Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

O

Oeser-oeseran, (Maleis: dubbele haarkruin) In de Max Havelaar ontdekt de *djaksa van Lebak dat de kleine *Max een koningskind is: hij heeft namelijk een 'oeser-oeseran' die, 'naar het bygeloof op Java', bestemd is om 'een kroon te dragen' (VW I, p. 110 en p. 114).

Omboni-Etzerodt, Stéphanie, Londen 1837 - Padua 1917, dochter van Albert Frederik Etzerodt, directeur van een gasfabriek te Brussel, en Elisabeth Focrest. Zij was sedert 1862 bevriend met Tine (*Everdina Huberta van Wijnbergen). In 1863 werd zij onderwijzeres ten huize van de Belgische gezant te Milaan. Een jaar later trouwde zij in Milaan met de leraar Giovanni Omboni (1829-1916). In 1869 werd Omboni hoogleraar geologie te Padua. De brieven van Tine aan Stéphanie Omboni uit de jaren 1863-1873, schetsen het moeilijke leven dat Tine in Brussel en later in Den Haag heeft gehad. Deze in het Frans geschreven brieven zijn in 1895 uitgegeven door Julius Pée en zijn opgenomen in VW XI e.v.

Na haar verblijf op de zolderkamer van *d'Ablaing van Giessenburg vertrok Tine met de kinderen op 1 juli 1866 naar Stéphanie Omboni in Milaan (VW XI, p. 535).

Onafgewerkte blaadjes, enkele brieven van en aan Fancy, opgenomen in deel X van Mimi's Brieven uitgave en naar het handschrift afgedrukt in VW VII p. 737-751. Mimi schrijft erover: 'Hier volgen evenwel nog eenige blaadjes onvoltooide copie die na Multatuli's overlyden, 19 februari 1887, op zyn schryftafel werden gevonden. Ze zyn geschreven in 't najaar van 1886.' (Brieven WB X, p. 255).

Op 3 september 1886 schrijft M. aan C. Vosmaer dat hij de Minnebrieven gaat vervolgen (VW XXIII, p. 705), twee dagen later schrijft hij J.F. Snelleman dat hij 'Minnebr. moet schryven voor de pers' (VW XXIII, p. 709). In oktober 1886 meldt hij in een brief aan Mimi dat het werk niet vlot, en: 'over mijn werk heb ik 't land. Toch zeg ik dat er een nieuw hek om den tuin zal komen. Dat moet!' (VW XXIII, p. 717).

Onderwijs, een onderwerp dat door M. vaak en uitgebreid behandeld wordt. Het vormt het belangrijkste onderwerp van de derde bundel Ideën. M. spreekt zich herhaaldelijk uit voor vrijheid van onderwijs, een 'natuurlyken eis' (Idee 1256a, VW VII, p. 526). De bemoeienis van staatswege keurt hij sterk af (de leerplicht werd in Nederland in 1900 ingevoerd).

Het doel van onderwijs is 'Verlichting, Verfyning, Beschaving, Ontwikkeling, Veredeling'. 'Hierin spreekt me zelfs geen Mecklemburger [*Mecklenburg] jonker tegen', aldus M. in Idee 836 (VW IV, p. 565). In Idee 861 (VW IV, p. 583-584) betoogt hij dat het onderwijs z.i. niet opgedrongen, maar aangeboden moet worden wanneer de behoefte zich aandient. In een noot hierbij schrijft hij 'voor - beperkten! - leerplicht' te zijn, 'Maar ik beweer dat deze kwestie niet thuishoort onder de rubriek Onderwys. 't Is 'n... politiezaak, of zoiets.' (VW IV, p. 705).

In Idee 15 stelt hij dat vaders hun kinderen zelf zouden moeten onderwijzen, men besteedt het 'mensmaken van z'n zoon' daarentegen uit 'tegen zoveel in de maand' (VW II, p. 313).

In de Ideën 828-920 (VW IV, p. 553-664) gaat M. onder meer in op het vraagstuk of het onderwijs door de Staat moet worden geregeld, of dat de ouders verantwoordelijkheid moeten nemen voor de opvoeding van hun kinderen. In Idee 832 schrijft hij hierover: 'De vraag kan zyn, of Onderwys over 't geheel wel van Regeringswege behoort uit te gaan. Ik zeg, onder zeker voorbehoud, neen.' (VW IV, p. 562).

En in Idee 836: 'Wordt het doel bereikt, dat we met Onderwys beogen? zo neen, welke fouten staan ons daartoe in den weg? Moet het Onderwys zyn intensief, extensief of gemengd? Waar is in 't laatste geval de grens? Behoort het Onderwys tot de bemoeienis van den Staat?' (VW IV, p. 564-565)

M. meent dat de ouders verantwoordelijk zijn voor de opvoeding en dat zij daarom goede leermeesters voor hun kinderen dienen te kiezen (Idee 561, VW IV, p. 322). Hij concludeert in Idee 920: 'De inmenging van den Staat kan in onze eeuw geen ander doel hebben, geen ander gevolg althans, dan de verlichting binnen zeer enge grenzen te beperken. De resultaten wyzen dit uit. (...) De slotsom is dat de Behouders niet behoudend zyn, en de Liberalen niet liberaal. Ons Onderwys is juist voldoende tot het vernietigen der natuurgaven van den Wilde, en belet tevens de ontwikkeling die te verwachten ware uit den boezem des Volks zelf, indien men die gaven niet had verkracht.' (VW IV, p. 662-664)

Over de belemmerende werking die er van het onderwijs uitgaat, schrijft M. verder in Idee 822: 'Scholen en school hebben vaak zeer nadelig gewerkt op onze vatbaarheid om te genieten, om veredelende denkbeelden in ons op te nemen, en in dien zin: te leren.' (VW IV, p. 549; cf. Idee 828, VW IV, p. 554). En in Idee 866 betoogt hij: 'Wat wy op de school leren, is uit den aard der zaak... schools, en maakt 'n onaangenamen indruk. Wie byv. 'n schryver volslagen wil uitroeien in de harten der mensen, dringe hem op aan 't geheugen van den knaap. Dit is almede van toepassing op de zedelykheid.' (VW IV, p. 588)

In Idee 1063 brengt hij onderwijs in verband met 'het godsbegrip en met de studie van den aard der dingen' (VW IV, p. 653). Het godsbegrip heeft het gezond verstand gesmoord: 'Tot dezen moord nu hebben de scholen dapper meegewerkt: (Idee 889, VW IV, p. 620). In Idee 511 geeft M. een verslag van zijn ervaringen als 'voorzitter ener kommissie van onderwys'. De kinderen blijken hun les zeer goed te kennen, maar zijn niet in staat tot zelfstandig denken. M. vraagt zich daarom af: 'Kàn een onderwyzer, die dertig, veertig kinderen op z'n school heeft, al die kinderen opleiden tot denkers? Neen dat kan niet. Maar daarom noem ik dan ook die scholen verderfelyke inrichtingen.' (VW III, p. 246)

(M. was in 1848 geen voorzitter, maar lid van een onderwijscommissie te Poerworedjo en te Menado in1849, VW IX, P. 45 resp. p. 90).

Wat hij wél van de onderwijzer eist, lezen we in Idee 838: 'Ik vorder van den onderwyzer dat hy de oefening in 't denken die zich even natuurlyk vanzelf openbaart als 't ademhalen, niet tegenwerke. De jongen van de diersoort mens zúllen denken.' (VW IV, p. 566)

Op 16 november 1884 bedankt M. schriftelijk voor een uitnodiging om het Congrès internationale des étudiants (*congres 4) op 22-23 november te Brussel bij te wonen. In deze brief geeft hij een stelling over het onderwijs ter bespreking op het congres. Een gedeelte van deze brief werd in vertaling afgedrukt in het Ter Gedachtenis-nummer van De Dageraad (1892,

p. 69; VW XXIII, p. 230-232). Deze stelling luidt: 'Naar myn inzien is het tyd, het volksonderwys te bevryden van de verlagende voogdy der gouvernementen. Het schynt my toe dat de Staat, vertegenwoordigd door dezen of genen voorbygaanden Minister, meer of min geholpen door een belachelyke schynvertooning van "volksvertegenwoordiging", in den hoogsten graad onbevoegd moet worden verklaard in de zaken van den geest, van de kunst, van het verstand, van wat raakt aan de opvoeding van de jeugd, aan de zedelyke en verstandelyke ontwikkeling van het menschdom. Schaffen wy de wetenschap van wege den Koning, de gilden der kennis, de domme regeering van het diploma af. Roepen wy de onbeperkte vryheid van het onderwys uit.'

*H. Hemkes Kz. *Pennewip *Karel de Grote *Artis

Opregte Haarlemsche Courant, De, Dagblad dat in 1656 werd opgericht en vanaf 1737 werd uitgegeven door de firma *Joh. Enschedé en zonen. Het was de eerste Nededandse krant. Op voorstel van C. Busken Huet (brief aan M. d.d. 9juli 1866, VW XI, p. 626-627) werd M. - op dat moment woonachtig in Duitsland - in 1866 buitenlands correspondent van deze krant. Tot 1869 schreef hij voor deze krant zijn *'Van den Rijn'-bijdragen, waarin hij mededelingen uit de gefingeerde Mainzer Beobachter opnam. Uit deze niet bestaande krant kon hij naar hartelust 'citeren' waardoor zijn bijdragen aan de vereiste objectiviteit voldeden en hij zijn eigen meningen kon ventileren.

In een brief aan Tine van 8 februari 1867 verklapt M. zijn geheim (VW XII, p. 65). Later spreekt hij er ook met *Marie Anderson over. Via haar minnaar, *Jhr. F.A. Hartsen, komt het bericht uiteindelijk bij de firma Enschedé' terecht (brief van de firma Joh. Enschedé en Zn. d.d. 30 juli 1869, VW XIII, p. 586). In tegenstelling tot wat wel beweerd werd, is M. hier niet om ontslagen. Op 29 december 1869 beëindigde hij zèlf zijn medewerking aan het dagblad (VW XIII, p. 713).

(Lit. Eep Francken, 'Een correspondent neemt ontslag', in: Over Multatuli, 1978, nr. 2, p. 1-25; Multatuli, Mainzer Beobachter, met bijdragen van K. van het Reve en Maarten Schneider. Haarlem: Joh. Enschedé en Zn., 1987; G. Stuiveling, 'Multatuli als Mainzer Beobachter', in: Over Multatuli, 1980, nr. 6, p. 119)

M. spreekt in een brief aan Busken Huet d.d. december 1866 van 'Uw haarlemmer, die zoo modest schuilt achter z'n "men zegt, men beweert, blad zóó laat zich schryven"' (VW XI, p. 772). In een noot bij Idee 527 gaat M., naar hij zegt t.b.v. de Vlaamse lezers, uitgebreid in op het karakter van De Opregte Haarlemsche Courant: 'Sedert tweehonderd en veertien jaren alzo houdt zy 't Nederlands Publiek op de hoogte of laagte der gebeurte nissen van den dag, en - dit vooral is eigenaardig - zy is niet meer met den tyd meegegaan dan volstrekt nodig was om haar populariteit te behouden. Ze polemiseert niet, en geeft slechts berichten waarvan de verantwoordlykheid op anderen valt. (...) Haar program is kleurloosheid, of om 't jargon van den dag te spreken: objectiviteit. (...) De Haarlemse Courant is voorts in goed Hollands geschreven en gewoonlyk goed onderricht. (...) Voor duizenden burgerlyk-deftige huisgezinnen is zy nog altyd, gelyk in de dagen van De Ruyter: de Krant. (...) Dat ze, by en door dit alles, zich verheugt in een soort van monopolie voor advertentiën, spreekt vanzelf. Een echte Hollander is niet ter dege geboren, getrouwd of dood, voor hy als zodanig vermeld staat in de Oprechte Haarlemsche Courant.' (VW III, p. 428-429)

Hij schrijft verder dat hij deze krant 'met zekere dankbaarheid' leest omdat hem 'eenvoudig vertelt wat er gebeurd is, en de toepassing of beoordeling daarvan welwillend overlaat aan myzelf (VW III, p. 429).

Op 31 maart 1878 spreekt M. in een brief aan Mimi van 'de styve orthodoxe Haarlemmer', die tegen zijn verwachting in zijn voordracht van 23 maart te Haarlem 'welwillend' besprak (VW XIX, p. 407; bespreking in VW XIX, p. 375-376).

Ouwetyd & Kopperlith, In de Woutergeschiedenis de naam van het kantoor op de Keizersgracht te Amsterdam waar Wouter kwam te werken (aangekondigd in Idee 1121, VW VII, p. 101; verder Idee 1187 e.v., VW VII, p. 282 e.v.). Ouwetyd & Kopperlith handelde in 'katoentjes'. De beschrijving van dit kantoor gaat ten dele terug op herinneringen van M. aan zijn eigen tijd bij de firma *Van de Velde in 1835-1838.

Wouters gedachten op zijn eerste werkdag bij de firma, beschrijft M. als volgt: 'Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zo'n god ook begonnen zyn met leerlingetjes op 'n kantoor te worden? Hoe lei men het toch aan in 't oude Griekenland, om iets te worden in de wereld?' (Idee 1191, VW VII, p. 296)

Over vryen arbeid, M.'s eerste brochure betreffende het politiek conflict over de vraag of het *Cultuurstelsel diende te worden gehandhaafd, of door de zgn. *Vrije Arbeid moest worden vervangen. De brochure werd geschreven te Brussel en Amsterdam in de periode december 1860 tot januari 1861. De titel van de eerste uitgave, waarvan op 18 januari 1862 het eerste deel bij R.C. Meijer (*d'Ablaing van Giessenburg) verscheen, luidde: Over vryen arbeid in Nederlandsch Indië, en de tegenwoordige koloniale agitatie. Dit eerste deel eindigt abrupt met een 'brief aan den uitgever', waarin M. - wegens de gespannen politieke ontwikkelingen - voortijdig tot uitgave van dit deel besluit. Hij betoogt hierin dat de keuze tussen Cultuurstelsel en Vrije Arbeid een valse is: 'De Javaan wordt mishandeld!... Dát is de kwestie!' en schrijft verder: 'Men bestele den Javaan niet, men zuige hem niet uit, men vermoorde hem niet. Dan zal er na enigen tyd blyken of hy vrywillig arbeiden wil.' (VW II, p. 217-218). In het tweede deel van de brochure, dat op 31 januari 1862 verschijnt, herhaalt M. zijn klacht en concludeert: 'Er is verrotting in den staat, en de naam van die verrotting is LEUGEN.' (VW II, p. 277).

Als oplossing roept M. op tot de vorming van een *derde partij, die haar inspiratie zou moeten putten uit de, in dit tweede deel via een tweede brief 'aan den uitgever' aangekondigde, Ideën (VW II, p. 261).

De vierde, vermeerderde druk verscheen in 1873 bij *G.L. Funke onder de verkorte titel Over vryen-arbeid in Nederlandsch Indië.

E. du Perron toonde zich uitermate positief over deze brochure: 'Niet alleen een van de prachtigste dingen die hij [=M.] ooit schreef, maar misschien het prachtigste en zeker het meeslependste proza dat ooit in Nederland geschreven werd' (Verzameld Werk IV, Amsterdam, 1956, p. 610). Ook J.J. Oversteegen liet zich lovend uit over deze brochure: hij noemt het in zijn artikel 'Een literatuuropvatting in actie' (Over Multatuli, 1989, nr. 23, p. 31-45) een 'persoonlijke voorkeur' en één van de 'hoogtepunten van Multatuli's oeuvre', waarna hij de door M. in deze brochure toegepaste retorica analyseert.