Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

M

Maatschappij tot Nut van den Javaan, Onder het motto 'Ik wil barmhartigheid en geen offerande (Mattheus IX:13)' werd de Maatschappij tot Nut van den Javaan in 1766 opgericht door W. Bosch (1798-1874) te Arnhem. Artikel 2 van het reglement luidt: 'De Maatschappij beoogt handhaving en toepassing der beginselen van regtvaardigheid en liefde tot den naaste'. Het eerste werk dat de Maatschappij uitgaf, was een herdruk van de Open brief aan het Nederlandsche Volk van dr. W. Bosch. Hierin betoogt de auteur dat de Nederlanders, door gouddorst geprikkeld, de rechten van de inlanders geschonden hebben en de Javanen tot slavenarbeid hebben verlaagd.

M. schreef in 1869 een brief aan het bestuur van de Haagse afdeling van de Maatschappij. Aanleiding hiervoor was een circulaire die hij had ontvangen, waarin hem een bijdrage werd gevraagd voor 'een fonds voor het onderwijs onder de Javanen'. Hij antwoordt: 'Het konde U toch, naar ik meen te mogen veronderstellen, bekend zyn, dat ik aan het welzyn der inlandse bevolking van Nederlands-Indië heb ten offer gebracht wat een mens offeren kan, en derhalve iets meer dan de velen die met het oog op pensioensreglement of arrondisering van fortuin, de misbruiken op Java rustig aanzagen - zo niet erger! - tot op den dag dat het bestryden daarvan zoude kunnen plaats hebben zonder gevaar, of zelfs met voordeel.' (VW IV, p. 309)

Hij noemt de Maatschappij voorts 'onbewust een der werktuigen in de hand van het boze, en als zodanig een domme, wrede satire op de Havelaarszaak' (VW IV, p. 309). Deze brief, gedateerd 5 oktober 1869, werd als brochure uitgegeven door F.C. Günst. M. nam hem ook op aan het slot van Causerie nr. XIV, bestemd voor publikatie in het dagblad De Locomotief te Semarang (*Causerieën). Het dagblad publiceerde deze Causerie echter zonder de kritiek op de Maatschappij (De volledige tekst is opgenomen in VW IV, p. 247-257).

Op 18 oktober 1869 beantwoordde Isaac C. Van Lier, 'lid van het hoofdbestuur voor 's-Gravenhage' van de Maatschappij, deze brief in de NRC (VW XIII, p.649-654).

M. nam zijn brief aan de Maatschappij later ook op in Idee 942 (VW IV, p. 126-127), waarbij hij reageert op de late reactie van Van Lier: 'Maanden na myn brief namelyk, werd op eenmaal een der ondertekenaars van de aan my gezonden circulaire - als stenograaf was de man na-familie van politiekery - bevorderd tot liberaal voorlichter in indische zaken te Batavia. Hy was hiertoe zeer geschikt, niet omdat-i van deze zaken iets wist - dit is volkomen onnodig - maar omdat hy zinsneden maken kan, een hebbelykheid die, gelyk we dagelyks zien, alle andere hoedanigheden overbodig maakt. (...) Onze stenograaf had in Den Haag gehoord, dat er liberalismus lag in 't

vry arbeiden der Javanen. (...) Ge ziet het, ik vlei die Regering niet. Toch wist de zo-even onsterfelyk gemaakte liberale voorlichter-stenograaf, uit m'n bestryding van den Vryen Arbeid te ontdekken: "dat ik my verkocht had aan 't Behoud". Myn gissing dat deze ontdekking 'n uitvloeisel is van den wrevel over den brief dien ik u meedeelde, vindt enigen steun in de opmer-king hoe anderen van die soort ndere stukken afdoen.' (VW VI, p. 128-129)

Hij kondigt zijn antwoord, opgenomen in Causerie XV (echter niet gepubliceerd; VW IV, p. 263-267), aan in een brief van 22 oktober 1869 in de NRC (VW XIII, p. 659).

M. bespot de Maatschappij verder in noot 5 (1882) bij de Max Havelaar (VW I, p. 313), en schrijft in een noot uit 1882 bij Nog eens: Vrye Arbeid: 'De kwakzalvery met die Maatschappy tot Nut van den Javaan is goddank ter ziele.' (VW V, p. 467; de Maatschappij werd opgeheven in 1877).

Maçonnieke loge, vrijmetselaarsloge. M. is vanaf 1853 betrokken geweest bij de *vrijmetselarij. Hij was o.a. lid van het Amsterdamse kapittel Concordia Vincit Animos. In Idee 451 beschrijft hij een voorval dat hij meegemaakt had tijdens een receptie 'in een maçonnieke loge'. Een broeder hield een rede tegen de slavernij. M. legde na afloop 'wat bankpapier' op een schaal en nodigde de broeder, die rijk was, uit zijn bijdrage daarbij te leggen voor het vrijkopen van slaven. De broeder stond prompt op en zocht zijn hoed. 'Ik heb 'm nooit weergezien', aldus M. (VW III, p. 117-119).

Mainz, vanaf april 1870 woonde M. te Mainz. Vanaf mei logeerde hij in hotel Carpe (VW XIV, p. 137). Tine reisde in deze periode per stoomboot langs Mainz, op haar tweede vlucht naar Italië, maar bezocht haar man niet. Eind juni voegde Mimi zich te Mainz voorgoed bij M. (VW XIV, p.144). Na het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog op 19 juli moesten zij de stad verlaten. Zij vertrokken naar het 'Wirthshaus zum Gustavsburg', ten oosten van Mainz (mededeling Mimi, VW XIV, p. 74, 119-120, 151, 153-154).

Mainzer Beobachter, Een door M. gefingeerde krant die hij gebruikte als bron voor zijn *'Van den Rijn'-bijdragen voor de Opregte Haarlemsche Courant in de periode 1866-1869. *Opregte Haarlemsche Courant

Mansholt, Derk Roelfs, 1842-1921, geb. te Ditzumer Hamrik (Oost-Friesland), verhuisde in 1866 naar Scheemda. Van 1869 tot 1882 was hij landbouwer in Meeden, later in de Westpolder bij Ulrum. Daarnaast was hij medewerker van o.a. Het Radicaal Weekblad, Het Friesch Volksblad en De Bildtsche Courant en was hij voorzitter van de Bond voor Landnationalisatie. In 1888 stelde hij zich kandidaat voor de Tweede Kamer, maar werd niet gekozen omdat hij vóór de

graanrechten was; men vreesde hierdoor hogere broodprijzen. Verder behoorde hij tot de ijveraars voor algemeen kiesrecht. Hij was één van de eersten die openlijk partij trok voor *Domela Nieuwenhuis door zalen voor diens toespraken te regelen en met hem rond te trekken. In 1886 was Mansholt medeoprichter van Het Groninger Weekblad, een 'radicale courant', die naast Domela Nieuwenhuis' Recht voor allen zou strijden voor het socialisme. Hij leverde zelf veel bijdragen hiervoor in de periode 1886-1892, o.a. over de arbeidersbeweging en de landbouw.

Mansholt leerde M. waarschijnlijk in januari 1874 kennen; zij bleven tot M.'s dood bevriend. M. was tweemaal bij Mansholt in Meeden te gast en zijn geadopteerde zoon *Wouter was meermalen op de boerderij te vinden.

De eerste brief van M. aan Mansholt dateert van 9 januari 1874 (VW XVI, p. 377-379). Hij bedankt Mansholt voor diens ingezonden stuk 'Nederlandsch-Indische oorlogstactiek' in de NRC (7 januari 1874; VW XVI, p. 373-376) en prijst hem voor het 'partytrekken voor logica, recht en zedelykheid'. In Het Schoolblad van 19 december 1876 verdedigt Mansholt M. tegen een aanval van *J. van Vloten, waarbij hij zichzelf en andere Multatuli-lezers met de naam 'Multatulisten' versiert: 'wij Multatulisten schatten onze meester hoog, zéér hoog' (VW XVIII, p.577; *Het Schoolblad).

De verzameling van 23 brieven van de hand van M. aan Mansholt is in 1947 aan het Multatuli-Museum geschonken. In 1906 stond Mansholt zelfal enkele brieven af voor publikatie in het vijftigjarig gedenkboek van De Dageraad. De brieven van Mansholt aan M. zijn niet bewaard gebleven. Wel zijn er brieven van H. de Raaf aan Mansholt en vice versa waarin M. herhaaldelijk ter sprake komt. Op 12 maart 1878 beschrijft Mansholt De Raaf zijn eerste ontmoeting met M. ten huize van *Versluys in Groningen (VW XIX, p. 299-303). Op 25 maart 1879 schrijft hij over M.'s voordracht in Veendam: 'op het - of de - katheder was hij minder aamechtig en zenuwachtig dan verleden jaar. Toen hij begon te spreken hing alles aan zijne lippen en dit bleef zoo tot aan 't einde toe' (VW XIX, p. 791). Op 10 maart 1881 schrijft hij: 'Het belangrijkste nieuws van hier is, dat we D. Dekker voor een paar dagen te gast hebben gehad, en, als verleden jaar, met het grootste genoegen. Hij is nog dezelfde, doch wordt hij er lichamelijk niet minder op. Zijn asthma plaagt hem - 's morgens - nog altijd, doch niet meer in die mate als verleden jaar. (...) als hij weer tehuis komt, zal de Woutergeschiedenis vervolgd worden. Hij heeft mij ingewijd in zijne plannen daaromtrent, ik voorzie iets schoons' (VW XXI, p. 203-205; M.'s plan om de Woutergeschiedenis voort te zetten werd nimmer uitgevoerd). Wanneer M. in 1881 redacteur *De Veer voor een *duel uitdaagt, maar hiervoor geen tweede secondant kan vinden, schrijft Mansholt De Raaf: 'als hij den anderen niet vindt, zal ik mij aanbieden. Als 'k maar wat meer verstand had van duelleeren! Hoogst waarschijnlijk zal de redakteur echter weigeren en dan kan met getuigen gestaafd worden wie of eigenlijk laf en gemeen is.' (26 oktober 1881, VW XXI, p. 503).

Maria Theresia en de vrijmetselaars, Nederlandse vertaling van de historische novelle Theresia und die Freimaurer (Leipzig, 1873) van *Leopold von Sacher-Masoch. *Marie Anderson wilde deze novelle in het Nederlands gaan vertalen. M. schrijft hierover op 25 december 1875 aan zijn uitgever J. Waltman Jr. dat zijn 'beschermeling' geen 'twee regels redelyk hollands schryven kan, en ook 't duitsch niet verstaat'. Hij besluit daarom het verhaal zelf te vertalen (VW XVIII, p. 140-141). In 1876 verscheen een Nederlandse vertaling bij K.W. van Marle te Arnhem, echter zonder vermelding van de naam van de vertaler(s). Een nieuwe uitgave van deze editie, met een voorwoord van J. Kortenhorst en J.J. Oversteegen, verscheen in 1981 (Vianen). W. Buddingh schreef een recensie van deze laatste uitgave in Over Multatuli 1982 (nr. 9, p. 53-63). In Over Multatuli 1983, nr. 11 en 1984, nr. 12 zijn discussies opgenomen over de vraag of M. geheel of gedeeltelijk voor deze vertaling verantwoordelijk is.

Max, de kleine, personage uit de Max Havelaar, zoon van Havelaar, geïnspireerd op M.'s zoon *Edu die op 1 januari 1854 geboren werd. De kleine Max wordt behalve in de Max Havelaar ook genoemd in de Minnebrieven en in de Ideën. *Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör!

*oeser-oeseran

Max Havelaar aan Multatuli,

1. opening van een stuk van M., dat in oktober 1860 in De Tijdspiegel verscheen onder de titel: 'Brieven, medegedeeld door Multatuli 1'. Het stuk behandelt de *Havelaarzaak en eindigt met de *'Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste' die in januari 1858 te Brussel geschreven was. Het stuk werd in hetzelfde jaar nog afzonderlijk gepubliceerd als Indrukken van den dag, medegedeeld door Multatuli (nr. 1, Arnhem, 1860, Thieme). In 1865 verscheen het onder de titel 'Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste' in de Herdrukken en later ook in de Verspreide Stukken. Onder die titel werd het ook opgenomen in de Volledige Werken (dl. I, p. 391-419).

2. titel van een ingezonden stuk, dat werd opgenomen in De Tijdspiegel van november 1860 (VW I, p. 451-472). Enigszins gewijzigd en voorzien van enkele voetnoten, werd het herdrukt als Idee 527 (VW III, p.330-350). De brief handelt voornamelijk over *schrijverschap en het schrijven om den brode - M. vraagt zich af of hij in staat zal zijn om 'schrijverij' voor geld te leveren. Hij haalt hierbij de beroepsauteur *Walter Scott aan, die 'uitdrukkingen [levert], waar geen indruk is', die 'beelden [weerkaatst] die niet bestaan'. Verder gaat M. in op het schoonheidsgevoel van de Nederlanders en worden we voorgesteld aan *Fancy.

Max Havelaar of de koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy, autobiografische roman van *Eduard Douwes Dekker, die op 14 mei 1860 verscheen onder zijn pseudoniem *Multatuli. Centraal in dit werk staat M.'s visie op de gebeurtenissen in *Lebak, gedurende de periode 22 januari 1856-16 april 1856 (VW IX, p. 472-622). Hoewel M. niet was voorgedragen door de Raad van Indië, werd hij door *Duymaer van Twist toch benoemd tot assistent-resident aldaar. Bij M.'s vertrek uit Lebak verklaart Duymaer van Twist dat M. 'heeft gehandeld met goede bedoelingen; dat hij bekend staat als een bekwaam en ijverig ambtenaar, dat hij ook vroeger dienende in de Residentie Bagelen als Sekretaris der Residentie Menado en als Adsistent Resident te Amboina; gunstig stond aangeteekend.' (23 maart 1856, Besluit van de Gouverneur-Generaal, VW IX, p. 570).

Als assistent-resident had M. geprobeerd om, overeenkomstig zijn ambtseed, op te komen vooc de javaan door het tegengaan van uitbuiting en knevelarij. Binnen vijf weken na zijn ambtsaanvaarding diende hij een formele aanklacht in tegen de regent van Lebak, Raden Adipatti Karta Nata Negara, wegens misbruik van gezag door 'onwettige beschikking over den arbeid zijner onderhoorigen'. Hij stelde voor om deze inlandse vorst tijdelijk weg te sturen, diens schoonzoon, de demang van Parang-Koedjang, te arresteren en soortgelijke maatregelen te nemen tegen enkele lagere dessa-hoofden om aldus een onpartijdig onderzoek in te stellen. De resident Brest van Kempen wenste echter niet in te gaan op deze voorstellen. M. hield voet bij stuk en dwong zijn chef het conflict in Batavia aanhangig te maken. Gouverneur-generaal Duymaer van Twist besloot hierop M. over te plaatsen naar Ngawi en berispte hem in een officiële kabinetsmissive voor zijn onvoorzichtige manier van optreden en zijn halsstarrige houding tegenover zijn chef(VW IX, p. 578).

Hierdoor voelde M. zich genoodzaakt eervol ontslag aan te vragen. Op 4 april werd hem dit verleend (VW IX, p. 598). Tot driemaal toe probeerde hij vervolgens de gouverneur-generaal te spreken te krijgen om de zaak persoonlijk toe te lichten. Deze pogingen bleven vruchteloos. Duymaer van Twist keerde op 24 mei 1856 terug naar Nederland. Toch is er reeds in 1856 een onderzoek ingesteld naar de beschuldigingen van M. Op 20 september bracht Brest van Kempen hiervan verslag uit aan de nieuwe gouverneur-generaal Pahud (VW IX, p. 641-654). Hij moest toegeven, dat de klachten tegen de demang van Parang Koedjang gegrond waren en stelde dan ook voor hem te ontslaan. Ook twee dessahoofden en een districtsopzichter wilde hij uit hun functie ontheffen. Over de regent meldde hij dat deze gelden van zijn onderdanen had ge‹nd. Het bleek dat de regent met het onderhoud van 114 personen belast was en bovendien nog 70 aanverwanten ondersteunde. Dat moest allemaal geschieden van ƒ 550,- In zijn missive stelde Brest van Kempen voor hem niet af te zetten, doch hem het verschuldigde voorschot van ƒ 1650,- kwijt te schelden. Deze voorstellen van de resident werden alle aanvaard. Alleen het voorschot werd niet kwijtgescholden. De regent hoefde nu per maand maar ƒ 50,- af te lossen in plaats van ƒ 150,- (besluit van de gouverneur-generaal van 11 december 1856, VW IX, p. 671-674).

M. bleef in deze jaren van deze ontwikkelingen onkundig. Hij vertrok in april 1857 zonder zijn gezin naar Europa. Na twee-en-half jaar een zwervend bestaan geleid te hebben, nam hij in september 1859 zijn intrek in een zolderkamertje van het logement *Au Prince Belge in Brussel. Daar schreef hij binnen één maand de Max Havelaar. Van het boek is voor het eerst sprake in een brief aan Tine van 22 september 1859: 'Ik ben namelijk sedert vele dagen bezig met het schrijven van een ding dat misschien wel drie deelen groot wordt. (...) Ik heb oogenblikken dat ik er mee tevreden ben en dan weer komt het mij voor als om te verscheuren.' (VW X, p. 55)

In een volgende brief, gedateerd 28 september, duikt voor het eerst het pseudoniem Multatuli op: 'Ook dáárom moest ik onder een vreemden naam beginnen, omdat mijn boek onder een vreemden naam in de wereld moet. ik zal u zeggen waarom. Er zijn vele scherpten in. Nu weet de regering en alle Indische menschen heel goed dat ik het schrijf maar het volk moet in twijfel staan of het een roman is, - wèl op waarheid gegrond maar toch verdicht en opgesierd. (...) daarop kan dan gebaseerd worden het uitgeven van bewijzen, die men lezen zal zoodra het in verband staat met eene kwestie over een veelgelezen boek, maar die niemand zouden interesseren als dat boek niet was voorafgegaan.' (VW X, p. 63)

Over de titel van het boek schrijft hij op 28 september 1859 aan Tine: 'Gij kunt aan Jan zeggen dat ik een boek schrijf, een roman of zo iets[.] de titel zal waarschijnlijk zijn: "de koffijveililigen der Nederlandschc Handelmaatschappij." Ik ben zeker dat je dien titel heel gek vindt, en niet geschikt om aan lezers van een leesgezelschap te bevallen. Maar als men het leest ziet men dat die titel satire is.' (VW X, p. 64)

Op 13 oktober juicht hij in een brief aan Tine: 'Lieve hart mijn boek is af, mijn boek is af? Hoe vind je dat? Ik moet nu copieren maar het boek is af. En ik sta U borg dat het opgang maakt. Het zal als een donderslag in het land vallen dat beloof ik je.' (VW X, p. 73)

M. verbergt zich in zijn roman niet alleen achter de figuren Multatuli en Max Havelaar, maar ook achter die van *Sjaalman en indirect zelfs enigszins achter die van *Stern. Al deze personages weerspiegelen een bepaalde kant van zijn persoon of een bepaalde periode uit zijn leven. De geraffineerd opgebouwde roman speelt zich af in Amsterdam en Nederlands-Indië. Hij opent met het verhaal van de Amsterdamse makelaar in koffie, Batavus *Droogstoppel, die een pak dokumeliten krijgt van zijn vroegere schoolkameraad Sjaalman. Hij besluit een als stagiair in dienst genomen zoon van een Duitse zakenrelatie op basis van dit *'pak van Sjaalman' een boek te laten schrijven. Deze Stern vertelt vervolgens het verhaal over de ondergang van de idealistische assistent-resident van Lebak, Max Havelaar. Dit gedeelte heeft het karakter van een sleutelroman. Max Havelaar is hierin DD., Tine is *Everdina Huberta, baronesse van Wijnbergen, de kleine *Max is Eduard Douwes Dekker jr. (*Edu). Andere belangrijke personages zijn: *Slijmering (*C.P. Brest van Kempen), *Duclaci (luitenant *P. Collard), *Verbrugge (*A.J. Langeveldt van Hemert), *Slotering (*C. Carolus), de gouverneur-generaal (*A.J. Duymaer van Twist) en generaal *Van Damme (*A.V. Michiels). Deze Havelaar-geschiedenis wordt enige malen onderbroken door commentariërende hoofdstukken van de eerste verteller, Droogstoppel. Deze zet hierin zijn huiveringwekkend hypocriete visie op de problematiek in Nederlands-Indië uiteen, waarin handelsbelangen en verwerpelijke christelijke moraal meer tellen dan medemenselijkheid en idealisme. Aan het slot van het boek geeft M. het tweeledige doel dat hij voor ogen had bij het schrijven van de Max Havelaar: 'Ik wilde in de eerste plaats het aanzyn geven aan iets dat als heilige poesaka [=erfstuk, heilig goed dat men niet verkopen mag] zal kun hen bewaard worden door kleine Max en zyn zusje, als hun ouders zullen zyn omgekomen van ellende.' (VW I, p. 292)

M. maakt hier een toespeling op de geschiedenis van *Saïdjah en Adinda, waarin Saïdjah de kris van zijn vader, een poesaka, moest verkopen toen zijn buffel afgenomen was (VW I, p. 234)

Zijn tweede doel was: 'ik wil gelezen worden!': 'Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die verplicht zyn te letten op de tekenen des tyds... door letterkundigen, die toch ook eens een boek moeten inzien, waarvan met zoveel kwaads spreekt... door handelaren, die belang hebben by de koffieveilingen... door kameniers, die me huren voor weinige centen... door Gouverneurs-generaal in ruste... door Ministers in bezigheid... door de lakeien van die Excellentiën... door bidpredikers, die more majorum zullen zeggen dat ik den Almachtigen God aantast, waar k slechts opsta tegen het godje dat zy maakten naar hun beeld... door duizenden en tienduizenden exemplaren uit het droogstoppelras, die voortgaande hun zaakjes op de bekende wys behartigen -'t hardst zullen meeschreeuwen over de mooiigheid van m'n geschryf... door de leden der Volksvertegenwoordiging, die weten moeten wat er omgaat in het grote Ryk over zee, dat behoort tot het Ryk van Nederland...' (VW I, p. 292)

Vervolgens expliciteert M. de hoofdstrekking van de roman: 'Goed, goed... alles goed! Maar... de Javaan wordt mishandeld! Want: wederlegging der HOOFDSTREKKING van myn werk is onmogelyk!' (VW I, p. 293), en geeft hij het werk een speciale opdracht mee aan koning *Willem III: 'Want aan U draag ik myn boek op, Willem den Derde, Koning, Groothertog, Prins... meer dan Prins, Groothertog en Koning... KEIZER van het prachtig ryk van INSULINDE dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd... Aan U durf ik met vertrouwen vragen of het uw Keizerlyke wil is: Dat de Havelaars worden bespat door den modder van Slymeringen en Droogstoppels? en dat daar-ginds Uw meer dan dertig millioenen onderdanen worden MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN UWEN NAAM?' (VW I, p. 294)

De roman is opgedragen aan M.'s vrouw, Everdina Huberta, baronesse van Wijnbergen. Het werk opent met een motto van de Franse dichter *Henri de Pène en een Onuitgegeven toneelspel over Lothario die moet hangen, omdat hij ten onrechte beschuldigd wordt van het vermoorden van Barbertje (*Barbertje moet hangen). Beroemd geworden is ook zijn aangrijpende verhaal van *Saïdjah en Adinda en de parabel van de *Japanse steenhouwer. M. heeft zijn roman ook gebruikt als pleidooi voor zijn optreden in Lebak en hoopte erdoor in ere te worden hersteld. Toen het manuscript gereed was, kwam het via Jan Douwes Dekker in handen van de juristen *W.J.C. van Hasselt en *J. van Lennep. Hoewel zeker Van Lennep onder de indruk was van de kwaliteiten van het boek (hij noemde het een 'bl... mooi' boek), waren beiden bang voor het tumult dat de uitgave zou kunnen veroorzaken. Via de minister van Koloniën, *J.J. Rochussen, probeerden zij M. aan eerherstel te helpen, zodat het boek niet hoefde te verschijnen. M. had echter zijn voorwaarden (brief aan Tine van 20 november 1859, VW X, p. 122 en aan Jan Douwes Dekker, VW X, p. 123). Jan Douwes Dekker schijnt zelfs nog op pad te zijn gegaan om M.'s wens 'Raad van Indië' te worden aan de minister over te brengen. Rochussen bleek echter niet bang te zijn voor de uitgave van het boek. Wel wilde hij M. helpen als deze 'braaf was (brief aan Van Lennep, 21 november 1859, VW X, p. 130). Dit onderzoek naar de braafheid werd opgedragen aan *Willem van der Hucht, die M. een 'eervolle betrekking' in de West mocht aanbieden (VW X, p. 149), te weten gezaghebber van het eiland *Saint Martin. M. trapte niet in deze val. Later zou hij nog menigmaal terugkomen op deze 'afkoop van Max Havelaar', die hem door velen werd verweten. In Over vryen arbeid schrijft hij hierover: 'Ja zelfs, toen de Max Havelaar reeds geschreven, reeds gedeeltelyk gedrukt was, heb ik my tot den Koning gewend, met het verzoek om herstel. Zelfs toen nog, als deze had kunnen goedvinden verbetering te brengen in den ellendigen toestand van Indië, had ik myn boek verbrand.' (VW II, p. 194).

Hetzelfde werd nog eens herhaald in Idee 533 (VW III, p. 363). *Havelaarzaak

Het boek moest dus worden gepubliceerd. Voor het zover was, kreeg Van Lennep het auteursrecht in handen, doordat hij M. op slinkse wijze overhaalde het kopij recht af te staan (25 januari 1860, VW X, p.204). Vervolgens bracht Van Lennep enkele wijzigingen aan in het manuscript (zie bijv. *Pahud), schrapte alle data en verving de namen en Indische plaatsnamen door de beginletter gevolgd door puntjes. Ook bracht hij de hoofdstukindeling aan. Het boek werd in een oplage van 1300 exemplaren uitgegeven bij *J. de Ruyter; de prijs bedroeg ƒ 4,-.

De eerste druk van de Max Havelaar, waarvan op 10 mei 1860 de presentexemplaren waren verzonden en die op 14 mei in de boekhandel lag, was dus een onvolledige en verminkte uitgave, waarvan slechts zo exemplaren naar Nederlands-Indië verzonden werden. M., ontevreden over deze gang van zaken, wenste weer de beschikking te krijgen over zijn eigen boek om er een goedkope uitgave van te laten drukken, waarmee hij meer mensen wilde bereiken die hem zouden kunnen helpen zijn (politieke) doel te verwezenlijken. Het Gerechtshof in Amsterdam besliste echter dat de rechten behoorden aan De Ruyter en Van Lennep (29 mei 1861, VW X, p. 461; *J. van Lennep). Ook op deze kwestie zou M. later uitvoerig in zijn werk op terugkomen, onder andere in Idee 287-289 (VW II, p. 48o-482 en p. 701-704).

Ondertussen was in 1860 een tweede druk verschenen. In hetzelfde jaar verscheen nog een druk, die door A. Kets-Vree als 'dubbeldruk' werd bestempeld (Max Havelaar, ed. A. Kets-Vree, 1992). Na de dood van Van Lennep in 1868 werd het recht van uitgave verkocht aan *K.H. Schadd te Amsterdam. Deze gaf in 1871 een derde druk uit, echter zonder de schrijver daarin te kennen. A1 deze drukken behoren tot de zogenaamde 'puntjesedities': de door Van Lennep aangebrachte coupures bleven onveranderd in deze uitgaven. In 1873 kocht de uitgever *P. van Santen het kopijrecht van de Max Havelaar hij gaf er echter geen nieuwe uitgave van uit. Pas nadat uitgever *G.L. Funke in 1874 de rechten van de Max Havelaar (en ook van de Minnebrieven en de Ideën) had verworven, kreeg M. voor het eerst de gelegenheid zijn eigen werk voor de pers te herzien. Hierbij kon hij echter niet beschikken over het manuscript. Aan deze vierde druk die in 1875 zou verschijnen, voegde hij een groot aantal 'Aanteekeningen en ophelderingen' toe. De vijfde druk (*Elsevier, Rotterdarn, 1881; *Jacq. G. Robbers) werd eveneens door M. herzien en uitgebreid met nieuwe noten. Deze druk is de laatst herziene uitgave van de Max Havelaar.

Het manuscript kwam pas in 1910 boven water via een nabestaande van De Ruyter. Het werd door G. Stuiveling in 1949 (Van Oorschot, Amsterdam) gepubliceerd. Sinds 1910 is het handschrift eigendom van het Multatuli-Museum.

Op 25 september 1860, dus enkele maanden na de verschijning van de Max Havelaar, zei *baron van Hoëvell in een zitting van de Tweede Kamer dat 'een boek' - d.i. de Max Havelaar - 'een zekere rilling' door het land had doen gaan (VW X, p. 316). Toch bracht de Max Havelaar, mede door toedoen van Van Lennep, niet het tumult teweeg dat M. ervan verwachtte (*smoren). Ook leverde de roman hem geen eerherstel op. Toch is hij volstrekt niet doodgezwegen (Nop Maas, 'Dat boek is meer dan een boek - het is een mensch.' Reacties op Max Havelaar in 1860', in: Over Multatuli, 1992, nr. 29, p. 13-60).

Eén van de eerste recensies van het werk verscheen op 3 juni 1860 (anoniem) in de Nieuwe Rotterdamsche Courant (VW X, p. 238). Niet alleen prijst de auteur M. om zijn 'levendigheid en geestigheid in voorstelling, kracht in stijl en gloed in schildering', hij roept ook de voorstanders van de Indische politiek op om de in het boek 'toegeworpen handschoen op te nemen, op dat de schrijver zijne bewijzen als hij ze heeft, kan overleggen, of indien hij ze niet heeft, beschaamd sta voor het Nederlandsche publiek' (opgenomen in VW X, p. 238).

Vele besprekingen volgden. Enkele opmerkelijke beoordelingen zijn die van *P.J. Veth in De Gids (juli, augustus 1860, door M. beantwoord in De Tijdspiegel van september 1860), de bespreking in de Tielsche Courant van september 1860 (door M. zelf geschreven en overgenomen in de Minnebrieven, VW II, p. 94-100) en de recensies van *Herman des Amorie van der Hoeven en *H.J. Lion in het Bataviaasch Handelsblad (14 november 1860 en 14 januari 1861).

Tweemaal verdedigde M. zich tegen de kritiek dat er 'niets van koffie' in het boek voorkomt: in Divagatiën (VW V, p. 365) en in Idee 452 (VW III, p. 158). In beide passages verdedigde M. zich met een verwijzing naar het slot van de Max Havelaar: er moet 'redding en hulp' komen voor de 'arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd': 'redding en hulp, op wettelyken weg, waar het kan... op wettigen weg van geweld, waar het moet. En dit zou zeer nadelig werken op de KOFFIEVEILINGEN DER NEDERLANDSCHE HANDELMAATSCHAPPY!' (VW I, p. 294)

'Ziehier eindelyk den regel die den titel van 't boek stempelt tot epigram. 't Is verdrietig schryven voor lezers dien men alles moet uitlegggen.' voegde hij hieraan in een noot toe (noot 193 uit 1881, VW I, p. 375) Verder werd het boek, niet bij titel genoemd, in de Tweede Kamer ter sprake gebracht op 25 september 1860 (VW X, p. 316-320).

De Max Havelaar inspireerde enkelen tot publikaties. Bijvoorbeeld: W.H., Waarheen? Een woord aan de lezers van Max Havelaar, Leiden, 1860 en Hagiosimandre (ps. van *G. Broens), Max Havelaar! Een beroep op de Nederlandsche vrouwen, Amsterdam, 1861. In zijn latere werk heeft M. herhaaldelijk gereageerd op de recensies van de Max Havelaar, bijvoorbeeld in de Minnebrieven (VW II, p. 103-114; zie ook *behouders en liberalen). Met name het 'mooi vinden' van het boek ergerde hem omdat daarmee de inhoud van het boek - en dus ook de politieke situatie in Indië - werd genegeerd. In Idee 945 protesteert hij tegen de 'benoemingen tot mooischryver, die me na den Havelaar van alle zyden overstelpten': 'Ten bewyze beroep ik my op het stuk in den Tydspiegel [*'Max Havelaar aan Multatuli'), later onder nummer 527 in de Ideën opgenomen, en op de parabel over Chresos in de Minnebrieven, of liever nog op den Havelaar zelf. Dat boek was niet geschreven om "mooi" te worden gevonden. het was 'n protest, een oproeping om my in m'n pogingen te steunen. Die mooivindery was 'n helsche valsheid van 't christelyk Publiek. Het is nu twaalf jaar geleden dat ik myn protest tegen schurkery by de natie indiende, en wat is er gedaan ter verbetering? Niets, niets, niets! Integendeel!' (VW VI, p. 141)

Zo werd met het uitgeven van Max Havelaar eigenlijk zijn lot als schrijver bezegeld. Voor zover men inging op de inhoud van de roman, waren er steeds twee belangrijke vragen die een rol speelden in de discussie: In hoeverre spreekt M. de waarheid in zijn boek? en: In hoeverre is het voortvarend optreden van Max Havelaar in Indië goed te keuren? Een recent negatieve beoordeling van M.'s optreden vindt men in R. Nieuwenhuys, De mythe van Lebak, 1987.

Na M.'s dood is een groot aantal herdrukken van de Max Havelaar verschenen, waaronder enkele bijzondere edities zoals de fotografische herdruk van de vijfde druk uit 1881, becommentarieerd door W.F. Hermans (1987) en de in 1992 verschenen historisch-kritische editie van A. Kets-Vree.

De Max Havelaar is nog tijdens het leven van M. diverse malen vertaald. In 1868 verscheen in Engeland Max Havelaar or the coffee auctions of the Dutch Trading Compagny, een vertaling door *Baron Alphonse J.B.H. Nahuijs, die vervaardigd werd in overleg met M. (gerecenseerd in de *Contemporary review). De eerste Duitse vertaling verscheen in 1875 te Berlijn. Deze Max Havelaar, oder die Holländer auf Java was vertaald door *Th. Stromer. *A.J. Nieuwenhuis en

*Henri Crisafulli verzorgden in 1876 een Franse vertaling, die door *J. van der Hoeven in Rotterdam en E. Dentu in Parijs werd uitgegeven.

Over de bovengenoemde Duitse en de Franse vertalingen was M. niet tevreden, de Engelse vertaling daarentegen vond hij geslaagd. Hij schrijft hierover in noot 3 (1881) bij de Max Havelaar dat Stromer 'het hele boek tot onzin gemaakt' heeft: 'Ook de Franse vertaling van Nieuwenhuis en Cristafulli laat zeer veel te wensen over, maar zo slecht als de Duitse kon ze nu eenmaal niet worden. Onbereikbaar! De Engelse bewerking van myn nobelen Alphons Nahuys daarentegen is goed, en wordt ook in Engeland geprezen.' (VW I, p. 309)

Na M.'s dood verschenen er nog vele vertalingen in het Engels, Frans en Duits (o.a. door *Wilhelm Spohr, 1900), maar ook in bijvoorbeeld het Portugees, Spaans, Bahasa Indonesia, Russisch, Japans, Chinees, Urdu en Koreaans.

Nog in M.'s tijd werd het werk voor toneel bewerkt door A.A. van der Stempel, die in 1871 het toneelstuk Max Havelaar, een strijder voor recht en billijkheid; Tooneelspel in vijf tafereelen, naar Multatuli's meesterstuk bewerkt publiceerde. Het stuk werd niet opgevoerd. De Locomotief schrijft op 9 januari 1872 (VW Xv, p. 85-88) over deze toneelbewerking: 'Curieuser product van de schandelijke onkunde er Hollanders aangaande Indië is wel nooit gezien.'. Een toneelbewerking van *H. van Kuyk (onder ps.Henri Bâton), getiteld Max Havelaar, levensbeeld in twee afdeelingen of vijf tafereelen en eene apotheose verscheen in 1872 en werd in 1873 in de Salon des Variétés opgevoerd. In 1920 werd een toneelbewerking door C. Benima opgevoerd tijdens de Multatuli-herdenking. Zijn bewerking werd in 1931 onder de titel Max Havelaar. Toneelspel in 5 bedrijven naar het werk van Multatuli gepubliceerd. Ook hedendaagse kunstenaars, die zich bedienen van nieuwe media, hebben zich door de meer dan honderd jaar oude roman laten inspireren. In 1976 ging een verfilming van het boek door F. Rademakers in première en in 1987 bracht Jos Brink een musical-bewerking op het toneel. *Duymaer van Twist *Gevers Deynoot *illustraties (Lit. A.L. Sötemann, De structuur van Max Havelaar, Utrecht, 1966; 100 Jaar Max Havelaar, Essays over Multatuli door P.H. Dubois e.a., Rotterdam, 1962; W.F. Hermans, 'Waarom een fotografische heruitgave van Max Havelaar, vijfde druk?', in: Over Multatuli, 1986, nr. 17, p. 64-70; diverse artikelen in het tijdschrift Over Multatuli)

Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör!, gedicht in het Duits dat M., volgens de datering in het handschrift, in januari 1859 te *Kassel schreef. Het is opgenomen aan het slot van het veertiende hoofdstuk van de Max Havelaar (VW I, p. 199; ook opgenomen in Multatuli gedichten. Verzameld in ingeleid door Sander Blom, Amsterdam, 1985, p. 58-61). In dit gedicht denken moeder en kind in Indië 's avonds aan de echtgenoot en vader die ver weg is: '(...)-Kann Er die Sterne fangen mit der Hand?/-Auch Er nicht: das kann Niemand!/-Das ist Schade!/Ich gäb so gern dir einen! Wenn ich gross bin,/Dann will lch so dich lieben dass ich's kann. (...)' (VW I, p. 202)

In twee brieven schrijft M. dat hij het gedicht schreef naar aanleiding van zijn zoon *Edu, die eens tegen zijn moeder zei: 'Moeder, als ik groot ben, zal ik u zo liefhebben, dat ik u een ster kan geven.' (brief aan Mimi d.d. 20-26 maart 1863, VW XI, p. 121 en brief aan W. Pik d.d. 24 maart 1876, VW XVIII, p.323). In Idee 527 haalt hij Edu's woorden aan en schrijft daarover: 'De schoonste regel die misschien ooit geschreven is - gy zult vreemd opzien - staat in het duitse versje, dat gy uit myn pak hebt gehaald. Niet ik had dien regel geschreven. Hy is van kleine Max [zoon van Max Havelaar voor wie Edu model stond; 'Max], een kind van vyf jaar.' (VW III, p. 339-340; ook in VW I, p. 462)

Nederlandse vertalingen van het gedicht zijn opgenomen in Goeverneurs Huisvriend (1862, p. 413; getiteld 'Moeder en Kind'; vertaling door L.C.M.), Recht voor Allen (nr. 273, 1889), Op de Hoogte (nr. 4, 1904) en Max Havelaar, ed. W.F. Hermans (Amsterdam 1987, p. 422-423)

Ménage à trois, Van 22 februari 1869 tot begin juni 1870 woonden M., Tine (en de kinderen) en Mimi samen aan de Zuidwestbinnensingel 18 in 's-Gravenhage. Deze ménage à trois bracht grote spanningen met zich mee. In De waarheid over Multatuli en zijn gezin (1939, p. 235 e.v.) schrijft M.'s schoondochter, A.G. Douwes Dekker-Post van Leggelo, dat Tine niet op de hoogte was gebracht van het feit dat Mimi ook bij hen zou komen wonen. Dit bleek echter wel uit de indeling van het huis, die M. beschreef in een brief aan Tine d.d. 28 januari 1869 (VW XIII, p. 317)

Twee maanden nadat Tine in Den Haag was gearriveerd, schreef zij aan haar vriendin *Stéphanie Omboni-Etzerodt te Milaan, dat zij beter in Milaan had kunnen blijven (VW XIII, p. 447). Uiteindelijk vluchtte zij rond 1 juni 1870 (voor de tweede keer) naar Italië, nadat een schuldeiser uit Frankfurt op het Haagse adres was verschenen. M. was op dat moment met Mimi in Mainz.

Millioenen-studiën, feuilleton van M. dat van 5 mei tot 29 juli 1870 in Het Noorden verscheen. Deze bijdragen waren aanvankelijk opgezet als deel I van de rubriek 'Langs velden en wegen, Reisindrukken van Multatuli', die in dit dagblad voor onbepaalde tijd zou gaan verschijpen. Het dagblad staakte echter plotseling de rubriek. In 1870 publiceerde De Locomotief onder de titel 'Uit Multatuli's leven' een gedeelte van de Millioenen-studiën (*De Locomotief).

Tussen 1871 en 1873 werden de bijdragen in vier afleveringen onder de titel Millioenen-studiën, in boekvorm uitgegeven bij *J. Waltman jr. te Delft. In het voorbericht bij deze uitgave schrijft M. dat Het Noorden zijn bijdragen niet langer plaatste 'omdat de lezers van die courant, volgens de verzekering van de redactie '"er niets van begrepen"'. 'Ik hoop ditmaal gelukkiger te zyn', voegt hij hieraan toe (VW V, p. 9).

In Idee 810 schrijft hij over het afbreken van de rubriek dat het 'een duidelyk blyk [is] dat ik de kunst niet versta my behoorlyk uit te drukken. Daarop moet ik my dus toeleggen' (VW IV, p. 529). Vooral de voltooiing van het boek heeft M. veel moeite gekost, gelet op het feit dat het pas gepubliceerd werd nadat inmiddels zowel de vierde als de vijfde bundel Ideën verschenen waren. De volledige Millioenen-studiën zijn dus geschreven tussen april 1870 en september 1873. Ze zijn opgenomen in VW V, p. 7-324.

Tijdens M.'s leven verscheen bij J. Waltman Jr. een tweede druk in 1878. Vertalingen kwamen pas na zijn dood uit: in 1899 verzorgde Alexandre Cohen een Franse vertaling, in 1900 en in 1902 verschenen Duitse vertalingen van resp. Wilhelm Spohr en Karl Mischke.

De auteur wordt aan het begin van het verhaal door Fancy door het valluik van de bouwval van de *Sonnenberg in de diepte geworpen (als in een hellevaart), waar hij terechtkomt bij de kobolden en *gnomen in het onderaardse rijk van keizer Adolf van Nassau (*Adolf van Nassau 1). Hij heeft veel geld nodig voor het bezoldigen van onderwijzers in natuurkunde, het wegruimen van rivierdijken, het uitwissen van grenzen enz. Aan Adolf vraagt hij hem door de gnomen te laten onderrichten in de kansberekening. De grondige analyse van een speelbank en

haar bezoekers, als afspiegeling van de hele maatschappij (*microkosmos), vormt de kern van de Millioenen-studiën. M. toont aan dat de speelbank met vaste regels werkt die ieder kent. Handelingen op de beurs of in de handel - als beeld van de maatschappij zelf, de macrokosmos - zijn veel onzedelijker, aldus tracht hij duidelijk te maken in de hoofdstukken 'Vieux-Delft' en 'Foei!'. Daarnaast bevat het boek allerlei geestige zijsprongen over 'vragen van de dag'. In het laatste hoofdstuk komen alle personages uit de vorige hoofdstukken op de schrijver af om hem rekenschap te vragen en hem verwijten te maken, waarop ter afsluiting een nieuw miljoenenplan ontwikkeld wordt: advertenties op treinbiljetten (*advertenties op spoorkaartjes). Dit werd het moeizaam gevonden slot van het boek. M. aarzelde zelfs met het prijsgeven daarvan uit angst dat anderen zijn plan zouden overnemen (cf. brief aan G.L. Funke van 4 september 1873, VW XVI, p. 156-157).

Verleende in de Minnebrieven Fancy een intuïtief inzicht de maatschappelijke problemen, in de Millioenen-studiën is het *Logos die het berekenbare bewijs van valse moraal en hypocrisie in de maatschappij geeft. De auteur, voor wie Logos en Fancy nu samenvallen, kan door het 'practische' spoorwegplan deze misstanden wellicht verbeteren. Een beoordeling van Millioenen-studiën door *J. Versluys in Het Schoolblad van 23 november 1873 (VW XVI, p. 306-310) beantwoordde M. met een dankbetuiging onder de titel 'Geen anti-kritiek', die op 9 december 1873 in datzelfde tijdschrift verscheen (VW XVI, p. 336-340): 'De door dien heer gemaakte aanmerkingen zullen my, by herdruk, welkome stof leveren tot een nieuw hoofdstuk. Ik ben hoogmoedig genoeg, om my vereerd te achten door zyne terechtwyzingen, en het doet my leed dat de beschikbare ruimte hem niet toeliet uitvoeriger te zyn' (VW XVI, p. 336)

Aan Versluys schrijft M. verder: 'Wat bedoelde dan de auteur met die Millioenen-Studiën? Och, misschien 'n bydrage tot de waarheid dat "alles raakt aan alles." Cyfers aan poezie, 't (zoogenaamd) lage aan 't (zoogenaamd) hooge. 't Is me waarachtig onmogelyk m'n opmerkingen te splitsen in "logien." Taal, botanie, geschiedenis, poezie, alles raakt aan elkaar.' (30 november 1873, VW XVI, p. 321)

In Idee 989 (VW VI, p. 230) reageert M. op een (anonieme) recensie van de eerste aflevering van de Millioenen-studiën in de NRC van 31 december 1871 (VW XIV, p.672). De auteur prijst in deze recensie de stijl en het vernuft van M. die menig bladzijde tot een 'juweeltje' maken, maar levert kritiek op diens opmerkingen over de politiek, die 'gelukkig in noten onder de tekst' staan. Verder schrijft hij over M.: 'Scherp kan zijn geest zijn, dol kan hij doorslaan, dwaas kan hij redeneeren - maar prettig, vermakelijk, boeiend is hij altijd'. M. reageect cynisch op de zinsnede 'dol kan hij doorslaan' en op de kritiek op zijn passages die over de politiek handelen.

*De Locomotief *Demmin (Lit. R. Leroy, 'De structuur van "Millioenenstudiën"', in: Tijdschrift voor levende talen,jrg. 28, 1962, p.405-409; Peter King, Multatuli, New York, 1972, p.117-128; Eep Francken, De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker, Amsterdam, 1990, p. 231-239)

Mimi, *Hamminck Schepel, M.F.C.

Ministeriële verantwoordelykheid, In Idee 451 noemt M. de ministeriële verantwoordelijkheid een leugen; de ministers zijn weliswaar 'zedelyk verantwoordelyk', maar onschendbaar. Hij noemt de ministeriële verantwoordelijkheid 'Onzin': 'Heeft *Van Maanen de kosten betaald van den tiendaagsen veldtocht? Zullen de ontelbare ministers die oorzaak zyn van 't toekomstig verlies onzer bezittingen in Indië, een nieuw Insulinde weergeven aan Nederland? Zullen zy voorzien in 't equivalent van een nieuw batig saldo? In een nieuwe koffie- en suikervrachtvaart? (...) Wie of wat waarborgt dat de fondsen die nu worden toegestaan, beter resultaat zullen opleveren? Als over tien jaar het tegendeel blykt, zal de tegenwoordige minister ver te zoeken wezen, zoals nu

z'n voorgangers. Welke minister zal de ellende boeten of herstellen, waaraan 't Volk ten prooi is? (...) Enquête in de Tweede Kamer? Eilieve, de leden dier Kamer zyn immers juist de personen met wier hulp de mininster staande blyft. Zodra hy in die Kamer de meerderheid verliest, treedt hy af, trekt zich terug en is vergeten. Het zou een curieus ding wezen die Kamer te horen vonnissen over de daden van 't laatst afgetreden ministerie. Maar daartoc komt het nooit, want de lieden du jour hebben 't zo druk met vasthouden aan 't gezag van heden, dat ze meestal geen tyd hebben om de fouten en misdaden van gister te behandelen.' (VW III, p.131)

In Pruisen en Nederland betoogt hij dat er geen verantwoordelijke ministers in Nederland zijn; wellicht 'over een seizoen, over een maand, over een week, morgeti mischien, zyn die heren weer afgetreden'.

*J. Bosscha wilde in zijn publikatie de ministers die schuldig zijn aan de slechte toestand van de verdedigingsmiddelen, 'niet verbitteren door verwytingen'. M. reageert: 'Hoe, 't Volk zou nooit verhaal hebben op de personen die 't verwaarloosden, bedierven, verraadden misschien? (...) Niet-verbitteren door verwytingen! Maar ik, die goed handelde, ik word wel verbitterd door verwyt, hoon, smaad, door laster zelfs, en men zou fluwelen handschoentjes moeten aantrekken om hen aan te roeren die kwaad deden, die misdadig waren?' (VW IV, p.57-59)

Ministeries sedert de grondwetherziening van 1848,
Ministerie-De Kempenaer-Donker Curtius, 1848-1849, afgetreden wegens gebrek aan overeenstemming tussen de meerderheid der Tweede Kamer en het Kabinet.

Eerste Ministerie-Thorbecke, 1849-1853, afgetreden wegens Aprilbeweging (*J.R. Thorbecke).

Ministerie-Van Hall-Donker Curtius, 1853-1856, af getreden wegens moeilijkheden in verband met de oplossing van het Onderwijsvraagstuk (*duitenplatery)

Ministerie-Van der Brugghen, 1856-1858, afgetreden wegens verwerping van de wet omtrent belasting op het personeel.

Ministerie-Rochussen-Van Bosse, 1858-1860, afgetreden wegens verwerping door de Eerste Kamer van het spoorwegconcessie-ontwerp (*Van Bosse *Rochussen).

Ministerie-Van Hall-Heemstra, 1860-1861, afgetreden wegens interne meningsverschillen over het Koloniale vraagstuk in het Kabinet. (*F.A. van Hall)

Ministerie-Van Zuylen van Nyevelt-Loudon, 1861-1862, afgetreden wegens vermindering van het

hoofdstuk 'Onvoorziene Uitgaven' (*Van Zuylen van Nyevelt *Loudon).

Tweede Ministerie Thorbecke, 1862-1866, afgetreden wegens onenigheid over de vaststelling van het Strafwetboek in Indië bij wet of besluit (*J.R. Thorbecke).

Ministerie-Fransen van de Putte, februari-juni 1866, afgetreden wegens het door de Tweede Kamer aangenomen amendement-Poortman op de Cultuurwet (*Fransen van de Putte).

Ministerie-Van Zuylen van Nyevelt-Heemskerk Azn., 1866-1868, afgetreden wegens verwerping van de Begroting van Bintietilandsche Zaken door de Tweede Kamer (*Van Zuylen van Nyevelt *Heemskerk Azn.).

Ministerie-Van Bosse-Fock, 1868-187t, afgetreden wegens gebrek aan vertrouwen in de Tweede Kamer (*Van Bosse *Fock).

Derde Ministerie-Thorbecke, 1871-1872, afgetreden wegens verwerping van het wetsontwerp van een Inkomstenbelasting door de Tweede Kamer (*J.R. Thorbecke).

Ministerie-De Vries-Fransen van de Putte, 1872-1874, afgetreden wegens verwerping van de Cursuswet (*Fransen van de Putte).

Ministerie-Heemskerk Azn: Van Lynden van Sandenburg, 1874-1877, afgetreden wegens moeilijkheden over het onderwijsvraagstuk (*Heemskerk Azn)

Ministerie-Kappeyne van de Coppello, 1877-1879, afgetreden wegens weigering van de koning om machtiging te verlenen tot indiening van een voorstel tot grondwetsherziening (*Kappeyne van de Coppello).

Ministerie-Van Lynden van Sandenburg, 1879-1883, afgetreden wegens weigering van de Tweede Kamer tot behandeling van een voorstel tot herziening van de Kieswet.

Ministerie-Heemskerk Azn., 1883-1888, afgetreden wegens tegenstand bij aanbouw van schepen

(*Heemskerk Azn).

Ministerie Mackay, 1888-1891, afgetreden wegens verkiezing in het voordeel van de linkse partijen.

Ministers van Koloniën, sedert 1848

G.L. Baud, 1848-1849
E. B.van den Bosch,1849
C.F. Pahud, 1849-1856
Mr. P. Mijer, 1856-1858
J.J. Rochussen, 1858-1860
Jhr. J.P. Cornets de Groot van Kraayenburg, 1861
Mr. J. Loudon, 1861-1862
G.H. Uhlenbeck, 1862-1863
I.D. Fransen van de Putte, 1863-1866
Mr. P. Mijer, 1866
N. Trakranen, 1866-1867
J.J. Hasselman, 1867-1868
E. de Waal, 1868-1870
L.G. Brocx, 1870-1871
Mr. P.P. van Bosse, 1871-1872
I.D. Fransen van de Putte, 1872-1874
Mr. W. baron van Goltstein, 1874-1876
Mr. F. Alting Mees, 1876
Mr. P.P. van Bosse, 1877-1879
Mr. W. Baron van Goltstein, 1879-1882
Jhr. Mr. W M. de Brauw, 1882-1883
F.G. van Bloemen Waanders, 1883
A.W.P. Weitzel, 1883-1884
J.P. Sprenger van Eyk, 1884-1888
Mr. L.W.C. Keuchenius, 1888-1890

Minnebrieven, geschrift van M. dat in 1861 bij *F.C. Günst in Amsterdam verscheen. M. schreef het om een armlastig gezin financieel te kunnen helpen; *dr. J.A. Stamkart had hem hierom gevraagd. Het boek werd aan deze 'Doctor in de Letteren' opgedragen.

In augustus en november 1861 verschenen twee oplagen, een derde volgde in 1862, de vierde druk verscheen in 1865 bij M.'s volgende uitgever *d'Ablaing van Giessenburg. Een vijfde en zesde druk werden door *G.L. Funke verzorgd in respectievelijk 1871 en 1875, in 1881 volgde de zevende druk bij *Elsevier te Rotterdam.

De vierde en volgende drukken wijken van de voorgaande af, doordat M. de stijl van deze druk enigszins heeft herzien, het aantal voetnoten heeft vermeerderd en kort voor het slot vier nieuwe brieven heeft ingevoegd: Van een meisje, Van een Behouder, Van een Liberaal, Van een Gouverneur-Generaal in ruste. In de zesde druk werd het aantal noten nogmaals uitgebreid en werd ook de stijl opnieuw herzien (zie voor de varianten: VW II, p. 732-740).

M. begon met het schrijven aan deze 'Brieven aan Fancy', zoals hij ze oorspronkelijk aanduidde, na 8 juni 1861. Uiterlijk 4 augustus was het werk voltooid, eind augustus werd het gepubliceerd. M. logeerde in die tijd in het Poolsche Koffiehuis (*ontbijtstertje) te Amsterdam, was hevig verliefd op *Sietske Abrahamsz (de fancy aan wie de brieven gericht waren), terwijl Tine, in de grootste armoede, op krediet in Brussel leefde met hun twee kinderen. Op 10 juni schrijft hij aan Günst: 'Minnebrief wil zeggen: mijn intiem oordeel over de meeste zaken van menschkunde, Chr. dom. Ind. huishouding, letterkunde etc. 't Zal een arabesque wezen van aandoeningen' (VW X, p. 472)

Aan Tine schrijft hij op 21 juni: 'Ik schrijf mijn minnebrieven. 't Lijkt op niets. Ik zou moeite hebben je te zeggen wat het is. 't Is alles! Poesie, sarcasme, politiek, wellust, scherpte, logica, godsdienst, alles.' (VW X, p. 477)

In een brief aan A.J. van der Ghinst d.d. 30 mei 1870 noemt hij het boek 'wáár' en 'eene fotografie van 14 dagen levens'. Verder schrijft hij onder meer: 'Dat boek, ik herhaal dit, is niets dan werkelyk doorleefde toestanden van hart, geest en stoffelyke moeielykheden, op zeer eenvoudige wyze gearrangeerd. Vandaar dan ook, dat myne verbittering den uitersten grens bereikte, tot aan krankzinnigheid toe. Met ruwen moed portraiteerde ik, wat er omging in myn gemoed, en hieraan is dan ook toeteschryven dat alles zoo bont door één staat: ik teekende wat ik in en om my zag. Dit vergeef ik Holland nooit, dat ze dit boek niet begrepen hebben! De M.B. zyn 100 Havelaars waard! In geen taal bestaat een zóó opregt weergegeven schildery van wat er in 14 dagen kan worden gedacht, geduld, gehoopt, geleden. (VW XIV, p. 108)

De Minnebrieven bestaat voor het grootste deel uit fictieve brieven van *Fancy, Tine en Max, aangevuld met enkele brieven van o.a. Kappelman, een dominee en een oom.

Als schrijver door het publiek miskend en aangevallen, tot armoede gedwongen en langzamerhand doordrongen van het feit dat ook zijn Indische plannen tot mislukken gedoemd zijn, zien we hoe M. worstelt met het lot en hoopt op uitkomst. De *Havelaarzaak is hoofdthema van het boek: een arme, berooide zwerver pleit hartstochtelijk voor recht. Hier vinden we, evenals in de Max Havelaar, de strijd tegen het geloof: de *noodzakelijkheid is God (VW II, p. 16).

Aan Fancy worden de negen *Geschiedenissen vanGezag gericht, negen parabelen over onrechtmatige en onterechte autoriteit, omdat zij gevraagd had of Max haar een en ander wilde leren. Naast deze parabelen treffen we nog drie parabelen aan, die door M. *sprookjes genoemd worden. Zij hebben alledrie betrekking op de reacties op de Max Havelaar: het sprookje van *Chresos, het sprookje over het *publiek en de zgn *Kruissprook (VW II, p. 103-114).

Op geloofsgebied zijn de aanvallen ook hier weer in het bijzonder gericht tegen de moderne predikanten (*moderne theologie). Die zijn evenmin te vertrouwen als degenen die hel en verdoemenis preken, betoogt M.: 'Wie nu dat eeuwige vuur en die onvermoeide wormen weggoochelt onder 't manteltje van de moderne theologie, vertrouw ik in 't geheel niet. De anderen zondigen tegen 't verstand alleen. Zy tegen eerlykheid en verstand beide. Dat is erger.' (VW II, p. 48)

In de Minnebrieven is verder een brief aan de minister van Koloniën van 25 juni 1861 opgenomen, evenals de *'Brief aan de kiezers van Nederland', met daarin de lijst van de gestolen buffels (*buffel). Hierop volgt het vierde bewijs dat de Javaan mishandeld wordt, in een directe toespraak tot *Duymaer van Twist, gestaafd door de verklaringen onder ede van de controleur *Langeveldt van Hemert. Dit alles tekent de strijd tussen de schrijver Multatuli en de ambtenaar Max Havelaar. Nadat de ambtenaar Max Havelaar bij zijn superieuren en regering vruchceloos getracht heeft de misbruiken in Lebak tegen te gaan, is nu ook de schrijver M. door zijn lezerspubliek, dat in zijn aanklacht slechts een 'mooi boek' zag, niet begrepen. Hij lijkt aan dit dubbele falen uiteindelijk te bezwijken, wanneer hij Tine schrijft: 'Tine, ik ben boos op u! Ik heb u honderdmaal gezegd, dat ik die wanorde niet wil. Daar ontvang ik allerlei brieven van mensen, die me om geld vragen. Zy zeggen, dat ik 't hun schuldig ben! Ge weet, ik wil geen schulden hebben! Betaal liever een rekening vyfmaal, tienmaal - om 't even! - dan dat ge my laat manen door kooplui en allerlei volk... Foei, foei, foei! 't Is schande, dat ge my aan zoiets blootstelt door uw slordigheid! Hoort ge, gy, gy, gy stelt me daaraan bloot! 't Is de schuld van uw slordigheid, dat ik daar brieven kryg, alsof ik een onfatsoenlyk mens was, een kwade betaler, een bankroetier! Betaal die mensen, en zorg in-gods-naam, dat zoiets niet weer gebeurt. (...) Waar zyn de kinderen?... Zyn de kleertjes al verkocht?... (...) Duizend miljoen... haastje... pak op... (...) Hoera, hoera voor Golgotha, en de Hollandse natie! Hoera voor één buffel, Excellentie! Eén... één... één... zeg ik u!... Eén Excellentie en één buffel... Zó moet het wezen... Hoera!... Ik ben moe...' (VW II, p. 148-150)

'Fancy, hy bezwykt', schrijft Tine in de hieropvolgende brief en zij smeekt Fancy hem te hulp te komen (VW II, p. 150). De volgende brief aan Tine is rustig en vrolijk; hierin vertelt M. het voorval op de *Hogesluis te Amsterdam, waar hij als jongen van tien jaar voor een joods jongetje zijn petje uit het water viste. Fancy verzekert hem: 'ik geef u thans den wil, later de kracht, en de overwinning in 't eind!' (VW II, p. 152).

Op 25 augustus 1861 werd de Minnebrieven beoordeeld in de 's-Gravenhaagsche Nieuwsbode. De recensent voorspelt dat dit werk weldra vergeten zal zijn, omdat het niet de minste letterkundige waarde bezit. Hij waarschuwt voor de verderfelijke invloed van het boek: het verkondigigen van een verderfelijke moraal, het prediken van athe‹sme en de verloochening van God. Ook dit werk, aldus de recensent, zal een rilling door het land doen gaan, maar dan van verontwaardiging. Het stuk, waarvan geen oorspronkelijke kopij bewaard is, werd opgenomen in de Multatuli-aflevering van De Dageraad van 1887 (VW XXIV, p. 317-324). Nog in 1861 verscheen eveneens de brochure van Realistus, als antwoord op de Minnebrieven: Multatuli's Minnebrieven, enz. aan de Rede getoetst (Den Helder, bij S. Giltjes). In de stijl van de Minnebrieven passen ook de op het laatst van M.'s leven geschreven en door zijn weduwe als *'Onafgewerkte blaadjes gevonden op Multatuli's schryftafel' uitgegeven brieven van en aan Fancy.

De Minnebrieven zijn vertaald in het Duits door Wilhelm Spohr (Minden, 1900), Karl Mischke (Halle, 1903) en Martina den Hertog-Vogt (Keulen, 1993), verder in het Jiddisch (Londen, 1911). Tevens zijn regelmatig fragmenten eruit vertaald, zie bijv. *Légendes Orientales. (Lit. L.G. Abell-van Soest en L.F. Abell, Multatuli's Minnebrieven na 130 jaar, Amsterdam, s.l., s.a.; J.J. Oversteegen, De redelijke natuur. Multatuli's literatuuropvatting, Utrecht, 1987; Eep Francken, De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker, Amsterdam, 1990, p.170-204; L.M. van Lerberghe, 'De Minnebrieven, een nieuwe Max Havelaar of een nieuwe Multatuli', in: Over Multatuli, 1988, nr. 20, p. 14-29)

Mitkiewicz, César Leonard Nicolas, geb. 5 augustus 1836 te Warschau, fotograaf Van 16 december 1867 tot 6 juni 1877 was hij gevestigd in Brussel, zijn latere verblijfplaatsen zijn onbekend. Bij Mitkiewicz op de Rue Neuve, nr. 9 te Brussel liet M. in december 1864 een foto en een lithografie daarvan vervaardigen. *Aan de lezers myner Ideën 2, *portretten, verkoop van

Modewoorden, In Over Specialiteiten schrijft M.: 'Van jongs af lette ik vry nauwkeurig op eb en vloed van modewoorden. Ik herinner me den tyd toen "bluf" geboren werd. De lezer ziet hoe goedig ik hem gelegenheid bied tot goedkope spotterny. Ik heb de woorden "type", "humor" en "genie" in de kindsheid hunner populariteit gekend. "Bepaald" is jonger. Een der nog jongeren is "intens" om nu van "objektief" en "subjektief" niet te spreken...' (VW V, p. 484)

In de Causerieën behandelt hij het gebruik van de modewoorden bepaald, prachtig, akelig, flink en fiks (VW IV, p. 111-112). Het woord bepaald noemt hij in Idee 1065 ''t Laatste snufje van hollandse reklame'. Het is bovendien het minst oorspronkelijke modewoord, betoogt hij: 'Wie geen nieuw superlatief weet uit te denken, neemt z'n toevlucht tot die verrukkelyke gemeenplaats. En Publiek is tevreden. (...) Velen zyn in hun chauvinisme zo ver gegaan, dat ze dezer dagen verzekerden onze grieven tegen Atjeh "bepaald" gegrond te vinden.' (VW VI, p. 695)

Het woord bepaald wordt door M. in de Millioenen-studiën samen met het woord gaan als modaal hulpwerkwoord, een stopwoord genoemd en als zodanig gehekeld: 'Misschien is 't onnozel van me, die ingewoekerde hebbelykheid 'n paar ezelsoren op te zetten, daar 't z'n voordeel hebben kan door zulke stopwoorden op edelmoedige wyze herinnerd te worden aan de onwaarde der denkbeelden waarmee ze getooid zyn, of... die ze vervangen. (...) Nederlanders, voorzover de stevigheid van uw bestaan als onafhankelyk volk gekenschetst wordt door uw taal - van schoolmeestery spreek ik niet! - door de wyze waarop gy meent denkbeelden te mogen inkleden, zeg ik u dat ge alle tegenwoordige en toekomstige Bismarcken 't werk uit de hand neemt. Er is geen ziel in uw geschyf.' (VW V, p. 260-261) *Borger

Molenaar van Sans-Souci, De, berijmde vertaling van M. uit februari 1838 van het gedicht 'Le Meunier de Sans-Souci' van *Andrieux. Medio oktober 1882 schreef M. deze vertaling in het poëzie-album van Lina (Lientje), de dochter van het echtpaar *De Haas, met wie M. sedert 1875 bevriend was (VW XXII, p. 409-413; ook afgedrukt in Multatuli Gedichten. Verzameld en ingeleid door Sander Blom, Amsterdam, 1985, p.20). Dit album bevindt zich in de collectie van het Multatuli-Museum.

In dit gedicht wil Koning Frits van Pruisen (*Frederik II) de molen van Sans-Souci bezitten. De molenaar wenst zijn molen echter niet te verkopen en blijft op zijn rechten staan. Uiteindelijk ziet de koning van zijn voornemen af: hij die landen verovert, spaart een molen. M. herinnert aan deze geschiedenis in de Millioenen-studiën, waar hij in het hoofdstuk 'Vieux-Delft en Moraal' deze gedachte uitwerkt: 'Zou er inderdaad zo'n tegenstelling liggen in 't wegnemen van provinciën en het ontzien van een molen? Misschien niet! De moraliteit op kleine schaal kon wel eens de tol wezen dien wy betalen aan 't conventionele Recht.' (VW V, p. 223)

Het gedicht werd door Mimi overgenomen in haar Brievenuitgave (WB I, p. 22-25). Zij deelt hierin mee dat M. de vertaling uit zijn hoofd kende en dikwijls met plezier voordroeg, 'al wees hy zelf daarby de "lamme" regels aan'.

In het album van Lientje de Haas schreef M. een inleiding bij de vertaling: 'Naar 't fransch van Andrieux. Niet zonder verminking, en met 'n meer dan gewenscht aantal lamme regels. Maar... 't ding dagtekent van '34 of'35 [sic]. Verzoeke vriendelyk geen afschrift te laten nemen. Nieder Ingelheim, Okt. '82 Dek.' (VW XXII, p. 410)

Hij besluit het gedicht met: 'Neem voorloopig 't stukje maar voor lief omdat het 'n aardige vertelling is. Later - over duizend weken - raad ik U aan, de hier aan Frederik II ten laste gelegde inkonsekwentie eens te toetsen aan Multatuli's eerste Idee' en aan 't Hoofdstuk: Vieux-Delft en Moraal in de "MillioenenStudiën". Nog iets. Een der beste regels van Andrieux: "Le mauvais caractère est... de n'en point avoir", [Fr. Een slecht karakter bestaat in... karakterloosheid) heeft het vertalertje overgeslagen. Dat was zeer dom.' (VW XXII, p. 413-414)

Multatuli, ps. van *Eduard Douwes Dekker, die deze naam bedacht toen hij in september 1859 besloot om het toneelstuk De Bruid daarboven niet onder zijn eigen naam te publiceren. Aan Tine schrijft hij op 28 september hierover: 'doch ik wil mijn naam niet op de affiches hebben want daar men in Holland, dom genoeg, dikwijls een vooroordeel heeft tegen menschen die frivole dingen schrijven, en ik misschien later nog weêr in betrekking komen zal, daarom wil ik onder een anderen naam gedrukt of gespeeld worden. Ik noem mij Multatuli dat is: ik heb veel gedragen, een vreemde naam niet waar? Welnu als nu mijn stuk gespeeld wordt dat nooit zo spoedig zijn kan daar de repetitien enz. veel tijd weg nemen hoop ik niet lang daarna klaar te zijn met mijn boek en als dat dan met dien naam Multatuli in de wereld komt, die als mijn stuk een beetje lukt, gaauw in de gedachten komt omdat hij zoo vreemd en toch welluidend klinkt, dan moet dat op mijn boek doen letten.' (VW X, p. 60-61)

Het pseudoniem is wellicht ontleend aan een versregel van Horarius' Ars Poetica (Epistola II:3 vs. 412-414), waarin de regels staan: 'Qui studet optatam cursu contingere metam,/Multa tulet fecitque puer, sudavit et alsit;/Abstinuit venere et vino.' (Lat. Wie ernaar streeft het gewenste einddoel in de renbaan te bereiken,/moet reeds als knaap veel hebben ondervonden en gedaan, en veel hitte en kou geleden;/hij heeft zich onthouden van minnespel en wijn). Stuiveling oppert ook de mogelijkheid van een ontlening aan Ovidius (Tristia IV:X vs 102), maar acht dit wel minder waarschijnlijk (VW I, p. 568). (Lit. G. Koops-van Bruggen, 'Nomen est omen' in: Over Multatuli 1990, nr. 24, p. 63-70)

Multatuliana, In de advertentie voor de tentoonstelling van her Internationale Vrijdenkerscongres in september 1883 wordt gevraagd om 'Multatuliana', dit zijn 'alle Boeken, Brochures, Portretten enz., betrekking hebbende op Multatuli en diens Werken'. De advertentie is ondertekend door *H.C. Muller, *P. Westra en H.J.T.M. Koning. (Algemeen Handelsblad van 26 augustus 1883; VW XXII, p. 722).

M. reageerde geschrokken op deze advertentie. Hij schrijft op 27 augustus aan Muller af te zien van een dergelijke expositie omdat hij vervelende reacties van *J. van Vloten c.s. vreest (VW XXII, p. 726). De organisatoren plaatsen daarop een advertentie, waarin zij bekend maken dat de inzameling van Multatuliana geen voortgang zal hebben. De tentoonstelling zelf ging echter gewoon door, aangezien de voorbereidingen al in een vergevorderd stadium waren.

Verschillende publikaties kregen na deze tentoonstelling de titel 'Multatuliana'. Bijvoorbeeld het boek van *A.S. Kok uit 1903 en het artikel van Henri A. Ett in De Vlaamsche Gids (1954).

De term 'Multatuliana' wordt ook gebruikt in de betekenis van gegevens die betrekking hebben op M. Bijvoorbeeld in het artikel 'Multatuliana' van J.E. Engelberts in De Nederlandsche Spectator (1904, p. 165), waarin een overzicht van de vertalingen en een lijst van herdrukken zijn opgenomen.

C.B. van Haeringen publiceerde in het artikel 'Multatuliana' (Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 1943, p. 247) enkele 'Multatuliaanse' woorden, zoals bijv. het scheldwoord 'hamlark' (slot derde bedrijf Vorstenschool), 'sujet' (bediende, in de brief van Droogstoppel aan de vader van Stern) en *'urist' (vierde bedrijf van Vorstenschool).

Multatulianen, term voor bewonderaars van M., inzonderheid hen die zijn werken bestuderen. In minder gunstige zin is het een aanduiding voor de kritiekloze, vaak minder ontwikkelde bewonderaars tijdens en lang na M.'s leven. (Atte Jongstra, De Multatulianen, Amsterdam, 1985). *D.R. Mansholt introduceerde de term 'Multatulist'. Met deze term omschreef *J.O. de Vigne het tijdschrift *De Tolk van de Vooruitgang (VW XVIII, p. 584)

Multatuli-Commissie, Tijdens M.'s leven werden diverse oproepen tot steun aan hem en zijn gezin gedaan. Een aantal malen werd hiertoe een commissie in het leven geroepen.

1. 1860: initiatief voor een *Nationale Inschrijving.

2. 1866: initiatief van *J. van Vloten, *R.J.A. Kallenberg van den Bosch, *T.C.F. van der Valk en *C. Busken Huet om Tine en de kinderen financieel te steunen. Eind mei wordt een circulaire verspreid, waarin de ondertekenaars (in bewoordingen die M. kwetsend achtte) een beroep doen op de lezers voor een jaarlijkse bijdrage (VW XI, p. 602-604). Uit dit fonds verkreeg Tine via *Potgieter tot haar dood toelagen.

3. 1870: op initiatief van *Van Gennep wordt na een oproep in de NRC van 4 oktober 1870, een commissie gevormd. Naast Van Gennep nemen hierin zitting: *H.P.G. Quack, *Th.J. Stieltjes, *A.C. Wertheim en *J.H.C. Kern. Op 13 november plaatst de commissie een oproep in de NRC, waarin zij een beroep doet op de 'Landgenoten' tot steun aan M. (VW XIV, p. 232-233; *Zaanlandsche Courant). M. voelt zich verraden door de reacties van Kern en Van Gennep (VW XIV, p. 273 e.v.) en neemt deze 'Oproepingen' op in Idee 1034, VW VI, p. 336-340. De erven *J. van Lennep geven te kennen de opbrengst van het kopijrecht van de Max Havelaar in het fonds te willen storten (bericht in het Algemeen Handelsblad van 20 december 1870; VW XIV, p. 275); de commissie meent dat dit bedrag rechtstreeks aan M. moet toegekend worden (brief van Wertheim aan M. d.d. 9 januari 1871, VW XIV, p. 352).

Op 19 januari geeft de commissie per advertentie te kennnen dat zij haar taak neerlegt (VW XIV, p. 385), op 21 januari laat Kern eveneens per advertentie weten dat dit bericht onjuist is (VW XIV, p. 390). Op 29 januari volgt een verklaring waarin de opheffing van de commissie een feit is (VW XIV, p. 411). Men geeft aan dat het ontvangen geld, zo'n ƒ 8000,- 'overeenkomstig het doel, omschreven in de oproeping van 3 oktober 1870' besteed zal worden (VW XIV, p. 448). Op 18 september 1872 voelt M. zich genoodzaakt per advertentie te berichten dat hij nooit een bijdrage van het fonds geaccepteerd heeft (VW XV, p. 352). Een deel van het geld komt eind 1873 via *Van Plettenberg toch bij M. en Mimi terecht, die het gebruiken voor de verpleging van *Theo Op de Coul. Wat er met de rest van het bedrag gebeurd is, is niet bekend. Vermoedelijk heeft Van Plettenberg een gedeelte van het geld ge‹nvesteerd in de uitgaven van Over Specialiteiten en Nog-eens: Vrye Arbeid (VW XIV, p. 304).

Eind 1870 verschijnt een oproep van *Q in de Arnhemsche Courant, waarin gevraagd wordt Tine en de kinderen financieel bij te staan. *J. van Vloten reageert hierop in de Arnhemsche Courant van 13 december 1870 (VW XIV, p. 267-268); hij wijst Q. op het nog steeds bestaande fonds (*Multatuli-commissie 2.) dat wel aanvulling kan gebruiken.

3a. Bovengenoemde oproep van Van Gennep bereikt ook Indië. Daar wordt, op initiatief van Philadelphus (ps. van Anton Boelen), in de Java-bode een oproep tot steun geplaatst (19 november 1870, VW XIV, p. 238). Nog datzelfde jaar ontvangt M. ƒ 250,- (VW XIV, p. 268) van dit Indische Multatuli-Comité.

4. 1882: initiatief voor een *Huldeblijk aan Multatuli.

5. In 1910 werd herdacht dat vijftig jaar geleden de Max Havelaar was verschenen. Daartoe werd een 'Commissie ter huldiging van Multatuli's nagedachtenis' gevormd, onder voorzitterschap van *J.N. van Hall. In de commissie hadden verder onder meer zitting: S. Kalff, J.G. Götze, C. Th. van Deventer, B. Damme, *F. Domela Nieuwenhuis, C.R. Bakhuizen van den Brink, Frans Bastiaanse, *F. van der Goes en *F.M. Wibaut. Enkele leden trokken zich tijdens de voorbereidingen terug. Op 7 mei 1910 werd de 'Multatuli-dag' gehouden met een tentoonstelling van multatuliana en een voorstelling van *Aleid (*Edu). De plannen voor de herdenking vormden onderwerp van discussie in verschillende kranten, bijvoorbeeld Het Bataviaasch Handelsblad, Het Koloniaal Weekblad en de NRC.

Een deel van de tentoongestelde multatuliana bleef bijeen en werd beheerd door de in dat jaar opgerichte vereniging Het Multatuli-Museum (*Multatuli-Museum), o.l.v. P.J.A. Meersmans. Het batig saldo van die dag werd gestort in het *Max-Havelaarfonds.

(Lit. G' Nabrink, 'Rumoer rond de Max-Havelaarherdenking 1910', in: Over Multatuli, 1985, nr. 14, p.42-61 en nr. 15, p. 29-44; Atte Jongstra, De Multatulianen, 1985, p. 132 e.v.).

Multatuli-tentoonstellingen
1. Ter gelegenheid van het Internationaal Vrijdenkerscongres van 30 augustus - 2 september 1883 in Frascati te Amsterdam. *Multatuliana

2. In 1910 in het Stedelijk Museum te Amsterdam, bijeengebracht door A.Th. Hartkamp en P.J.A. Meersmans. Uit deze tentoonstelling is het *Multatuli-Museum voortgekomen. Over deze tentoonstelling bericht de NRC van 7 mei: 'De tentoonstelling is zeer belangwekkend, niet enkel om de handschriften van Multatuli's werken en de vele brieven - ook nog onuitgegevene - om zijn oeuvre in al de uitgaven, ook in de Fransche, Engelsche, Duitsche, Poolsche, Hongaarsche, Deensche uitgaven, maar tevens om de vele stukken: albums, inteekenlijsten, die ons de namen openbaren van hen, die het hunne hebben bijgedragen om Multatuli's bestaan materieel eenigszins dragelijk te maken. En het geeft een zekere voldoening op te merken, hoe niet alleen onder de jongeren - studenten byv. der toenmalige Delftsche akademie - er worden aangetroffen, die later in hooge posities hebben bewezen, dat het vuur, door Multatuli in hun jeugd in hunne harten aangeblazen, op later leeftijd niet is uitgebluscht - maar dat ook het getal dergenen, die reeds arrivé waren: kunstenaars, staatslieden van naam, zich het een eer hebben geacht op de lijsten van het huldebetoon niet te ontbreken'.

3. In december 1935 hield de vereniging *Het Multatuli-Museum ter viering van haar 25-jarig bestaan een tentoonstelling van Multatuliana in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

4. In 1947 in de zaal van de Hoofdstadboekhandel in de Kalverstraat, geopend door mr. de Roos, wethouder van Kunstzaken van Amsterdam. Dit initiatief werd gevolgd door een tentoonstelling in Antwerpen in hetzelfde jaar. De opening daar werd verricht door G. Schmook, bibliotliecacis van de stad Antwerpen, in aanwezigheid van onder meer G. Stuiveling en R. de Clerck, gouverneur der provincie Antwerpen, en de Nederlandse consul-generaal A. Ruys. Naast een deel van het in Amsterdam tentoongestelde, was daar ook interessant materiaal uit de Antwerpse archieven uit de Belgische tijd van DD. te zien.

5. In 1960 werd in het Amsterdamse Waaggebouw door het Multatuli-Genootschap de grote expositie Honderd jaar Max Havelaar georganiseerd t.g.v. de Havelaarherdenking.

6. In 1987 werd een grote tentoonstelling georganiseerd in het Haagse Letterkundig Museum t.g.v. het herdenkingsjaar. De tentoonstelling was is dat jaar in België en Indonesië (Erasmushuis te Jakarta) te bezichtigen geweest.

7. Ter gelegenheid van de 175e verjaardag van M. en de voltooiing van de Volledige Werken werden in het voorjaar van 1995 door de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam i.s.m. het Multatuli-Museum, de twee tentoonstellingen Multatuli: 'muiter van gisteren, held van vandaag' en Multatuli en zijn uitgevers en drukkers: 'Ik mag geen oogenblik suf zyn...' georganiseerd in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

8. Sinds 1975 wordt er jaarlijks een kleine expositie in het Multatuli-Museum georganiseerd, die voor het publiek het gehele jaar te bezichtigen is. Multatuli-vergoding, Vele voorbeelden van Multatuli-vergoding zijn te vinden in Atte Jongstra, De Multatulianen. 125 jaar Multatuli-verering en Multatuli-hulde (Amsterdam, 1985).

Mijn Schaatsen, gedicht van DD. waarschijnlijk uit 1838. Het gedicht werd door Mimi naar een niet teruggevonden handschrift gepubliceerd in haar Brievenuitgave (Brieven WB I, p. 17; het is ook afgedrukt in VW VIII, p. 50-54 en in Multatuli Gedichten. Verzameld en ingeleid door Sander Blom, Amsterdam, 1985, p. 11-16). Het gedicht zou door de moeder of de oudste broer van Eduard, buiten zijn voorkennis en na zijn vertrek naar Indië, in een almanak zijn gepubliceerd. Het is het oudst bekende werk van DD. De dichter beschrijft de genoegens van het ijs en van de huiselijke haard en spoort tenslotte aan tot weldoen met een beroep op hemelse vergelding. De eerste en laatste van het in totaal 18 strofen tellende gedicht luiden: 'Zoo menigeen zingt er van vreugde of uit leed./Zoo menigeen tokkelt de snaren,/Zoo menig die pen en papier al versleet,/Zoo menig die de aarde weergalmen reeds deed/Door zangen van roem of gevaren:/Maar wat ook zinge men wrake 't of niet,/Ik wijd aan mijn schaatsen mijn kunsteloos lied.

En als dan die arme, in lompen gehuld,/Met trillende lip u komt smeeken,/Heb dan toch het harte met deernis vervuld,/Voldoe uwen naaste een gedeelte der schuld,/Dat zal eens bij God voor u spreken./ Een weldaad den armen broeder gedaan/Wijst boven een plaats in den hemel u aan!'