Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

N

Nachtschuitsdroom, De, titel van een gedicht dat DD. in 1843 of 1844 schreef ter gelegenheid van de zilveren bruiloft van de ouders van Pieter L. van Bloemen Waanders (1823-1884), ambtenaar te Padang. DD. droeg het voor op het feest dat Bloemen Waanders te Padang voor zijn vrienden organiseerde; de jubilerende ouders waren te Semarang. Enkele regels uit het gedicht: 'Ik groet U echtlijk paar door liefde en trouw vereend,/ Ik groet U door het lot zoo weeldrig gezegend,/'t Is zoet wanneer ons oog om 't leed van andren weent,/ Maar luider juicht het hart als and'ren heil bejegent./ Zóó treft mij uw geluk door anderen schaars genoten,/Zoo juich ik dankend me' in 't heilrijk levenslot,/ Geen schooner beeld van min dan trouw van echtgenooten/Verëerend in liefen leed, in 't leven bij God!'

Het gedicht kreeg een plaats in DD.'s *'Brief aan A.C. Kruseman' (VW IX, p. 190-195), waarin we over de ontvangst van het gedicht lezen: 'Waanders huilde als een kalf, en ook de andere vrinden zeiden dat het "zoo lief" was'. Men suggereerde om het gedicht aan de ouders te sturen: '"Dat zal ze AANDOEN"', maar 'Door overmaat van aandoening lag mijn Schuitsdroom kort daarop - 't werd een droomschuit - te varen in de stokvischboter, beladen met wijn, gebrande uijen, mosterd en (alweêr met Tollens): "wat daarnevens past" niet te vergeten wijn die al gedronken was. (VW IX, p. 195-196).

Natal, plaats op Sumatra's Westkust, net boven de evenaar. Ten tijde van DD.'s werkzaamheden aldaar, was Natal een afdeling van de assistent-residentie Ajer Bangies, behorende tot het toenmalige gouvernement van Sumatra's Westkust, waarvan kolonel *Michiels de gouverneur was. DD. aanvaardde op 30 november 1842 het ambt van controleur te Natal. Hij leefde er in slechte verstandhouding met zijn chef, *Adriaan van der Ven. Zijn functies waren talrijk: bestuursambtenaar, politiehoofd, politierechter, voorzitter van de inlandse rechtbank, ambte-

naar van de burgerlijke stand, postmeester, beheerder van het zout- en rijstpakhuis, agent van de Wees- en Boedelkamer, opzichter over 's lands gebouwen en werken, ontvanger van in- en uitvoerrechten, zegeldebitant, wisselagent, vendumeester, en wellicht nog enkele meer (VW VIII, p. 102). Van der Ven was assistent-resident, de resident van Ajer Bangies was *Weddik. Al op z5 mei 1843 werd DD. door Van der Ven beboet met ƒ 5,- per dag wegens nalatigheid in het indienen der verantwoordingen. Op 9 juni stelde Van der Ven voor DD. over te plaatsen, op 30 juni was DD.'s *kastekort opgelopen tot ƒ 860. Op 3 juli kreeg hij een waarschuwing van gouverneur Michiels. Op 15 juli schreef Michiels in een brief aan gouverneur-generaal P. Merkus dat DD. ongeschikt of onwillig was. Op 18 juli kwam er een klacht van Van der Ven over DD.'s weigering om aan zijn verplichtingen te voldoen. DD. werd op 1 september 1843 ontslagen en op 8 januari 1844 geschorst. Daarna volgde een gedwongen verblijf te *Padang (zonder wedde) tot september 1844, de overtocht naar Batavia (met wachtgeld) in december 1844, en opheffing van de schorsing op 10 september 1845. Bij besluit van de gouverneur-generaal van 10 september

1845 werd aan DD. uitbetaald
'a. tractement als kontroleur ze klasse op Sumatra's Westkust ad ƒ 275 's maands,
b
. wachtgeld ten bedrage van een derde van dat tractement van 9 Januarij tot ultimo november 1844' (VW VIII, p. 450)

Deze uitkeringen werden in mindering gebracht op het kastekort van ƒ 2106. *Si Pamaga

Natal, Gedicht op de rede van, gedicht van DD., geschreven tijdens zijn verblijf te *Natal in 1843, opgenomen in zijn 'Brief aan A.C. Kruseman' (24 februari 6 mei 1851, VW IX, p. 130-131). Een gedeelte van het gedicht is in gewijzigde vorm opgenomen in de Max Havelaar (VW I, p. 146-147). De eerste strofe in de brief aan Kruseman luidt: 'Gij vraagt waarom toch de Oceaan/Die gansch Sumatre omspoelt/Schoon elders minzaam en gedwee,/Onstuimig slechts op Natals reê/Gedurig schuimt en woelt?'

In de Max Havelaar luidt deze strofe: 'Ge vraagt waarom toch de Oceaan/Die Natals ree bespoelt,/Schoon elders minzaam en gedwee,/Onstuimig slechts op Natals ree,/Gedurig kookt en woelt?'

In zijn brief aan Kruseman levert DD. het volgende commentaar bij het gedicht: 'Ik ben de citatie voorbij, zie ik, en merk dat de rest heel soeperig wordt, zóó:/la la lal...; la la lala/la la, - la la; la laa! Zing het eens. Je kunt 't vervolg wel raden. "Maar eenmaal, eeuwen is 't geleên" &c - Zoowat de stijl onzer dichters van 1816 a 24, 26, min de prioriteit. Toen was het goed genoeg voor een Muzenalmanak.'

Het gedicht verscheen in een Duitse vertaling van H.C. Flemming in Sang und Klang (1882).

Natal, Vaarwel aan, gedicht van DD., geschreven in september 1843. Volgens Mimi bestond het oorspronkelijk uit elf strofen, waarvan er zes door haar gepubliceerd zijn (VW VIII, p. 285-286). De laatste strofe luidt: 'Ik zocht den dood, en Natal gaf mij 't leven/En met den wil, de lust in 't leven weer./Geliefd verblijf, gij hebt mij veel gegeven/Doch eerlang drukt mijn voet uw grond niet meer./Neem mijn vaarwel, en hoor mijn stille beden/Voor uw behoud die 'k opzend naar omhoog/Welligt zal nooit mijn voet u weer betreden/Ik laat u niets, niets dan een traan in 't oog.'

In zijn 'Brief aan A.C. Kruseman' (VW IX, p. 152) nam DD. de strofen 4 en 5 in gewijzigde vorm op.

Natuur, Volgens het naturalisme, een richting in de filosofie, is de natuur het alomvattende, het enige, het alleen zijnde; ook de geest en zijn produkten zijn daaronder begrepen. Boven en buiten de natuur kan niets worden gedacht; zij is het geheel van alle verschijnselen, van alle dingen en gebeurtenissen in hun totale samenhang. De eerste 'naturalisten' waren de stoïcijnen. Ook Spinoza en Goethe waren naturalisten. In de negentiende eeuw waren onder anderen Feuerbach en Haeckel aanhangers van het naturalisme. Ook M. hing de denkbeelden van deze richting aan. Op vele plaatsen in de Ideën verwoordt hij zijn denkbeelden hieromtrent, in Idee 71 schrijft hij bijv.: 'Natuur is alles. Wat er meer is, noemt men metaphysiek, bovennatuurkunde, d.i. buitenissigheid' (VW II, p. 322). In Idee 530 schrijft hij: 'Wat zou de Natuur ons uitlachen, als ze bewustzyn had van onze verdeelwoede. Om iets te verklaren van de wyze waarop een plant groeit, hebben wy wiskunde nodig, en meteorologie, en chemie, en botanie, en statica, en dynamica, en allerlei, in ons oog onderscheidene, wetenschappen. (...) Daarvan weet de natuur niets. De noodzakelykheid bewerkt - heel ongeleerd - de aaneenhechting der delen, niet volgens wetenschappelyke regels, maar op 'n wyze die ons in staat stelt, naar de maat van ons waarnemingsvermogen, uit het gebeurde onze opmerkingen te maken, en deze - altyd onvolledige! - opmerkingen te regelen tot gebrekkige wetenschap.' (VW III, p. 359-359)

In de eerste bundel Ideën wordt regelmatig over de eigenschappen van de Natuur gesproken. In Idee 148: 'De Natuur werkt door saam te stellen en door 't tegendeel.' (VW II, p. 380); Idee 198: 'De werking van die Natuur is in den meest strikten zin: eenvoudig. Ze heeft maar één middel, dat tevens doel schynt: aantrekking.' (VW II, p. 413); Idee 373: 'de lieve, domme, geestige, naieve, almachtige, onwetende, kinderlyke, toko-achtige Natuur' (VW II, p. 540).

Wanneer M. spreekt over de regels en wetmatigheden in de Natuur, doet hij dit herhaaldelijk in termen van opdat en omdat. Bijv. in Idee 907: 'Wy mensen maken vorderingen opdat daaruit iets voortkome. In de Natuur daarentegen komt al wat bestaat, uit het voorafgegane voort: omdat het daaruit volgen moet.' (VW IV, p. 647)

In dit Idee verwijst hij naar overeenkomstige uitspraken in Idee 517 (VW III, p. 292), Idee 575 (VW IV, p. 332) en Idee 839 (VW IV, p. 567-568).

Verder wordt in Idee 486 de Natuur verdeeld in 'stof' en 'gedachte', beide zijn 'deelbaar tot in 't oneindige' (VW III, p. 235). In het begin van de derde bundel Ideën, in de verhandeling over vrije studie, wordt de studie van de Natuur, 'die grote tokohouder' (Idee 566, VW IV, p. 326), genoemd als 'hulpmiddel tot vryheid van studie', want 'Het zyn liegt niet.' (Idee 575, VW IV, p. 332) (Lit. Wim van Dooren, 'Multatuli als filosoof, in: Over Multatuli, 1993, nr. 31, p. 15-23, speciaal p. 19-20)

Nederlandsche Handel-Maatschappij, De, opgericht in 1824 door Willem I, die zelf voor

ƒ 4.000.000 aandelen nam en 4% rente waarborgde. De Nederlandsche Handel-Maatschapij dreef aanvankelijk ook handel op China, Mexico, Zuid-Amerika en De Levant, maar weldra alleen op Indië. Voor de regering vervoerde en verkocht zij de koloniale waren afkomstig van het *Cultuurstelsel. Zij kreeg de goederen in consignatie en hield voor- en najaarsveilingen in Amsterdam, Rotterdam en Middelburg, vooral van koffie. Na afschaffing van het Cultuur-stelsel ontwikkelde zij zich tot bank. Na fusie met de Twentsche bank werd De Nederlandsche Handelmaatschappij in 1964 onder de naam Algemene Bank Nederland (ABN) voortgezet.

De Nederlandsche Handel-Maatschappij maakt onderdeel uit van de titel van M.'s eerste boek, Max Havelaar of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij. *Droogstoppel besluit onder meer tot uitgave van het boek 'omdat de Koffieveilingen van de Handel- Maatschappy er mede in verband staan' (VW I, p. 31).

En bij het opstel 'Over bevoorrechte Handelmaatschappyen.' uit het *pak van Sjaalman, noteert hij tussen haakjes: 'Hierin komt een-en ander voor, dat ik nodig heb voor myn boek.' (VW I, p. 41).

Op 5 november 1880 vraagt M. in een brief aan D.R. Mansholt: 'Wat beteekent de Nederl. Handelmaatschappy, 'n maatschappy die niet handelt, en als 5e rad aan den wagen slechts voor agent tot inhuur van schepen en verkoop van produkten dienende, toch altyd enorme dividenden weet uittebetalen?' (VW XX, p. 531)

Ngawi, afdeling in de residentie Madioen in Oost-Java waar DD. in 1856 naar werd overgeplaatst in antwoord op zijn aanklacht regen de regent van Lebak (23 maart 1856, VW IX, p. 571; *kabinetsmissive).

P. van 't Veer geeft aan dat deze 'straf zo erg nog niet was. DD. zou daar de functie van waarnemend assistent-resident krijgen, onder het toeziend oog van de resident die rapport over hem zou moeten uitbrengen. DD.'s traktement zou hetzelfde zijn als in Lebak (Het leven van Multatuli, 1979, p. 343-344).

DD. weigerde echter en verzocht om eervol ontslag uit 's lands dienst (conceptbrief d.d. 29 maart 1856, VW IX, p. 583).

In de Max Havelaar vertelt Havelaar over deze overplaatsing: 'Ik zou te Ngawi 'tzelfde moeten doen, wat ik hier [in Lebak] gedaan heb... dat zou nutteloos heen-en-weer reizen zyn. Bovendien, het is me onmogelyk dienst te doen op de proef, alsof ik me slecht gedragen had! En eindelyk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei geen ambtenaar moet wezen.' (VW I, p. 284)

Nieder-Ingelheim, dorp tussen Mainz en Bingen in Rijn-Hessen, thans deel van de stad Ingelheim am Rhein. Laatste woonplaats van M. Injuli 1880 schonk *J. Zürcher M. geld om de villa *Auf der Steig te kopen (brief van M. aan J.A. Roessingh van Iterson d.d. 11 oktober 1880, VW XX, p. 513). Na een grondige verbouwing werd het huis in mei 1881 betrokken.
Het contact met de plaatselijke bevolking was schaars; herinneringen van de Ingelheimers Andreas Saalwächter, Peter A. Hilgers en de schrijnwerker Sinning zijn opgenomen in VW XXI (p. 298-307).

Na M.'s dood werd het huis verkocht, de opbrengst kwam ten goede aan Mimi. In 1908 is in de gevel van het huis een gedenkplaat (*gedenksteen 2) gemetseld, in 1987 werd een nieuwe plaat, met correcte tekst onthuld. Het huis is thans een hotel (*hotel 4) en is tevens zetel van de Duitse 'Multatuli Forschungs- und Gedenkstätte'.

Niets is geheel waar
1. M.'s bekende eerste Idee luidt: 'Misschien is niets geheel waar, en zelfs dàt niet.' (VW II, p. 311).
2. titel van de Nederlandse vertaling van het toneelstuk 'Nichts ist ganz wahr!' van *F.M. Huebner. #Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad

*Japanse Gesprekken *Broens Jr.

Nog-eens: Vrye arbeid in Nederlandsch-Indië, geschrift van M. dat in 1870 bij *J. Waltman Jr. te Delft verscheen. Het is een verdediging van het *Cultuurstelsel dat, indien juist toegepast, een betere bescherming van de inlander oplevert dan de *Vrije Arbeid, die door de liberalen werd voorgestaan.

De eerste delen ervan werden geschreven in de winter van 1867-1868, met de bedoeling het conservatieve kabinet Van Zuylen van Nyevelt-Heemskerk te steunen. M.'s Haagse contactpersoon was kamerlid *J.J. Rochussen, wiens schoonzoon, *J.J. Hasselman, minister van Koloniën was (cf. VW XII, p. 519, p. 528 en p. 552). Op 4 maart 1868 ging M. naar Den Haag, op 9 maart schrijft Rochussen aan *Van Zuylen van Nyevelt: 'De onderhandeling met D. Dekker loopt niet zoo als ik gehoopt had. Hij is wel bijzonder geniaal en knap, maar ook zeer excentciek en verwaand. Hij denkt dat van hem of van zijne pen alles afhangt. Nu wil hij niet schrijven anders dan op zijn naam en hij wil zijn naam niet geven voor dat de regering zich zijner heeft aangetrokken en hij zich aan haar kan hechten. (...)

Jammer dat het zóó loopt. Uw denkbeeld was goed; maar al mijn spreken kon niet baten - Zoo ge hem niet kunt voldoen dan is het zaak dat hij spoedig van hier vertrekt.' (VW XII, p. 703)

Op 10 november 1869 kwam het geschrift wederom ter sprake toen het *Dagblad van Zuid-Holland en 's Gravenhage delen ervan wilde gaan publiceren (brief van J.D. Doorman aan J. Heemskerk, VW XIII, p. 678). In november 1870 kwam M. door bemiddeling van *Van Plettenberg in contact met uitgever Waltman; de acute geldnood van M. en Mimi in Wiesbaden vormde het belangrijkste argument voor uitgave van het werk. In een brief aan S.E.W. Roorda van Eysinga d.d. 8 december 1870 noemt M. het zelf'een lam stuk: "van 'n Nederlandsch standpunt"' (VW XIV, p. 263). Op 24 december werd de uitgave aangekondigd in het Nieuwsblad voor den Boekhandel (VW XIV, p. 279). Het weekblad Uilenspiegel kwam nog dezelfde week met een eerste reactie: 'Multatuli heeft een nieuwe brochure tegen den vrijen arbeid uitgegeven, waarin hij all één den heer Rochussen opvijzelt, maar alle liberalen verguist. Is die arbeid wel "vrij" geweest?' (VW XIV, p. 292).

Op 2 januari 1871 weerspreekt een 'Oud-Officier van het O.-I. leger' in de NRC (VW XIV, p. 313-319) M.'s aantijging over de rol van *Duymaer van Twist bij de illegale wervingsmethode voor het Nederlands-Indisch leger (VW V, p. 468; *werving van inlandse soldaten). Op 6 januari volgde een (anonieme) recensie in de NRC, waarvan de openingszin luidt: 'Weder heeft Nederland Multatuli eenige bladzijden te danken, zooals er slechts weinge geschreven worden.'

(VW XIV, p. 333-337). Een reactie van M. op het stuk van 2 januari werd door deze krant geweigerd, maar werd door Het Noorden op 20 januari geplaatst (VW XIV, p. 386-389).

De tweede druk van Nog-eens: vrye arbeid verscheen in 1882 bij uitgeverij *Muusses & Co. te Purmerend. M. voegde aan deze uitgave een 'naschrift by den tweeden druk' toe; hiermee werd deze uitgave de laatste - in boekvorm - gepubliceerde tekst van M.

Nonnie, i.e. Elisabeth Agnes Everdine Douwes Dekker, Soerabaja 1 juni 1857 - Capri 11 juni 1933, dochter van DD. en *Everdina Huberta baronesse van Wijnbergen. Haar eerste ontmoeting met haar vader vond plaats in juli 1859 te Vis'. Zij zou volgens 'De Schoondochter', *A.G. Douwes Dekker-Post van Leggelo (De waarheid over Multatuli en zijn gezin, 1939, p. 315), in haar jeugd haar vader 'niet meer dan zeven maal dertig dagen zien' (*Edu). Nonnie toonde vanaf haar jeugd een bijzondere aanleg voor tekenen en muziek. Van 1870 tot 1873 verbleef zij te Padua bij de familie Omboni (*Omboni-Etzerodt), waar ze onderwijs volgde op een protestants college (Julius Pée, Multatuli en de zijnen, 1937, p. 370). Daarna vertrok zij met haar moeder naar Venetië, waar ze haar tekenopleiding vervolgde. In 1874, na het overlijden van haar moeder, kwam ze onder de hoede van de markiezin Paulucci-Panchiatini, een destijds gerennomeerd malacologe. Van september 1877 tot april 1878 volgde ze te München schilderlessen bij Franz von Lenbach. Op 5 april van dat jaar ontving zij het rooms-katholieke doopsel. Kort daarop vertrok zij met een Poolse vriendin 'voor een jaar en enkele weken' naar Galicië (Pée, a.w., p. 376). In deze periode bracht Nonnie haar vader en Mimi te Wiesbaden een tiendaags bezoek. Een 'vreesselijke scène' vond plaats (De waarheid, p. 317). Terug uit Galicië trouwde Nonnie op 30 september 1880 met *Francesco Bassani. M. heeft toen alle contact verbroken (cf. brief aan J.H. de Haas d.d. 7 augustus 1880, VW XX, p. 495).

Zij kreeg twee zonen, Guido (geb. 1881) en Mario (geb. 1887). Haar tekentalent stelde zij ten dienste van haar man; zij illustreerde zijn publikaties over fossiele vissen (W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk, 1987, p. 212). Na 1892 ontwikkelde zij een grote interesse in heiligenlevens en mystiek. Haar correspondentie hierover werd in 1930 door pater Cimino gepubliceerd onder de titel Lettere di una gentildonna Olandese. Na de dood van haar man leefde ze in toenemende armoede op het eiland Capri; vanaf 1925 ontving zij een toelage van ƒ 400 per jaar uit het Tollensfonds.

In de polemiek tussen Julius Pée en 'De Schoondochter' werd Nonnie, evenals haar broer Edu, op de meest onsmakelijke wijze gebruikt om het karakter van M. te ontrafelen. Pée heeft delen van haar brievenpublikatie in vertaling overgenomen in Multatuli en de zijnen (1937, hoofdstuk XXVIII: 'de mystieke Nonni', p. 390-410).

Noodzakelijkheid, de, M.'s omschrijving voor zijn deterministische wereldbeschouwing, de leer die ervan uitgaat dat alles wat gebeurt noodzakelijk voortvloeit uit voorafgaande gebeurtenissen, waarbij dus geen plaats is voor een god of willekeur in het zijnde, de *Natuur. M. formuleert deze gedachte in Idee 32 als volgt: 'De noodzakelykheid is God. Meer weet ik van God niet te zeggen. En 't spyt me.' (VW II, p. 316). In Idee 165 schrijft hij: 'Een boekhouder, een rekenaar, kan zich vergissen. De noodzakelykheid nooit. (...) Zy weet de snelheid waarmee 't schip zich moet bewegen volgens de háár alleen bekende gegevens, en ze noemt die snelheid, drukt ze uit: door het feit.' (VW II, p. 388)

Overal vindt hij sporen dat zijn 'denkbeeld over de almacht der noodzakelykheid, zo oud is als de wereld' (Idee 169, VW II, p. 390). De leer der noodzakelijkheid is niet troosteloos, aldus M. in Idee 177, want: 'Die domme, zich zelf onbewuste, almachtige, onwetende, Noodzakelykheid is een God van liefde, die u meer geeft dan een persoonlyke god doen kon, en met het oog op de rechten van anderen - doen mág. (...) Wat is, moet zyn.' (VW II, p. 392-393)

In Idee 348 schrijft hij: 'Het heeft zo moeten wezen. Dát, en dát, en dát... alles wat is, moet zyn. Alles wat geschiedt, is 'n rechtstreeks gevolg van 't naastvorige, en indirect een gevolg van al het vorige. Er zyn velen die geloven in myn God, de Noodzakelykheid. Ze moeten wel! En die godsdienst zal worden verheven tot godsdienst van Staat, tot alleenheersende, tot alleenzaligmakende kerk, zodra er een behoorlyk ministerie van eredienst zal opgericht zyn: departement tot uitbreiding van de kennis der natuur.' (VW II, p. 519)

Ook in Idee 177 (VW tI, p. 392-393) en Idee 528 (VW III, p. 356-357) schrijft hij hierover. De Millioenen-studiën zijn een doorlopende verheerlijking van de *Logos (de gedetermineerde oorzakelijkheid), de verpersoonlijking van zijn opvatting van noodzakelijkheid.