW XVIII, p. 186) met hun 'belachelijke afgoderij' (J. van Vloten, Jonckbloets zoogenaamde geschiedenis der Letterkunde, 1876) heeft Van Vloten geen goed woord over. Hij geeft ieder het zijne: nl. het 'V Vlotensche' (brief van M. aan Tiele d.d. juli 1876, VW XVIII, p. 403). Wanneer men in 1883 een tentoonstelling van *'Multatuliana' wil organiseren, vreest M. dat 'den V. Vlotens en dergelyk volkje' de spot zullen drijven met zijn gebrek aan literaire produktiviteit (brief aan H.C. Muller d.d. 27 augustus 1883, VW XXII, p. 726).

Na de dood van Van Vloten voorspelt M. dat 'onder de massa schryvery die hy leverde' alleen Onkruid onder de tarwe zal overleven, al was het maar om er M. mee te bestrijden (brief aan Vosmaer d.d. 29 december 1884, VW XXIII, p. 266-270).

Bij het overlijden van M. verscheen de volgende advertentie van de boekverkoper Van Klaveren te Amsterdam: 'Een der meest pikante geschriften over Multatuli als mensch en als dichter is het boek van Dr. J. van Vloten, getiteld Onkruid onder de tarwe, dat tegen een verminderden prijs van ƒ 0,90 verkrijgbaar is'. *Galante dichtluimen *Bakerrijmpjes

Volledige Werken, Multatuli's, Na M.'s dood verschenen in 1888-1889 de werken, die uit het bezit van *G.L. Funke aan de uitgeversmaatschappij *Elsevier waren overgegaan, in 10 delen onder de titel Verzamelde werken van Multatuli. Eerste naar tydsorde gerangschikte uitgave bezorgd door zyne weduwe. Deze uitgave werd voorafgegaan door 'Studiën over Multatuli' van C. Vosmaer. Deze zgn. Kopjesuitgave (naar het portret op de omslag) werd door de Gebr. E. &

M. Cohen aangevuld met de werken, die zij uit het fonds van *Muusses en Co. hadden overgenomen, nl. Millioenen-studiën, Over Specialiteiten en Nog-eens: Vrye arbeid, die in 1889-1890 onder de titel Serie goedkoope werken in gelijke uitvoering, uitkwamen. Deze driedelige uitgave bevat tevens de studie 'Multatuli en zijne werken geschetst' van *A. Admiraal. Beide uitgaven werden regelmatig herdrukt; de Elsevier-editie verscheen later nog in vijf banden en in de 'Garmond-uitgave' (1899-1901); Cohens uitgave verscheen in 1900 in een geïmiteerde uitvoering van de 'Garmond-uitgave' onder de titel 'Meesterwerken' 14 dln).

In 1940 namen E. du Perron en G. Stuiveling het initiatief voor een nieuwe editie van M.'s Volledige werken. De eerste zeven delen, met het door M. voor de pers geschreven werk, verschenen van 1950 tot 1953. De delen zijn uitgevoerd in de typografie van H.O.M. Salden (1910-20..), die ook de omslagbelettering ontwierp. Met de spits neergezette letters van 'Multatuli' op de omslag, wilde hij de polemische kant van M. tot uitdrukking brengen.

In de Volledige Werken werden voor het eerst de Causerieën en de Divigatiën herdrukt. De teksten werden door Stuiveling in moderne spelling in een eclectische editie uitgegeven. Vanaf 1954 verschenen, met soms lange tussenpozen, achttien delen 'Brieven en documenten', waarin alles wat van M.'s hand bewaard is gebleven in chronologisch volgorde is opgenomen. Dit werd aangevuld met veel brieven en documenten M. betreffende. In deze delen (VIII tot XXV) werd een diplomatische tekstweergave nagestreefd. Deze uitgave werd na het overlijden van Stuiveling in 1985, o.l.v. H. van den Bergh voortgezet en werd op 5 maart 1995 voltooid.

(Lit. 'Vragen aan Stuiveling', in: Over Multatuli, 1979, nr. 3, p. 25-33)

Voordrachten, Sedert 1862 hield M. op ongeregelde tijden (publieke) voordrachten in Nederland. Daarnaast trad hij enkele malen op als officiële spreker, bijv. op het Internationaal Congres van het Internationaal Genootschap voor de bevordering der sociale wetenschappen, te Amsterdam op 1 oktober 1864, voor het Crombrugghe-genootschap en op het Taal- en Letterkundig Congres te Gent in 1867 (*congres).

Op donderdag 20 februari 1862 houdt hij zijn eerste voordracht in de Grote Zaal van Frascati te Amsterdam (VW X, p. 594), waar hij onder meer uit zijn toneelstuk De Bruid daarboven voordraagt. Naar eigen zeggen waren er ca. 400 toehoorders, 'maar daaronder waren veel vrijkaartjes'. Hij is zeer tevreden over zijn optreden en de positieve reacties van het publiek (brief aan Tine d.d. zo februari 1862, VW X, p. 595). Deze eerste voordracht wordt gevolgd door nog vijf voordrachten, waarvan de laatste op 17 april wordt gehouden in Frascati te Amsterdam. Volgens een verslag in het Algemeen Handelsblad van 14 april 1862 (VW X, p. 625) was 'De Verpligtingen van den Nederlandschen Staat omtrent Indië' het onderwerp van de laatste lezing.

Op 8 april van dat jaar spreekt hij ook in de Leidse Stadsgehoorzaal (VW X, p. 620). In de jaren 1864-1865 houdt M. enkele lezingen voor de vereniging *De Dageraad. In de loop van 1868 wordt geldgebrek de belangrijkste drijfveer tot het houden van voordrachten: hij hoopte hiermee voldoende te verdienen om Tine en de kinderen naar Nederland te halen. In de derde bundel Ideën vinden we zijn gedachten over de 'redenary' (Idee 591-765, VW IV, p. 343 e.v.) Deze Ideën, de eerstgenoemde met het opschrift 'Over publieke voordrachten', volgen op een bespreking van zijn lezing over Vrije Studie, voor het gelijknamige studentengenootschap te *Delft. Hij vindt het medium voordrachten voor het verkondigen 'van wat ik voor waarheid houd' niet het juiste omdat 'de waarheid met zulke voordrachten niet gediend is'. Hij spreekt slechts 'gedrongen door oorzaken van bykomenden aard' (d.i. geldgebrek), schrijft hij in de in leiding (Idee 591, VW IV, p. 343).

In Idee 696 en 697 betoogt hij: 'Over het algemeen ligt er in de te grote gemakkelykheid, waarmede iemand die optreedt in het publiek, kan worden aangevallen door andersdenkenden, een reden om openbare voordrachten, als middel ter verspreiding van waarheid, af te keuren. Reeds zyn standpunt als publiek persoon heeft ten gevolge dat velen hem ongenegen zyn. (...) Ik zei dat byna immer persoonlyke grieven een rol spelen in zulken stryd. Misschien had ik moeten zeggen: altyd! Het is onmogelyk, algemene fouten te gispen, zonder hen in 't harnas te jagen, die zich daaraan schuldig voelen. Wie - als ik - laag neerziet op de Volksvertegenwoordiging sedert 1848, en zich verplicht acht dit by elke gelegenheid te betuigen, heeft zoveel particuliere vyanden als er sedert '48 "geachte leden" werden gecommitteerd naar Den Haag. De afkeuring van misbruiken in Indië, wekt den haat van allen die wanbestuur uitoefenen of toelieten. De minachting voor Spiessbürgerei jaagt 'n zwerm Kappelwespen op. Al wat handel dryft in de deugdjes van den dag, vliegt te wapen by 't vernemen dat er een nieuwe leer wordt gepredikt, die nadelig zou kunnen werken op den marktprys der modezedelykheid. De geestelyken achten zich verplicht hun god, met tractement, invloed en verder toebehoren, te verdedigen tegen den nieuwen godsdienst... die weleens - neemt het me niet kwalyk, heren! - wél beschouwd, ouder dan de hunne, ja de alleroudste, zou kunnen zyn. En... de mannen van letteren, 't gens irritabile! Om nu niet te spreken van allen die hun portret hebben menen te vinden in zekere l te goed getroffen schetsen... Veel vyanden dus... goed! Hoe meer hoe liever. Dat moet zo wezen.' (VW IV, p. 421-422)

Niet alleen vijanden, maar ook bewonderaars van de voordrachthouder kunnen lastig zijn, zoals schitterend getekend wordt in de beschrijving van de ontvangst van de' 'publiekspreker' door *Rammelslag De aanleiding voor deze beschrijving vormde de voordrachten, o.a. te *Sneek, Groningen, Gent, Leeuwarden, Rotterdarn, Delft (*J. van Vloten), *Winschoten, Joure, Bolsward en Gorredijk. Ook in 1869, wanneer Tine en de kinderen naar Nederland zijn gekomen (*ménage à trois), houdt M. veel voordrachten, o.a. in Arnhem, Maastricht, 's-Hertogenbosch, Breda, Dordrecht, Gent (*De Geyter) en Antwerpen. Aan het slot van Idee 1004 schrijft hij:

'Ik moet spreken van de betaalde publieke lezingen, die ik hield met het doel om nu eindelyk vrouw en kinderen by my te houden. Byna overal had ik te stryden met een - naar me bleek, opzettelyk levendig gehouden vooroordeel: "dat het zeer onfatsoenlyk was, my te gaan horen". Op één plaats ging dit zó ver, dat de commissaris van Politie my vóór de lezing een bezoek bracht, om my te waarschuwen dat-i in dienst zou tegenwoordig zyn, en my het woord ontnemen, indien ik de "publieke zedelykheid" aanrandde. "Liever echter" zo zei de welmenende man "zou hy om mynentwille zien dat ik, om onaangenaamheden te voorkomen, de lezing opgaf." Dit nu deed ik niet.' (VW VI, p. 278)

In april 1870 vertrekt hij naar Duitsland waarmee voorlopig een einde komt aan het geven van voordrachten. Vijf jaar later, na de eerste opvoeringen van Vorstenschool, houdt hij enkele lezingen op voorstel van *J. M. Haspels. Hij spreekt o.a. te Rotterdam, Utrecht, Dordrecht, Den Haag en Goes. Twee jaar later, in het najaar van 1877, is de geldnood opnieuw hoog gestegen en laat M. Haspels weten dat hij 'in godsnaam' weer zal komen 'lezen, voordragen, hoe heet het' (eind september 1877, VW XVIII, 743). Aan G.L. Funke schrijft hij eind november over zijn weerzin: 'ik sidder by de gedachte aan 't optreden. Men weet niet wat me dat kost, maar 't zal moeten' (VW XVIII, p. 746). Hij vraagt zich af of hij het fysiek aan zal kunnen. Tenslotte schrijft hij aan Haspels: 'De zaak is nu zoo: of ik lang of kort nadenk, ik moet naar Holland! Die publieke voordrachten zyn nu eenmaal 'n wreede noodzakelykheid. Ook moet ik er 'n soort van tournée van maken, keel of geen keel.' (10 januari 1878, VW XIX, p. 36)

Hij vraagt (Le Gras, Van Zuylen en) Haspels de organisatie van de lezingen op zich te nemen; op 30 januari arriveert hij in Rotterdam. Op 6 februari treedt hij voor het eerst op in Delft, waar hij spreekt over 'Onze nationaliteit'. Ondanks zijn weerzin, zijn slechte gezondheid, de ongemakken van het reizen, zijn voortdurend geldgebrek, de problemen met Nonnie en Edu en zijn algemene creatieve onmacht houdt hij tot 1881 ca. 140 voordrachten. Zijn brieven naar huis uit deze jaren zijn door Julius Pée in 1941 uitgeven onder de titel Reisbrieven. Deze brieven zijn, samen met M.'s aantekeningen voor vele voordrachten, opgenomen in de delen VW XIX-XXI. *Locke *welsprekendheid (Lit. Nop Maas, '"Wat ik doe, is geen kunst, helaas 't zyn maar kunstjes!" De voordrachtentournees van Multatuli, 1878-1881', in: Over Multatuli, 1982, nr. 9, p. 9-32, met op p. 34-340 een lijst, in chronologische volgorde, van de plaatsen - met onderwerp - waar M. gesproken heeft; vervolgd in Over Multatuli, 1984, nr. 12, p. 26-51 en Over Multatuli, 1986, nr. 16, p. 13-26. Deze lijsten zijn ook in VW XIX, p. 623 en 967-968, VW XX, p. 587-588, VW XXI, p. 586-587 te vinden. Over M.'s voordrachten uit Vorstenschool: H.H.J. de Leeuwe, 'Multatuli draagt "dramatische fragmenten" voor', in: Over Multatuli, 1982, nr. 9, p. 41-50)

Vorstenschool, toneelspel in vijfbedrijven, waar M. een begin aan maakte in september 1867. Vanuit Keulen schrijft hij op 20 september van dat jaar aan C. Busken Huet: 'Goed, toen nam ik my voor, als 't mogelyk was een drama te schryven, en daarmeê naar Holland te gaan. (...) en vervolgens overal rond te reizen met myn drama' (VW XII, p. 430). Een vroege versie van delen van het drama uit deze periode is opgenomen in VW XXIV (p. 639-642).

In oktober voltooide hij 3/5 van het stuk, te weten de bedrijven 1-3 (het derde bedrijf was aanvankelijk het vierde). In de periode maart 1868 - mei 1869 droeg M. twintig maal deze 'dramatische fragmenten' voor in Nederland en België. Bij de eerste voordracht op 29 maart in Utrecht, werd voor het eerst de titel Vorstenschool gebruikt. Nadien komt deze titel nauwelijks meer voor op de aankondigingen van M.'s voordrachten omdat hij misverstanden wekt bij het publiek, dat in de onbeduidende, ironisch getekende koning George graag een parodie wilde zien op koning Willem III. Hierdoor zou het drama een soort 'chronique scandaleuse' worden. M. schrijft hierover op 25 april 1869 aan J. de Geyter: 'Byna alom zyn ze [de dramatische fragmenten] met toejuiching ontvangen. En ik geloof dat ze dit als letterkundig voortbrengsel waard zyn. Maar onverdeeld was die toejuiching niet. Een gedeelte van myne hoorders meende aan hun hollandisme schuldig te zyn boos te worden wyl ik eenen koning in een lelyk daglicht stel. (...) Ik zou en zal by gelegenheid zoo vry zyn "den" Koning W.I.L.L.E.M. III, aan te tasten en me daarvoor niet gen'ren. Maar dan zal ik er zynen naam in letters by zetten. Zoolang ik dit niet doe, geloof ik 't regt te hebben "eenen" koning uitteteekenen, zoowel als Shakespeare en velen.' (VW XIII, p. 464-465)

De recensies van de voordrachten in de regionale dagbladen zijn opgenomen in VW XII en XIII. Ze werden door H.H.J. de Leeuwe besproken in het artikel 'Multatuli draagt dramatische fragmenten voor' (Over Multatuli, 1982, nrr. 9, p. 41-50).

Pas in het voorjaar van 1872 voltooide M. het stuk. In september 1872 werd het als Idee 930 (begin van de vierde bundel Ideën) gepubliceerd (VW VI, p. 11 e.v.). De titel werd uitgebreid tot Vorstenschool of vluchtige schets van 'n paar verschillende wyzen waarop hooggeplaatste personen hun roeping zouden kunnen opvatten. M. benadrukt in de inleiding dat Vorstenschool geen chronique scandaleuse is van de koninklijke familie, maar een algemene strekking heeft: '(...) dat ik m'n données te hoog gryp, om me bezig te houden met de chronique scandaleuse van personen. 't Kost me dikwyls reeds moeite genoeg, my neer te buigen tot de schandaal-kroniek van den helen tydgeest. Die tydgeest zal, als koningen, als 'n koning, als de Koning, voorbygaan. Myn werk gaat niet voorby.' (Idee 930, VW VI, p. 12)

De hoofdidee is het verlichte despotisme. M. maakt middels de uitspraken van de verschillende personages duidelijk dat de verbetering van de wantoestanden van hoger hand geregeld moet worden, waarbij de heersende vorst 'macht en menselijke waardigheid' met elkaar moet zien te verzoenen. Het drama handelt over de egocentrische koning George, die zich met onbenulligheden bezighoudt terwijl zijn sociaal bewogen echtgenote, koningin *Louise, de noden van de bevolking tracht te onderzoeken. De koning is jaloers omdat hij zijn vrouw ervan verdenkt een verhouding met de eerste minister te hebben. Ze bespreekt namelijk op haar buiten- verblijf vaak de toestand van haar volk met laatstgenoemde. De verdenking is ontstaan nadat de eerste minister op een feest ontbrak en één van de hovelingen in verband daarmee de naam van het buitenverblijf van de koning noemde. De koning voedt zijn jaloezie zonder de praatjes te onderzoeken. Het kamp van de hovelingen blijkt te bestaan uit een aantal intriganten, die te verdelen zijn in aanhangers en tegenstanders van de premier. Van de eerste groep onderneemt een hoveling een tegenactie: hij tracht de verdenking af te leiden door een eerzaam naaistertje, *Hanna, aan te wijzen als degene met wie de premier de nacht zou hebben doorgebracht. De verontwaardigde broer van Hanna en haar verloofde proberen vervolgens haar eer te verdedigen.

Dan is het echter de koningin, die door een incognito bezoek aan het meisje (geheel in de lijn van haar onderzoekingen naar de toestand van het volk) de waarheid ontdekt, het complot ontrafelt, het meisje in ere herstelt en de slechte hoveling een ongenadige afstraffing geeft. Door dit alles komt de koning tot inzicht en inkeer. Hij verzoent zich met zijn vrouw en besluit de koninklijke taak voortaan op te vatten zoals zijn vrouw dat heeft gedaan (*Koningin-Moeder). Hiermee kan het stuk gerekend worden tot de didactische toneelkunst.

De politieke bespiegelingen in Vorstenschool hebben betrekking op bestaande situaties, zoals H.H.J. de Leeuwe in zijn dissertatie aantoont (Multatuli, het drama en het toneel, Amsterdam, 1949). Hoewel de inhoud van het stuk eigentijds te noemen is en wellicht geëngageerd is, is de fabel van het stuk toch niet helemaal nieuw. M. heeft zelf twee bronnen genoemd, die hij gebruikt zou hebben: Le grain de sable (1833) van *Michel Masson - dat hij nog uit zijn jeugd kende - en 'een arabische vertelling' die hij noemt in de inleiding bij Vorstenschool (VW VI, p. 13).

Wat de vorm betreft is het werk deels conventioneel en deels vernieuwend. Het voldoet aan de eisen van het klassieke drama: eenheid van tijd (donderdag 10 mei), eenheid van plaats (een kleine residentie) en eenheid van handeling (de hofintrige). Bovendien is het geschreven in vijfvoetige rijmloze jamben. Oorspronkelijk zijn de doorbrekingen van de chronologie, het feit dat een belangrijke intrige-figuur (de premier Graaf Otto van Weert) niet in het stuk zelf optreedt, en de commentaren die in monoloogvorm door met name koningin Louise worden uitgesproken en de intrige onderbreken. De Leeuwe ziet hierin een lijn naar het twintigste-eeuwse epische theater, dat door Bertold Brecht tot ontwikkeling is gebracht.

In een aantekening bij Vorstenschool gaat M. in op de karakters van de personages (VW VI, p. 375-376). De vierde bundel Ideën beleefde in 1874 een tweede, en in 1877 een derde druk, beide door de auteur herzien. Daarnaast verscheen het toneelstuk tijdens M.'s leven driemaal als afzonderlijke uitgave, in februari en maart 1875 (vanwege de opvoering van het stuk) en in 1879, alle bij *G.L. Funke te Amsterdam. In de zesde druk uit 1879 kreeg Vorstenschool, hoewel zonder voorwoord, pas zijn definitieve vorm.

*C. Vosmaer was de eerste die in Een zaaier met klem de opvoering van het stuk bepleitte, maar pas twee en een half jaar nadat het voor het eerst in druk was verschenen, vond op 1 maart 1875 de eerste toneeluitvoering plaats, in de stadsschouwburg van Utrecht. Uiteindelijk was de uitvoering te danken aan de inspanningen van schrijfster, actrice en feministe *Mina Krüseman, die wilde schitteren in de rol van koningin Louise, en aan het feit dat in Rotterdam de Nieuwe Rotterdamsche Schouwburgvereniging was opgericht, die het stuk wilde gaan spelen (*A.J. le Gras). Deze vereniging stond o.l.v. Le Gras, *W.J. van Zuylen en *D.J.A. Haspels. Vanaf 10 februari 1875 woonde M. in gezelschap van Vosmaer de repetities bij. Le Gras vertolkte Von Schukenscheuer D.J.A. Haspels koning George en J.M. Haspels Van Huisde. Vooral met het oog op de coupures in de lange monologen, had men de schrijver nodig. Uit latere mededelingen van o.a. Haspels (VW XVII, p. 388) en Mina Krüseman (VW XVII, p. 378) blijkt dat M. zich ook met de regie bemoeide. Spoedig blijkt hij zeer ontevreden over het acteertalent van Mina Krüseman:

'Maar de rol van Louise zelfs wordt nul, zooals M.K. die speelt. (...) Welnu 't was beneden m'n verwachting. Geen schyn van créatie, NIETS! Ik heb liever dat men Louise uit de lectuur leert kennen dan uit haar voordracht.' (brief aan Funke d.d. 12 februari 1875, VW XV p. 346-347)

'M.K. is zeer onartistiek, zeer positief onbekwaam voor artiste' (brief aan Funke d.d. 15 februari 1875, VW XVII, p. 359).

De repetities draaien uit op een openlijke oorlogvoering tussen M. en Mina Krüseman. Op 25 februari schrijft zij daarover aan Elise H.: 'wat is die D.D. een ellendig klein mannetje! en zeer zeker de gevaarlijkste vijand van den groten Multatuli. Ik heb gestreden voor Multatuli alleen en dat kan Douwes-Dekker me nooit vergeven' (VW XVII, p. 410). Op 27 februari komt het tot een uitbarsting (VW XVII, p.417), die tijdens de première nog een staartje krijgt. Bij het openen van het doek hoorde Mina vanuit de loge van M. roepen: 'Juffrouw Krüseman deugt niet' (VW XVII, p. 426).

Ook bij deze voorstelling werd gevreesd voor reacties van toeschouwers die meenden in koning George koning Willem III te herkennen. De Utrechtse hoofdcommissaris van politie woonde de voorstelling bij om bij eventuele onrechtmatigheden te kunnen ingrijpen. Ondanks dit alles werd de première een groot succes. Na het vierde bedrijf werd de auteur op het toneel geroepen, maar deze liet verstek gaan. Bij de tweede voorstelling, op 2 maart in Rotterdam, liet M., die op die dag zijn 55ste verjaardag vierde, zich wél uitgebreid huldigen, waarbij hij diverse geschenken in ontvangst nam van de Rotterdamse studenten. Tussen maart en september 1875 werd het drama nog 38 maal in verscheidene plaatsen opgevoerd. Tot 23 mei 1879 bleef het stuk op het repertoire van de Nieuwe Rotterdamsche Schouwburgvereniging staan. Ook in de jaren hierna ontwikkelde het zich tot een vast repertoirestuk van diverse toneelgezelschappen. Met de rol van koningin Louise vestigden diverse actrices hun roem, o.a. *M.C. Beersmans en A. Tartaud Klein.

In de twintigste eeuw neemt de belangstelling af en wordt het stuk alleen nog opgevoerd bij bijzondere (herdenkings)gelegenheden, zoals bijv. op 18 maart 1947 (en volgende dagen) door het Residentie Tooneel te Den Haag (met een inleiding door G. Stuiveling), en de TV-bewerking voor de VARA op 6 mei 1976.

In de tijd dat het stuk werd uitgegeven, alsook in de tijd dat het werd opgevoerd, heeft het niet te klagen gehad over belangstelling in de literaire kritiek. De reacties bij het verschijnen van het stuk waren niet onverdeeld positief, de recensies van de opvoeringen waren dat over het algemeen wel. Veel literaire critici wijzen op de zwakke intrige, de te lange en te belerende monologen en de sentimentaliteit van het stuk. Daarnaast waardeert men enkele goede scènes, met name in het tweede en vierde bedrijf, en het voor M. zo karakteristieke taalgebruik. C. Vosmaer, *J. ten Brink, *J.N. van Hall en *J.J. Schürmann verdedigden het stuk. *J.A. Alberdink Thijm, *E. van Calcar-Schiotling, *A.J. de Geus, *J. van Vloten en *C. Busken Huet wezen het af of hadden ernstige bedenkingen.

M. heeft zich hartstochtelijk verdedigd tegen de verschillende aanvallen. In Idee 929 (VW VI, p. 9 e.v.) moet de Arnhemsche Courant het ontgelden. Hierin was op 11 januari 1869 van de hand van Gerard Keller een uiterst negatieve recensie verschenen van de door M. tijdens een lezing voorgedragen dramatische fragmenten (VW XIII, p. 305-306). M. reageerde omdat men het werk zou hebben afgedaan als zijnde 'beneden de aandacht van een beschaafd auditorium':

'Ziehier dus reeds één verdienste in myn stuk: het kan dienen als graadmeter van onze beschaving. Wie 't met enig genoegen leest, heeft behoefte aan school, catechisatie en roede. Wie 't mooi vindt, wordt van de beurs gedrongen, en in de Sociëtcit gedeballotteerd. En mochten er par impossible een paar onverlaten worden gevonden, die zich aan een roekeloos "heel mooi"

te buiten gingen... ze zyn ryp voor het tuchthuis' (VW VI, p. 10)

De Arnhemsche Courant noemde op 24 oktober 1872 M.'s kritiek 'verre van heusch en zelfs persoonlijk' (VW XV, p. 429). Aanleiding voor M. om wederom te reageren, ditmaal in Idee 999 (VW VI, p. 263-266). In de Ideën 989-994 (VW VI, p. 230-243) reageert hij op recensies uit de NRC (12 oktober 1872, VW XV, p. 402-412) en uit Onze Tolk (2 november 1872, VW XV, p. 441-442). In een noot verwijst hij naar andere kritieken op het stuk van J. van Vloten (Onkruid onder de tarwe) en van J.A. Alberdingk Thijm ('Een mislukt drama'; VW VI, p. 382).

Vorstenschool werd in 1901 in het Duits vertaald door *Karl Mischke en door *Wilhelm Spohr. In 1902 verscheen een Duitse vertaling van L. Ludwig en D. Troelstra. Hun vertaling was reeds in 1897 verschenen in de Soziale Monatshefte. *Th. Wenzelbürger vertaalde in 1876 een fragment van Vorstenschool. Franse vertalingen van fragmenten verschenen in 1893 van de hand van Roland de Marès en van *H. Meyners en Julius Pée. *Albert *Staes

Vosmaer, Carel, 's-Gravenhage 1826- Montreux 1888, Nederlands schrijver en dichter, kunsthistoricus en vertaler van Homerus. Vosmaers studeerde rechten in Leiden en promoveerde in 1851. Hij werd in 1853 griffier van het kantongerecht te Oud-Beyerland. In datzelfde jaar trouwde hij met jkvr. A.C.C.G. Clant. Driejaar later werd hij benoemd tot substituut-griffier bij het Gerechtshofte 's-Gravenhage, van 1866 tot 1873 vervulde hij dezelfde functie bij de Hoge Raad. Daarna werd hij ambteloos literator. In 1856 verscheen van zijn hand Eene studie over het Schoone en de Kunst, drie jaar later publiceerde hij zijn hulde aan Rembrandt, getiteld Pelgrimstocht naar de Weddesteeg. In 1863 publiceerde hij de studie Rembrandt Harmensz van Rijn, sa vie et ses oeuvres, die in 1868 door een tweede deel werd gevolgd. In Den Haag was hij lid van het Haags letterkundig genootschap Oefening kweekt kennis (opgericht in1834), in 1857 richtte hij samen met Cremer, Ising en Keller De Tijdstroom op en in 1860 werd hij redactielid van De Nederlandsche Spectator. In dit blad nam hij in 1864 van Gerard Keller de rubriek 'Vlugmaren' over, die hij onder het eveneens overgenomen ps. Flanor 25 jaar lang verzorgde. In dit blad prees hij onder meer M.'s Woutergeschiedenis, Over Specialiteiten en Millioenen-studiën. Uiterst lovend was zijn reactie in hetzelfde blad op de verschijning van M.'s Vorstenschool ('Multatuli's drama', nr. 47, p. 371-374; VW XV, p. 462-473). Door 'het levender voorgestelde personen, door den gloed van 't koloriet, door de edele fijnheid van 't gevoel, en de stoute en breede behandeling' overtrof Vorstenschool z.i. alles wat M. eerder geschreven had. In 1872-1875 werd een selectie van zijn poëzie en proza gebundeld onder de titel Vogels van diverse pluimage.

Als dichter was hij een romanticus met klassieke trekken, als vrijdenker was hij onafhankelijk en veelzijdig. Van grote betekenis was zijn Een Zaaier. Studiën over Multatuli's werken (1874), waarin hij het openlijk en onomwonden voor M. opnam. Hij prees de schoonheid van de Max Havelaar en van Vorstenschool, vestigde de aandacht op het vlijmend sarcasme van Droogstoppel en op de liefelijke idylle van Saïdjah en Adinda. Onder de titel Een Zaaier was het merendeel van deze studiën eerder dat jaar als feuilleton in Het Vaderland verschenen (april-juli 1874, acht afleveringen; eerste aflevering opgenomen in VW XVI, p. 504-508).

Een selectie van deze stukken werd in 1874 geplaatst in De Locomotief. In de eerste aflevering schrijft hij o.a.: 'Multatuli's werk ontbeert allerlei soort van officieëlen, uitwendigen, blinkenden bijval. Maar het maakt de ziel uit van velerlei kringen; de jongelingschap is vervuld van het grootsche, dichterlijke, verbeeldingwekkende, frissche, krachtige, moedige, edele van zijn kunst en zijn gedachte; ontwikkelde jonge vrouwen eeren zijn talent en karakter menige handdruk wordt hem in stilte gegeven; bij duizenden worden, bij telkens en telkens vermeerderde oplagen, zijn werken verkocht, verspreid, genoten. En de "zaaier" zou vruchteloos werk doen? Wacht maar, ze zullen wassen die zaden.' (VW XVI, p. 507).

In zijn Londinias (1875) beschrijft hij in hexameters en in de stijl van het klassieke epos een reis met vrienden naar Londen in 1873, waar zij de befaamde Elgin marbles gingen bekijken. Deze vrienden, Martinus Nijhoff, G.A. van Trigt en Alfons Willems, heten in het verhaal resp. Neaules, Porthos en Oïlmos Vosmaer zelf is Aloopex. Zijn rotnan Amazone, waar in Mina Krüseman model stond voor de vrouwelijke hoofdfiguur Marciana, verscheen in 1880. Met Kloos verzorgde hij in 1882 de uitgave van Perks Gedichten. De eerste correspondentie van M. en Vosmaer dateert van oktober 1873. Via G.L. Funke ontvangt M. Vosmaers Vogels van diverse pluimage en Londinias, waarover hij Vosmaer op 21-22 oktober 1873 een zeer enthousiaste brief schrijft. Hij heeft Londinias dan inmiddels gelezen, de 'Vogels' heeft hij alleen doorgebladerd. Hij prijst Londinias en voelt 'aandrang' Vosmaer 'een groot geschenk te maken' voor de gedichten 'Jakobsladder' (d.i. een deel van het gedicht 'Werelddroom') en 'zee' (getiteld 'Toewijding') (VW

XVI, p. 249-253). In deze bundel is ook het huldedicht 'Aan Multatuli' opgenomen: 'De zongod Samson vond het ezelskakebeen /waarmee hij 't Filistijnenheer versloeg.-/Er zijn maar weinig Samsons, des te grooter/'t Getal van ezels en van Filistijnen,/Oneindig vruchtbaar beiden; maar men vindt/Geen ezels dood meer langs den weg, wier kaak Een nieuwen Samson 't wapen geeft; - zij leven/En staan hem in den weg: - men klaag' dus niet/Als hij, om 't Filistijnendom te vellen,/Eerst, om hun kaak, soms ezels dood moet slaan.'

In Idee 1197a prijst M. C. Busken Huets Litterarische Fantasien, maar deelt diens mening over Vosmaer niet: 'Diezelfde Busken Huet heeft onlangs aan den heer Vosmaer, naar aanleiding van diens "Vogels" alle aanspraak op dichterlykheid ontzegd. Ik sta verbaasd over zo'n... vergissing. Indien de heer Vosmaer geen dichter is, moet ik naar school. Ik, en... zeer velen dan! By gelegenheid hoop ik hierop terug te komen. Thesis: "de werken van den dichter Vosmaer behoren tot de meest eerbiedwaardige, meest liefelyke verschynsels op 't gebied onzer letterkunde".' (VW VII, p. 313)

In Idee 1266 behandelt hij de De Syracusische vrouwen van *Theocritus, vertaald door Vosmaer (VW VII, p. 589-590), in Idee 1268 prijst hij Londinias als een oorspronkelijk werk, 'een weefsel van aktuelen inslag met hellenistische schering' (VW VII, p. 599; cf. brief aan Funke d.d. 21 oktober 1873, VW XVI, p. 249).

Vosmaer was een trouwe vriend van M. en Mimi en een pleitbezorger van M. Wanneer in 1874-1875 op initiatief van *Versluys en *Bruinsma (o.a. brief Versluys aan Bruinsma d.d. 10 november 1874, VW XVII p. 87) in het diepst geheim geld voor M. wordt ingezameld, fungeert Vosmaer als intermediair: zowel Bruinsma als Versluys hebben een aantal personen bijeengekregen die bereid zijn ƒ 10,- perjaar aan M. af te staan. Bruinsma vraagt Vosmaer ook de andere namen door te geven 'om dat die namen samen zoo'n aardige bijdrage leveren tot de onderlinge kennismaking der vrijdenkenden' (3i december 1874, VW XVII, p. 224-225). Onder de deelnemers bevinden zich ook Vosmaers literaire vriendinnen *Holda en Mina Krüseman (brief van Vosmaer aan Bruinsma d.d. 2 januari 1875, VW XVII, p. 236). Wanneer M. via *Feringa iets te weten komt over deze actie, zet Vosmaer de zaak recht door met Mimi te gaan praten (cf. zijn brief aan Bruinsma d.d. 26 januari 1875, VW XVII, p. 297). Op 3 februari 1875 vraagt M. of 'Vos' de repetities van Vorstenschool wil bijwonen: 'Dáár ben je, dunkt me, zoo best voor! Je kennis, je smaak en je persoonlykheid, eignen sich tot dat paranimfschap. Zonder gekheid (...) je zoudt my 'n grooten dienst doen. Ik zal telkens, om raad te kunnen geven, raad noodig hebben. 't Spreekt vanzelf dat je de slaaf niet worden moet van je goedwilligheid maar...één gewone repetitie, en: de generalprobe! Toe!' (VW XVII, p. 321)

Wanneer de verhouding tussen M. en Mina Krüseman danig verslechterd is, stuurt Vosmaer haar de bijdrage van ƒ 100,- terug, die zij voor M.'s tweede huwelijk bestemd had (Vosmaer aan Mina Krüseman d.d. 18 maart 1875, VW XVII, p. 533). Bij het huwelijk van M. en Mimi op 1 april is Vosmaer, naast *Van Helden, *Van Plettenberg en *F. Pool, getuige (VW XVII, p. 588).

Vosmaer bezocht M. en Mimi regelmatig in Wiesbaden. Met Holda logeerde hij in mei/juni 1874 enkele dagen bij hen en ook in oktober 1875 bracht hij hen een bezoek. In december 1875 verschijnt in zijn Vogels van diverse pluimage het verhaal 'Idylle' (gedeeltelijk overgenomen in VW XVIII, p. 125 e.v.), een verdichte weergave van een wandeling die hij met Holda, Mimi en M. tijdens zijn eerste bezoek maakte. M. draagt in de novelle de naam Don Zefiro Rueno (lett. goede, zuidwestenwind), Vosmaer zelf heet Tscharmaranda. Tijdens dit bezoek maakte Vosmaer een tekening van het huis aan de Geisbergstrasse en portretteerde M. en Mimi (VW XVI, p. 556, 563; afb. in: B.P.M. Dongelmans, 'Een wandeling met Multatuli', in: Over Multatuli, 1988, nr. 20, p. 5-13).

Toen M.'s nieuwe uitgever, *Jacq. Robbers, in 1880 voorstelde een geillustreerde Max Havelaar uit te geven, raadde M. Robbers aan Vosmaer te raadplegen (brief aan Vosmaer d.d. 19 februari 1881, VW XXI, p. 169; *illustraties). *Chambord (Lit. Nop Maas, De literaire wereld van Carel Vosmaer. Een documentaire, 's-Gravenhage, 1989)

Vrouw, positie van de, de achtste geschiedenis van gezag in de Minnebrieven vertelt hoe Thugatèr, anders dan haar broers, zich niet mag ontwikkelen: zij moet de koeien melken. Haar vader verbood haar, in tegenstelling tot haar broers, 'het weten, het begrypen en het begeren'. Dat zou voor een meisje zondig zijn, hadden haar broers bedacht (VW II, p. 39-42).

De achterstelling van de vrouw wordt ook behandeld in Idee 181 e.v. (VW II, p. 396 e.v.): 'Wat hebt ge gemaakt van de vrouw? Om u staande te houden op een door 't recht van den sterkste veroverd standpunt, maakte ge dagelyks uw vrouwen tot huishoudwerktuigen of erger, en uw dochters tot Kaspar Hausers, tot Javanen. Ik erken dat ge uw vrouwen nog slechter behandelt dan uw bybel voorschryft, en dat niet alles wat er valt aan te merken op den vernederenden toestand der vrouw, te wyten is aan Mozaïsche of Apostolische voorschriften.(...) Bezie eens goed die heren der schepping, de mannen. Ga ze na in die discretie, in hun nietig streven, in hun bekrompenheid, in hun onkunde, hun lafhartigheid... en vraag uzelf, of 't oorbaar is en rechtvaardig, dat de andere helft van 't mensdom zo maar voetstoots moet onderdanig wezen aan die helft?' (Idee 181, VW II, p. 396-397)

Vrouwen als *Cornelia, *Sappho, *Corday-d'Amont, *De Staël-Holstein-Necker en *Beecher-Stowe noemt hij als voorbeelden van vrouwen die zeker niet onderdoen voor de mannen (Idee 182, VW II, 397).

Hierop volgen het verhaal van *Agatha en een nieuwe lezing van *Mattheus XIX. De vrouw wordt in de bijbel met minachting behandeld, zeden en wetten zijn ten opzichte van haar kleingeestig en barbaars (Idee 192, VW II, p. 408).

M. pleitte als één van de eerste Nederlanders voor volledige gelijkheid van man en vrouw in het politieke en maatschappelijke leven. De opvoeding van de dochters in de maatschappij is, aldus schrijft hij, een 'moorddadige opstand tegen 't goede' (Idee 200, VW II, p. 424). In Idee 195:

'Wat maakt gy van onze dochtecs, o zeden! Gy dwingt ze tot liegen en huichelen. Ze mogen niet weten wat zy weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeren wat zy begeren, niet wezen wat ze zyn. "Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen meisje. Zo spreekt geen meisje..." Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zo'n arm ingebakerd kind gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze, heel onderworpen, haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed... als ze beboorlyk verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven - dat noemen de zeden braaf! - dan heeft ze kans dat deze of gene lummel haar 't loon komt aanbieden voor zoveel braafheid, door 'n aanstelling tot opzichtster over z'n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard geslacht aan den gang te houden. 't Is wel de moeite waard!' (VW II, p. 410)

In zijn pleidooi voor *algemeen kiesrecht (Idee 451, 1864) schrijft hij: 'waarom kiezen de vrouwen niet mee? Als de ministers 't geld van de natie wegsmyten, zodat de belastingen hoog blyven, lyden zy toch ook onder dien druk. Als we door slecht bestuur oproer krygen, of oorlog, of watersnood, lyden zy toch ook onder die rampen.' (VW III, p. 147)

Zijn Ideën hebben grote invloed uitgeoefend op het ontstaan van een vrouwenbeweging in Nederland. Naast zijn belangstellittg voor de positie van de vrouw, was er ook de bewondering voor de vrouw: 'O, ge weet niet hoe een vrouw liefheeft... Ge kunt niet begrypen met hoe groote woekerwinst zij den man de indrukken weergeeft, die hij neerschreef in haar ziel! Kunnen de vrouwen het helpen, dat zoo vele mannen daarin niet wisten neer te schryven? Kan men oogst verwachten, waar niet gezaaid is?' (Minnebrieven, VW II, p. 14)

*christenen *kleding

Vrije Arbeid, arbeid van inlanders op Java in dienst van Europese particulieren, die zonder bescherming van de regering overeenkomsten sloten met de bevolking. Dit stelsel werd in het midden van de 19e eeuw verdedigd door de liberalen tegenover het *Cultuurstelsel, de gedwongen arbeid voor de regering. Het systeem stond jarenlang ter discussie en ook M. mengde zich in de strijd met zijn brochures *Over Vryen Arbeid in Nederlands Indië en de tegenwoordige koloniale agitatie (1862) en *Nog eens: Vrye Arbeid in Nederlands-Indië (1870).

Vrijheid van drukpers, M. pleit voor absolute vrijheid van drukpers. Hij is het met *Girardin eens, die beweerde dat censuur sommige boeken onnodig in de aandacht brengt. In een noot bij Idee 533 schrijft M. hierover: 'Ik ben byv. geheel van zyn [=Girardins] mening, dat alle belemmering der vryheid van drukpers behoort te worden opgeheven. Elke preventieve of regressieve bepaling zet aan laakbare publicatiën een gewicht by, dat ze niet zouden hebben zonder die bemoeienis van den Wetgever (...)' (VW III, p. 438)

Vrijmetselarij, In april 1853 werd M. lid van de vrijmetselaarsloge 'Orde en Vlijt' te Gorinchem (VW IX p. 314). Een jaar later, op 23 maart 1854, werd hij samen met *Scherius opgenomen in de Rozekruisgraad (niet te verwarren met de geheel los daarvan werkende Broederschap der Rozekruizers) door het Kapittel Concordia Vincit Animos te Amsterdam (*ma‡onnieke loge).

Bij de vrijmetselarij was de 'Verheven Graad van het Rozekruis' 'een werkwijze' van de meestergraad. De beoefenaren ervan vormden een kapittel, een eigen loge, waarin men weer de graden kon behalen van Schots ridder, Ridder van het oosten, Ridder van het zwaard en als hoogste de graad van Soeverein Prins van het Rozekruis. Om tijdens M.'s leven tot de Rozekruisgraad toegelaten te worden, moest men, behalve meester-vrijmetselaar, een man van positieve christelijke beginselen zijn. Voorzitter, of Regerend Meester, van het kapittel Concordia Vincit Animos was M.'s huisarts *G.J. Pool. Ook vele relaties van M. waren vrijmetselaar, o.a.

*d'Ablaing van Giessenburg, *J. van Lennep, *Günst, *Kallenberg van den Bosch, *Van Hasselt, *J. de Vries, *Stumpff, *Waltman Jr., *Perelaer, *J.C.P. Hotz, *Houwink, *Sloet van de Beele, *C. Vosmaer, *S.E.W. Roorda van Eysinga, *H.A. des Amorie van der Hoeven, *Keuchenius, *Salvador, en *Wertheim

M. bleef tot zijn dood lid van de Orde van Vrijmetselaren, al liet hij zich vaak kritisch en soms uiterst negatief uit over deze broederschap. Door zijn medebroeders werd hij regelmatig geholpen, maar de steun die hij van hen verwachtte gaven zij hem niet. De kern van M.'s bezwaren tegen de Nederlandse Orde van Vrijmetselaren was het gebrek aan politieke betrokkenheid. Op 19 juni 1864 schrijft hij Van Vloten, die zijn lezing over de vrijmetselarij door R.C. Meijer (=d'Ablaing van Giessenburg) wil laten publiceren dat zijn 'walg van dien boel' zo groot was 'als 'n walg maar wezen kan' en hij vervolgt: 'Ja grooter nog dan de uwe kan zyn, niet wyl ik er meer van weet dan gy - dat is zoo niet - neen, maar omdat ik er meer van bywoonde. By gelyk oordeel heb ik nog meer indruk. (...) De ma‡onnerie, welker geschiedenis gy naspoort, is een verrotte boêl. Maar 't grondidee is zoo oud als zwakte aan één kant, en onwettig of onredelyk gezag aan de andere zy - dat is zoo oud als 't menselyk geslacht.' (VW XI, p. 336)

Van Vloten publiceerde in de Navorscher van 1864 zijn 'Geschiedenis der Vrijmetselarij' en in de Levensbode van 1865 'De Vrijmetselarij en hare toekomst'. In de Levensbode van 1879 en 1881 verschenen nog diverse artikelen van zijn hand over dit onderwerp.

Elf jaar later schrijft M. aan de medevrijmetselaar en uitgever J. Waltman Jr.: 'Ja, zeker ken ik de doeleinden der Maçonnerie goed! Maar ik beweer dat veel werkplaatsen niet aan dat doel beantwoorden. Godbewaarme dat ik yveren zou voor politieke tinnegietery, maar toch is 't 'n ondragelyk inkruipsel dat de Maçonnerie zich niet beweegt opstaatkundig terrein. Dit is 'n lafhartig toegeven in vrees voor gestelde machten. En oorspronkelyk was juist de roeping der metselary zich wél te bemoeien met politiek. Eilieve, als 'n regeering eens gewetensdwang ging uitoefenen, zou dan de maçonnerie zich niet daartegen mogen (ja, moeten) verzetten? Ook op andere terreinen gedragen de meeste loges zich te zoetsappig, niet militant genoeg. Een voorbeeld dat myzelf aangaat. Was 't niet de taak der maçons geweest zich de zaak van Havelaar aantetrekken? Jawel! Daarom zei ik in de (?) Kruissprook: "Vrye metselaren/Die over 't goede, schoone woorden spreekt,/Maar u onthoudt van stryden tegen 't kwaad/ Gy die u "Kind'ren" noemt "der weduw" maar uw hand/Niet uitsteekt om het kruis te dragen van haar zoon." -' (9 november 1875, VW XVIII, p. 76-77; cf. brief aan Mimi d.d. 29-30 juli 1863, VW XI, p. 184-185)

In de Ideën brengt M. een en ander aangaande de vrijmetselarij te berde in Idee 1273b (VW VII, p. 627); Idee 1275 (VW VII, p. 629 e.v.), 1281 en 1282 (VW VII, p. 667 e.v.). Het laatste Idee draagt als opschrift: 'Oorsprong der vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen om met sommige mensen kennis te maken. Bydrage tot de ongeloofwaardigheid van 'n oud schryver.'.

(Lit. P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 267; W. Buddingh, 'Een vrijmetselaar zonder vrijmetselarij?', in: Over Multatuli, 1980, nr. 5, p. 1-24, W. Buddingh, 'Multatuli: maçon zonder loge?', in: Over Multatuli, 1984, nr. 12, p. 52-63)