Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

L

Laan, Klaas (Kornelis) ter, 1871-1963, zoon van een landbouwer uit Slochteren. Bezocht de HBS te Sappemeer, waar hij zich voor het socialisme begon te interesseren. Tot 1901 werkzaam in het onderwijs, laatstelijk als schoolhoofd te Delft. Vanaf 1900 lid van de SDAP, werd in 1901 tot lid van de Tweede Kamer gekozen. Tot 1937 bleef hij in het parlement, waar hij zich onder andere op het gebied van onderwijs, militaire zaken en drankbestrijding begaf. Van 1914 tot 1937 was hij tevens burgerneester van Zaandam, en daarmee de eerste socialist in die functie. A1 voor zijn pensionering in 1937 werkte hij aan een groot aantal studies en naslagwerken op het gebied van sagen en legenden, literatuur en geschiedenis. Zijn bijzondere interesse hadden daarbij de Groningse geschiedenis en volkscultuur.

Zijn belangstelling voor M., die al in zijn jeugd ontstond, uitte zich in verscheidene publikaties en redes: 'Waartegen streed Multatuli? Voordracht' in De Vrije Gedachte, nr. 3 (7 mei 1911), p. 30-33; 'Multatuli tegen Droogstoppel en Slijmering', radiorede voor de VARA op 3 maart 1937; 'Multatuli-herdenking, een rede', in Het Volk (1937); 'Multatuli tegen Bilderdijk', Maandblad der Vrijdenkers Radio-Omroepvereeniging 15 mei en 15 september 1838; 'Invloed van Multatuli (ook op D.R. Mansholt)', in Groningen (1946) nr. 40; Multatuli en twee van zijn discipelen, Mansholt en De Raaf, met brieven van en over Multatuli (Leiden, 1949); 'De bron van Multatuli's Peruaanse vertellingen', als nr. 4 van de Geschriften van het Multatuli-Genootschap (Amsterdam, 1957).

Lafontaine, August Heinrich Julius, 1758-1831, Duits veldprediker en schrijver van meer dan tweehonderd sentimentele familieromans, onder andere Das Bekenntnis am Grabe (3 dln., 1805) en de serie Familiengeschichten, waarin in dl. I en II Die Familie von Halden (s.l., 1797), en in dl. IV en V Hermann Lange (Berlijn, 1801) zijn verschenen. De romans van Lafontaine werden ook in Nederland in de negentiende eeuw veel gelezen. M. waardeerde Lafontaine zeer. In zijn naschrift bij De Bruid daarboven (1872) schrijft hij dat Lafontaine één van de schrijvers is die invloed op hem heeft gehad (VW III, p. 546). In een brief aan R.J.A. Kallenberg van den Bosch van 29 december 1881 noemt M. hem als de auteur die het meest invloed heeft gehad op zijn gemoed (VW XXI, p. 555).

In Idee 1052b noemt hij hem 'hoofdeigenaar van al de "eenzame dalen" en "graftombes" waarmee onze *Feith zo'n mirobolant effekt maakte' en schrijft hij dat Lafontaine een belangrijke rol speelt in de opvoeding van Woutertje Pieterse (VW VI, p. 483-484). In hetzelfde Idee schrijft hij verder: 'Welnu dan, Lafontaine was humorist. 't Is hem gelukt hier en daar de natuur te betrappen op ondeugendheidjes die meer waard zyn dan 't eenzaamste dal vol kerkhoven en gebroken harten. Dat z'n Publiek er niet op lette, en volstrekt schreien wilde, kon hy niet helpen. Misschien leverde hy al die tranen om den brode, en nu en dan wat waarheid als toegift voor eigen liefhebbery.' (VW VI, p. 486)

Aan Funke schrijft hij op 12 juni 1873 dat Lafontaines roman Hermann Lange 'lief en 'door de oudheid nieuw' is. Hij overweegt Mimi er een nieuwe vertaling (er was een Nederlandse vertaling van 1804-1805) van te laten maken en vraagt Funke om zijn mening hierover (VW XVI, p. 25). Funke meent dat M. de Franse schrijver Jean de La Fontaine bedoelde (brief van 13 juni 1873, VW XVI, p. 28), waarna M. hem corrigeert en over de 'radikaal vergeten' Lafontaine schrijft:

'Hy is 'n type, en heeft zeer groten invloed uitgeoefend op volksgeest, karakter, zedelykheid (of ónzedelykheid, maar hóógstfatsoenlyk!) en zelfs op de gezondheid. Dit had ik in 't licht willen stellen, en ik zál het ook doen. Ik zou 'n slecht auteur zyn, als by 't behandelen van 'n mensch-geschiedenis uit het begin der XIXe eeuw zoo'n 'normen factor over 't hoofd zag!' (brief van 15 juni 1873, VW XVI, p. 29-30)

M. is teleurgesteld dat Funke Lafontaine niet kent en waarschijnlijk geen herdruk van diens werken wil verzorgen: 'Welnu, ik zal drie of vier romans van hem - met toelichting! by dezen of genen uitgever laten drukken (tot m'n groot verdriet) en zal u rapport doen van den uitslag. Of liever, 't zal u wel blyken zonder my.' (VW XVI, p. 30)

M. heeft deze plannen nooit uitgevoerd. In 1886 stuurt Funke M. een grote stapel Lafontaines, waarover M. hem schrijft: 'ik wil niet sterven voor ik zeker ben al zyn Juliaas in my te hebben opgenomen, voor ik my verdiept heb in ál z'n ledikantjes, prieeltjes en zielstoestanden...' (brief van 24 februari 1886, VW XXIII, p. 571).

Lafontaines Hermann Lange vertelt de geschiedenis van een jongeman, die te oprecht en te fier is voor deze wereld en daardoor zichzelf en anderen in grote verlegenheid brengt. Hij heeft een scherpzinnig en cynisch karakter, waardoor hij het slechte gedrag van de hoge ambtenaren in het Duitse staatje, waarin het verhaal zich afspeelt, doorziet. Een rechtvaardige vorst zal volgens hem een einde maken aan de wantoestanden. Wanneer deze niet komt, trekt Hermann Lange zich terug in zijn familiekring (P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 52).

Mimi suggereect een directe parallel tussen de hoofdpersoon Hermann Lange in de gelijknamige roman, die liever ontslag neemt dan onrecht te dulden, en Max Havelaar die in Lebak hetzelfde deed (a.w., p. 60, 186-187).

Langeveldt van Hemert, Abraham Juliaan, 1825-1880, in 1845 begonnen als klerk bij de resident van Madioen, van 1854 tot 1858 controleur der tweede klasse in Lebak, dus ook werkzaam onder M. Hij eindigde zijn carrière als resident van Ternate in 1876, waarna hij naar Nederland terugkeerde. In de Max Havelaar wordt hij als *Verbrugge geportretteerd.

In 1856 stuurde M. hem een missive met 32 vraagpunten. Langeveldt van Hemert beantwoordde en parafeerde deze missive op 29 maart 1856 (VW IX, p. 584-591). Deze vraagpunten werden door M. opgenomen in de Minnebrieven (VW II, p. 135-142) als bewijs voor het feit dat hij de waarheid had geschreven aangaande de gebeurtenissen in *Lebak in het algemeen en zijn verhouding tot de regent in het bijzonder. De controleur beantwoordde alle vragen, behalve de

vraag of er sprake was van knevelarij in Lebak. Op 31 maart 1878 ontmoette M. en Van Hemert elkaar weer in Breda. Langeveldt van Hemert was ziekelijk: 'toen hy my (...) zag, begon hy als 'n kind te schreien, en viel slap tegen my aan' (brief aan Mimi d.d. 31 maart 1878, VW XIX, p. 407). M. hoopte op diens steun, 'maar z'n toestand was zóó ellendig, hy was zoo ouwelyk en débiel en... hy huilde zoo, dat ik 't niet van my verkregen kon hem op kosten van krachts- of karakterinspanning te jagen.' (brief aan J.A. Roessingh van Iterson d.d. 8 januari 1882, VW XXI, p. 606). (afb. in W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk, 1987, p. 45)

Latijnse school, In zijn jeugd (1832-1835) bezocht DD. de Latijnse school aan het Singel bij de Munt te Amsterdam. Vanwege zijn slechte cijfers werd hij er door zijn vader in april 1835 afgehaald. Willem Johan Zillesen (1774-1834) was in die tijd rector van deze school. (Lit. Eep Francken, De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker, Amsterdam, 1990, p. 29-47)

Lauriergracht, Batavus *Droogstoppel, de makelaar in koffie in de *Max Havelaar, woont op Lauriergracht nr. 37 te Amsterdam. De beroemde openingszin luidt: 'Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, No. 37.' (VW I, p. 15). Herhaling is de kracht van de reclame: Droogstoppel herhaalt zijn adres regelmatig, in dit hoofdstuk nog twee keer (VW I, p. 15 en 19); het hoofdstuk eindigt met een afbeelding van zijn visitekaartje (VW I, p. 20).

In de Divagatiën vertelt M. over het eerste commentaar op de Max Havelaar, dat kwam van een makelaar die het boek had gekocht in de veronderstelling 'dat er van koffie zou inkomen'. De man ondertekende: 'X, Y of Z, met de byvoeging (letterlyk) "wonende in een fatsoenlyker buurt dan de Lauriergracht"'. M. reageert hierop: 'Myn Droogstoppel was dus, na gestikt te zyn, verhuisd' (VW V, p. 365).

In een brief aan H.L. Flemmich d.d. 4-5 april 1867 schrijft M.: 'Ein Kaffemakler behauptete das Buch [Max Havelaar] war [lees: wäre] nichts werth "want een fatsoenlyk makelaar woonde in een fatsoenlyker buurt dan de lauriergracht". Ach, du lieber Gott, wahr ist es, aber ich wusste damals noch so wenig von fatsoen. Jetzt weis ich 's.' (VW XII, p. 165-166)

Overigens bestond en bestaat de Lauriergracht wel, maar er was geen huisnummer 37: tussen de nummers 35 en 39 was een ingang naar een klooster, bereikbaar via een gangetje. Vermoedelijk heeft M. hierom voor nr. 37 gekozen.

Lebak, de assistent-residentie in het zuidoostelijk deel van Bantam, ook Bantam-Kidoel genaamd. In deze afdeling werd DD. in januari 1856 tewerkgesteld. De afdeling was verdeeld in de controle-afdelingen Lebak Kalèr (districten Warong Goenong en Sadjira) en Lebak Kidoel (districten Lebak, *Parang Koedjang en Tjilangkahan). Hoofdplaats was Rangkas Betoeng. Radèn adhipati Karta Negara, al bij zijn leven als een heilige vereerd, was bij DD.'s aankomst reeds dertig jaar regent. De afdeling Lebak met 74.000 inwoners behoorde tot de armste streken van Java. Cultures van suiker of koffie waren er niet, irrigatie van rijstvelden was er evenmin. In de negentiende eeuw vertrokken veel inwoners uit Lebak uit naar de Lampongse distrikten of naar partilculiere landerijen in de omtrek, waar zij gingen werken.

DD. meende dat het onder gouverneur-generaal *Pahud gedane onderzoek naar de misstanden in Lebak na de verschijning van de Max Havelaar (1860) had plaatsgevonden. Dit onderzoek, dat geleid werd door resident *Brest van Kempen en dat onder meer uitliep op het ontslag van de demang van Parang Koedjang, vond echter al plaats in 1856, a.g.v. van DD.'s officiële aanklacht. DD. werd volledig in zijn gelijk gesteld, maar kreeg zelf de resultaten niet te zien.

Blijkens een verslag van DD.'s voordracht te Rotterdam op 10 januari 1881 in de NRC (11 januari 1881; VW XXI, p. 41-42), wees DD. op zijn het uitkomen van zijn voorspelling uit 1860 dat Lebak een 'woestenij' zou worden.

Lennep, Jacob van, Amsterdam 1802 - Oosterbeek1868, staatsman, romantisch dichter en prozaschrijver. In 1829 werd hij rijksadvocaat te Amsterdam, van 1853 tot 1856 was hij lid van de Tweede Kamer. Hij publiceerde o.a. Academische Idyllen (1826); Gedichten (1827; met vertalingen van gedichten van Byron en Scott) en Nederlandse Legenden (1828-1831). Naar

aanleiding van de Belgische opstand schreef hij het toneelstuk Het Dorp aan de grenzen (1830). Hij werd echter vooral bekend door zijn historische romans in de stijl van Walter Scott: De Pleegzoon (1833), De Roos van Dekama (1836), Ferdinand Huyck (1840) en Klaasje Zevenster (1865). Op toneelgebied wijdde hij zijn krachten aan de rederijkerskamer Achilles. Hij schreef teksten voor vijf opera's, waaronder Saffo (1834), dat bedoeld was om zijn vriend Van Bree in staat te stellen muziek te schrijven bij een groot werk. Verder vertaalde Van Lennep werken van Shakespeare en bezorgde hij een uitgave van Vondels oeuvre (12 dln., 1855-1869). Hij moedigde jong talent tot schrijven aan (o.a. Hofdijk).

Afgezien van de slepende affaire omtrent Van Lenneps rol bij de uitgave van de Max Havelaar (zie hieronder), heeft M. regelmatig over Van Lenneps werken geschreven. Over de roman Klaasje Zevenster schrijft hij op 4 september 1866 aan C. Busken Huet: 'Och, och, Klaasje Zevenster! Ik heb 't schaap niet gelezen, maar my zeer vermaakt met uwe uitkleeding. By later behandeling van stukken als Klaasje waarin van patriciers wordt gesproken, rekommandeer ik U 't adjectief gemeen by 't "fatsoenlyke" dat v.Lennep zoo graag op den voorgrond stelt.' (VW XI, p. 676)

M. doelt hier op Busken Huets kritiek 'Ernst of Kortswijl' in de Dietsche Warande (verscheen ook als brochure en werd herdrukt in Litterarische Fantasiën en Kritieken, dl. XV).

In de aanhef van Pruisen en Nederland maakt M. melding van een spottende opmerking over dit boek in 'de Keulse "Times"', d.i. de Kölnische Zeitung (VW IV, p. 9 en p. 52). De vermeende onzedelijke inhoud van het boek (een bordeelscène) leidde tot enige commotie. Hierop zinspeelt M. in de Causerieën. Hij citeert hierin uit een brief van een fatsoenlijke dame ('P.G: ) die M. een brief had geschreven over de onfatsoenlijkheid van zijn Causerieën. Zij schrijft hierin tevens: 'Ik heb Klaasje Zevenster door myn man horen lezen zódanig dat ik daarvan alleen het schone genoot'; alle 'aanstootgevende' passages werden door haar echtgenoot overgeslagen (VW IV, p. 114-115).

Ferdinand Huyck noemt M. in een brief aan Busken Huet d.d. 4 september 1866 een 'infaam boek' waaraan hij toevoegt: 'Ook die van Lennepsche held is een pauvre sire, die z'n dame in den steek laat, uit vrees voor papa en 't fatsoen. Ik heb zoo'n hekel aan dat boek! Ik had het niet gelezen, toen ik v.Lennep leerde kennen, later vond ik hem precies in z'n boek terug. (...) De zeer fatsoenlyke Ferdinand Huyck, en (...) die jonge v.Eylar, zyn my grooter gruwelen, dan de sujetten die de romanschryver laat poseren voor "slecht".' (VW XI, p. 677; M. had het boek wel gelezen in februari 1853, zie VW IX, p. 302)

In Pruisen en Nederland maakt hij een toespeling op Het dorp aan de grenzen. Hierin worden de Belgen dom en onbetrouwbaar, en de Nederlanders edel en slim afgeschilderd. M. vraagt zich af: 'Maar wat moet er dan geschieden? Moeten wy "dorpen aan de grenzen" schryven, waarin elke Hollander zo'n byzondere held is, en elke Pruis een lafaard? God bewaar ons, geen leugens!' (VW IV, p. 83).

In Pruisen en Nederland schrijft M. naar aanleiding van De Roos van Dekama, dat evenals De Pleegzoon in het Duits was vertaald, dat het vertalen hiervan geen bewijs van de Duitse hoogachting voor onze Nederlandse talenten vormt (VW IV, p. 52).

Het conflict met Van Lennep over het kopijrecht van de Max Havelaar vindt zijn oorsprong in de hoop van M. door hulp van 'ma‡onieke broeders' in 1859 zijn nood te verlichten. Op 13 september biedt hij zijn toneelstuk De Bruid daarboven, via een brief aan de Vrijmetselaarsloge 'Concordia Vincit Animos', Van Lennep ter lezing aan, in de hoop door opvoering ervan aan geld te komen (VW X, p. 48). Van Lennep, die het stuk eerder geprezen had, toont zich ook nu wel-

willend (brief van Van Lennep aan W.J.C. van Hasselt d.d. 30 september 1859, VW X, p. 66). Door de positieve reactie wordt M. ertoe aangezet ook zijn nieuwe werk, de Max Havelaar, aan Van Hasselt en Van Lennep aan te bieden (brief aan Tine d.d. 11 november 1859, VW X, p. 101). Op 13 november 1859 stuurt Jan Douwes Dekker het manuscript aan Van Hasselt, twee dagen later brengt de laatste het naar Van Lennep. Op 18 november toont Van Lennep zich enthousiast en noemt hij het boek in een brief aan Van Hasselt 'een meesterstuk' en 'bl... mooi' (VW X, p. 117). In een begeleidend schrijven, dat M. niet mocht lezen, schrijft hij er bij dat een uitgave moet worden voorkomen. Hij twijfelt echter: 'Beter nog, dat het boek hier uitkome; dan dat Multatuli zijn bedreiging uitvoere.' (VW X, p. 119). Die bedreiging is het slot van de Max Havelaar, waarin M. met 'klewang-wettende krygszangen' 'redding en hulp' toezegt aan de 'arme martelaren' (VW I, p. 193-194).

Tezamen trachten Van Lennep en Van Hasselt de minister van Koloniën, *J.J. Rochussen, op halfhartige wijze ertoe te bewegen M. op enige wijze te rehabiliteren en zo de uitgave te voorkomen (cf. brief vanVan Lennep aan Van Hasselt d.d. 19 november, VW X, p. 120). Rochussen neemt de zaak echter niet zo zwaar op en schrijft laconiek aan Van Lennep dat hij de zaak zal laten onderzoeken. Van Lennep, enigzins ontnuchterd en van de schrik bekomen, gebruikt M.'s 'woede die welsprekend maakt' voor eigen politieke belangen in Amsterdam (*Stolte *Bredius). In januari 1860 wordt de uitgave van de Max Havelaar, door de slechte vooruitzichten op rehabilitatie, onvermijdelijk. Van Lennep zorgt er nu voor het kopijrecht in handen te krijgen, en laat M. op 25 januari door een acte van cessie afstand doen van zijn eigendomsrecht op de Max Havelaar (VW X, p.204-205). Een acte van machtiging (om het boek te geven uitgeven) was echter voldoende geweest. Van Lennep, die M. nu regelmatig geld stuurt en hem hierdoor in staat stelt aan *Fancy te schrijven, verwijdert in de Max Havelaar alle namen en jaartallen en gaat op 4 februari met uitgever *J. de Ruyter een contract aan over de uitgave, waarin Van Lennep zelf het kopij recht aan De Ruyter overdraagt (VW X, p.208-210). Op 14 mei 1860 komt het boek in de handel (VW X, p. 228). M., eerst nog zeer tevreden met de uitgave, bemerkt al spoedig zijn fout afstand te hebben gedaan van alle rechten op de Max Havelaar. Zijn wens naar ruime verspreiding ervan in Indië en een goedkope (volks)uitgave (brief aan Van Lennep d.d. 29 augustus 1860, VW X, p. 298-300), worden door De Ruyter afgewezen. Hij herhaalt zijn klachten over uitgever De Ruyter nog eens in een brief van begin oktober 1860, die hij eindigt met de wens 'Ach help mij van de Ruyter af!' (VW X, p. 323-324). Op 12 oktober reageert Van Lennep stekelig en wijst hem erop dat hij de eigenaar van het boek is, en 'Wie een huis koopt heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen' (VW X, p. 325). Nog diezelfde dag eist M. in een brief het eigendomsrecht van Van Lennep terug (VW X, p. 326). Per deurwaardersexploot laat M. daarop Van Lennep sommeren het werk in eigendom terug te geven (17 november 1860, VW X, p. 359-361). Op 14 december volgt een dagvaarding met dezelfde eis (VW X, p. 370-373). Van Lenneps schriftelijk verweer volgt op 29 december (VW X, p. 373-374).

De pleidooien van het rechtsgeding worden op 15 mei 1861 gehouden voor de eerste kamer van de arrondissements-rechtbank te Amsterdam (verslag in de Amsterdamsche Courant van 16 mei 1861; VW XI, p.19). De pleidooien werden integraal overgenomen in het Weekblad van het Regt (jrg. 23, 3 juni 1861), en werden later dat jaar uitgegeven als brochure bij de Gebr. Belinfante te 's-Gravenhage (VW X, p. 438-454).

M., de eiser in deze, betwist Van Lennep het kopijrecht op de Max Havelaar. Deze laatste, de gedaagde, verwijst in zijn verweer echter naar de akte van 25 januari 1860, waarin M. voor fl 500 het kopijrecht aan Van Lennep afstaat. Het vonnis, dat op op 29 mei wordt geveld, stelt de eiser in het ongelijk (VW X, p.461-464). M. ontvangt dit vonnis op 27 september 1861 (VW X, p. 508-509).

Op 28 november dient M. een hoger beroep in bij het Provinciaal Gerechtshof te Amsterdam (VW X, p.521). In januari 1862 verdedigt Van Lennep zich in een openbare *'Brief aan den heer E. Douwes Dekker' tegen de door M. in Over vryen arbeid geuite klacht het handschrift van de Max Havelaar niet te hebben verkocht (VW II, p. 295-296). Het hoger beroep wordt op 22 mei 1862 behandeld, de 'memorie van grieven' van M.'s procureur en de 'memorie van antwoord' van Van Lenneps procureur zijn afgedrukt in VW X, p. 651-662. De uitspraak, wederom ten gunste van Van Lennep, (VW X, p. 662) ontvangt M. op 16 juni 1862 (VW X, p. 674).

M.'s reactie op dit vonnis is beschreven in Idee 288 (VW II, p. 481; *Montmorency). In oktober 1863 neemt DD., door geldnood gedreven, weer contact op met Van Lennep (brief van 1 oktober 1863, VW XI, p.234). In ruil voor 'een schriftelijke retractie van die beschuldiging', nl. gespeculeerd te hebben met de Max Havelaar, biedt Van Lennep hem daarop zijn eigen deel in de winst aan (brief van 2 oktober 1863, VW XI, p. 234-235). De volgende dag zendt M. de gevraagde verklaring aan Van Lennep (VW XI, p. 235-236). Met een 'rekening courant', gevoegd bij de brief van 3 oktober 1863 van Van Lennep, wordt het geschil tot een einde gebracht. In zijn brief schrijft Van Lennep onder meer: 'Ik ben nu volkomen te vreden met uw verklaring: want het was mij een behoefte, overtuigd te zijn dat wij over en weder elkander de getuigenis gaven, niet gevochten te hebben om de knikkers, maar om de gerechtigheid van 't spul.' (VW XI, p. 237). *Faber (Lit. I. Kisch, in: Maatstaf, jrg. 17, 1970, p. 712 e.v.; Raster, jrg. 4, 1970, p. 38 e.v., waarin een genuanceerd beeld van Van Lenneps' gedrag inzake de overdracht van het kopijrecht wordt gegeven)

Lespirt, Mathilde Henriette Marie, geb. 18 juli 1836 te Antwerpen, dochter van Jean Charles Lespirt uit Aalst en Marie Gladscanes uit Londen. Zij woonde begin 1862 met haar twee jongere zusters Louise en Henriette te Brussel (nr. 64 Rue d'Arlon). Op 7 november 1866 trouwde zij te Brussel met Pierre Jean Edouard Dupr' (geb. te Jette op 4 januari 1836). Aan haar richtte M. op 8 september 1862 een brief in het Frans ('Brief aan Mathilde X', VW X, p. 647-651; zie voor de aanvullingen en juiste datering, maar foutieve spelling van haar naam VW XI, p. 62-63), waarin hij haar zijn liefde verklaart en over zichzelf vertelt.

Mathilde Lespirt was één van de vrouwen die voorbestemd was om in M.'s 'legioen van Insulinde' (*Insulinde) te worden opgenomen. Een kleindochter van haar herinnerde zich dat haar grootmoeder M. 'un peu bizarre' had gevonden. De relatie tussen hen was, voor zover zij wist, tot stand gekomen via een zuster van Mathilde Lespirt die, met een Hollander getrouwd, naar Indië was gegaan. Daar had men kennis gemaakt met de familie Douwes Dekker in Rembang. Het verhaal ging dat deze familie bijzonder geïnteresseerd was geweest in spiritisme en andere occulte verschijnselen (*biologie *hypnotische proeven *magnetisme). In 1981 werd de brief van M. aan Mathilde Lespirt aangekocht door het Multatuli-Museum, waar zich ook een portretje van haar uit M.'s nalatenschap bevindt. (Lit. G. Stuiveling, 'Uit het Multatuli-Museum. X. De brief aan Mathilde Lespirt', in: Over Multatuli, 1984, nr. 12, p. 66-71)

Lezen, M. betoogt herhaaldelijk dat het publiek niet lezen kan. In de Ideën 744-752 (VW IV, p. 464-472) schrijft hij over het lezen, en vooral het verkeerd lezen. Hij citeert een regel uit een 'duits toneelstukje', waarin 'een oude grompot' telkens de uitroep herhaalt: 'das kommt vom lesen!' (VW IV, p. 464). Hij legt verband tussen verkeerd lezen en slordig schrijven (Idee 746, VW IV, p. 465) en levert kritiek op het feit dat men bijvoorbeeld de verslagen over de Frans-Duitse oorlog niet beter, en kritischer, las. Hij herhaalt 'Och, als men lezen kon!' (VW IV, p. 469-471, 484). In Idee 745 betoogt hij: 'Zonder nu te verzekeren dat deze kunst ons eens voor al van aangebrande soep en vliegen of miswyzende harten zou verlossen, houd ik het voor zeker dat er uit de slordigheid waarmee men gewoon is de door een boek meegedeelde denkbeelden in zich op te nemen, veel kwaads ontstaat, en dat het lezen van de meesten niets is dan een voortdurende studie in verkeerd lezen.

Het ware te wensen dat men een zeer groot gedeelte van den tyd dien men aan lezen besteedt, doorbracht met denken over 't geen men gelezen had, al was 't dan weinig. M.a.w. dat men zich oefende in kritiek.' (VW IV, p. 464)

In Idee 749 schrijft hij: 'Och, als men lezen kon! Dat kan men nu eenmaal niet! By al wat heilig is - by de waarheid - men kan het niet! Zolang er onder de duizenden verslinders van gevecht-bulletins, niemand gevonden wordt die met den vinger de leugens aanwyst waaruit men krygsroem distilleert, zolang die aanwyzing geen algemene overtuiging opwekt, zolang zeg ik: dat men niet lezen kan.' (VW IV, p. 469)
Ook in de Divagatiën schrijft M. dat 'Mr Publiek' niet lezen kan (VW V, p. 363), Idee 502 luidt: 'Ik ken zeer weinig mensen die lezen kunnen.' (VW III, p. 239).
Over zijn eigen leesgewoonte schrijft hij in Idee 1230: 'Wat my betreft, ik word bezeten door de zeer afkeurenswaardige hebbelykheid, de boeken die ik lees stuk te krabben. 't Schynt wel dat deze manoeuvre voor my nodig is om 't gelezene te begrypen, al beweer ik nu niet dat ze my dient om alles te begrypen wat ik lees.' (VW VII, p. 437-438)
In een brief van 18 april 1872 aan S.E.W. Roorda van Eysinga verzucht hij: 'Ik begryp byna niets van wat ik lees'. 'Ik lees zelden zonder verbazing, zich gewoonlyk lucht gevende in 't dilemma: gy - de schryver- zyt gek, of ik ben gek.' (VW XV, p. 188). *leugen

Lezingentournees, *voordrachten

Linde, Antonius van der, Haarlem 1833 - Wiesbaden 1897, Nederlands letterkundige, studeerde

theologie te Leiden, was van 1859 tot 1861 predikant te Amsterdam en promoveerde in 1862 te Göttingen in de filosofie op een proefschrift over Spinoza. In 1876 werd hij bibliothecaris van de koninklijke bibliotheek van Wiesbaden. Daarnaast publiceerde hij als schaaktheoreticus verscheidene stukken en schreef hij boeken en artikelen, o.a. in De Nederlandsche Spectacor, over de geschiedenis van de boekdrukkunst, waarin hij Gutenberg en niet Coster als uitvinder van de boekdrukkunst aanwees. In 1886 verscheen hierover zijn Geschichte der Erfindung der Buchdruckerkunst (3 dln.).

In 1872 was er kort sprake van een tijdschrift voor Indië, dat onder redactie van *S.E.W. Roorda van Eysinga, M. en Van der Linde zou gaan verschijnen. Aanvankelijk was de verstandhouding tussen M. en Van der Linde zeer goed, getuige hun schaakcorrespondentie, en M. gaf hoog op van diens kwaliteiten als onderzoeker en publicist. Bijv. in een aantekening bij Idee 760, waarin M. klaagt over het gebrek aan goede geschiedschrijvers in Nederland en hij voorstelt Van der Linde als geschiedkundige aan te stellen (VW IV, p. 696).

In 1874 schrijft M. aan C. Vosmaer dat hij zeer geïnteresseerd is in een boek van Van der Linde over de geschiedenis van het schaakspel (omstreeks 20 juli, VW XVI, p. 617). Dit is Geschichte und Literatur des Schachspiels (2 dln., 1874).

Onder het ps. Smâra publiceerde Van der Linde in 1867 Ideën 1. Lijden. M. schrijft S.E.W. Roorda van Eysinga op 16 februari 1872 dat hij deze Ideën 'gezocht en onwaar' vond, waarna hij over Van der Linde schrijft: 'Ik zag een en ander van hem dat me prys doet stellen op z'n éruditie. Ik geloof dat hy in zeer letterlyken zin geleerd is, waar o.a. byhoort dat er schoolsche dingetjes zyn waarvan hy niets weet. Hy verstaat byv. niet eens redelyk fransch. Hy is zeer zonderling. Voor 't feit dat hy in steile geloovery deed toen hy inderdaad niet geloofde, en dat hy eene half idiote vrouw - men beweert dar ze geen vrouw was, maar dat kon hy geïgnoreerd hebben - trouwde om haar geld... nu daarvoor is de uitdrukking: zonderling wat zacht. Toch beweer ik niet hem geheel te kennen. Ik beoordeel hem niet voor ik er meer van weet.' (VW XV, p. 101-102)

De verstandhouding verslechterde toen Van der Linde op 25 december 1875 in het artikel 'Kerstmis bij de Hindoes' in De Nederlandsche Spectator M.'s kennis van de etymologie bekritiseerde. Hij spreekt hierin van de 'zoo wijsneuzig uitgekraamde etymologische kluchten van Multatuli' (fragment opgenomen in VW XVIII, p. 139). M. reageert hierop in een brief aan J. Waltman Jr. d.d. 11 maart 1876. Volgens hem was Van der Lindes aanval te wijten aan het feit dat hij hem noch geschreven, noch bedankt had voor het presentexemplaar van een schaakboek (VW XVIII, p. 298).

In Uit Multatuli's leven (nieuwe uitgave in 1981, p. 30-31) schrijft *Marie Anderson dat M. in Wiesbaden dik bevriend was met Van der Linde, totdat hij hem de deur wees vanwege zijn 'gemeene uitdrukkingen, ploertige gedragingen etc.'. *boekdrukkunst

Locomotief, De, dagblad te Semarang, dat van mei 1869 tot februari 1870 M.'s *Causerieën (VW IV, p. 102-206) publiceerde. In hetzelfde jaar plaatste het blad onder de titel 'Uit Multatuli's leven' ook een gedeelte uit de Millioenen-studiën (nr. 165; VW XIV, p. 156-158).

M. schreef elke veertien dagen een 'Causerie' en ontving daarvoor ƒ 600: per halfjaar (cf. VW XIII, p. 619 en 648. Toen hij enkele malen verzuimd had kopij in te leveren, stopte het blad de publikatie van dit feuilleton. Hoewel M. zich telkens voornam hoofdredacteur Van Kesteren hierover te schrijven, kwam er niets van. Tenslotte las hij in de krant dat er inmiddels een andere correspondent benoemd was (Brieven WB IX, p. 7).

Volgens M.'s zoon *Edu werd de samenwerking opgezegd omdat M. zich niet hield aan de afspraak in zijn Causerieën nimmer de toenmalige minister van Koloniën, Engelbertus de Waal, te bekritiseren (J. Pee, Multatuli en de zijnen, Amsterdam, 1937, p. 151).

M. zelf schreef hierover op 10 januari 1871 aan S.E.W. Roorda van Eysinga: 'De Locomotief begon my knorrig te maken. (Kopy verminkt, stukken gecastreerd, heele bezendingen niet geplaatst, en later zeer lang later, gezegd dat ze in 't ongereede geraakt was, maanden lang gewacht met antwoorden op myn vragen.)' (VW XIV, p. 357)

Wat betreft deze redactionele ingrepen, zie de verantwoording bij de Causerieën (VW IV, p. 725-734).

Logos, (de Rede; in het Nieuwe testament het Woord, Christus als vleesgeworden scheppende gedachte Gods; in wijsgerige zin de immanente goddelijke rede) treedt als personage op in de Millioenen-studiën. Zoals in de Minnebrieven *Fancy een centrale rol speelt en de ontknoping van het verhaal levert, zo speelt Logos die rol in de Millioenen-studiën. Het is Fancy zelf die daarvoor zorgt: zij smijt de auteur in de 'donkere diepte' (VW V, p. 36; *Sonnenberg) waar

hij de werking van Logos krijgt uitgelegd. De ontknoping van de Millioenen-studiën, het 'practische' spoorwegkaarges-plan (*advertenties op spoorkaartjes) blijkt door Logos ingegeven te zijn. De auteur herkent in hem eerst Fancy, maar krijgt tot antwoord: 'Hm!. M'n eigenlyke naam is Logos' (VW V, p.301). Eep Francken definieert in zijn De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker (Amsterdam, 1990) Logos als de 'gedetermineerde oorzakelijkheid' (p. 232) en de relatie Fancy-Logos als 'de synthese van verstand en gevoel, rede en intu‹tie' (a.w., p. 240). Met deze laatste opmerking - de moeizame samenkomst van Fancy voorgesteld als de Moezel en Logos als de Rijn - is dan ook het centrale thema van de Millioenen-studiën getroffen, wat door M. al in zijn 'Menuet voor Rijn en Moezel' (VW V, p. 13-16) wordt aangegeven. (nawoord van J.J. Oversteegen bij de Salamander-uitgave van de Millioenen-studiën, Amsterdam, 1984, p. 291).

In een noot bij Idee 175 schrijft M. over de logos: 'Ziehier alzo het woord by uitnemendheid, de logos: ER IS. Ik meen hierin den besten grondslag voor wysbegeerte te vinden, den stevigsten, den enigen (...) Wat overigens myn aandringen op 't begrip Logos betreft, het kan slechts worden afgekeurd door hen die zich niet schamen ouwel te zyn met logiek, een woord dat daarvan is afgeleid. Het is niet voor dezulken, dat ik in myn Millioenen-studiën een verbeterde vertaling voorsla van Johannes 1 vs. 1: "In den beginne was de Rede, en de Rede was by God, en de Rede wás God." Kan het duidelyker? De theologen hadden den moed niet, dien tekst onvervalst onder 't volk te brengen. Ik daag hen uit, myn vertaling te bestryden.' (VW II, p. 683-684)

M. dringt herhaaldelijk aan op de 'Godsdienst der Rede'. Bijv. in de derde bundel Ideën (Idee 541-928, VW IV, p. 313-720) en in het hoofdstuk 'Het Tableau' van de Millioenen-studiën (VW V, p. 128-158).

In Over Specialiteiten schrijft hij: 'In gemoede tracht ik het gezond verstand te dienen. De Rede is myn godin. Waar ik haar zie miskennen, bloedt my het hart. Niets natuurlyker alzo, dan dat ik alles haat wat tot die miskenning aanleiding geeft, of daartoe meewerkt. Onder de bondgenoten van redeloze Ongodsdienstigheid vinden we steeds in de voorste gelederen: fraze, spreekwoord, zegswys, manier van spreken, dicton, citaat, zaag en deun... altemaal adjudanten van den leugenduivel, misbruik van het Woord - van den Logos -, zonden tegen de H. Geest der Waarheid, Godslastering.' (VW V, p. 492)

In een notitie in handschrift hierbij verwijst M. naar bovengenoemd hoofstuk in de Millioenen-studiën, 'waar de eredienst wordt aangeprezen, dien men verschuldigd is aan 't Gezond Verstand'. Hij vervolgt: 'Ook 'n groot deel van den derden bundel Ideën is aan dat onderwerp gewyd. Ik zal hier immers niet behoeven te waarschuwen tegen 't vereenzelvigen van den godsdienst der Rede waarop ik aandring, met de zotternyen die daarover tydens de eerste franse Republiek in omloop waren ? Iets minder overbodig misschien is het wyzen op Idee 277, waar gesproken woord van het, met de Rede volkomen identische goede.' (VW V, p. 661)

Losse bladen uit het dagboek van een oud man, door DD. geschreven te Batavia (1841; VW VIII, p. 80-84), Natal en Padang (1843-1844; VW VIII, p. 364-381). Twee genieën zweven hem hierin voor de geest: Napoleon en Rousseau. Napoleon vooral vanwege zijn krijgsdaden en grote gedachten, waarmee hij het lot van Europa bepaalde. De Losse Bladen bestaan uit twee delen: het eerste met als opschrift 'Het Schoone, Geluk', een beschouwing over zelfopoffering. Het tweede, 'Jongelingsdroomen' van *Vader Anton, die volgens het verhaal tijdens de Bataafse Republiek naar de Oost ging. Het contrast tussen de dromen van de jongeling en de alledaagsheid drieëndertig jaar later: 'Spot als gij wilt... maar niet met mijn dagboekschrijver. Spot met uw geslacht, spot met de menschen, spot met u zelven! De droomen van vader Anton's jeugd... het zijn ook uwe, onze droomen. Zijne teleurstelling zal ook de teleurstelling van uwen ouderdom wezen. Waag liet niet te zeggen dat gij niet zooveel voor u zelven van de toekomst wachttet, dat gij niet zoo bedrogen, dat gij verstandiger, wereldkundiger geweest zijt, die verklaring zou tegen u getuigen!' (VW VIII, p. 381)

In zijn *'Brief aan A.C. Kruseman' van februari-mei 1851 neemt DD. gedeeltes van deze 'Losse bladen' op.