Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

R

Raad van (Nederlandsch) Indië, college dat in M.'s tijd bestond uit vijf leden die advies uitbrachten aan de gouverneur-generaal. De Raad werd in 1609 ingesteld door de *Heren Zeventien. In 1844 kreeg hij de beschuldigingen te beoordelen die tegen DD. waren ingebracht wegens diens *kastekort te Natal (zie de stukken in VW VIII, o.a. p. 393, p. 395 en p. 410). Op 11 maart 1856 adviseerde de Raad gouverneur-generaal *C.F. Pahud om DD. eervol te ontheffen van zijn functie als assistent-resident in Lebak. De Raad kwam tot de conclusie dat DD. 'evenzeer (...) de bezadigdheid, het beleid en de voorzigtigheid [mist], als het gevoel van ondergeschiktheid, welke vereischt worden in eenen ambtenaar'. Men spreekt van zijn 'edele aandrift, om misbruik van gezag en knevelarij van de zijde van die hoofden aan het licht te brengen', maar men mag niet dulden 'dat het gezag van de hoofden van inlandsch en gewestelijk bestuur door het eigenzinnig opvolgen van dusdanige zelfs edele aandrift worde in gevaar gebragt ten nadeele van het algemeen' (VW IX, p. 533-534).

ln een missive aan de gouverneur-generaal van 14 november 1856, erkent de Raad dat de regent 'niet geheel is vrij te spreken van ongeoorloofde handelingen', de hem ten laste gelegde knevelarijen 'behooren echter tot de zulken, welke door inlandsche hoofden van rang als niet ongeoorloofd worden beschouwd' (VW IX, p. 667). *Hogendorp *H.J. Hoogeveen

Radèn adipati, titel van hoge rang onder de inlandse adel (*Pangérang). *Karta Nata Negara, de regent van Lebak, droeg deze titel.

Radicaal, ambtenarendiploma voor de Indische dienst. Na het behalen hiervan werd men ambtenaar tweede klasse. Het diploma werd verleend door de koning, op voordracht van de gouverneur-generaal. Op 13 februari 1848 diende DD. een rekest in ter verkrijging van dit diploma. Hij schrijft hierin onder meer: 'Dat hij adressant alleen eerbiedig in het midden brengt dat hij immer redenen heeft gehad te gelooven dat het radicaal hem bij voortduring niet zoude worden geweigerd, - dat hij in die hoop zijne carrière heeft aangevangen en voortgezet, en dat derhalve bij verijdeling dier hoop, tien zijner beste levensjaren nutteloos zouden zijn voorbijgegaan.' (VW IX, p. 42)

De resident van Bagelen, *Von Schmidt auf Altenstadt, zond een zeer gunstig getuigschrift mee als aanbeveling: 'De ambtenaar E. Douwes Dekker heeft veel geleerd, bezit onderscheidene kundigheden, en is een knap werkman, hetgeen hem voor verschillende posten, waarvoor het bezit van het Radikaal vereischt wordt, bekwaam doet zijn'. Hij schrijft bovendien dat het ontbreken van dit document de reden is dat hij DD. nog niet heeft kunnen bevorderen (VW IX, p. 43). Bij Koninklijk Besluit van 17 december 1848 werd DD., samen met 228 anderen, het radicaal verleend (VW IX, p. 47).

Rammelslag, personage in de Ideën 608-615 (VW IV, p. 357-368), door M. geschreven n.a.v. zijn voordracht te *Winschoten. Rammelslag staat voor het type dat M. uitnodigt voor lezingen. Hij wordt ingeroepen 'in een kring van mensen die hem - op hún wyze! - hoogschatten, die iets van hem willen leren. Van mensen die behoefte hebben aan wryving... of iets van dien aard' (Idee 608, VW IV, p. 357). Na deze introductie geeft M. een gesprek op het station weer, als hij wordt afgehaald door Rammelslag. Rammelslag, in gezelschap van de andere aanhangers Huilders, Lasman en Van Stryen, 'rammelt' door over van alles en nog wat. In een schitterend voorbeeld van sarcasme beschrijft M. wat de voordrachthouder ('publiekspreker') gedwongen moet aanhoren:

'Dat 's m'nheer Van Stryen... ook al 'n aanhanger van je... denk je dat-i wat gelooft? Geen bliksem! Ge zyt hier onder vrinden, dat verzeker ik u. (...) Zie je die juffrouw met krullen daar, die door 't gordyntje gluurt? Dat's juffrouw Poezelaar, de nicht van onzen officier van justitie... ze doet het huishouwen by hem... omdat-i niet getrouwd is. De vorige was 'n ander klantje... die had wel drie vrouwen tegelyk. (...) Krippelhof... pst... pst! Kom 'ns beneden, hier is iemand die je spreken wil - sjt, hy moet eens met je aan den gang - kom beneden! Zo man, ben je daar... daar is Multatuli... die komt je bekeren. (...) Ja, man, je hebt hier vyanden ook... ze zeggen allemaal - nietwaar, Huilders? - dat je zo'n gemene kerel bent. Maar wy zyn je vrinden... nietwaar, Van Stryen? Dat zal je zien vanavond.' (VW IV, p. 357-361)

Op 12 februari 1887, een week voor zijn dood, droeg M. nog 'met verve' de Rammelslagmonoloog in familiekring voor (VW XXIV, p. 22).

Rangkas Betoeng, (Rangkasbitung) de hoofdplaats van de assistent-residentie Lebak, waar zowel de regent als DD. hun ambtswoning hadden (situatieschets in P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 97). *ravijn

Regent, inlands hoofd van hoge rang, die in iedere afdeling van een residentie de assistent-resident terzijde stond. Hij behoorde veelal tot één van de vorstengeslachten die vroeger geregeerd hadden. M. vergelijkt de positie van de regenten met die van de 'Ryks-, Mark-, Gau-, Grens- en Burggraven van het Duitse Ryk evenzo door den Keizer aangesteld, en meestal gekozen uit de Baronnen' (Max Havelaar, VW I, p. 59). Ook schrijft hij dat de Europese ambtenaar zijn regent dient 'te behandelen als zyn jongeren broeder' (VW I, p. 62):

'De Europeaan zy wel-opgevoed en kies, hy gedrage zich met vriendelyke waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem het bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekenden vorm geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte, rykdom, wordt uitgewist door den Regent zelf, die den Europeaan, als vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en tenslotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moet te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer.' (VW I, p. 63)

Over het verschil in positie van een Europese ambtenaar en een regent schrijft hij: 'Hy [de Europese ambtenaar] bekleedt een ambt om den brode. Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en zelfs vaak niet voldoende, om aan de zynen het nodige te verschaffen. De Regent is: Toemenggoeng, Adipati, ja zelfs Pangèran [*Pangérang], d.i. Javaans prins. De vraag voor hem is niet dat hy leve, hy moet zó leven, als het volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. (...)

De Europeaan leeft burgerlyk, de Regent leeft - of wordt verondersteld te leven - als een vorst.' (VW I, p. 63)

*Cultuurstelsel *Karta Nata Negara

Regeringsreglement, regelde het bewind van Nederlands-Indië. Artikel 55 werd door M. gebruikt als motto voor het tweede gedeelte van Over vryen arbeid:

'De bescherming der inlandse bevolking tegen willekeur, van wien ook, is een der gewichtigste plichten van den Gouverneur-Generaal. Hy zorgt dat de besturende ambtenaren de daaromtrent bestaande of nader uit te vaardigen verordeningen stiptelyk nakomen, en dat den inlanders overal gelegenheid gegeven worde om vryelyk klachten in te leveren.' (VW II, p. 231)

Tijdens M.'s verlof was de herziening van het Regeringsreglement aan de orde in de Tweede Kamer t.g.v. de nieuwe grondwet. In de Memorie van Toelichting had de Regering geschreven: 'NederlandsIndië is een wingewest, dat behoudens de welvaart der inheemse bevolking aan Nederland moet blijven verschaffen de stoffelijke voordelen, die het doel waren der verovering'. Tegen deze opvatting kwam vooral *Van Hoëvell op. De minister, *C.F. Pahud, werd bijgestaan door *J.J. Rochussen en *G.L. Baud, leden van de Kamer.

Republiek, Een republiek biedt niet meer, misschien zelfs minder kans op het goed behartigen van de algemene belangen dan een despotisch geregeerde staat, aldus betoogt M. in Idee 786 (VW IV, p. 507-508). Eenzelfde gedachtengang vinden we in Pruisen en Nederland (VW IV, p. 75). In de 'Brief aan de voorzitter van het Demokratisch Congres' (*congres 3) schrijft hij:

'Republiek? Wel zeker... waar 't kan! Republiek? O ja, als er stof voor is! Maar in Holland bestaat die stof niet. Voor we zoo ver zyn, zou er heel iets anders moeten geschieden! Er is integriteit noodig, plichtbesef, waardigheid, rechtsgevoel, moed... altemaal zaken die in ons land niet bestaan. (...) Republikanisme is evenzeer of liever meer 'n zaak van karakter als van politiek. Zoolang 't karakter ontbreekt, heeft de zoogen. politiek niets te beteekenen, en dat karakter heb ik in Nederland niet gevonden.' (29 mei 1873, VW XV, p. 773-774)

In Idee 833 gaat hij in op de beschuldiging dat hij geen oprecht republikein zou zijn. Hij noemt zichzelf een republikein 'mits men dit woord niet opvatte in bekrompen betekenis' en vervolgt: 'Ik houd genot voor deugd. (...) De grootste genieting vinden wy in 't voortbrengen van genot, in 't doen genieten. Ook waar we niet of maar gedeeltelyk slagen, zyn we deugdzaam door 't pogen. Wie véél genot tracht te scheppen, wie 't algemeen welzyn wil bevorderen, in de mening dat hy daardoor de som van geluk verhoogt, is deugdzaam en republikein, onverschillig of hy z'n doel wil bereiken met één Koning of met zeventig. (...) De republikein kent als zodanig geen edellieden, geen ryken, geen werkman, geen vrouwen of mannen zelfs, hy kent en erkent slechts mensen. Door verheffing van mensen-waarde tracht hy de som van geluk te vergroten.' (VW IV, p. 562-563

Resident, bestuurder van een residentie ( één van de gewesten waarin Indië verdeeld was), hoogste Europese ambtenaar onder de gouverneur-generaal. Oorspronkelijk was de resident de gezant van de Oost-Indische Compagnie bij de Javaanse vorsten. In de Max Havelaar zet M. duidelijk de structuur van het Nederlands bestuursstelsel uiteen. Over de taak van de residenten schrijft hij onder meer: 'Het zyn deze residenten, die eigenlyk het Nederlands gezag tegenover de Javaanse bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch den Gouverneur-generaal, noch de Raden van Indië, noch de Direkteuren te Batavia. Het kent slechts den resident, en de beambten die onder hem het besturen. Een dusdanige residentie - er zyn er, die byna een millioen zielen bevatten - is verdeeld in drie, vier of vyf afdelingen of regentschappen, aan welker hoofd adsistent-residenten geplaatst zyn.' (VW I, p. 59)

Ris, Klaas, 1821-1902, geb. te Westzaan, molenaarsknecht te Amsterdam, nestor van de Nederlandse arbeidersbeweging. Hij richtte vakverenigingen op en schreef brochures over maatschappelijke vraagstukken. Hij was één van de Dageraadsmannen (*De Dageraad 2) die met M. in aanraking kwamen. Na 26 jaar dienst werd Ris vanwege zijn socialistische denkbeelden ontslagen (1876) en werd hij petroleumventer. Hij werd met Gerhard de eerste leider van de Socialistenbond. In 1950 is de steen op zijn graf op Vredenhofaan de Haarlemmerweg geplaatst. Van hem is de *begroting van een Hollands huisgezin, die door M. opgenomen werd in Idee 451 (VW III, p. 121-123). In een noot bij dit Idee beveelt M. zijn lezers Ris' Is Neêrlands moed jenever moed, dan vivat de jenever! (1864) aan: 'Het is een hartig stukjen, en geschreven door een werkman. Zo'n stem uit het Volk is veel belangryker dan de gemeenplaatsen van de zedeprekende afschaffers.' (VW III, p. 123)

Op 13 februari 1867 schreef M. hem een brief, die echter nooit verzonden is. In deze brief prijst M. Ris' brochures, gaat in op het vraagstuk van armoede, geeft zijn visie op arbeidersbewegingen en noemt het geloof als één van de oorzaken van armoede: 'Ik blyf er by dat het Geloof een pest is. Sedert eeuwen is daardoor het verstand in slaap gewiegd. De gewoonte om aantenemen wat een zwartrok zegt, gewende aan luiheid van geest. Die luiheid maakt de menschen tot kinderen, slaven, werktuigen, en daarvan is ten allen tyde misbruik gemaakt door velen die evenmin gelooven als ik, maar die zich geloovig aanstellen om de onderworpenheid der anderen niet verliezen. Er is een nauw verband tussen geloof en armoede.' (VW XII, p. 78).

Robbers, Jacques G., 1838-1925, directeur van de uitgeversmaatschappij *Elsevier die in 1880 het Multatuli-fonds van *G.L. Funke kocht. In 1881 verscheen bij Elsevier de vijfde druk van de Max Havelaar. De verhouding tussen Robbers en M. verliep vanaf het begin stroef. Hierover schrijft M. op 13 juni 1881 aan zijn vorige uitgever G.L. Funke onder andere: 'Een feit is (mooi of leelyk, 't is 'n feit!) dat ik van den Heer Robbers niet accepteer, noch inmenging in myn werk, noch meer of min zydelingsche maningen of vermaningen, noch aandringen op haast! Ziet de heer R. niet in, dat hy zich ten-mynen opzichte van zulke dingen (hoe ook ingekleed!) zal moeten onthouden, welnu, 't aantal auteurs is groot. Hy kan z'n kopie elders zoeken.' (VW XXI, p. 327)

Funke antwoordt hem op 19 juni 1881 dat het hem spijt dat M. problemen verwacht met Robbers: 'Ergernis kòn mettertijd m.i. niet uitblijven in Uwe verhouding tot een man die vóór alles business man mag heeten.' (VW XXI, p. 343).

M. had door een voorschot van ƒ 2000 echter wel verplichtingen aan Elsevier. Hiervoor corrigeerde hij de Max Havelaar voor de vijfde druk, maar leverde geen nieuwe kopij. Mimi deelt mee dat Robbers herhaaldelijk aandrong op terugbetaling. Uiteindelijk verzocht M. zijn vriend *J.M. Haspels om met Robbers te gaan praten. Volgens Haspels stelde Robbers zich welwillend op. M. schrijft hem dat Robbers inderdaad 'recht op kopy' heeft en hoopt dit spoedig te kunnen leveren (brief van M. aan Haspels d.d. 18 mei 1885, VW XXIII, p. 349). De laatste afbetaling van de schuld bekostigde Mimi uit de opbrengsten van haar uitgave van M.'s brieven. Robbers was van plan de vijfde druk van de Max Havelaar op te sieren met illustraties. Hiervoor vroeg hij jhr. Josias C. Rappard houtgravures te vervaardigen. De Max Havelaar verscheen echter zonder deze platen (*illustraties).

In 1888 gaf Elsevier de Verzamelde werken van M. uit, 'bezorgd door zyne weduwe' (*Volledige Werken). In 1910 stelde Robbers de catalogus samen van de Multatuli-tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam.

Rochussen, Jan Jacob-, 1797-1871, geb. te Elten, werd in 1840 minister van Financiën. In die functie legde hij de staat van 's Lands geldmiddelen open en hief hij het Amortisatie-syndicaat op. In 1843 moest hij aftreden toen hij de schuldbrieven van 5% en 4% wilde omzetten in schuld van 4%, en later 3%. Hij werd gezant te Brussel en van 1845 tot 1851 gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Tijdens zijn bewind werd in de jaren 1846, 1848 en 1849 de Bali-oorlog tegen de zeeroverij gevoerd. Rochussen toonde zich een voorstander van het *Cultuurstelsel. Als gouverneur-generaal drong hij aan op de vestiging van het Nederlands gezag in de Buitenbezittingen. In 1852 werd hij lid van de Tweede Kamer, in 1858 kabinetsformateur en van 1858 tot eind 1860 was hij minister van Koloniën. Hij werd gedwongen ontslag te nemen omdat hij vast bleef houden aan het Cultuurstelsel. Van 1864 tot 1869 was hij opnieuw Kamerlid.

Eind januari 1846 gaat M. op audiëntie bij de nieuwe gouverneur-generaal, Rochussen, om overplaatsing aan te vragen. Naar Mimi meedeelt was M. er in 'rijtenue' ('een zeer bonte Schotsche ruit') heengereden en ontving Rochussen hem niet vriendelijk (dagboek van Mimi d.d. 14 december 1872, VW XV, p. 516).

Twee dagen later schrijft M. Rochussen een brief (2 februari 1846, VW VIII, p. 630-637), waarin hij verslag doet van de voorvallen te *Natal en te *Padang, en hem verzoekt om een spoedige gunstige plaatsing (*Poerwakarta *Poerworedjo). Binnen 24 uur heeft hij antwoord: hij moet naar Krawang terugkeren.

M. ontmoet Rochussen opnieuw wanneer deze in juli 1847 een bezoek aan Poerworedjo brengt (VW IX, p. 35). Ook in februari 1848 verzoekt M. hem in een minder ondergeschikte betrekking geplaatst te worden (VW IX, p. 41).

Op 11 november 1859 schrijft *Van Hasselt Rochussen, die dan minister van Koloniën is, over de op handen zijnde publikatie van de Max Havelaar. Hij waarschuwt hem dat dit werk weleens een slechte invloed zal kunnen hebben op de Indische bevolking (VW X, p. 104). Rochussen schrijft vervolgens aan Van Hasselt en *J. van Lennep (21 november 1859, VW X, p. 129-130) dat hij inlichtingen over M. zal inwinnen. Valt de informatie gunstig uit, dan zal hij proberen M. te helpen, maar: 'Natuurlijk dat hij in dat geval niet schrijft - wiens brood men eet, wiens woord men spreekt'. Zowel broer Jan Douwes Dekker (28 november 1859, VW X, p. 137-138) als Van Lennep proberen bij Rochussen iets voor M. te bereiken (8 december 1859, VW X, p. 145-146). *S.E.W. Roorda van Eysinga geeft in een artikel in De Locomotief (12 april 1870; VW XIV, p. 72) het verslag van een onderhoud dat M. eind 1859 met Rochussen zou hebben gehad:

'- "Wel, Meneer Dekker! welke betrekking in Indië verlangt gij wel te bekleeden?
- "Ja. Excellentie! ten minste die van Raad van Indië.
- "Kom, kom, Meneer Dekker! dat is nou al te gek.
- "En Uwe Excellentie is wel Gouverneur-Generaal geweest."

De heer Rochussen liep weg, verontwaardigd over zooveel openhartigheid en zelfgevoel, en liet den miskenden schrijver staan.'

Op 15 november 1859 laat M. zich in een brief aan Tine zeer ongunstig uit over Rochussen. Hij beschuldigt hem ervan 'een oude kennis' met een theecontract te bevoordelen en noemt hem verder een 'hansworst', omdat hij een ter dood veroordeelde indertijd enkele maanden op de uitslag van zijn door DD. opgestelde gratieverzoek had laten wachten (VW X, p. 114).

Toen de liberalen M. verzochten vóór *Vrije Arbeid te schrijven, en wilden dat hij Rochussen aanviel ('letterlyk: "Hy moet het aambeeld wezen waarop gy klopt"', Idee 292, VW II, p. 489), weigerde hij echter. Van deze kwestie is ook sprake in de Minnebrieven (VW I I, p. 14). In een noot bij Idee 292 schrijft M. dat hij de liberalen antwoordde met een 'ruwe weigering' en met zijn 'eerste brochure tegen Vryen Arbeid', d.i. Over vryen arbeid (VW II, p. 705-706). Toen het kabinet Van Hall-Van Heemstra in 1861 aftrad, hoopte M. dat Rochussen zijn *pensioen zou kunnen regelen; Rochussen werd helaas geen minister van Koloniën meer (VW X, p. 413-414).

Op 12 maart 1861 trad het kabinet Van Zuylen van Nijevelt-Loudon aan, met *Loudon als minister van Koloniën. *Sloet van de Beele werd gouverneur-generaal. Aan Tine schrijft M. op 15 maart dat hij Rochussen zal helpen tegen de 'D.v.Twistsche clique' (*Duymaer van de Twist; VW X, p. 418). Met een aanbevelingsbrief van Rochussen legt hij een vergeefs bezoek afbij de nieuwe minister, Loudon (VW X, p. 419).

Op het lnternationale Congres van 1864 (*congres 1) sprak Rochussen na M. (VW XI, p. 390). Hij weersprak M.'s beschuldiging dat Nederland een roofstaat was niet. Van te voren hadden zij samen overlegd over de punten die ze zouden aanroeren. Van alle hooggeplaatste personen, was hij de enige die hart had voor de *Havelaarzaak, aldus M. in een noot bij Idee 534:

'Ware hy slechts een tiental jaren jonger geweest! Met tranen in de ogen heeft-i my meermalen gezegd: "Och, als ik dat alles vroeger geweten had! Maar 'n gouverneur-generaal wordt altyd bedrogen!" Dit is zeker, indien de Havelaar-geschiedenis onder hém ware voorgevallen, in plaats van onder den dorren ouwerwetsen styven Van Twist, die niets begreep dan wat-i gister en verleden week ook gezien had... waarlyk, er zou recht gedaan zyn, en de crisis die Indië dreigt, ware tydig afgewend! De heer Rochussen had veel hart, en was inderdaad liberaal. Zelfs in z'n fouten lag soms iets beminnelyks, en menselyk waren ze altyd. Dit is zeker meer, dan men zou mogen zeggen van den vromen Van Twist, die heel in 't geheim dezelfde zielverkopery tot stelsel verhief, welke hy in 't openbaar "als strydig met de zedelykheid" had afgeschaft. Toch is die man een steunpilaar van 't liberalismus, en de heer Rochussen moet voor 'n achterlyken behouder doorgaan! Waarlyk, dat party-geknoei maakt de lieden idioot!' (VW III, p. 443-444)

Wanneer uitgever *d'Ablaing van Giessenburg Rochussen in een brief van 24 januari 1865 verzoekt mee helpen M. in staat te stellen 'zichzelf te onderhouden', weigert deze echter (VW XI, p. 437-439).

M. wendt zich op 27 november 1867 opnieuw tor Rochussen. Hij biedt hem zijn diensten aan: 'Ik ben bereid, indien Uwe Excellentie of de heer van Zuylen my zoudt gelieven te steunen, by eene allernoodzakelykste kamerontbinding (nu of nooit!) te zorgen, dat er nu eens inde[r]daad "nieuw bloed" in ons Parlement kome, mannen die hunne roeping anders begrypen, dan drie-vierde onzer "geachte leden", Eén blyk van Regeringswege dat men zich myner aantrekt - god weet, dat de moti[e]ven niet moeielyk te vinden zouden zyn! - en myn schryven heeft invloed. Is er dan op den duur te 's Hage zooveel talent over, dat men het myne niet gebruiken kan?' (VW XII, p. 520)

Blijkens een brief van M. aan Tine d.d. 30 november 1867 (VW XII, p. 526-530), had Rochussen hierop positief gereageerd en had hem gevraagd onder welke voorwaarden hij zijn hulp wilde verlenen. Op 27 december stuurde Rochussen M. - niet aangetekend- ƒ 200,-. Dit bedrag heeft M. nooit ontvangen (brief aan Tine d.d. 31 december 1867, VW XII, p. 592, 603).

Op 12 februari 1868 schrijft Rochussen hem dat hij nog niets heeft kunnen bereiken. Tot M.'s teleurstelling vraagt hij hem bovendien of hij niet eens 'eene niet overdrevene brochure' zou willen schrijven 'om het gezag te steunen' (VW XII, p. 673). Uiteraard weigert M. een regering te steunen die 'knevelary en moord in bescherming neemt, en dit doet men zoolang men hem die zich tegen knevelary en moord verzette, mishandelt. Het bewys van beterschap is makkelyk te geven. Myn volledig herstel betekent voor Indië: regt en menschelykheid. Het tegendeel beduidt: voortzetting van de oude misdaden, en ik, Havelaar, mag geen misdaad aanmoedigen. Dan toch ware 't my makkelyker geweest, in Indie mee te doen, my resident te laten maken en naderhand in Nederland minister.' (VW XII, p. 674). In de winter van 1868 schrijft M. Nog eens: Vrye Arbeid in Nederlandsch Indië.

In maart 1868 vertrekt hij vanuit Keulen naar Den Haag, om samen met de politici bij Rochussen thuis overleg te voeren. Het doel werd echter niet bereikt: het kabinet Heemskerk-Van Zuylen van Nijevelt kwam ten val (zie hierover VW XII, p. 719-754). M. juicht de ontbinding van de Kamer en de terugslag voor de liberalen toe. In deze periode stelt M. *C. Busken Huet voor aan Rochussen. Via hem komt Busken Huet in contact met de minister van Koloniën, *Hasselman, die ervoor zorgde dat hij naar Indië kon vertrekken. Zowel J. Saks (Eduard Douwes Dekker. Zijn jeugd en Indische jaren (Rotterdam, 1937, p. 298) als W.F. Hermans (De raadselachttge Multatuli, 2e druk 1987, p. 156-158) schrijven dat de politici Van Zuylen van Nijevelt, Rochussen en Hasselman tijdens bovengenoemd overleg maar wat met M. meegepraat hadden om vooral geen last met hem krijgen.

Romantiek, stroming in de Europese letterkunde aan het einde van de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw, deels ontstaan als reactie op de nuchtere en empirische Verlichting. De romantiek streeft naar het gevoelige, vermeit zich in sombere en tragische taferelen, schept een wereld van verbeelding in tegenstelling tot de droevige werkelijkheid, ontvlucht de cultuur en zoekt een schuilplaats in de natuur, vereert en verheft het nationale. Tot de grote mannen van de romantiek behoren *Rousseau met zijn natuurverheerlijking (Julie ou la nouvelle Héloïse, 1761); *Goethe (Die Leiden des jungen Werthers, 1774); *Scott met zijn historische romans; *Lord Byron met zijn ontkenning, twijfel en spot, vooral met het bestaande (Childe Harold, 1812); in Nederland *Bellamy en *Feith.

Kenmerkend voor de romantiek, en in het bijzonder ook voor M., is de humor. M. is onze laatste en grootste romanticus. In heel zijn oeuvre openbaart zich het streven naar tegenstellingen: Droogstoppel tegenover Havelaar, Stoffel tegenover Wouter, de heren van het hof tegenover koningin Louise. Ook is M. een bij uitstek Hollandse kunstenaar met zijn uitbeelding van de werkelijkheid, zoals die zich ook vertoont in de Reinaert, bij Bredero, bij Wolff en Deken en in Beets' Camera Obscura.

In verschillende studies is M. als romanticus geschilderd. Hieronder volgen de belangrijkste. S. Lublinski schrijft in Multatuli (Berlin, 1902): 'Eenheid van poëzie en wijsbegeerte, van wetenschap en levenswijsheid predikte vóór honderd jaren de Duitse Romantiek (...) net zoals Multatuli.' Hij vervolgt: 'De enige romanticus der Europese letterkunde, die in leven en werk eenheid nastreefde, was Multatuli. In zijn werken toont hij zich de volbloed-romanticus, doordat hij zichzelf steeds op de voorgrond stelt en door de bontheid van zijn vormen: lyriek, drama, vertelling, wijsbegeerte, feuilleton. In zijn lijden vergelijkt hij zich met den Heiland, die met brekende krachten het kruis naar Golgotha omhoog draagt, begeleid door een kleinzielig gepeupel zonder medelijden. Maar Multatuli behoort niet tot de allergrootsten; hij is de grootste als journalist en feuilletonist. Zo is zijn Vorstenschool een schitterend liberaal toneelstuk, maar geen drama. En wat de kern van Multatuli's wijsbegeerte betreft, hij predikt terugkeer tot de natuur, die alleen goed en wijs is; het is de leer van Rousseau. Maar hij doet het zo, dat hij Hollands grootste figuur is in de 19e eeuw'.

Busken Huet schrijft in Litterarische Fantasiën en Kritieken (XXII, p. 162-163) dat de Max Havelaar een volledige verzameling van het romantische goed aanbiedt: Het boek is 'onvergelijkelijk in zijne soort, en doet de fraaije letteren van Multatuli's nederlandsche tijdgenooten bleek of onbezield schijnen.'

Het uitvoerigst is J. Prinsen Lz. in zijn studie Multatuli en de Romantiek (Rotterdam 1909): 'In hem die rameiende kracht, die revolutionaire overtuiging, die hemelbestormende moed, dat vaste besef van de profeet eener nieuwe wereld- en levensbeschouwing te zijn.' (p. 4). 'Het eigenlijke verschijnsel [van de Romantiek] is (...) de begeerte naar een oorspronkelijk gevoel; (...) de dichters begeeren de uiting hunner vreugde in nieuwen, vrijen klank.' (p. 7) 'Hij [M.] moet met die litteratuur [van de Romantiek] zijn gedrenkt geweest als een spons (...). Zijn hele zijn was er in opgegaan, als de geest van Don Quichotte in zijn ridderromans ' (p. 59).

J. de Gruyter schrijft in Het leven en de werken van Eduard Douwes Dekker (Amsterdam, 1920, dl. 2, p. 199): 'wat hem vooral tot de Romantiek doet behooren, het is zijn ridderlijkheid, zijn edelmoedigheid, zijn offervaardigheid (...);' hij wil zich geven 'in daden van moed en zelfopoffering'. Hij heeft 'de malle begeerte om de smarten der wereld te dragen'.

G. Stuiveling schrijft in Een eeuw Nederlandse letteren (Amsterdam, 1941, p. 131): 'De Romantiek heeft bij Multatuli haar hoogste uiting gevonden: het humoristische avondje bij Juffrouw Pieterse overtreft het avondje bij Stastok, zoals een genie een talent.'.

DD.'s humor vindt Prinsen bij Hugo en Heine terug; ook bij Gautier en Geel vindt men dat werken met tegenstellingen in de geest van Sterne. In de tweede plaats komt de sentimentele ridderlijkheid, gevoed door Schiller en Sue. Woutertje Pieterse vindt men terug bij de Duitse romanticus F. Sallet uit de Duitse Revolutie-tijd. De vorst uit Vorstenschool en Millioenen-studiën herinnert aan Hugo. Medelijden met gevallen vrouwen en het beroep op de oertoestand der mensheid is van Rousseau; ontboezemingen over vrije liefde verwijzen naar Byron, Shelley, de Duitse romantici en Balzac. Wat andere volken verkregen in de eeuw van 1750-1850, daaraan gaf M. hier plotseling leven (J. Koopmans, De nieuwe taalgids 1909, III, p. 311-314). Gerard Broni schrijft in Multatuli (Utrecht, 1958, p. 81-82): 'Buiten de romantiek is Multatuli ondenkbaar. De episode van Saidjah belichaamt een dubbel liefde voor het exotische en het primitieve, zoals de geschiedenis van Wouter de opkomende belangstelling voor het kinderleven bewijst. Het onderbreken van een verhaal voor aanspreking van de lezer is ook een tijdsverschijnsel, dat bij iemand als Thackeray telkens optreedt. Het beroep op de Koning, zoals het slot van Havelaar vertoont, was in 1843 voorgedaan door Bettina Brentano in haar werk met de sprekende titel Dies Buch gehört dem König. In ieder geval is het hameren op oorspronkelijkheid - en dat is de hoofdzaak - een echt romantisch kenmerk.'

H.A. Gomperts omschrijft M. in De geheime tuin (Amsterdam, 1963) als 'romantische dweper', die nog Verlichtingsideeën aanhangt. Eep Francken maakt in zijn De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker (Amsterdam, 1990, p. 260-275) bezwaar tegen de literair-historische term romantiek, en plaatst M. in een breder kader dat hij, in navolging van de moderne kritiek, het 'emotionalisme' noemt. Francken concludeert dat M. elementen uit het rationalistisch neoklassicisme en de romantiek combineert tot een eigen 'idealisme'.

Roofstaat aan de zee, 'er ligteen roofstaat aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde'. Dit zal, aldus M. aan het slot van de Max Havelaar (VW I, p. 294) het refrein worden van liederen die in verschillelide hoofdsteden gezongen zullen worden, als Nederland de strekking van zijn boek niet gelooft. Op deze beroemde uitspraak van M. reageert de Tielsche Courant naar aanleiding van de Kamerzitting van 25 september 1860 met het artikel 'Is Nederland een roofstaat?' (door M. opgenomen in de Minnebrieven, VW II, p. 94-100).

Roorda van Eysinga, Sicco E.W., 1825-1887, werd in Batavia geboren als zoon van de predikant Sytze Roorda van Eysinga (1773-1829). Zijn moeder overleed in 1821, in 1823 hertrouwde zijn vader met de toen veertien-jarige Geertruida Catharina Dibbitz. Toen het gezin in 1829 op terugreis was naar Nederland, overleed zijn vader op St. Helena. De weduwe vestigde zich met de drie kinderen in Winterswijk. In 1840 ging Roorda van Eysinga naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda, waar hij een lastige kadet bleek die weinig ontzag had voor zijn docenten. In 1844 vertrok hij als officier van de genie naar Nederlands-Indië. Hij werkte eerst in Padang, later op Java, o.a. bij het verleggen van de Solo-rivier. In 1855 vroeg hij eervol ontslag aan. Daarna werkte hij onder meer als beheerder van een tabaksplantage, als journalist voor het Bataviaasch Handelsblad, bij Waterstaat en bij de Spoorwegen, waar hij *Stieltjes als chef had. In 1860 leidde hij de voorbereidingen voor de aanleg van een nieuw kanaal in het district Grobogan. Hij was er getuige van de ellende die de bevolking in Samarang te verduren had. De Javanen moesten herhaaldelijk 18 uur reizen (zonder vergoeding) om te werken aan de Vesting Willem I. De bevolking kon de honger enkel stillen door het eten van gadeng, een in het wild groeiende wortel. De mensen waren uitgeput en er dreigde hongersnood. Roorda van Eyinga's artikelen in het Bataviaasch Handelsblad vestigden de aandacht op deze verschrikkingen. De resident, *Van Hogendorp, ging in opdracht van gouverneur-generaal *Pahud naar Grobogan. Hij stelde onmiddellijk op eigen gezag ƒ 50.000 ter beschikking. Onder deze omstandigheden dichtte Roorda van Eysinga onder het ps. Sentot *'De laatste dag der Hollanders op Java' (door M. opgenomen in een noot bij de Max Havelaar, VW I, p. 311-313).

Onder invloed van de Max Havelaar publiceerde Roorda van Eysinga zijn beschuldigingen tegen de 'mannen van zaken' en de planters. Op 25 juni 1864 verscheen in de Java-bode zijn artikel 'Solo en de resident Nieuwenhuyzen', waarin hij vooral *G.L. Dorrepaal aanviel. Nog datzelfde jaar werd hij door gouverneur-generaal *Sloet van de Beele uit Indië verbannen.

Terug in Holland kwam hij in het openbaar en bij de Tweede Kamer op tegen zijn verbanning. Zijn eerste adres aan de Tweede Kamer, 19 december 1864, werd als brochure uitgegeven onder de titel Een Mysterie. De brochure De liberalen en mijn verbanning volgde. Op 16 maart 1865 nam de Kamer met 55 tegen 5 stemmen het verzoekschrift van Roorda van Eysinga voor kennisgeving aan, alleen het kamerlid A. van Eck had om overlegging van de stukken gevraagd. Door de weigering van de Kamer verloor Roorda van Eysinga het recht op pensioen na 19 jaar dienst. Over zijn ontslag en verbanning publiceerde hij in datzelfde jaar Mijne verbanning, de officiële waarheid. Hierin beweert hij dat de Raad van Indië zijn ontslag en verbanning had geadviseerd omdat een gerechtelijke behandeling van de zaak te veel tijd zou kosten. *L.W.C. Keuchenius had zich als enige daartegen verzet. Roorda van Eysinga was ziek en vroeg telegrafisch in Indië te mogen sterven. Gouverneur-generaal Sloet van de Beele zou geantwoord hebben: 'Ja, maar dan spoedig!'. Hij richtte zich opnieuw tot de Kamer in 1866; dit verzoek werd wederom als brochure uitgegeven, getiteld Heftigheid en gemoedsbezwaren. Tenslotte probeerde hij het op 10 oktober 1867 en op 25 september 1869 nogmaals. Ondanks het feit dat Stieltjes, nu lid van de Kamer, het voor hem opnam, liep de zaak weer op niets uit.

Inmiddels was hij in 1867 met zijn echtgenote naar Brussel verhuisd. In 1872 verhuisden zij naar Rolle aan het meer van Genève in Zwitserland. Hij werd medewerker van vele tijdschriften en bladen, onder meer Het Noorden, De Sneeker Courant, De Leeswijzer en De Locomotief (*Rochussen). Bij de geboorte van hun derde kind in maart 1875 overleed zijn vrouw. Hij hertrouwde met de 20 jarige Jenny Louise Duvoisin en verhuisde naar Genève, en in 1881 naar Clarens bij Montreux. Daar kwam hij in contact met de geograaf *Elie Reclus, één van de leiders van de Commune van Parijs.

Roorda van Eysinga was inmiddels overtuigd vrijdenker geworden en sprak in 1883 op het Internationaal Vrijdenkerscongres. Hij raakte bevriend met *Domela Nieuwenhuis en schreef in 1886 en 1887 artikelen voor diens dagblad Recht voor Allen.

Zijn briefwisseling met M., voor wie hij een grote bewondering had, dateert van 1870. Deze briefwisseling (1870-1886) werd in 1907 (met vele weglatingen) uitgegeven door Mimi (Briefwisseling tusschen Multatuli en S.E.W. Roorda van Eysinga. Uitgegeven door M. Douwes Dekker, geb. Hamminck Schepel, Amsterdam: W. Versluys, 1907).

De eerste brief van M. aan Roorda van Eysinga dateert van 12 december 1870. M. beantwoordt een, niet bewaard gebleven, 'lieven' brief van Roorda van Eysinga. Hij schrijft hem: 'Sedert jaren, en speciaal voor vyf maanden, verlangde ik u te spreken.' en prijst hem voor diens 'flinke stukken' in Het Noorden. M. schrijft verder dat hij in een binnenkort te verschijnen brochure (nl. Nog-eens: vrye arbeid zich erover beklaagt dat ook Roorda van Eysinga door te zwijgen, degenen die hem 'smoren willen' heeft geholpen (zie Nog-eens: vrye arbeid, VW V, p. 439). De afwijzing van diens pensioen is in overeenstemming met de 'hollandsche' politiek: 'Ook ik gaf u, als hollandsch minister, geen pensioen: schrijft hij. Met diens standpunt inzake *Vrije Arbeid is M. het niet eens en hij adviseert hem: 'bekeer u van Vryen-Arbeid'. Hij eindigt zijn brief als volgt: 'Wees met uwe gade zeer hartelyk van my gegroet. Tracht... in leven te blyven! Zoolang ons dit gelukt is er hoop. Intusschen worden we oud! Ja, die broodschryvery is afmattend. Adio! Uw liefhebbende vriend Douwes Dekker.' (VW XIV, p. 261-264)

In zijn antwoord van 31 december 1870 wijst Roorda van Eysinga op zijn bijdragen in De Opmerker en De Locomotief waaruit blijkt dat hij niet gezwegen heeft. Verder schrijft hij dat hij op zijn pensioenrechten zal blijven aandringen omdat hij een gezin te verzorgen heeft; hij laat het martelaarschap aan M. over (VW XIV, p. 296-297).

Al liepen de standpunten over bijv. Vrije Arbeid, het koningschap en broodschrijverij uiteen, een belemmering voor de vriendschap was dit niet. Zij speelden daarnaast ook correspondentieschaak. In november 1872 bracht Roorda van Eysinga een bezoek aan m. en Mimi in Wiesbaden.

In 1877 publiceert Roorda van Eysinga in de Sneeker Courant (13juni) het artikel 'Multatuli als vormer van onze jongelingschap' en in 1887 in De Leeswijzer het artikel 'Napoleon en Multatuli'. Beide artikelen zijn herdrukt in zijn Verspreide Stukken (1889). Tot M.'s dood zijn zij bevriend gebleven. Roorda van Eysinga overleefde zijn vriend maar enkele maanden; hij overleed op 23 oktober 1887. Op zijn graf wenste Roorda van Eysinga het opschrift: 'Hier ligt de dichter van de Vloekzang'. Het werd volgens Domela Nieuwenhuis in Van christen tot anarchist (Amsterdam, 1910): 'Exil'- Courage, Justice, Bont'' (Fr. Balling - Moed, Gerechtigheid, Goedheid). *Neubronner van der Tuuk (Lit. Hans Vervoort, Sicco Roorda van Eysinga, zijn eigen vijand, Amsterdam, 1979)

Roulette, Tijdens het verblijf aan de Zuidwestbinnensingel in Den Haag (1869-1870) zou bij M. thuis soms de hele dag en avond roulette gespeeld zijn met *Edu als croupier. M. wilde namelijk een door hem bedacht systeem beproeven. Dit verhaal vertelde Edu aan J.B. Meerkerk, die het in zijn Mulatulibiografie Eduard Douwes Dekker. Multatuli, Eene karakterstudie (Groningen, 1900) vermeldde, en aan zijn vrouw, die het verhaal opnam in De waarheid over Multatuli en zijn gezin (Den Haag, 1939)

Uitvoerige beschrijving van het spel en de spelregels vinden we in de *Millioenen-studiën (VW V, p. 128 e.v.), waarin op p. 131 ook een door M. vervaardigde tekening van de roulette opgenomen is.

Rousseau, Jean-Jacques, 1712-1778, broemd Frans wijsgeer en schrijver, predikte terugkeer tot de natuur. Hij was één van de wegbereiders van de Franse Revolutie en van de romantiek. Zijn levensbeschrijving publiceerde hij in 1782 onder de titel Confessions. Zijn bekendste maatschappelijke verhandeling is het Contrat Social (1762). Zijn ideeënroman Emile ou de l'Éducation (1762), waarin voor die tijd zeer geavanceerde pedagogische denkbeelden verwerkt zijn, werd verboden vanwege de gedurfde deïstische geloofsbelijdenis van de 'vicaire savoyard', en noopte de schrijver tot de vlucht en een zwervend leven. Zijn brievenroman Julie ou la nouvelle Héloïse (1761), een idyllisch en gevoelig verhaal van ware liefde waarbij geen standsverschil bestaat, werd vanwege het enorme succes veelvuldig nagevolgd in de tijd van sentimentalisme en pre-romantiek; in Duitsland vindt men er nog elementen van terug in de

'burgerlijke' drama's en romans van *Kotzebue en *August Lafontaine (*De Bruid daarboven).

In zijn jonge jaren stond M. onder invloed van Rousseau, die hij in zijn *'Losse Bladen' als genie naast *Napoleon stelde: Rousseau als het 'verhevene', Napoleon als het 'verheven-schijnende' (VW VIII, p. 372). J. Saks schrijft in Eduard Douwes Dekker. Zijn jeugd en Indische jaren (Rotterdam, 1937, p. 89) dat de invloed van Rousseau, met name van diens Emile ou de l'Éducation, te zien is in M.'s verlovingsbrieven aan Tine, waarin deze een grote oprechtheid in seksuele zaken toont. In één van deze brieven vergelijkt M. zich met Rousseau: 'die man had dezelfde ongeschiktheid voor het dagelijksch leven. Hij was bevreesd, dat hij zijne kinderen geene goede opvoeding zoude kunnen geven en deed ze in een vondelingshuis en toch was hij zelfde schrijver van het heerlijke werk "Emile, ou de l'Éducation"; ik heb dat werk en hoop u later daarin eenige schoone, stoute passages aan te wijzen. (...) Ik denk niet zoo stout, zoo verheven als J.J.R. maar zijne onbekwaamheid voor het dagelijksch leven heb ik, helaas geheel en al.' (5-8 november 1845, VW VIII, p. 527-528).

Het Contrat Social handelt over de inrichting der maatschappij: de maatschappij is soeverein, en draagt aan de regering slechts de uitvoerende macht over. In Over vryen arbeid schrijft M. dat de 'terreur der Franse revolutie' niets gelijkt op het Contrat Social van Rousseau (VW II, p. 198). Aan J.N. van Hall schrijft hij op 3 december 1874 dat hij Rousseau bestudeert. 'Hy bevalt me veel minder dan toen ik hem, 20 jaar geleden, voor 't laatst las. ls m'n oordeel ryper dan toen, of, over de rypheid heen dan, stomper?' (VW XVII, p. 168).

Eén van de opstellen in het *pak van Sjaalman luidt: 'Over den Emile van Rousseau.' (Max Havelaar, VW I, p. 39).

ln Idee 876 brengt M. dit werk ter sprake. Een behoorlijk ideaal van de onbedorven mens leverde

Rousseau in zijn Emile niet, aldus M.: 'Men wilde in z'n Emile - een psychologische studie- een handboek voor opvoeders zien, en bood hem 'n plaats als huis-onderwyzer aan, hem die z'n eigen kinderen neerlegde in den bak van 't vondelingshuis! (...) Het is er ver vandaan, dat Rousseau ons in zyn boek een behoorlyk ideaal van den onbedorven mens zou te aanschouwen geven. Misschien verwyderde nooit enige maatschappelyke omgeving - al ware het die van 'n frans hof uit de achttiende eeuw - den individu zó ver van den volkomen menstypus als de Emile daarvan afweek, door 't valse-natuurgeknutsel van den zieken wysgeer. Wie by 't schilderen van den Mens, zondeloosachtigheid vooropstelt, kon nooit juist treffen.' (VW IV, p. 597-598 *erfzonde)

In Idee 877 spreekt hij van de 'eerlyke Rousseau', in een noot uit 1876 trekt hij dit 'epitheton' in (VW IV, p. 706). In deze noot verklaart M. dat hij na herlezing van de Confessions van mening is veranderd. Hij is tot de overtuiging gekomen dat Rousseau: '1. veel verzweeg, 2. dikwyls borduurde, en 3. niet zelden loog. Doch ook zonder vergelyking met andere dokumenten, leveren de brutale en slecht schynbaar openhartige Confessions, in zichzelf van dat alles overvloedige blyken.' Hij schrijft verder dat Rousseau beheerst werd 'door den tic om altyd te spreken van z'n "ennemis" [Fr. vijanden) warmed-i Diderot, Grimm, Holbach, Voltaire, Hume, en nog 'n dozyn of wat anderen bedoelde'. 'Met aanvallen van dát gehalte is Voltaire dan ook slechts geslaagd in 't verachtelyk maken van zichzelf.' M.'s kritiek betreft echter andere gronden: 'Ik ben verontwaardigd byv. over de laaghartigheid waarmed-i Madame De Warens, de vrouw die zo goed voor hem geweest was, aan haar lot overliet, toen ze tot armnoed was vervallen.'

Gebrek aan hart was norm bij Rousseau, aldus vervolgt M., zijn logica is incorrect. Ook de inkleding van zijn denkbeelden draagt 'blyken van 'n slordigheid die 'n zeer ongunstig getuigenis aflegt van de integriteit des gemoeds'. Tenslotte vraagt M. zich af of er 'op verstandelyk, d.i. zedelyk gebied iets degelyks te wachten is van iemand' die zich op ruim vijftigjarige leeftijd 'als 'n kostschooljongetje overgaf aan onanie' (VW IV, p. 707).

Wanneer Mimi in 1882 Emile aan het lezen is, schrijft M. aan W.A. Paap dat Rousseau z.i. 'zeer onnatuurlyk gekunsteld is in 't voorstaan van "Natuur"' en bovendien over het hoofd ziet 'dat de maatschappy, met al haar fouten en zotternyen óók 'n natuurprodukt is' (30 januari 1882, VW XXI, p. 633). *L.E. barones de Warens *Saint-Preux

Roverslied, het, gedicht dat Wouter na het lezen van de roverroman *Glorioso schreef (Idee 397, VW II, p. 598-601). Het gedicht werd door meester Pennewip voorgelezen en van commentaar voorzien op het avondje van Juffrouw Pieterse en werd aangevoerd als bewijs voor de 'verdorvenheid van dezen knaap'. Het gezelschap schreeuwt na voorlezing van het gedicht eenstemmig om 'lodderyn' (*lodderein). De eerste strofe van het Roverslied luidt:

'Met myn zwaard, / Op m'n paard, / En myn helm op het hoofd, / Er op in! En den vyand den schedel gekloofd,  /En vooruit!'

'- Christenzielen, riep 't hele gezelschap, is-i dol?'