Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

P

Paap, Willem Anthony, 1856-1923, geb. te Winschoten, onderwijzer. In 1879 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij in contact kwam met artiestenkringen en tevens kans zag rechten te gaan studeren. Of hij daarbij financieel gesteund werd door de Multatuliaan *J. Zürcher is niet zeker.

Paap was één van de oprichters van De Nieuwe Gids, het tijdschrift van de Tachtigers. In 1884 verscheen zijn eerste werk, de satire Bombono's, waarin Paap zich kant tegen Taco H. de Beer, Jan ten Brink, Samuel A. Naber, H. de Veer en anderen. In 1896 publiceerde hij zijn eerste roman Jeanne Collette; zijn beroemde sleutelroman Vincent Haman verscheen in 1898. Het is een persiflage op de beweging van '80 en de 'woordkunst'; Paap droeg het op aan de nagedachtenis van M.

In 1908 resp. 1910 verschenen van zijn hand de tijdelijke succesromans De doodsklok van het Damrak en De kapelaan van Liestermonde.

Paap was een groot bewonderaar van M. Mede onder diens invloed verwierp hij het estheticisme in de literatuur en distantieerde hij zich van de Tachtigers. De briefwisseling tussen Paap en M. begint in 1881 met een brief waarin M. Paap bedankt voor de toezending van diens artikel over Ebers in De Nederlandsche Spectator. Hij vraagt Paap vervolgens een artikel te schrijven over de z.i. ergerlijke wijze waarop de schrijvers omspringen met de werkwoordstijden. M. geeft enkele voorbeelden en vraagt dan: 'Wilt ge dat geknoei eens vereeren met 'n oorveegje?' (brief van 4 juli 1881, VW XXl, p. 375). Paap voldoet aan dit verzoek en publiceert op 14 januari 1882 in De Nederlandsche Spectator een artikel over de 'Romanstijl', met de door M. aangereikte voorbeelden.

In augustus 1881 bezoekt Paap M. en Mimi in Nieder-Ingelheim. Op 30 januari 1882 schrijft M. hem: 'Ik wou dat je m'n slaaf was. Dan zette ik je aan historische bronnenstudie. Het toepassen van je kritischen geest dáárop, zou (meen ik) nuttiger wezen dan het - soms àl te makkelyk! - neerhalen van letterkundige beroemdighedens. Je zaagt kurk. Adieu.' (VW XXl, p. 633)

Als Paap dit jaar van de literaire naar de juridische studie omzwaait, toont M. zich zeer ingenomen met dit besluit: 'Alzoo voortaan: jur. Stud! Ik ben zeer bly datje het besluit genomen hebt niet "de letteren" als vak te kiezen. Het is geen vak! Om in letterkunde iets degelyks te leveren moet men er niet in doen. Om iets uit den sloot te visschen moet men niet in de sloot gaan liggen, men moet met behoorlyk gereedschap er naast staan.' (25 maart 1882, VW XXII, p. 72)

In hetzelfde jaar is Paap één van de leden van de Multatuli-Commissie die het initiatief neemt tot het *Huldeblijk. M. kreeg van Paap Bombono's toegestuurd en reageert er uitgebreid op in een brief van 24 mei 1884. Hij noemt het een satire die 'amusant, pittig' en 'waar' is. Hij geeft Paap enkele aanwijzingen voor een eventuele tweede druk en schrijft verder: 'gut, wat had je my 'n plezier gedaan, als je my door 'n paar van je slachtoffers hadt laten uitschelden!' (*De Veer). Over de titel merkt hij tenslotte op: 'Zeg, er had niet op den titel moeten staan: "satire". "Vertelling" ware onnoozeler en dus satirischer geweest.' (VW XXIII, p. 157-161).

Na het overlijden van M. moet Paap (volgens zijn biograaf J. Meyer in Het levensverhaal van een vergetenen. Willem Anthony Paap. Zeventiger onder de Tachtigers, Amsterdam, 1959) aan Mimi zijn diensten hebben verleend bij het tijdig onttrekken van de nagelaten papieren aan de boedel, en bij de verkoop van het huis in Nieder-Ingelheim. Mimi verzorgt vervolgens enkele jaren de huishouding van Paap te Amsterdam. In deze tijd komt, waarschijnlijk door hun samenwerking, Mimi's uitgave van M.'s brieven tot stand.

Padang, hoofdstad van West-Sumatra aan de Padang-rivier. DD. arriveerde er begin oktober 1842, vandaar vertrok hij in november als controleur naar Natal. Na zijn ontslag vanwege het *kastekort volgde van oktober 1843 tot eind september 1844, op bevel van gouverneur *Michiels, een gedwongen verblijf zonder wachtgeld te Padang. DD. schreef in deze periode verder aan de * 'Losse Bladen uit het Dagboek van een Oud Man' en maakte een begin aan het toneelstuk De Eerloze, dat later omgedoopt werd tot De Hemelbruid en uiteindelijk als *De Bruid Daarboven in druk zou verschijnen.

DD. was 'eerloos in Padang' zoals p. van 't Veer deze periode aanduidt (Het leven van Multatuli, 1979, p.137-156); het werd het zwartste jaar uit DD.'s ambtelijke loopbaan (VW VIII, p. 28g-297). In een rekest aan gouverneur-generaal *J.J. Rochussen d.d. 2 februari 1846 schrijft DD. over deze periode: 'Toen leed ik honger, Uwe Excellentie, toen bragt ik meermalen, als het mij niet gelukt was den huur van een klein inlandsch huisje te betalen, den nacht onder den blooten hemel door. Erger dan dat, ik was veracht en verstoten door eene maatschappij die mij voor een schurk hield, want de Gouverneur had het gezegd!Niemand groette mij, niemand kende mij, niemand liet zich met mij in, want ik stond op het punt om eerloos te worden. Zoo leefde ik twaalf maanden, Uwe Excellentie, als het leven heeten mag, worstelen als het was, met de dagelijks terugkeerende grief van armoede en schande, gemarteld door de verwachting eener criminele regtspleging; zoo leefde ik twaalf maanden, elken dag denkende: dit is de laatste, en mij elken dag bedrogen ziende. Den toen Augustus 1844 heb ik mij neergelegd om te sterven, van honger te sterven, Uwe Excellentie. Ik had in drie etmalen niets gegeten! Een chinees wien ik eens eene dienst bewezen had, vond mij, en bragt mij eten.' (VW VIII, p. 632)

Op 25 september 1844 keert hij terug naar Batavia. Begin oktober 1845 vertrekt hij naar zijn nieuwe standplaats Poerwakarta, het bestuurscentrum van Krawang.

Pak van Sjaalman, pakket dat Droogstoppel ontvangt van Havelaar - door hem *Sjaalman genoemd -, waaruit *Stern put voor zijn boek. Droogstoppel geeft een lijst van de volledige inhoud van het pak, dat opstellen en verhandelingen over zeer uiteenlopende onderwerpen bevat (VW I, p. 38-43). In Idee 957 vecklaart M. dat het pak aantekeningen uit zijn tijd in Lebak bevat. De lijst was oorspronkelijk veel langer en veel van de daarin genoemde onderwerpen waren reeds grotendeels uitgewerkt. Deze aantekeningen zijn verloren gegaan, naar hij vermoedt in Straatsburg (VW VI, p. 152).

Onder de titel De bewijzen uit het Pak van Sjaalman (Rijswijk, 1940) publiceerde E. Du Perron in 1941 nieuwe documenten inzake de *Havelaarzaak (*Du Perron).

Parabelen, vorm waarin M. graag zijn gedachten tot uiting bracht, komen in bijna al zijn werken voor. Zo is er M.'s *Geloofsbelydenis, gegoten in de vorm van de parabel over Lijstermannetje (VW I, p. 9). In de Max Havelaar staat de beroemde parabel van de *Japanse steenhouwer (VW I, p. 149-152). In de Minnebrieven vinden we de parabelen in de negen *Geschiedenissen van gezag (VW II, p. 34-44), zoals de parabel van de granaat, van Thugatèr (*vrouw, positie van de), van Krates en van Hassan. Ook de drie *sprookjes in dit werk mogen we tot de parabelen rekenen (VW II, p. 103-114).

Talrijk zijn de parabelen in de Ideën, bijv.:
1. Parábel (de moeder), Poiètès (de vader) en Waarheid (het kindje dat de moeder zo gaarne aankleedde), Idee 79-81 (VW II, p. 326-327);
2. de Pygmee, Idee 107 (VW II, p. 334) *Nederigheid;
3. *Agatha, Idee 182 (VW II, p. 397-400);
4. de karper, Idee 251 (VW II, p. 461);
5. *kapel, Idee 261-262 (VW II, p. 463-464);
6. het zieke kind en de vele geneesheren (het menselijk geslacht en alle godgeleerden), Idee 273 (VW II, p. 467-468);
7. de ridder met het zwaard, Idee 319 (VW II, p. 509-510). *inkomende rechten;
8. *Gleuf in 't ijs, Idee 340 (VW II, p. 514);
9. de heilige Kwip of Kwap (redeneer niet met de vromen!), Idee 433 (VW II, p. 634-635);
10. een treffende vogelhistorie, Idee 438 (VW II, p. 638-640). *Ornis;
11. *Samojedië, Idee 447 (VW II, p. 658);
12. de pasteibakkers (de moderne dominees), Idee 453 (VW III, p. 185-186) *Zaalberg;
13. *Sint Nicolaas, Idee 455 (VW III, p. 221-222);
14. *de goudmaker (de steenzager, Piet Hein en de alchimist), Idee 527 (in 'Max Havelaar aan Multatuli', VW III, p. 330, p. 348, p. 348-350);
15. kaarten op een rij gezet, Idee 798 (VW IV, p. 515);
16. op zeker eiland, Idee 958 (VW VI, p. 154-155);
17. Lacrymax, Idee 1078 (VW VI, p. 735-737).

In Over specialiteiten is de parabel van de *monarchische herder opgenomen (VW V, p. 557-560). Frederik van Eeden nam in zijn Studies (dl. I, Amsterdam 1890) het 'Sprookje van koning Nobel' op, dat M. hem in een brief uit de zomer van 1884 had geschreven (cf. VW XXIII, p. 181-183).

In 1913 verschenen te Weimar twee deeltjes Parabeln van M. in Duitse vertaling van Otto Hauser. Emile van Heurck plaatste in Mercure de France van augustus 1893 enkele 'Paraboles de Multatuli'. *Meyners (Lit. Philip Vermoortel, De parabel bij Multatuli. Hoe moet ik u aanspreken om verstaan te worden?, Gent, 1994)

Parakan Salak, theeplantage in de Preanger Regentschappen, gedreven door *Willem van der Hucht. Hier woonde Tine vanaf haar aankomst op Java in1845 tot haar huwelijk met DD. Deze woonde toen drie dagreizen verder, in Poerwakarta. In augustus logeerde DD. er veertien dagen. Bij zijn afscheid van Van der Hucht schreef hij een gedicht (*Salak). Op 26 september 1845 verloofden DD. en Tine zich er (VW VIII, p. 451).

Parang Koedjang, district van Lebak waarvan de schoonzoon van de regent demang was (*Wira Koesoema). DD.'s voorganger had aangetekend dat het verloop van de bevolking toe te schrijven was aan het 'verregaand misbruik dat van de bevolking wordt gemaakt', aldus schrijft DD. in zijn 'Brief aan de Gouverneur-Generaal in ruste' (VW I, p. 412). In deze brief beschrijft hij verder de situatie die hij zelf in Parang Koedjang aantrof: 'Vrouwen en kinderen volgden schreiend den laatsten buffel, - Geheel Parang Koedjang stond op het punt te verhuizen, - Gehele dorpen waren uitgeroofd; ' (VW I, p. 413)

In de Max Havelaar ontvangt Havelaar uit Parang Koedjang de meeste klagers. Hij kan 32 personen uit dit district noemen van wie in één maand tijd 36 buffels zijn afgenomen (VW I, p. 217, 218). Het was ook het districtshoofd van Parang-Koedjang dat de buffels van de vader van *Saïdjah afnam (VW I, p. 233). *Lebak

Parelduiker vreest den modder niet, Een, tekst van Idee 1209a (VW VII, p. 351) en, aldus M. in Idee 1209, het thema van de zevende bundel Ideën en 'in zekeren zin' van de hele *Woutergeschiedenis (VW VII, p. 351). In de 'onwelriekende streken van zekere wereld beneden de oppervlakte der zee' (Idee 1210, VW VII, p. 352, d.i. het kantoor van *Ouwetyd & Kopperlith moet Wouter proberen 'steeds zichzelf te zyn' (Idee 1209, VW VII, p. 351).

Parlementair stelsel, Op verscheidene plaatsen in zijn werk keurt M. het parlementair stelsel af, M.n. omdat hij de afgevaardigden onder de maat vond. M. acht de slechte maatschappelijke toestanden het onvermijdelijk gevolg van dit politieke systeem. Vandaar ook zijn felle aanvallen op *J.R. Thorbecke. Reeds in Idee 9 geeft hij aan tegen parlementaire regeringsvormen te zijn, maar schrijft zelf voorlopig niets beters te weten (VW II, p. 312). Opnieuw tracht hij de ondoelmatigheid van het 'vertegenwoordigend stelsel' aan te tonen in Over Specialiteiten (VW V,

p. 555 e.v.): 'Zo stuiten wy in 't parlementair stelsel overal op onnauwkeurigheid, op genoegen nemen met zeer ruwe benadering, op fiktie, en... op misleiding' (VW V, p. 561). Hij vervolgt:

'Ik ontzeg ieder het recht Volksvertegenwoordiger te zyn, die dat recht grondt op iets anders - op wat ook! - dan kennis van de behoefte des volks in het algemeen, dan toewyding aan de belangen van 't Volk in het algemeen, dan op de gegronde verwachting dat hy nuttig zal wezen voor 't Volk in het algemeen. Het volgen van 'n vooruit bepaalde richting op wetenschappelyk, sociaal of politisch terrein, bewyst óf onbekwaamheid óf verraad, en dit laatste is immer het geval by het voorstaan van byzondere belangen. De algemene zaak – res publica - is in de hoogste maat integraal, en moet als zódanig behandeld worden. Ik weet zeer goed dat het vertegenwoordigend stelsel in 't algemeen, ook zonder verkeerde toepassing in de onderdelen, aan dezen laatsten eis niet k n voldoen.' (VW V, p. 562-563)

In Idee 451 schrijft hij: 'Ik ben tegen 't parlementair stelsel. Maar als men dit nu eenmaal houden wil, behoort het in oprechtheid te worden toegepast, en niet met de huichelary van een bespottelyken census. Vrye en algemene verkiezingen, dát is - nu we eenmaal meevaren in 't schuitje van de eeuw - 't enige middel om dat vaartuig te doen aanlanden in goede haven, en vooral om te beletten dat reizigers en bemanniug l te erg worden uitgezogen. De lyders der constitutiekoorts willen dat het Volk meespreke. Welnu: dát dan ook 't Volk meespreke.' (VW III, p. 144: *algemeen kiesrecht)

In een noot hierbij betoogt hij dat het parlementair stelsel zeker niet moet worden voortgezet door de arbeiders: 'Wat zouden wy gewonnen hebben by 't wegjagen of verbeteren onzer ellendige Kamers, als werklieden 't métier van parlementeren gaan voortzetten? Babbelen en frazenmaken brachten de ellende des Volks voort. Meent men die nu te genezen door *frazen en gebabbel?' (VW III, p. 403)

*Tweede Kamer

Pée, Julius, 1871-1952, Vlaams germanist die al sedert zijn studententijd een groot vereerder van M. was. Hij publiceerde vanaf 1892 een reeks artikelen over M., beginnend met lovende besprekingen van de brieveneditie van Mimi (*Brieven van Multatuli 1) in het tijdschrift Nederlandsch Museum (4e reeks, jrg. 1, 1892, nr. 1, p. 370; nr. 2, p. 39, p. 107, p. 148; jrg. 2, 1892, p. 263).
In 1893 stelde hij op het Taal- en Letterkundig Congres te Arnhem een 'Multatuli-hulde' voor (Atte Jongstra, De MuItatulianen, 1985, p. 97).

Zijn activiteit als verzamelaar van brieven en documenten van en over M. heeft waarschijnlijk vele documenten aan de vergetelheid ontrukt. Zo verzorgde hij bijv. in 1895 de uitgave van Tine. Brieven van Mevrouw E.H. Douwes Dekker-van-Wijnbergen aan Mejuffrouw Stephanie Etzerodt later Mevrouw Omboni, waarin brieven uit het bezit van *Stephanie Omboni-Etzerodt zijn afgedrukt. In 1937 publiceerde hij de beruchte publikatie Multatuli en de zijnen 'naar onuitgegeven brieven. Met een stamboom en illustraties'. Hierin werd M., ten koste van zijn zoon *Edu gelauwerd als een literair martelaar en een bezorgde vader van een zoon die niet deugde. Dit boek leidde tot een zeer onverkwikkelijke polemiek tussen *Annette Douwes Dekker-Post van Leggelo en de Pée-aanhangers Du Perron en Ter Braak. Pée publiceerde verder nog Multatuliana (Lokeren, 1937), Brieven van Multatuli aan Mr. Carel Vosmaer (...) (Brussel en Rotterdam, 1942) en een Keur uit de brieven van Multatuli (Amsterdam, 1944).

Daarnaast verzorgde hij vier bloemlezingen (in 1937 en 1938), en stelde enkele bibliografieën samen: in het Nederlandsch Museum: 'Multatuli-bibliographie (1892 vierde reeks, 2e jaargang, p. 170-175); 'Critische bibliographie der Fransche Multatuli-vertalingen' (4e reeks, jrg. 4, 1894, p. 225-236) en een 'Critische bibliographie der Duitsche Multatuli-vertalingen' (4e reeks, jrg. 4, 1894, p. 356-368). In 1945 verscheen van zijn hand een 'Bibliografie over Multatuli' in Tijdschrift voorlevende talen (1945, p. 270-286).

Pène, Henri de, 1830-1888, Frans journalist en schrijver, o.a. onder de pseudoniemen Frédéric en Némo. Hij richtte in 1868 het blad Le Gaulois (het latere Paris-Journal) op, waarvan hij tot zijn dood hoofdredacteur bleef. Daarnaast was hij medewerker van l'Indépendence Belge. Zijn verzamelde kronieken werden uitgegeven als Paris intime (1859); Paris aventureux (1861); Paris viveur (1862) en Paris amoureux (1864).

De Max Havelaar opent met een passage uit het werk van De Pène, waarin het leven van de echtgenote van de dichter wordt belicht (VW I, p. 13). M. neemt deze passage op om het boek aan zijn vrouw, *Everdina Huberta van Wijnbergen ('E.H. v. W.'), op te dragen.

M. stuurde De Pène een exemplaar van de Max Havelaar met een begeleidend schrijven. De Pène bespot deze brief in zijn feuilleton 'Courrier de Paris' (l'Indépendance Belge, 23 november 1867; VW XII, p. 518-519).

M. nam hem deze 'onhoffelyken aanval' zeer kwalijk. Op 28 november 1867 schrijft hij C. Busken Huet: 'Ik heb dien man geen kwaad gedaan, waarom slaat hy my? Om een courrier te vullen. (...) De Pène blykt een Schryver te zyn. In myn gevoel is die benaming een scheldwoord. Ik zou zeer bedroefd zyn als ik ooit iemand had leed gedaan om 'n blaadje te vullen.' (VW XII, p. 522-523)

Pennewip, de verpersoonlijking van het schoolse onderwijs, en de bekrompen, half-ontwikkelde onderwijzer in de *Woutergeschiedenis. M. karakteriseert hem als volgt in Idee 379: 'Pennewip was 'n man van den ouden stempel. Zo althans zou-i ons nu voorkomen, als we 'm voor ons zagen in z'n gryzen schooljas, dyvest, korte broek met gespen, en dat alles gekroond met 'n bruin pruikje, dat-i gedurig heen en weer trok, en dat in 't begin der week altyd zo krulde (...) Op z'n school, waar volgens de naieve gewoonte dier dagen, jongens en meisjes dooreen zaten, leerde men - of kón men leren - lezen, rekenen, schryven, vaderlandse geschiedenis, psalmzingen, wollennaaien, breien, merken en de godsdienst. Dit alles was aan de orde van den dag, maar wie uitmuntte in aanleg, yver of gehoorzaamheid, kreeg nog bovendien onderricht in 't verzenmaken, een kunstje waarin Pennewip veel liefhebbery had.' (VW II, p. 547-548)

Naast verzenmaken 'bereed meester Pennewip nog 'n stokpaardje, dat hem boven ieder ander aanspraak gaf op z'n troon': Pennewip was bezeten door de 'verdeelwoede': 'Hy bracht al wat-i zag, waarnam ofondervond, tot familiën, genera, klassen, species en onderdelen, en maakte alzo de hele maatschappy tot één botanischen tuin, waarvan hy de *Linnaeus was.' (Idee 381, VW II, p. 550; *]uffrouw Pieterse)

Het resultaat van Pennewips pogingen de jeugd het dichten bij te brengen, is beschreven in Idee 385 e.v. (VW II, p. 558 e.v.). Aan de stand van de pruik van Pennewip zijn vreugde, verdriet en wanhoop af te lezen. Toen hij Wouters *Roverslied onder ogen kreeg, 'rukte meester Pennewip haar af, kneep ze tussen de krampachtige saamgevouwen handen, stamelde 'n kort: heremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven... hoe komt-i er aan!.-. plakte ze met 'n vuistslag weer op z'n schedel... dekte 'r toe met z'n eerwaardig driepuntjen, en vloog de deur uit als 'n bezetene' (VW II, p. 564).

Een bronzen beeld van Pennewip, gemaakt door de beeldhouwster Gra Rueb, werd in 1954 door het onderwijzend personeel van de openbare scholen geschonken aan de afdeling Onderwijs van de gemeente Den Haag. Het beeld werd in het stadhuis aldaar geplaatst (afb. in Atte Jongstra, De Multatulianen, 1985, p. 229).

Peruaanse vertelling, d.i. de geschiedenis van Telasco en Kusco, die Wouter aan Femke vertelt in Idee 518 (VW III, p. 293-307). Hij zegt haar dat hij het verhaal in een boek van zijn broer Stoffel heeft gelezen. Het is geschiedenis van Aztalpa: Emma die moet kiezen tussen de prinsen Kusco en Telasco; degene die zij tot man kiest zal koning van Peru worden. Aztalpa kan niet kiezen, door een list van Telasco wordt Kusco de nieuwe koning. De vertelling is ontleend zijn aan het verhaal 'Die Brüder, eine peruanische Erzählung' van *Karolina Krübber-von Urff, dat gepubliceerd werd in het Taschenbuch für das Jahr 1860. ( Lit. K. ter Laan, De bron van Multatuli's Peruaanse vertelling. Verschenen in de reeks Geschriften van het Multatuli-Genootschap IV, 1957)

De Peruaanse vertelling van M. diende als basis voor de opera Die Inkasöhne. Oper in vier Akten, nach einer Erzählung von Multatuli. Dichtung und Musik Willem de Haan. (Darmstadt, 1895). In deze opera heten de broers Ajatarko en Huaskar.

Polemiek, Polemiseren was M.'s grote kracht. C. Busken Huet achtte geen werk in Nederland in dit opzicht beter dan M.'s *Pruisen en Nederland. Onder de polemische stukken van m. rekent men verder wel de 'Brief aan de Maatschappij tot Nut van den Javaan' (*Maatschappij tot Nut van den Javaan), de 'Brief aan de Koning' (*Aan den Koning 14) en *De zegen Gods door Waterloo.

In de Ideën 737-738 schrijft M. dat zijn polemieken niet zozeer 'schrijversfouten' betreffen, maar het vergrijp tegen 'gezond verstand, karakter of voorgestane richting' (VW IV, p. 459-460). Hij noemt in deze Ideën zijn eigen kritieken op *Zaalberg, *J.R. Thorbecke, *Bosscha, *Guizot en *Muurling. In mei 1956 schrijft Simon Vestdijk in Het Vrije Volk: 'De vader van onze polemiek is Multatuli. Dit echter onder een belangrijk voorbehoud, want het mag dan waar zijn, dat de schrijver van de Havelaar op dit gebied veel, zo niet alles heeft ontketend, hij was toch niet precies wat wij onder een polemist verstaan. Niet geheel ongelijk aan de Fransen, was hij te ideologisch, te politiek voor de echte literaire pennestrijd; hij richtte zich altijd tegen zaken, nooit tegen personen, tenzij als symbool van een of ander - hij was, mag men zeggen, te grootscheeps om polemist pur sang te kunnen zijn.'

Portretten, verkoop van, Al in 1860 vatte DD. het plan op van een foto een aantal litho's te laten maken voor de verkoop (brief aan Tine d.d. 28 augustus 1860, VW X, p. 297). Er werd een portret vervaardigd in Brussel, waarover M. zeer ontevreden is. Dit blijkt uit een brief aan Tine d.d. 28 september 1860, waarin hij schrijft: 'het portret is veel te mooi en te jong. Nu heeft het net den schijn of ik mij daarin flatteren wil. En ik zelf vind ook dat het eigenlijk niet lijkt'. (VW X, p. 321)

In dezelfde brief oppert hij het plan een nieuwe foto te laten maken, maar nu verkleed als Sjaalman. Hij wil dan beide portretten in de handel brengen, het eerste als 'Havelaar-portret' en het tweede dus als 'Sjaalman-portret'. De uitgevers *Nijgh en *Thieme achtten het plan echter niet haalbaar. Mimi veronderstelt in haar brievenuitgave dat de portretten vernietigd zijn: zij heeft er zelf nooit één gezien (Brieven WB IV, p. 134).

In 1865 probeerde M. het opnieuw toen hij met plannen rondliep om een eigen dagblad op te richten. Een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 9 februari 1865 (VW XI, p. 452) kondigt dit voornemen aan. In deze advertentie wordt tevens melding gemaakt van de verkoop van M.'s portret, die nodig is om het benodigde kapitaal voor de oprichting van een dagblad bijeen te krijgen. M. zal de portretten voorzien van een 'eigenhandig geschreven spreuk uit een zijner werken'. Een lithografie kostte ƒ 10,-, een foto ƒ 50,- Het portret was gemaakt door César Mitkiewicz. In de winkel van *d'Ablaing van Giessenburg wordt een apart loket getimmerd, waar de schrijver de portretten van teksten kan voorzien. De verspreiding ervan via boekverkopers viel tegen en er kwamen nauwelijks klanten aan het loket (brief van M. aan J.C.P. Hotz, VW XI, p. 450). Mitkiewicz stuurde de deurwaarder op M. af (28 april 1865, VW XI, p. 481-482).

ln 1871 ging het restant van deze portretten over in handen van uitgever G.L. Funke. In 1875 bracht hij voor ƒ 1,50 deze een litho van Allebé in de handel (VW XVII, p. 733). Onder het ps. Flanor schrijft C. Vosmaer over dit portret in De Nederlandsche Spectator van 19 juni 1875: 'Allebé heeft het portret van Douwes Dekker zeer edel opgevat. De levendig ter zij gekeerde kop, bijna geheel profiel, is geïdealiseerd in die mate die noodig is.' (VW XVII, p. 738). Ook deze verkoop draaide op een fiasco uit, getuige M.'s brief aan Funke d.d. 31 augustus 1875 (VW XVII, p. 788). In een brief aan zijn neef E. Douwes Dekker d.d. 17 februari 1881 geeft M. zijn mening over het Allebé-portret: 'De lithogr. naar de teekening van prof Allebé is naar 'n buste gedaan. Ze is dan ook te akademisch' (VW XXI, p. 162).

Portretten van Multatuli,

1. Het waarschijnlijk oudste portret van M. is uit 1853, toen M. 33 jaar was. W.F. Hermans heeft aangetoond dat de authenticiteit van dit portret niet onomstotelijk vaststaat. Er zijn 7 foto's van M. die onbetwistbaar authentiek zijn. Op de oudste afbeelding is M. 42 jaar, op de laatste is hij 55 jaar.
2. Uit 1862, door Löwenstamm te Amsterdam, het z.g.n. Sjaalmanportret.
3. Uit 1864, door Séverin te Brussel.
4. Uit 1864, door César Mitkiewicz te Brussel (*portretten, verkoop van).
5. Uit 1864, door Boussod & Valadon te Brussel. In 1875 vervaardigde *August Allebé een litho naar dit portret, die door G.L. Funke te koop werd aangeboden.
6. Uit 1875, door Wegner en Mottu te Amsterdam.
7. Uit 1875, door Wegner en Mottu te Amsterdam.
8. Uit 1875, door Wegner en Mottu te Amsterdam. (Lit. E. du Perron 'Multatuli's portretten' in Verzameld Werk, Amsterdam, 1956, dl. IV, p. 656-678; W.F. Hermans, 'Multatuli's portretten' in: Over Multatuli, 1978, nr. 1, p. 3-12, herdrukt in W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987, p. 268-272)

Pruimers, Mevrouw de Weduwe Johanna Theodora, geboren Baronesse Van Dedem 1835-1911, geboren op Huis den Berg bij Dalfsen. Trouwde in 1856 met Daniel Pruimers, zoon van een wijnhandelaar in Zwolle. Toen deze in 1859 overleed, werd zij voogdes van hun dochtertje Margaretha Daniella (geb. 1858). In 1863 werd haar door de officier van justitie de voogdij ontzegd vanwege haar omgang met ds. J.G. van Rijn (geb. 1825), van wie zij in 1862 een zoon, genaamd Hendrik van Dedem, gekregen had.

Aan haar schreef M. de bekende open brief ('Aan Mevr. de Wed. P. geb. baronesse van D. te Zwol') die hij als Idee 448 opnam in de tweede bundel Ideën (VW III, p. 43-65). De brief is een vlammend betoog over zedelijk en juridisch recht: 'men zegt dat gy 'n "onecht" kind ter wereld bracht. Een "onecht" kind? Wat is dat? Is zo'n kind niet in staat te spreken, te denken, te beminnen, goed te zyn... die enige roeping van echte mensen? Is het een monster? (...) De Wet is nog zo héél erg niet, mevrouw! (...) Maar de zeden…, die zeden!' (VW III, p. 49)

Het tweede gedeelte van de brief, gepubliceerd in Idee 449 (VW III, p. 66-67), schrijft hij nadat hij de memorie van verdediging van de weduwe gelezen heeft: 'Is 't geen teleurstelling u te moeten bezighouden met spitsvondige bewysvoering over onschuld, waar ge, met wat schuld, u hadt kunnen verheffen tot eerbiedwaardig martelaarschap?'

Hoewel M. er aanvankelijk bij zijn uitgever *d'Ablaing van Giessenburg op aandrong vanwege de actualiteit van deze brief de tweede bundel snel te publiceren, hield hij later de publikatie tegen omdat zijn oordeel over mevr. Pruimers op grond van nieuwe gegevens met de dag ongunstiger werd (*J.G. van Rijn). Hij ging inzien dat hij de integriteit van haar karakter en het moreel gehalte van haar zaak had overschat. In de uitgave van 1872 werd de titel gewijzigd in 'Aan Mevr. Wed. X. geboren Y. te Z.' In een noot bij deze uitgave erkent hij zijn vergissing en vraagt de lezer 'dit stuk te lezen alsof daarin een casus positio werd behandeld: 'gesteld eens dat 'n jonge weduw' (VW III, p. 381). Hij verklaart hier verder de redenen waarom het volgens hem zo'n geruchtmakende zaak in Holland was: 'Het uitpluizen van scabreuse voorvallen is 'n fatsoenlyk surrogaat voor noô vermeden scabreuse handelingen. Men tracht zich door hard oordeel enigszins schadeloos te stellen voor de winstderving der niet zo heel erg verafschuwde zonde.' (VW III, p. 383)

M.'s brief werd beoordeeld in het Weekblad van het Regt van 31 oktober 1864. De recensent schrijft hierin dat er veel waarheid in staat. In gelovige kringen maakte de brief nogal wat reacties los. Zo reageerde ds. A.W. Bronsveld in Stemmen voor waarheid en vrede [jrg. 10, 1873, p. 128-137; VW XV, p. 614-620). In dit artikel, getiteld 'Een Denker (Multatuli)' stelt hij dat er in M.'s brief sprake is van 'versmading van de deugd der kuisheid'; het was 'de taal van een waanzinnige'. M. verbitterde volgens hem de gelovigen met name door de opmerking: 'Jezus zelf was 'n onecht kind, en toch werd Maria nooit ontzet van de voogdy over dezen of genen "echten" broeder des Heren' (VW III, p. 63). Een reconstructie van deze zaak werd uitgegeven door Henri A. Ett in Holland in rep en roer (Amsterdam, 1951). W.K. baron van Dedem, officier van justitie te Amsterdam, diende na deze publikatie een klacht in tegen schrijver en uitgever: mevr. Pruimers was zijn oud-tante.

Pruisen en Nederland, In 1866 verscheen het geschrift Pruisen en Nederland, een woord van J. Bosscha (oud-minister) aan zijne landgenooten van de hand van *J. Bosscha. Hij schreef het 'ter bemoediging en opwekking'; hij wilde er de angst voor de Pruisen mee wegnemen. Het werk werd in 1867 beantwoord door M. met Een en ander naar aanleiding van J. Bosscha's Pruisen en Nederland (in het vervolg Pruisen en Nederland; VW IV, p. 7-100). Aanleiding hiervoor was een honende opmerking over Bosscha's geschrift in de Kölnische zeitung. M. solt in zijn Pruisen en Nederland met Bosscha's deftigheid en rafelt al diens bemoedigingen en geruststellingen uiteen. Over die bemoedigingen schrijft hij ook in de Ideën 737 en 738 (VW M, p. 459-461): 'By de behandeling van Bosscha's "Pruisen en Nederland" stelde ik my geenszins ten doel te onderzoeken of die auteur goed schreef. Ik gebruikte slechts hier en daar z'n schryvers-fouten om aan te tonen dat hy onjuist oordeelde, en dat hy verkeerd deed het volk met zyn bemoedigingen in slaap te wiegen, of liever te houden, want aan wiegen is in ons land geen behoefte.

(...) Ik vraag nu, 21 Juli 187o, wat er gegrond was in de beweringen van dien gewezen minister?' (VW IV, p. 460)

Ook kan M. met een satanisch genoegen constateren dat de *Frans-Duitse oorlog die Bosscha niet en hij wèl voorspeld had, inmiddels een feit was. Hij eindigt zijn betoog als volgt: 'Wie niet tevreden is met myn schryven; wie zich stoort aan myn toon; wie meent dat ik de natie beledig; wie denkt z'n vaderlandsliefde te moeten tonen door mooipraten en "frasen"; wie me houdt voor een monster of voor geestig en byzonder slecht; wie 't lelyk vindt dat ik bitter ben; wien ik stoorde in gestolen "rust" of in 't tellen van ducaten voor turfdragers, in z'n "binnenkamer"... Hun allen geef ik rendez- vous op de grens, als daar 't lamme Heil dir im Siegerkranz in hun hollandse oren zal klinken als donderslag. LEVE DE KONING!' (VW IV, p. 91)

Over dit geschrift schrijft hij op 8 februari 1867 aan J. de Geyter: 'Maar veel byzonders is 't niet. Eigentlyk niet veel meer dan een philippica tegen Nededandsche verrotting, een oud en vervelend thema. Ja, men zou 't ook kunnen noemen een "betoog hoe men uit walg van parlementarisme monarchaal wordt." Waarlyk ik loop niet hoog met koningen! En al ware dit zoo, dan nog zou ik niet spoedig partytrekken voor koninkjes uit het liederlyk, uit het dom en wurmstekig huis van Oranje! (O, flinke Belgen van 1830!) Maar... de ellendigste koning staat myns inziens hooger dan 't valsch Republicanisme dat in Holland regeert. Dat roepen van Leve de koning! waarmee ik myn stukje besluit heet eigenlyk: dood aan de rest, 't is een pis aller.' (VW XII, p. 68-69)

Wanneer Pruisen in 1870 de oorlog tegen Frankrijk begonnen is, nodigt M. in Idee 738 zijn lezers uit de brochure te herlezen. Hij had de lezer wakker willen schudden (VW IV, p. 460-461). In dit Idee herinnert hij ook aan de positieve beoordeling van *C. Busken Huet in het maandblad Nederland (I, 1867, p. 320-335; opgenomen in Busken Huets Litterarische Fantasiën en Kritieken: II). Busken Huet vermeldt een nogal geringschattende beoordeling van een zekere C. Duymaer van Twist in de Vaderlandsche Letteroefeningen (1867, p. 642-645). Volgens Mimi meende M. dat dit een neef van *A.J. Duymaer van Twist was (Brieven WB VIII, p. 97). In 1867 verschenen verder positieve recensies in De Nederlandsche Spectator (*W. Doorenbos) en Het Leeskabinet. *frazen

Publiek, In de Minnebrieven schrijft M. de beroemd geworden woorden: 'Publiek, ik veracht u met grote innigheid' (VW II, p. 22). Voorafgaand hieraan roept hij uit: 'Koop, publiek, koop! O, gy zult kopen, ik ken u! Gy hebt geld te veel, als er schandaal geveild wordt; gy, die den brave laat verhongeren, wanneer hy geen geloof heeft als gy! Koop, publiek koop! Gy, die uw profeten, laat leven, om ze langer te martelen! (...) Koop, publiek, koop, er zyn aandoeningen te krygen voor wat geld! Ik heb de macht, u te strelen en te kittelen, tot ge zo gek wordt dat gy den prys uwer koffie ver geet, gy, die anders zo hard zyt van huid, dat de zweep er van kermt! (...) En als gy dan tevreden zult met de toonhoogte van den gil, dien ge me trapt uit de borst... Zeg dan als gisteren, als eergisteren, als vroeger: - Wat schryft die man aardig! Vrindje, ik geef je zóveel voor 't vel, zóveel voor 't liedje! Zing nog wat! Schryf nog wat! Praat nog wat! (VW II, p. 21-22)

Verderop in het werk vraagt hij in een fictieve brief aan Tine: 'Wilt ge dan dat ik schryf voor geld? Hoe moet ik dat doen? Ik weet waarachtig niet hoe men 't aanlegt. Als ik myn portret verkoop, noemen ze dat ydel, en ik vind dat ze gelyk hebben, maar kan ik nu myn ziel fotograferen, en te koop hangen in een boekwinkel? Zoudt ge dat prettig vinden? Ware 't niet om woedend te worden, als men my betastte en beduimelde met vuile handen ? Want Publiek is vuil en wreed... maar de vuilte is 't ergst. (VW II, p. 64; *Itoe andjing)

In dezelfde geest kapittelt hij in Idee 526 die lezers die hem verzekeren de Max Havelaar 'met zoveel genoegen te hebben gelezen': 'En waar een heel publiek zich schuldig maakt aan 't scheppen van "genoegen" in zoveel leed... daar antwoord ik (...): "Publiek ik veracht u met grote innigheid." (VW III, p. 328)

Naar aanleiding van het geringe succes dat het toneelstuk Echtscheiding van *Mina Krüseman oogst, verdedigt M. in een brief aan haar d.d. 1 december 1874, de rol van de toneeldirecteur in de keuze van stukken en verwijt hij het publiek niet 'beschaafd' te zijn: 'Ik beweer dat 'n theater-directeur niet mag letten op kunst, verdienste, letter- of zedekundige waarde etc. Als 't publiek voor 't zien van 'n aap meer betaalt dan voor jou, mag hy [de toneeldirecteur] niet u engageeren, maar hy moet apen fokken. (...) Het publiek moet zoo beschaafd zyn dat geen entrepreneur z'n rekening maakt met het vertoonen van bavianen. Dit zal 't ras der vierhanden doen uitsterven, en niet de meer of mindere kunstzin van 'n industrieel.' (VW XVII, p. 163)

*lezen