Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

S

Saïdjah en Adinda, het beroemde en aandoenlijk verhaal van een liefdesgeschiedenis in het zeventiende hoofdstuk van de Max Havelaar (VW I, p. 233-254).

Het thema is verwant aan Paul et Virginie van *Bernardin de Saint-Pierre (*Maleise gedichten).

Het is het verhaal van Saïdjah die al op jonge leeftijd geconfronteerd werd met de gevolgen van het *Cultuurstelsel: verschillende malen werden buffels van zijn vader gestolen. Na het stelen van een buffel waarmee Saïdjah vriendschap had gesloten, vluchtte Sa‹djahs vader, maar hij werd gevangen genomen en stierf in de gevangenis. Saïdjah vertrok toen naar Batavia om geld te verdienen waardoor hij met Adinda, een meisje uit zijn dorp, zou kunnen trouwen. Hij sprak met haar af dat hij na 36 'manen' terug zou zijn. Onderweg naar Batavia dichtte hij het lied *'Ik weet niet waar ik sterven zal' (VW I, p. 241-242).
Drie jaar later kwam hij terug maar hij trof noch Adinda noch andere dorpbewoners aan. De familie van Adinda bleek te zijn gevlucht voor de soldaten. Saïdjah sloot zich toen aan bij de opstandelingen in de Lampongs om Adinda te gaan zoeken:

'Op zekeren dag dat de opstandelingen opnieuw waren geslagen, doolde hy rond in een dorp dat pas veroverd was door het Nederlandse leger, en dus in brand stond. Saïdjah wist dat de bende die daar vernietigd was geworden, grotendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond het lyk van Adinda's vader met een klewang-bajonetwonde in de borst. Naast hem zag Saïdjah de drie vermoorde broeders van Adinda, jongelingen, byna kinderen nog, en een weinig verder lag het lyk van Adinda, naakt, afschuwelyk mishandeld...' (VW I, p. 253-254)

Saïdjah loopt dan de soldaten tegemoet...

'En weinig tyds later was er te Batavia groot gejubel over de nieuwe overwinning die weer zovele lauweren had gevoegd by de lauweren van 't Nederlands-Indische leger. En de Landvoogd schreef naar 't Moederland dat de rust in de Lampongs hersteld was. En de Koning van Nederland, voorgelicht door zyn Staatsdienaren, beloonde wederom zoveel heldenmoed met vele ridderkruisen. En waarschynlyk stegen er uit de harten der vromen, in zondagskerk of bidstond, dankgebeden ten hemel, by 't vernemen dat "de Heer der heirscharen" weer had meegestreden onder de banier van Nederland...

"Maar God, met zoveel wee begaan,/Nam de offers van dien dag niet aan!" (VW I, p. 254)

*Richard Hol componeerde in 1861 de Saïdjah-elegie. Een Maleise vertaling van het verhaal werd in 1875 vervaardigd door *J.N. Wiersma. In 1929 componeerde Lodewijk Mortelmans (1868-1952, geb. te Antwerpen) het Lied van Saïdjah, studie voor klavier. *Samaritaan *Groneman

Salak, één van de hoge bergen in de Preanger Regentschappen, uitgedoofde vulkaan bij de Gedeh, ten zuidwesten van Buitenzorg, 2211 m. hoog. Bij het afscheid van *Willem van der Hucht in 1845, toen DD. veertien dagen te Parakan Salak had gelogeerd, schreef hij op deze berg een gedicht in acht strofen. De eerste regel luidt: 'Ge vraagt me een lied bij 't scheiden van deze oorden'. Het complete gedicht werd door DD., voorzien van commentaar, opgenomen in zijn *'Brief aan A.C. Kruseman' (24 februari- 6 mei 1851, VW IX, p. 197-199). M. nam de derde strofe op in de Max Havelaar ''t Is zoeter hier zyn Maker luid te loven.../'t Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelry.../Veel meer dan ginds ryst hier het hart naar hoven:/Men is zyn God op bergen meer naby!/Hier schiep Hyzelf altaar en tempelkoren,/Nog door geen tred van 's mensen voet ontwyd,/Hier doet Hy zich in 't raat'lend onweer horen.../ En rollend roept Zyn donder: Majesteit!' (VW I, p. 109)

Het gedicht is integraal opgenomen in Multatuli Gedichten. Verzameld en ingeleid door Sander Blom (Amsterdam, 1985, p. 52-53) *Klabat

Salie-avondje, *Juffrouw Pieterse

Sarcasme, vlijmende spot, gehanteerd door M., te beginnen bij de Max Havelaar. De figuur van Batavus *Droogstoppel alleen al maakte hem naar het woord van C. Busken Huet tot de 'virtuoos van het sarcasme'. Zo zegt Droogstoppel al op de eerste bladzijde dat hij voor waarheid en gezond verstand is: 'Voor de Schrift maak ik natuurlyk een uitzondering.' (VW I, p. 15). Over de Javaan zegt hij:

'Ja, arbeid, arbeid, dat is myn wachtwoord! Arbeid voor den Javaan, dat is myn principe! En myn principes zyn me heilig. Is niet het Evangelie het hoogste goed? Gaat er iets boven de zaligheid? Is het dus niet onze plicht, die mensen zalig te maken? En wanneer, als hulpmiddel daartoe, arbeid nodig is - ikzelf heb twintig jaar de beurs bezocht - mogen we dan den Javaan arbeid weigeren, waar zyn ziel daaraan zo dringend behoefte heeft om later niet te branden? Zelfzucht zou het wezen, schandelyke zelfzucht, als we niet alle pogingen aanwendden om die arme verdoolde mensen te behoeden voor de verschrikkelyke toekomst die dominee Wawelaar zo welsprekend geschetst heeft. Er is een juffrouw flauw gevallen toen hy van dat zwarte kind sprak... misschien had ze een jongetje dat er wat donker uitzag. Vrouwen zyn zo! En zou ik niet aandringen op arbeid, ik die zelf van den morgen tot den avond aan de zaken denk? Is niet reeds dit boek - dat Stern me zo zuur maakt - een bewys hoe goed ik het meen met de welvaart van het land, en hoe ik daarvoor alles veil heb? En als ik zo zwaar moet arbeiden, ik die gedoopt ben - in de Amstelkerk - zou men dan van den Javaan niet mogen vorderen dat hy die zyn zaligheid nog verdienen moet, de handen uitsteekt?' (VW I, p. 130)

Tegen Frits zegt Droogstoppel over Sjaalman: 'Hy heeft de wegen van den Heer verlaten, nu is hy arm, en woont op een klein kamertje... ziedaar de gevolgen van onzedelykheid en slecht gedrag! (...) Bedenk toch dat al het kwade gestraft wordt: zie maar weer dien Sjaalman die geen winterjas heeft, en er uitziet als een komediespeler.' (VW I, p. 125)

In Over vryen arbeid spot M. met de Kamer-redevoering van een afgevaardigde, die het goede voorstaat, maar die dit wil vaststellen 'by de wet'. Dat moet wel geleidelijk gebeuren, er moeten immers in de toekomst altijd nieuwe wetten nodig zijn (VW II, p. 248-255). Sarcasme is er ook in M.'s behandeling van *Bilderdijks Floris V. Bijv. aan het slot van Idee 1056 waarin M. Machtelds uitroep 'Dank Hemel! Ik bezwyk!' citeert en vervolgens opmerkt: 'Zo was haar laatste snik een rym op Bilderdyk!' (VW VI, p. 565-566).

Sarcasme is de grondtoon van Over vryen arbeid, Over Specialiteiten, van de parabelen in de Minnebrieven, van de Ideën over politiek, en van Pruisen en Nederland. Na het ontvangen van de grafschriften op de staatsman *Thorbecke voor de vierde bundel Ideën schreef G.L. Funke M. in vrij krasse taal hoe hij over deze kopij dacht. M. reageerde: 'Wat wou Holland dan? Dat ik gemoedelyk schreef? Dat is wat veel gevergd!' (29 september 1872, VW XV, p. 382). In de Divagatiën schrijft hij: 'En nog iets over den vorm, waarin ik myn denkbeelden tracht aanschouwelyk te maken. Op den voorgrond staat, dat ik poog wáár te zyn. Dat streven stemt tot ernst. Ik bé'n dan ook ernstig, tot het treurige toe. Maar, wanneer me onder 't schryven invalt, dat myn woorden gelezen worden door A, B, C en een groot deel van het alfabet, de exemplaren die met hun allen "Publiek" uitmaken, dan blyft me dikwyls geen keus dan tussen 't neersmyten van de pen, met verslikten vloek, en - als minst gebrekkige uitdrukking van smart - het bitter sarcasme, waarin ik, volgens Huet, een virtuoos wezen zou. 't Kan waar zyn, want ik heb veel geleden.' (VW V, p. 361)

Schaken, grote liefhebberij van M. Met verschillende vrienden en kennissen speelde hij correspondentieschaak, o.a. met *S.E.W Roorda van Eysinga. Hij schrijft hem in februari 1872: 'Ik heb schik in de schaakparty, en zal u woedend bevechten. We spelen om 'n millioen de party, te betalen zoodra... we 't hebben.' (VW XV, p. 96)

Op 10 augustus 1872 schrijft hij zijn uitgever G.L. Funke dat het werken niet vlot en vraagt hem daarom hem te helpen zoeken naar een goede schaker: 'Ik heb altyd baat gevonden by schaken. Kunt ge my een sérieuze schaakparty bezorgen? Maar zeg uitdrukkelyk dat ik niet beweer, sterk te zyn, o neen! (Dit is de waarheid) Met 'n meester 3e of 4e rang, verlies ik. Reeds 'n keer of drie heb ik 'n corresp. party gespeeld in den laatsten tyd, maar ik trof het altyd dat men 't ál te slordig opvatte, en dan wryft het me niet genoeg. Maar als ge 't nu een goeden schaker voorstelt, heeft zoo'n uitdagenden schyn. Dit weerhoudt me van schryven aan een beroemdheid als byv. van 't Kruis, van der Leli, & dergelyken. En met een kruk helpt het me niet. Mogt ge iemand vinden, die er geschikt voor is, zorg dan vooral dat er geen bluf ligt in m'n aanbod. Dan zou ik er te gek afkomen.-' (VW XV, p. 307)

Funke antwoordt hem dat hij niemand kent die redelijk schaakt (brief van 17 augustus 1872, VW XV, p. 311). In de volgendejaren speelt M. correspondentieschaak met onder anderen J.L. Switzar (1838-1916, apotheker en burgemeester van Beek en Donk) en *A. van der Linde. Aan Marie Berdenis van Berlekom schrijft M. op 4 augustus 1886:

'Verbeeld je meid, als een der middelen die ik noodig heb tegen myn kwaaltjes - ik heb er zoo eenige! - gebruik ik 't schaken. Daar heb ik nu maar eventjes vyf partyen te-gelyk aan de hand, of eigenlyk vier, want één heb ik al glorieus gewonnen. het gaat nl. p. correspondentie, drie te Amsterdam en twee te Utrecht. Elken morgen by m'n ontbytje, als ik nog niet spreken kan, weet ge? - bedenk ik m'n zet. Dat is my 'n groot genoegen. Nu moet je weten dat ik volstrekt geen sterke speler ben uit de hand. Maar by korrespondentie kan ik door geduld aanvullen wat me aan cheniïgheid mankeert.' (VW XXIII, p. 643-644)

In 1984 werd door de conservatrice van het Multatuli-Museum, mevr J.A. Roelfsema-Tenge, in M.'s bureau een notitieboekje gevonden met twee onbekende schaakpartijen. Of het hier correspondentieschaak, soloschaak of om partijen 'uit de hand' gaat, is niet duidelijk (B. Luger, 'Douwes contra Dekker', in: Over Multatuli, 1985, nr. 15, p. 15-22; B. Luger, 'Multatuli versus Plurimatuli' in: Weerwerk, p. 101-112, 258-260). De correspondentieschaak met Switzar werd gepubliceerd door L. Prins in Multatuli en het spel van koningen (Amsterdam, 1970).

Schipbreuk, In november 1842 leed DD. schipbreuk op zijn reis van Batavia naar Sumatra's Westkust (Natal). Mimi deelt mee dat DD. 'zijn jongen' (bediende), met diens echtgenote en kinderen had meegenomen naar Batavia. Toen het schip verging zou de echtenote, Mina, tot haar man gezegd hebben: 'Eerst je heer, Siddin! red eerst je heer, daarna mij en de kinderen!' DD. zou hem gezegd hebben dat dat niet hoefde en dat hij voor zichzelf kon zorgen (VW VIII, p. 103-104). Dit verhaal nam DD. op in een onverzonden memorandum aan de gouverneur-generaal van 9 april 1856. Hierin heet de bediende niet Siddin maar Castor (VW IX, p. 612-613).

School des Levens, De-, publikatie van M. (VW III, p. 35-39) geschreven op 5 februari 1865, n.a.v. zijn bezoek van de vorige dag aan het Grand Théâtre te Amsterdam, waar de afscheids- tevens benefice voorstelling van de toneelspeelster *Laura Ernst werd gegeven. Zij speelde de rol van Isaura in Die Schule des Lebens, oder die Königstochter als Bettlerin een romantisch toneelspel in vijf bedrijven van *E. Raupach.

M. publiceerde zijn beschouwing in het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad van 6 februari 1863 (herdrukt in de Herdrukken en Verspreide stukken, beide in 1865). Hij looft hierin het acteren van Laura Ernst, maar ergert zich aan het geringe aantal toeschouwers. Hij valt uit tegen de onlangs benoemde prof. *Oosterzee bij wiens rede 'in slecht latyn' de zaal wèl vol geweest was.

Op 7 en 12 februari 1863 vonden nog twee voorstellingen plaats. Die werden opgeluisterd door de 'Saïdjah Elegie' van *Richard Hol (programma van 12 februari, VW XI, p. 95). Naar eigen zeggen had zijn lofprijzing succes. In een noot uit 1865 schrijft M. namelijk: 'Ze heeft nog enige keren gespeeld. En ik had myn zin; de zaal was vol: (VW III, p. 40).

Schrijverschap, In één van zijn verlovingsbrieven aan Tine schrijft M.: 'Geene betrekking zoude mij beter passen dan die van schrijver dat heet, als ik mij eerst een jaar of tien oefende en er mij geheel op toelegde. Als ik fortuin had, genoeg om middelmatig te leven, geloof ik waarlijk, dat ik alle andere bezigheden, die mij toch nimmer aanstaan, aan een zij zette. (...) ik zoude menschen schilderen' (29 oktober 1845, VW VIII, p. 519)

Zes jaar later schrijft hij zijn *'Brief aan A.C. Kruseman, waarin hij een proeve van zijn schrijftalent laat zien, en stuurt hij zijn jeugdvriend Kruseman, inmiddels een gerenommeerd uitgever te Haarlem geworden, zijn toneelstuk Hemelbruid (later getiteld De Bruid daarboven) ter beoordeling. Wanneer hij in 1853 met verlof in Nederland is, vraagt hij Kruseman of deze denkt dat hij talent bezit (cf. brief aan Tine d.d. 11 februari 1853, VW IX, p. 300).

Weer zeven jaar later verschijnt de Max Havelaar, waarin hij aan het slot schrijft: 'ik wil gelezen worden!' (VW I, p. 292). Wanneer men het boek als een 'mooi' boek beoordeelt, maar volgens M. aan de politieke strekking ervan voorbijgaat, verandert zijn visie op het schrijverschap. Hij zal tot het einde van zijn leven in zijn werken en in zijn brieven talloze malen klagen over het schrijven voor de pers. Ten eerste omdat hij meent dat het *publiek 'niet lezen kan' en ten tweede omdat hij moeite heeft met het schrijven om den brode. In 'Max Havelaar aan Multatuli' schrijft hij: 'En ik dan Multatuli? Hoe kan ik weten wat de maat is van de ziel der heren, voor wie ge myn geschryf bestelt? En al wist ik die maat, het zou toch niet gaan. Ik ben geen schryver, en gy ook niet.' (VW I, p. 454).

Idee 112 luidt: 'Zelden schryf ik wat ik wil, en nooit wat 'n ander wil.' (VW II, p. 335). In een noot uit 1872 bij dit Idee geeft M. aan dat dit één van de redenen is waarom het hem zo moeilijk valt schrijver van beroep te zijn. Er gaan soms maanden voorbij waarin hij zich niet kan uiten; hij begrijpt dan ook niet hoe anderen elke dag denkbeelden kunnen 'leveren'. Dat is dan ook de reden waarom 'ik zo lang wachtte voor ik me aan die broodschryvery overgaf. Ik hoopte zo lang mogelyk dat men my die marteling besparen zou!' (VW II, p. 677).

Omstreeks 1870 werd het M. duidelijk dat er geen keuze meer was tussen een ambtelijke loopbaan of het professionele schrijverschap: de mogelijkheid op herstel van zijn ambtelijke positie was voorgoed van de baan. Hij schrijft hierover in Idee 947: 'Eerst zeer onlangs besloot ik, alle pogingen om nederland te bewegen tot iets eerlyks, op te geven. En daar ik alzo de hand vry kreeg om 'n beroep te kiezen, nam ik me voor, my toe te leggen op 't schryven van boeken. Ik doe 't ongaarne, ik doe 't met weerzin, maar 't is noodzakelyk. Daar er reeds veel boekdelen van my verschenen, zal 't velen vreemd voorkomen, nu eerst van myzelf deze verklaring te vernemen. Ze meenden dat ik sedert lang reeds schryver was. De weinigen die goed lezen, weten beter. (...) In 't eerste boek dat ik - myns ondanks, waarachtig! - aan de pers overgaf, komt de uitdrukking voor: "ik wil gelezen worden". Dit geschiedde dan ook. Toen en heden nog altyd,

maakt m'n geschryf opgang. Het weerstaat alle pogingen van zeer verschillenden aard, die werden aangewend om my te smoren, laster en verdachtmaking zowel als 't edele nederlandse doodzwygen. Ja zelfs onbekookte lof, het ergste wat 'n schryver overkomen kan, heeft de vruchten van m'n arbeid niet van de markt kunnen dringen. Waaraan heb ik dit te danken? (...) Wat is de oorzaak dat m'n geschryf verkoopbaar is? Dat het geldswaarde heeft? Hierop namelyk komt nu - schande over u, Nederlanders! - de vraag neer. De oorzaak is: dat ik schreef zonder aan dezen eis te denken. (...) Men zal me dus vergunnen voort te gaan, alsof ik nog altyd geen schryver was.' (VW VI, p.144-145)

In 1877 verschijnt de zevende, en tevens laatste bundel Ideën. Tine's dood en een vlijmscherpe kritiek van *J. van Vloten grijpen M. dusdanig aan dat hij geen letter meer op papier krijgt. Op 12 december 1877 schrijft hij her echtpaar Bruinsma: 'Deze stryd tegen m'n eigen lust om deuren en vensters open te zetten, werkt verlammend op elke intimiteit niet alleen, maar zelfs op m'n publiekschryvery, die de Times van m'n ziel was tot op 't oogenblik dat er redenen ontstonden waarom ik niet alles zeggen mocht. Dit was in den Havelaar, in de Minnebrieven, in de eerste Ideën, zoo niet. Toen uitte ik alles wat ik in 't gemoed had, en precies zóó als ik 't in ' gemoed had. Begryp eens hoe my die verandering knakt. Om thans persklaar drukwerk te leveren, moet ik me werkelyk maken tot "schryver" tot kopieleverancier, tot iemand die iets maakt. Ik voel my er hoe langer hoe minder bekwaam toe.' (VW XVIII, p. 770)

*romanschrijver *schrijvers

Seksuele voorlichting, Op verschillende plaatsen in zijn werk gaat M. in op dit onderwerp. Met name het vanuit zedelijke motieven onthouden van seksuele voorlichting aan kinderen, keurt hij af. Juist het zwijgen over seksualiteit lokt kinderen uit tot het mystificeren ervan. In Idee 1067 schrijft hij bijv.:

'Een der eerste vragen van 't kind is: vanwaar ben ik gekomen? En juist op deze vraag krygt het geen antwoord, of men scheept het af met onwaarheid. By volken en in standen waar men dit streven naar kennis niet aanhitst tot ongezonde overprikkeling, legt zich de belangstelling weldra bevredigd neder. Waarom zou de knaap zich met het geslachtsleven meer bezig houden dan met spysvertering of zwaartekracht, indien men hem niet als 't ware opwekte tot doordringen, óf door een in 't oog vallend zwygen, óf door 't voorhouden van al te doorzichtige leugens? Welk belang zou 't hem inboezemen, 'n mysterie te doorgronden, dat by eenvoudige openhartigheid geen mysterie voor hem wezen zou?' (VW VI, p. 710-711)

In Idee 875 noemt hij enkele gevolgen van het verzwijgen van seksualiteit, door hem hier 'geheimkramery' genoemd:

'Het kind mag niet weten hoe zich ons geslacht voortplant. Ieder begrypt dat dit verbod een ongezond hygen bewerkt naar 't onbekende. De gevolgen zyn ondeugende kwajongensvertrouwelykheid, smaak in slecht gezelschap, smachten naar surrogaat van genot, door 'n vies aandurven van verboden woord of beeld, begeerte naar dieper doordringen in 't kittelend mysterie, kittelend slechts omdat het mysterie is...' (VW IV, p. 596)

In Idee 1072 roept hij zijn lezers op een boek te schrijven in de trant van het kinderboek Histoire d'une bouché de pain van *Macé, om de huichelarij in de zgn. fatsoenlijke boeken 'uit te roeien': 'Blyft deze uitnodiging onbeantwoord, dan zal ikzelf het doen, doch het ware my liever deze taak door anderen verricht te zien. De ernstig wetenschappelyk-correcte uiteenzetting van dit onderwerp, zou my meer tyd kosten dan ik gevoeglyk missen kan. Ouders die volstrekt hun kinderen willen opvoeden óf tot idioten, óf tot huichelaars, óf tot vergroeid-hysterische wanschepsels, kunnen nu bytyds hun boekverkoper waarschuwen tegen 't "op bezien", zenden van 't kinderboekje dat hen bedreigt. De anderen zyn me dank schuldig.' (VW VI, p. 722)

*zedelijkheid

Sentot,
1. ps. van Alibassa Prawiro Dirdjo, geboren. 1808, legerhoofd in de *Java-oorlog onder Dipo Negoro. Multatuli noemt hem in de Max Havelaar (VW I, p. 313) en in de 'Brief aan A.C. Kruseman'. In de brief schrijft hij dat Sentot de 'ziel' van de Java-oorlog was:'Hij was een zeer dapper, bekwaam mensch, en werd door onze officieren hooggeacht om zijne taktiek & vermetelheid; vooral ook om de Pruissische discipline zijner benden.' (VW IX, p. 176)
2. onder dit ps. publiceerde S.E.W. Roorda van Eysinga het gedicht *De laatste dag der Hollanders op Java.
3. ps. van *H.H. Huisman.

Si Oepi Keteh, 'de kleine freule', dochter van de datoe Keteh te Natal. DD. maakte kennis met haar toen hij in gezelschap van haar vader en anderen een inspectietocht naar de pepertuinen van Teloek-Balai maakte. Aan de toen dertienjarige Si Oepi vertelde DD. onderweg in de prauw de geschiedenis van de *Japanse steenhouwer. In de Max Havelaar vertelt Havelaar deze geschiedenis tijdens één van de tafelgesprekken aan Tine, Verbrugge en Duclari (VW I, p.145-152).

Na terugkeer van de pepertuinen vroeg DD. de datoe, of Si Oepi Keteh bij hem in huis mocht komen wonen. Zij werd 'zyn eerste vrouw', schrijft Mimi. Si Oepi Keteh ging later met DD. naar Padang. Toen hij geen inkomen meer had, stuurde hij haar terug naar haar vader. DD. gaf haar de naam Clio, de muze van het epos (VW IX, p. 104-105) P. van 't Veer schrijft in Het leven van Multatuli (1979, p. 113) dat het hebben van een 'njai' heel gewoon was voor een Nederlandse ambtenaar in Nederlands-Indië. De keuze van een njai bepaalde de houding tot de Natalse wereld. In de gespannen verhouding tussen de Kust en de Batakse binnenlanden was het aanvaarden van een njai uit Atjehse kring al genoeg om tot de tegenstanders van de *Jang di Pertoean gerekend te worden. In het artikel 'Multatuli en de Indonesische cultuur' (Over Multatuli, 1990, nr. 24, p. 3-15) vermeldt Sitor Situmarang dat Si Oepi Keteh geen njai was, maar dat DD. volgens het Minangkabauws adatrecht als 'anak dijaupit' (geadopteerde zoon) door haar als partner gekozen was.

Sjaalman, bijnaam van het personage Max Havelaar in de Max Havelaar. Deze naam werd door *Droogstoppel bedacht omdat Havelaar in plaats van een 'behoorlyken' winterjas alleen een 'soort van sjaal over den schouder had' (VW I, p. 23). Droogstoppel is aanvankelijk van plan Sjaalman in dienst te nemen. Wanneer deze echter als bediende bij een boekverkoping de *Aglaja laat vallen vallen, ziet hij van zijn plan af. Een bezoek aan 'juffrouw Sjaalman' op een achterkamer in de *Lange Leidsedwarsstraat sterkt hem in de juistheid van die beslissing (VW I, p. 53).

Later is Droogstoppel opnieuw van plan Sjaalman aan werk te helpen, maar hij ziet ook hier van af als hij in Sjaalmans kamer een brief vindt waarin een 'bloedverwant' Sjaalmans vrouw aanraadt van haar man te scheiden (VW I, p. 265-266; *Van Heeckeren).

*Pak van Sjaalman

Slavernij, Eén van de opstellen uit het *pak van Sjaalman luidt: 'Over de slaverny in Europa.' Droogstoppel voegt hieraan toe: 'Wat hy hier mee bedoelt, begryp ik niet.' (VW I, p. 40). In Idee 451 gaat M. op de betekenis hiervan in. Hij betoogt dat een slaaf nog geldswaarde heeft, terwijl een Nederlandse arbeider daarentegen van generlei waarde is: 'Hoe, die zwarte slaverny was zo afschuwelyk, hebt gy [de 'heren filanthropen'] gezegd... dat verkopen en kopen van mensen streed tegen uw gevoel, wyl de koopwaar werd gelykgesteld met paarden, kalveren of ander vee... en gy ziet het koelbloedig aan, dat in ons land, in 't land der witte slaverny, uw eigen landgenoten ver beneden dat vee staan? Het stuitte u nooit, dat de eigenaar van een kalf waarde ontvangt voor z'n beest, en dat in uw land niemand eigenaar zou willen wezen van een mens, dan onder schadeloosstelling voor den last van 't bezit? Het hindert u niet dat een neger of koebeest bate was of is, en uw arme landgenoot schade? Het kalf plus, de mens minus?' (VW III, p.116-117)

Hij vervolgt: 'De zwarte slaverny was inderdaad een gruwel, maar... ze was openlyk, oprecht, frank. En: de slaaf werd beschermd door de wet. Wie beschermt den witten slaaf? Wie verzacht of geneest den kanker van de blanke slaverny? Ook dát is een gruwel, filanthropen, en een gruwel met toebehoren van huichelary en valsheid. De invoering ener gereglementeerde slaverny, met verplichting aan den kant des meesters, om z'n eigendom behoorlyk te onderhouden, zou voor menig Nederlands werkman een weldaad wezen... als ze bestaan kon.' (VW III, p. 118-119)

In Menado heeft M. rond 1850, met eigen geld en door gebruik van zijn positie als secretaris, een slavenfamilie vrijgekocht (VW IX, p. 95-96).

In de Max Havelaar kan Tine begrip opbrengen voor deze 'te ver gedreven vrygevigheid' (VW I, p. 98-99). *Nias

Sleutels, parabel van de, in Idee 958 (VW VI, p. 154-155). Op een eiland, waar de bewoners al sedert eeuwen geen sloten meer hadden, arriveerde op zekere dag een reiziger met een bos sleutels. De bevolking wist hier niet mee om te gaan.Zolang de Nederlanders geen sloten hebben 'waarop dramatische - en andere! - litteratuur passen moet', zolang 'zal geen smid 'n oorspronkelykensleutel kunnen leveren op uw kunstgevoel'.

Slotering, personage uit de Max Havelaar. *C.E.P. Carolus, DD.'s voorganger als assistent-resident in Lebak, stond hiervoor model. Hij overleed twee maanden voor DD.'s komst. Volgens zijn weduwe was hij te Parang-Koedjang vergiftigd. Van mevrouw Slotering hoort Max Havelaar dat haar man kort nadat hij het middagmaal bij de demang gebruikt had, ziek was thuisgebracht en enige uren later was overleden (Max Havelaar, VW I, p. 258).

Volgens een brief van een ongenoemde inwoner van Serang in de NRC van 30 januari 1861 (VW X, p. 389-391) was Carolus ziek geweest en had hij onder behandeling gestaan van dokter *Bensen te Serang. Deze had hem overgebracht naar het Militaire Hospitaal aldaar, waar hij drie uur na zijn aankomst was overleden. Dit was dus niet enkele uren na zijn terugkomst uit Parang Koedjang, maar enkele dagen later. De doodsoorzaak was geen vergiftiging, maar een leverkwaal. Het bericht in de NRC wordt door M. vermeld in een noot uit 1875. M. veronderstelt dat Bensen deze brief geschreven heeft (VW I, p. 364). *Boutmij

Slijmering, personage uit de Max Havelaar, waarvoor resident *Brest van Kempen model stond. Slijmering kreeg zijn naam vanwege zijn bijzonder langzame, slome manier van spreken: 'zyn vry grote magere neus' verveelde zich 'op dat gelaat (...), omdat er zo weinig op voorviel' (VW I, p. 77). 'Hy sprak namelyk op een toon, alsof achter elk woord een punt stond, of zelfs een lang rustteken, en ik kan de ruimte tussen zyn woorden niet beter vergelyken dan by de stilte die er volgt op het "amen" na een lang gebed in de kerk, hetwelk zoals ieder weet, een sein is dat men den tyd heeft tot hoesten of neussnuiten. (...) Het publiek der hoofdplaats Serang (...) noemde zyn gesprekken "slymerig." Ik vind dit woord niet zeer smaakvol, maar moet erkennen dat het de hoofdeigenschap van des residents welsprekendheid vry juist uitdrukte.' (VW I, p. 78-79) Een voorbeeld van zo'n 'gesprek' met Slijmering: '- Dat is te veel gevergd! Nietwaar, resident?/-De heer Adipati. Is. Zeer./-Goed, maar er is een grens./-Yverig, sleepte de resident achterna.' (VW I, p. 85)

Sneek, Begin oktober 1868 werd door drie notabelen en geestverwanten van M. te Sneek een oproep tot steun aan M. verspreid (VW III, p. 150-152). Eén van de initiatiefnemers was *J. Houwink. De oproep werd verder ondertekend door *Bokma en H. Fennema Jr. De lezers werden uitgenodigd op 17 oktober een vergadering bij te wonen in hotel De Wijnberg, waarin men zou nagaan hoe M. geholpen kon worden. Een dertigtal heren gaf gehoor aan de oproep en er werd besloten om M. voor te stellen te Sneek en elders in Friesland betaalde voordrachten te laten houden (VW XIII, p. 161).

Op 4 november houdt M. er zijn eerste lezing en draagt voor uit Vorstenschool, op 6 december treedt hij er opnieuw op. C.W.A. baron van Haersolte deelt mee dat M. zich op één van deze bijeenkomsten ergerde aan enkele dames die gebakjes zaten te eten. Hij zou toen geroepen hebben: 'Is het niet een groot schandaal? dames, die boven de vrucht van mijn denken, dat ik ze hier kom aanbieden, zich bezighouden met iets van de koekenbakker' (mededeling van 18 december 1920, VW XIII, p. 199). Na zijn eerste voordracht schrijft M. aan J. Houwink - bij wie hij logeerde - dat de 'totaal-indruk' van Sneek voor hem 'zeer weldadig' was (8 november 1868, VW XIII, p. 207). De *Sneeker Courant spreekt van 'een bezield en bezielend spreker' (VW XIII, p. 215).

M. koesterde (te) hoge verwachtingen van Friesland na het succes in Sneek, waar hij van zijn bewonderaars zelfs een gouden horloge kreeg aangeboden (intekenlijst opgenomen in VW XIII, p. 245-246). Hier zou, aldus schrijft hij op 23 december aan Tine, zelfs 'een heele staatkundige omkeering' (*derde partij) uit kunnen voortvloeien (VW XIII, p. 271). Aan Houwink en diens vrienden vraagt hij voor het volgende jaar ƒ 4000,- te leen (3 februari 1869, VW XIII, p. 328), waarvan een groot deel bestemd is om zijn gezin naar Nederland te laten komen. Houwink weigert, maar stuurt hem wel ƒ 250,- en stelt hem voor een nationale inschrijving te organiseren (cf. brief van M. aan Houwink d.d. 12 februari 1869, VW XIII, p. 347). M. is teleurgesteld en schrijft Houwink dat zijn hoop vervlogen is 'op flinke medewerking in de zaken van algemeen belang die ik zou hebben voorteslaan, en waarvan ik my zooveel had voorgesteld' (15 februari 1869, VW XIII, p. 352). In 1870 en 1871 richtte M. zich nogmaals (tevergeefs) tot zijn kennissen uit Sneek om financiële steun te vragen. Naar Mimi meedeelt (Brieven WB VIII, p. 218) verwerkte M. deze ervaring in de Ideën 1004 en 1005, waarin hij schrijft over '"vrienden" die me telkens bedrogen' (VW VI, p. 274-278).

Sneeker Courant, liberaal dagblad, opgericht in 1846, uitgegeven door *Bokma. De krant toonde zich een groot bewonderaar van M.; herhaaldelijk publiceerde het lovende stukken over M.'s werk en polemieken wanneer M. in een ander blad bekritiseerd werd. Op 15 juli 1868 verdedigde de krant M. tegen een anonieme aanval in de Arnhemsche Courant: 'In bedoeld schrijven toch, wordt weer op zoo'n echt geniepige en kwaadaardige wijze met drek gesmeten naar een man, die, in geestesgaven en moed zoo vér uitstekende boven het meerendeel zijner landgenooten, zich de onverzoenlijke haat der Droogstoppels en de lage wraakzucht der Schmoels op den hals heeft gehaald; naar den man die de eer van Nederland heeft willen redden, die getracht heeft ons volk af te houden van onrecht, knevelarij en diefstal; de man, die den moed had om voor dat principe zijn toekomst en bestaan op te offeren; diezelfde man die door Nederland zoo schandelijk ondankbar behandeld is.' (VW XIII, p. 84-87)

M. reageerde hierop met een ingezonden stuk in dezelfde krant, waarin hij bedankt voor het bovengenoemde stuk, maar het noodzakelijk acht enkele 'misverstanden' inzake zijn houding tegenover het liberalisme (*behouders en liberalen) en tegenover *Vrije Arbeid recht te zetten (18 juli 1868; VW XIII, p. 94-96).

Hij geeft de krant toestemming tot publikatie van een fragment uit het eerste bedrijf van Vorstenschool; dit stuk wordt afgedrukt op 25 juli 1868 (VW XIII, p. 98-101). Op 11 februari 1874 verschijnt in het blad een bericht over M.'s spoorwegplan (*advertenties op spoorkaartjes), waarin staat dat een Keulenaar M.'s plan ten uitvoer heeft gebracht (VW XVI, p. 423). Het blad besprak op 11 november 1868 M.'s voordracht te Sneek zeer lovend (VW XIV, p. 212-216). In oktober 1870 vraagt het aandacht voor de Multatuli-Commissie (VW XIV, p. 185-187; *Multatuli-Commissie 2).

Een week later, op 19 oktober, neemt de Sneeker Courant ook de oproep tot steun aan M. over uit het weekblad De werkman, met daarbij de mededeling dat men 'van ganscher harte' sympathiseerde met deze zaak: 'Zal een van Neêrlands grootste mannen nu nog in 't leven moeten worden gehouden door 't penninkske van den werkman? De zoogenaamde geestverwanten van den grooten schrijver moeten zich schamen!' (VW XIV, p. 197).

M. bedankt Bokma, wiens hand hij in beide stukken meent te herkennen (22 oktober 187o, VW XIV, p. 204).

In de Sneeker Courant van 28 januari 1874 verschijnt van de hand van S.E.W. Roorda van Eysinga een artikel, waarin M. verdedigd wordt tegen een aanval van *A.B. Cohen Stuart, die M. verweten had de sociale kwestie niet te hebben opgelost (VW XIV, p. 400-406).

Het is wederom de Sneeker Courant die in januari 1874 Roorda van Eysinga in de gelegenheid stelt M. te verdedigen. Een jaar later komt ook *N. Braunius Oeberius (onder het ps. Quintillianus) voor M. op in dit blad, ditmaal tegen de kritiek van *J. van Vloten in diens Onkruid onder de tarwe (17 en 20 november 1875, VW XVIII, resp. p. 83-85 en 90-93).

Naar aanleiding van de verschijning van de Bloemlezing door Heloïze, publiceert Roorda van Eysinga in juni en augustus 1877 een reeks van tien artikelen over M. in de Sneeker Courant. Deze stukken werden ook opgenomen in de (Indische) Locomotief (VW XVIII, p. 673 e.v.).

Socialisme, Op 15 augustus 1886 gaat M. in een brief aan H.C. Muller uitgebreid in op het socialisme: 'Nee, socialist ben ik niet! Ik kan 't program van die party niet onderschryven, en dit is jammer voor my misschien, voor hen iets zekerder. Wel heb ik sympathie met den wrevel der ontevredenen, d.i. dien gevoel ik met hen. Maar ik beweer dat ze zich vergissen, zoowel in 't aanwyzen van den vyand die te keer moet worden gegaan als in de middelen die ze aanwenden.

(...) Meen niet dat ik by 't afkeuren der taktiek van de ontevredenen, zoetemelkpapachtige zachtheid predik. (...) Ja, als ik de macht had gekregen waarnaar ik uit bestwil gestreefd heb, zou ik honderde koppen hebben laten vallen. Misschien duizenden. (...) De socialisten - dat malle: "de" Er zyn er geen twee die aan 'tzelfde lyntje trekken! - staan nog minder dan andere St/kundige partyen op de hoogte om de onmisbaarheid intezien van 't leerstuk der onfeilbaarheid. (...)

Juist andersom dan de eisch is, meenen ze hun doel en wèlk doel! - te bereiken door versplintering van kracht, door aan Jan en alleman 't recht toetekennen van meepraten - "meestemmen" heet het, geloof ik, in 't jargon van den dag - door intelligentie, taktiek, geest-

kracht, kennis van zaken, oordeel, alles wat tot bestemmen en bereiken van 'n groot doel noodig is, aantelengen met het lang nat van vergaderingen, babbelclubs, debatgeklets en dergelyke verlammende gewone (of huis-) oefeningen van beroerdheid. Bah! (...) Niet alleen dat ik niet Socialist ben, ik ben anti-socialist (VW XXIII, p. 651-693; cf. zijn eerdere brieven hierover aan Muller d.d. 8 januari en 25 november 1884, VW XXIII, resp. p. 28-33 en p. 241-243).

Op 27 oktober 1882 schrijft hij M.J. de Witt Hamer: 'Neen, ik begryp inderdaad niet, op welke manier de socialisten willen bereiken wat my voorkomt het desideratum [Lat. gewenste doel] van alle wysbegeerte te moeten zyn: verhooging der som van het genot.' Hij vraagt verder waar hij een omschrijving van het streven van de socialisten kan vinden, want: 'Marcx [*Marx] doet in frazen, à l'instar [Fr. naar het voorbeeld] van 't volkje dat-i bestrydt. In de uitdrukkingen "het Kapitaal" "de arbeider" struikel ik steeds over de onderhaalde lidwoorden.' (VW XXII, p. 431).

Ook in Idee 916 (VW IV, p. 656) wijst hij het socialisme af. Via een dagbladadvertentie d.d. 12 november 1886 verklaart hij de meningen der sociaal-democraten in hoofdzaak onjuist te achten (*advertenties 5.).

Al wilde M. zich dan geen socialist noemen in partijpolitieke zin, zoals hij evenmin liberaal of behoudend genoemd wenste te worden, socialistische gedachten had hij voor zijn tijd wel. Het is dan ook niet vreemd, dat de socialisten hem wel degelijk als een geestverwant beschouwden. Hij ijverde bijvoorbeeld voor de verbetering van de positie van de arbeider (*begroting *Huisman *Ris), hogere salarissen voor onderwijzers en de verbetering van de positie van de *vrouw. *anarchist *Domela Nieuwenhuis *palingoproer *regering *welzijn des volks

Speelbank, oefende grote aantrekkingskracht uit op M. Aanvankelijk was hij van mening dat er een systeem bedacht kon worden om te winnen (*roulette *Homburg *Spa).

De Mainzer Beobachter houdt op 15 januari 1867 de inwoners van *Wiesbaden voor dat zij een groot gedeelte van hun achtbaarheid (welvaart) 'moeten putten uit het verkeer, dat de speelbank in het leven roept' (VW XII, p. 38). Op 25 februari 1867 herhaalt de Mainzer Beobachter zijn verdediging van de speelbank (VW XII, p. 93). Later betoogde M. dat de speelbank volmaakt eerlijk werkt, maar dat men met geen enkel stelsel winnen kan (*Millioenen-studiën).

Spelling, In Idee 1064 betoogt M.: 'Eénheid van spelling, gelykvormigheid in de toekenning der geslachten, heeft met wezenlyke taalstudie niets te maken. Die zaakjes konden even goed op hoog bevel door 'n kommies van 't Ministerie worden vastgesteld, als door 'n zogenaamden taalkenner. Op weinig uitzonderingen na, hebben we hier met louter conventie te doen, met luim zelfs, en - erger nog!- dikwyls met leugen.' (VW VI, p. 665)

Om aan te geven met wellee nietigheden *Weiland en *Siegenbeek, *De Vries en *Te Winkel zich bezighielden, drukt hij onder meer een brief af van 'den Taalkundigen Heere *Joh: Hilarides, Taalmeester Der Latynsche Schoole te Bolswerd' over de nieuwe uitgave van *Jonctys' Roseliins oochies en 'heedendaagsche pedantsche Taalbedervers' (1712).

Al in de allereerste Ideën doet hij enkele korte uitspraken over taal en spelling. In Idee 47 schrijft hij bijv.: 'Ik durf nog niet schryven "Hollans" maar er zal een tyd komen dat ik het durf.' (VW II, p. 319).

Toch blijft hij concessies doen aan de gangbare spelling. In 1872 voegt hij aan dit Idee toe: 'De tyd waarin we "mens" en "hollans" (zonder staart) mogen schryven, is gekomen en - wat my betreft - reeds voorby. By correctie dezer uitgave veroorloof ik me weinig afwykingen. Ik heb zeer veel op de tegenwoordige spelling aan te merken, maar indien ik alles veranderde wat me niet goed voorkomt, zou myn werk er vreemd uitzien. Dit vreemde zou misschien sommigen afschrikken, en daaraan mag ik de verspreiding myner Ideën niet opofferen. Dus: vroolyk... godbetert! Maar onder protest! Waarom niet eens-voor-al de klinkers die een lettergreep sluiten, ontlast van die gekke verdubbeling? Zyn we er ongelukkiger om, dat we sedert een halve eeuw, jaren en uren met één a en één u schryven?' (VW II, p. 671-672)

In een noot (1872) bij Idee 62 schrijft het dat het vreemd zou staan om in woorden als bed en brood de d te vervangen door een t. Daarom kiest hij ook hier voor de gebruikelijke spelling (VW II, p. 672).

'Spellingsregelaars' worden door hem vaak aangevallen, ook schoolmeesters moeten het ontgelden. Immers, 'Wat zou er worden van de schoolmeestery, als we flinkweg schreven zoals 'n beschaafd mens spreekt?' (Idee 341, VW II, p. 518). Bij de vijfde uitgave van de eerste bundel Ideën legt hij verantwoording af van de gekozen spelling: 'Wat de spelling betreft, ik heb ditmaal, niet zonder tegenzin, nagenoeg de mode van den dag gevolgd niet omdat ik den minsten eerbied voel voor de taalkennis der personen die heden-ten-dage zo goed als officieel belast schynen met de bearbeiding van dat veld, doch om niet het oog des lezers af te stoten door vreemdheid van spelling. De sop zou de kool niet waard zyn. Ik neem deze gelegenheid te baat voor de opmerking dat ik vroeger, waar ik van de gewone spelling afweek, geenszins bedoelde een voorbeeld van goede schryfwys te geven, doch alleen wil de aantonen dat men ook buiten de alleenzaligmakende methode der vakmannen van den dag, iets kon voortbrengen dat het lezen waard was. Toch zou 't me zeer lief zyn, eens tyd te vinden, onze taal tot 'n gezet onderwerp van studie te maken, of liever - want dit deed ik reeds sedert m'n kindsheid - bruikbare spelregels voor te slaan.' (1872, VW II, p. 664-665)

De spelling De Vries en Te Winkel bevalt hem evenmin als het 'schoolmeesterig geknutsel' van Siegenbeek. Het 'stelsel' is onpraktisch, betoogt hij (VW II, p. 665).

In het naschrift bij de tweede druk van de derde bundel Ideën voegt hij toe de hele zaak van ondergeschikt belang te vinden. Het zou beter zijn het juk van onze hedendaagse 'nederlandse-taalmannen' van zich af te schudden (1874, VW IV, p. 678). In Over Specialiteiten schrijft hij over spellingshervorming: 'Hoe dit zy, we schikken ons in: vroolykheid, en zien met minachting neer op onze groot-ouwelui die 'n tyd lang ogen en zo schreven. Thans vind ik die spelling zo

gek niet, maar toen ik kind was, gruwde ik van z'n verregaande onkunde. Huiverend vroeg ik mezelf hoe men tegelykertyd grootvader en zo dom kon wezen? Een schryver die een levenloos voorwerp hy of zy noemde, inplaats van dezelve, was in myn tyd 'n ondeftige knoeier dien ik met al de kracht myner schooljongensrechtzinnigheid "verachtede".' (VW V, p. 588)

*schandaal *Sickingen

Spohr, Wilhelm, 1868/9-1959, stond in levendige correspondentie met Mimi. Hij vertaalde een groot aantal werken van M. in het Duits, te weten:

1899: Multatuli. Auswahl aus seinen Werken in Uebersetzung aus dem Holländischen, eingeleitet durch eine Characteristik seines Lebens, seiner Persönlichkeit und seines Schaffens (Minden; ze druk 1902);
1900: Max Havelaar (Minden; 3e druk 1903);
1900: Liebesbriefe (d.i. Minnebrieven; Minden; 2e druk 1902);
1900: Millionenstudien (Minden; 2e druk 1903);
1901 Fürstenschule, Schauspiel in fünf Aufzüge (Minden);
1901-1902: Die Abenteuer des Kleinen Walther (2 dln., Minden); 1905: Frauenbrevier (bloemlezing; Frankfurt am Main);
1906: Multatuli-Briefe (2 dln., Frankfurt am Main)

*Stromer

(Lit. René Vanrusselt, 'De correspondentie tussen Mimi en Wilhelm Spohr', in: Over Multatuli, 1984, nr. 13, p. 64-74)

Staccata, personage uit de Millioenen-studiën, de juffrouw die op de *Sonnenberg de vreemdelingen rondleidde, waarschijnlijk genoemd naar het Italiaanse staccato, een aanwijzing voor het notenschrift in de muziek, waarbij geen verbindingen tussen noten worden gemaakt, figuurlijk gebruikt voor een wijze van spreken waarbij de klanken niet met elkaar verbonden worden.

Staccata wordt beschreven in het tweede hoofdstuk, getiteld 'Staccata, de auteur en andere ruïnes' (VW V, p. 17-25). De schrijver bewondert haar om de 'eenvoudige menniste [meniste=doopsgezinde] vastheid' waarmee zij de studenten tot betalen sommeerde. Zijn eerste ontmoeting met haar was niet interessant: 'Ik had haar niet eens verleid, iets dat ik anders by zulke gelegenheid terstond doe. Misschien had ik kiespyn of zoiets, in den zomer van '54, (VW V, p. 22). Verder spreekt hij van 'Staccata's welig opschietende lelykheid' (VW V, p. 24). Zij is de laag-bij-de-grondse personificatie van *Logos, die door een onverstoorbare stroom logische gevolgtrekkingen tot de conclusie komt: 'Omelett, Schwarzbrot, Schinken, alles zweimal. Bier... drei Flaschen. Sie bezahlen...' (VW V, p. 22).

Standbeeld, In Idee 590 schrijft M.: 'Moet dan ten eeuwigen dage de arbeid van heden, beloond worden met standbeelden in de toekomst? Is het aan zekere lieden niet vergund te leven... vóór ze dood zyn?' (VW IV, p. 342)

M. kreeg verschillende standbeelden na zijn dood (*borstbeeld 1-5), ondanks zijn verzoek aan het nageslacht in Idee 305 om 'de gelden die 't zal willen byeenbrengen voor myn standbeeld, te gebruiken tot 'n beloning voor 't beste: "Historisch-Kritisch onderzoek naar de wyze, waacop de Goddienende Nederlandse natie zich heeft vrygepleit van de beschuldiging die Multatuli tegen haar inbracht, toen-i 't woordje "dus" plaatste tussen Nederlandse heldendeugd en verwoeste dorpen.' (VW II, p. 497-498).

Stern, Ernest, personage uit de Max Havelaar, zoon van de handelaar in koffie Ludwig Stern uit Hamburg, een zakenrelatie van Droogstoppel. Wanneer Droogstoppel verneemt dat een andere makelaar, nl. Busselinck & Waterman, pogingen heeft gedaan door lagere prijzen het handelshuis van Stern over te nemen van de firma Last & Co, nodigt hij de jonge Stern uit om 'ter vervolmaking zyner kommerciële kennis' enige tijd op zijn Hollandse kantoor te komen werken. Als de oude Stern zijn eigen zoon namelijk bij Last & Co op kantoor heeft zitten, zal hij, zo redeneert Droogstoppel, uiteraard niet met een andere firma in zee gaan. De jongen zal ondergebracht worden bij de familie Droogstoppel (tweede hoofdstuk, VW I, p. 22). In het begin van het vierde hoofdstuk zegt Droogstoppel over hem: 'Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy schwärmt. Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem aan het kopyboek gezet, om zich te oefenen in den Hollandsen styl.' (VW I, p. 36)

Het is uiteindelijk Ernest Stern die het boek samenstelt uit het materiaal dat zich in het *pak van Sjaalman bevindt. Droogstoppel zegt hierover: 'Alleen scheen Stern, die een tint van letterkunde over zich heeft - zoals veel Duitsers - een stem te willen hebben in de wyze van uitvoering. Dit beviel me nu wel niet, maar omdat de voorjaarsveiling op hand is, en ik van Ludwig Stern nog geen orders heb, wilde ik hem niet te sterk kontrariëren. Hy zei dat: "als de borst hem gloeide van gevoel voor het ware en schone, geen macht ter wereld hem beletten kon de tonen aan te slaan, die met zulk een gevoel overeenstemmen, en dat hy veel liever zweeg, dan zyn woorden omklemd te zien door de onterende kluisters der alledaagsheid."' (VW I, p. 48-49)

Als 'schrijver' van de Havelaargeschiedenis vertegenwoordigt Stern het romantische. De in de Sternhoofdstukken vaak optredende ik-figuur - door Sötemann in De structuur van de Max Havelaar (Utrecht, 1966) het 'auctorieel-medium' genoemd - is inderdaad op sommige plaatsen te vereenzelvigen met de 'biograaf' Stern, maar vaak blijkt dit onmogelijk en herkent de lezer M. zelf. Dit heeft bij latere onderzoeken geleid tot de hypothese dat M. aanvankelijk zijn boek bij hoofdstuk 4 was begonnen en al schrijvende op het idee van Droogstoppel-Stern gekomen zou zijn, dus van de dubbelroman.

(Lit. de problematiek van de verteller wordt besproken door Eep Francken in De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker, Amsterdam, 1990, p. 102-120)

Stoffel, d.i. Stoffel Pieterse, personage uit de *Wouter-geschiedenis, broer van Wouter. Als hulponderwijzer is hij de vraagbaak van de fam. Pieterse: 'Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol die we dagelyks horen opdreunen door soortgelyke wezens in de Maatschappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich de hebbelykheid aangewend, enige nietszeggende woorden uit te stoten op 'n toon alsof er geurige wysheid van z'n lippen vloeide. Z'n heilbegerige hoorders waren voldaan, of liever, ze drongen zich dit op.' (Idee 1047, VW VI, p. 397)

Zo brengt Stoffel naar aanleiding van Wouters kleurprenten de familie een en ander bij over de toneelkunst: ' 't Was voor Wouter 'n geluk, dat het juist Stoffel was, die deze kennis in 't huis bracht. Van elken anderen kant gekomen, ware ze misschicn afgeweerd als onbehoorlyk, en zeker onwelwillend nageplozen als iets verdachts. (...) Maar 't genoegen van wysheid te verkopen noopte Stoffel tot gunstiger voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen overeenbrengen met de bekrompenheid die by hem de funktiën van 't geweten vervulde.' (Idee 1049c, VW VI, p. 429)

Hij beledigde *Juffrouw Laps ten zeerste door haar voor 'zoogdier' uit te maken (Idee 392, VW II, p. 574) Op 21 augustus 1864 schrijft M. aan Mimi: 'en myn broer de dominé [*Pieter Douwes Dekker] had iets van Stoffel' (VW XI, p. 368). *Ruben

Stuiveling, Garmt, 1907-1985, Nederlands letterkundige, legde samen met E. Du Perron het fundament voor de *Volledige Werken van M., waarvan vanaf 1950 tot 1986 zeventien, onder zijn leiding samengestelde, delen verschenen. Na de Tweede Wereldoorlog was hij tot 1985 tevens voorzitter van het *Multatuli-Genootschap. Hij verzorgde verder een uitgave van Woutertje Pieterse (Amsterdam, 1950), van de Max Havelaar 'naar het authentieke handschrift uitgegeven' (Amsterdam, 1949) en de bloemlezing Barbertje moet hangen, verhalen, parabelen, aforismen (Den Haag, 1955). Deze werken werden herhaald herdrukt. Stuiveling hield verder vele voordrachten, redes en schreef een groot aantal artikelen over M., die ten dele verzameld werden in het 'Stuiveling-nummer' van Over Multatuli (1982, nr. 10), waarin ook een lijst van zijn overige publikaties over M. opgenomen is. Dit Stuiveling-nummer verscheen in 1982 met wijzigingen onder de titel Levenslang.