Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

I

Idee, ' 't Idee dat men daad'lyk begrypt is veelal 't begrypen niet waard.', aldus luidt Idee 68 (VW II, p. 321). In Idee 88 schrijft M.: 'En toch is 't niet waar, dat gedachten de wereld regeren. Zelfs niet ideeën. Noch "opeyne" [opynene=opinies] zoals graaf Willem meende en beitelen liet op 'n steen te Alkmaar, die nog te zien is, naar men my verhaalde.' (VW II, p. 329). Hij noteerde in december 1852 in zijn memoriaal: 'Alkmaar Opijne de wereld/regeer. paardesteeg Stal van graaf Willem/kist van Floris de V.' (VW IX, p. 290). (C. Bij, 'Een tante en een gevelsteen in Alkmaar', in: Over Multatuli, 1990, nr. 24, p. 71-72).

M. komt op deze grafspreuk terug in twee brieven. Op 27-28 oktober 1871 schrijft hij S.E.W. Roorda van Eysinga dat hij 'moe' is van het schrijven en 'tegenzin' heeft in 'pen, papier en inkt': 'Met genoegen blyf ik staan kyken voor 'n schoenmakerswinkel en bewonder 'n paar laarzen. Ik groet in gedachten den werkman die zooiets maakt, maar van alles wat naar schryvery riekt ben ik misselyk. '"Ideën regeren de wereld" zei graaf Willem... nu ja, als ze geflankeerd zyn door andere dingen.' (VW XIV, p. 613)

Op 1 juli 1873 schrijft hij L.E. Gerdessen dat niet de 'opeyne' de wereld regeren, maar 'les màlentendus [Fr. malentendu=misverstand]', waarna hij vervolgt: 'Nu, dan worden we slecht geregeerd.' (VW XVI, p. 58). In de Ideën 747-749 betoogt hij dat 'Ideën wèl de wereld regeren, maar door 'verkeerd lezen' toe 'leugen' verworden. 'Och, als men lezen kon!' (VW IV, p. 465-470).

Ideën, Tijdens het schrijven van Over vryen arbeid vatte M. het plan op om zijn toekomstig werk in de vorm van bundels Ideën te gieten, waarin elk Idee afzonderlijk genummerd zou worden. Deze vorm maakte het mogelijk om verschillende onderwerpen (godsdienst, politiek, filosofie, onderwijs, kunst etc.) kort dan wel lang te bespreken (zonder hierover direct het laatste woord geschreven te hebben: hij kon er in volgende Ideën op doorgaan), èn om direct op actuele zaken te reageren. Ook voor aforismen, parabelen, sprookjes en verhalen was er plaats in de Ideën.

Tussen 1862 en 1877 verschenen bij verschillende uitgevers zeven bundels Ideën. Elke bundel werd in vier of meer afleveringen in voorlopige (papieren) omslagen op de markt gebracht (*correspondentiebladen; *dagbladzegel; de eerste twee bundels werden zelfs per vel à ƒ 0,15 verkocht), waarna de koper bij de laatste aflevering de linnen boekband kreeg geleverd. De prijs van de bundels bedroeg ƒ 4,-; de herdrukken werden goedkoper uitgebracht.

De eerste twee bundels werden door *d'Ablaing van Giessenburg in respectievelijk 1862 en 1864-1865 verzorgd, de eerste twee alleveringen van de derde bundel door *C. van Helden (1870), waarna *G.L. Funke M.'s vaste uitgever werd en de laatste afleveringen van deze bundel (1871), en de bundels 4 (1872-1873), 5 (1873), 6 (1873) en 7 (1874-1877) uitgaf. Overigens wilde Funke dat M. voor de zevende bundel Ideën (en evt. volgende bundels) een nieuwe titel zou kiezen. Immers, aldus redeneerde hij, potentiële lezers, die de vorige bundels Ideën niet hadden gekocht, zouden deze bundel niet kopen vanwege de titel die suggereert dat het een vervolgwerk betreft (brief van Funke aan M. d.d. 13 maart 1874, VW XVI, p. 459). M. bleef echter bij zijn Ideën.

Vanaf 1870 gaf Funke (goedkope) herdrukken van de Ideën uit; voor ƒ 5; per vel stelde hij M. in de gelegenheid deze bundels te herzien en te corrigeren. Van enkele stukken uit de Ideën verschenen tijdens of na M.'s leven afzonderlijke publikaties. Bijv. van *Vorstenschool, dat in de vierde bundel Ideën was opgenomen maar waarvan Funke in 1875 - toen het stuk zou worden opgevoerd - een afzonderlijke uitgave op de markt bracht. Hierna verschenen nog verschillende aparte uitgaven van Vorstenschool. De *Woutergeschiedenis, die begonnen werd in Ideën I, werd na M.'s dood door Mimi als de roman Woutertje Pieterse uitgegeven. Ook van dit werk verschenen meerdere herdrukken.

Op verzoek van *J. de Geyter veranderde M. in 1874 de nummering van de derde, vierde en vijfde bundel van de Ideën. Idee 541-569 (derde bundel) werd 541-928, Idee 570-658 (vierde bundel) werd 929-1046, Idee 657-719 (vijfde bundel) werd 1047-1050. Hierdoor zou het verwijzen naar gezegden (aforismen) in de Ideën eenvoudiger worden.

In de vorm van een brief aan zijn uitgever, d'Ablaing van Giessenburg, kondigt M. in Over vryen

arbeid (1862) zijn plan aan om Ideën te gaan schrijven:

'AAN DEN UITGEVER

Waarde d'Ablaing!

Neen, er zal niet gezegd worden dat niemand beproefde den vloek te bezweren die er rust op het volk. 't Zal niet gezegd worden dat niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat volk lydt: de leugen. Ik zal doen wat ik kan. Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van een werk dat ik zoëven bedacht heb. Ik zal u elke week een vel druks leveren. Ja, als ik 'n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbind my voorlopig tot het schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus - als ik geen goede kamer heb - voor een half jaar. Geef dat uit naar uw goeddunken. By intekening, zonder intekening... voor veel geld, voor weinig geld... het scheelt my niet. Ik zal in dat schryven trachten naar waarheid. Dát is myn program. Dat is myn enig program.

Ik zal geven: verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededelingen, paradoxen... Ik hoop dat er een idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeling, in elke opmerking. Noem dus myn werk: IDEëN. Anders niet. En schryf er boven: "een zaaier ging uit om te zaaien" [*zaaier]. Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophefen hooghoud: parceque suivre bannière ne peux!' (VW II, p. 261)

In februari en maart 1862 werkte M. aan de eerste helft van de bundel, waarvan vel 11 en 12 op 22 april het licht zagen, in juli werkte hij aan de tweede helft van de eerste bundel waarvan op 13 november vel 24-26 verkrijgbaar was (advertentie in het Algemeen Handelsblad, VW X, p. 702). De kopij ontstond van dag tot dag en werd van dag tot dag gezet. De drukproeven werden op ongeregelde tijden via een loopjongen gebracht. M. bracht correcties en eventuele tekstuitbreidingen aan waarna de tekst gedrukt kon worden. Ondertussen werkte M. aan nieuwe kopij (VW XI, p. 23-24). Het aantal intekenaren op de Ideën bedroeg op 31 december 1864 694, later steeg het aantal tot 740.

Over de inhoud van de eerste bundel schrijft M. in het voorbericht bij de zesde druk, die in 1879 verscheen: 'Men bedenke overigens dat alle geschriften naar de dagtekening moeten beoordeeld worden, en dat zeer veel denkbeelden die heden onder de gemeenplaatsen kunnen worden gerangschikt, in 1861 en '62 voor gewaagde paradoksen werden uitgekreten.' (VW II, p. 667)

In de voorrede bij de vijfde druk van de eerste bundel Ideën, verschenen in 1872, klaagt M. dat deze bundel met uitzondering van *Feringa's recensie in De Vrije Gedachte (1873), nooit in een Nederlands tijdschrift besproken is. Hij vergeet hierbij de door hem zelf 'zeer welwillend' genoemde recensie van *Lachmé in De Dageraad van 1862 (Idee 321, VW II, p. 511). Overigens werden de volgende bundels wel met regelmaat besproken in de pers. N.a.v. de eerste bundel Ideën verscheen in 1862 het vlugschrift Ideën over Multatuli met het motto '... en zaaide onkruid' (uitgegeven door J.P. Revers te Dordrecht). In hetzelfde jaar verscheen ook Ideën van Malletuli (*J. van Brussel).

G. Stuiveling karakteriseert de Ideën als volgt: 'De schijnbaar ongeordende notities van gedachten, plannen, wensen, kritieken en stemmingen vormen tezamen zomin een wijsgerig systeem als een gesloten kunstwerk, doch wèl de belijdenis van een ondogmatisch en origineel man (...) Laatste anti-specialist uit onze letteren, schreef hij over alles: over Indië en Holland, over politiek en godsdienst, over wiskunde en poëzie, over opvoeding en roulettes, over èlk onderwerp, dat hem de gelegenheid schonk het tegendeel te laten zien (...) Ondanks het onjuiste van vele meningen, het verouderde van vele polemieken, het onvoltooide van de Wouter-geschiedenis, het onevenwichtige van Vorstenschool, het verbrokkelde van de gehele opzet, blijven de Ideën het boeiendste proza, dat de gehele negentiende eeuw heeft voortgebracht' (Een eeuw Nederlandse letteren, 1941, p. 130-131)

In 1887 en 1902 verschenen registers op de Ideën door respectievelijk J.J. van Laar en C.A. Wienecke.

Illustraties, In de zesde bundel Ideën (1873) klaagt M. over het feit dat nog geen enkele kunstenaar illustraties bij zijn werk heeft gemaakt, dat misschien niet 'modern-hollands' maar wel 'echt' - 'en dit betekent iets meer' - is: 'Wie zal eens eindelyk met kryt, griffel of penseel iets natekenen van m'n schetsjes? Zyn ze misschien niet goed genoeg voor de ideeënryke beoefenaars van: één heer met één hond en één haas onzer schilderytentoonstellingen en museums? Ben ik dan de enige artist in ons verrot Holland? Anathema! In 't Buitenland achten zich de eerste kunstenaars zeer vereerd door 't illustreren der vodden van de Dumasjes en Victor Hugo ' (Idee 1171, VW VII, p. 214)

In Idee 735, waarin hij klaagt over het doodzwijgen van zijn werk door de pers, schrijft hij: 'Zelfs tekenaars en schilders - niet al te ryk gewoonlyk aan denkbeelden - schynen met heilgen eerbied myn werken, waaruit hier en daar wel enige indrukken zouden op te vangen zyn, voorby te gaan. Ben ik den schryvers een Jehovah, andere artisten verheffen my tot Allah "van wien men geen beelden maakt". Het voddigste vod van een vreemden [=buitenlandse] schryver - de Misérables, of de Travailleurs de la mer van Hugo, byv. - vindt terstond tal van stiften en penselen gereed ter illustratie.' (VW IV, p. 458)

Op 14juni 1861 vraagt M. zijn uitgever *F.C. Günst of hij de schilder-tekenaar Charles Rochussen (1814-1894) mag vragen om een vignet of titelgravure te maken voor de Minnebrieven (VW X, p. 476). Dit plan is nooit uitgevoerd. Zijn uitgever *G.L. Funke vraagt hij op 29 maart 1872 eveneens of het niet mogelijk is om vignetten bij (de herdruk van) zijn eerste bundel Ideën te laten vervaardigen. Hij geeft alvast een lijst van mogelijke ontwerpen voor een aantal Ideën. Enkele voorbeelden hiervan: bij het eerste Idee ('Misschien is niets geheel waar, en zelfs dát niet.') denkt hij aan 'Een dikbeschaduwd vraagteeken met vraagteekens er achter'; bij Idee 32 ('De noodzakelykheid is God. Meer weet ik van God niet te zeggen. En 't spyt me.') wil hij een vignet met daarop '2 x 2 = 4!' en bij Idee 34 ('Myn ideeën zyn de "Times" van myn ziel.') denkt hij aan een tekening van 'Een lezende kop met hoorn aan 't oor' (VW XV, p. 135-136). Funke antwoordt hem op 6 april 1872 alvorens een geillustreerde uitgave van de Ideën uit te geven, een proef te willen nemen met een geillustreerde uitgave van de *Woutergeschiedenis - die dan echter nog niet voltooid is (en nooit voltooid zal worden) (VW XV, p. 169).

In De Nederlandsche Spectator van 18 november 1875 vroeg Flanor (ps. van *C. Vosmaer) naar illustraties bij de Woutergeschiedenis. Pas in 1881, toen *Jacq. G. Robbers van Uitgeversmaatschappij Elsevier een vijfde druk van de Max Havelaar op de markt wilde brengen, werden de eerste illustraties bij M.'s werk gemaakt. *Jhr. Josias C. Rappard vervaardigde vijftien houtgravures bij de Max Havelaar, die echter niet werden opgenomen. De reden hiervan is niet bekend, maar heeft wellicht te maken met M.'s negatieve oordeel over deze illustraties. In een brief aan J. van der Hoeven (wsch. 19 februari 1881) schrijft hij dat hij Robbers zijn mening over de (proeven van) illustraties van Rappard heeft meegedeeld (VW XXI, p. 168). Uit een brief aan C. Vosmaer d.d. 19 februari 1881 blijkt dat hij Robbers naar Vosmaer, 'den auteur van tekst en teekening der Londinias', heeft verwezen voor een opinie over de houtgravures. In deze brief schrijft M. verder dat hij in de gravures humor mist, zoals die bijv. in de illustraties in Londinias voorkomt. Hij vraagt Vosmaer: 'Heb ik ongelyk, als conditio s.q.n. [conditio s.q.n: noodzakelijke voorwaarde] voor 'n illustratie te vorderen: òf dat de teekening als zoodanig zéér schoon zy, òf: dat de artist door 'n humoristisch-epigrammatisch sarkastisch-geestige opvatting, 'n vernuftigen weerslag geeft op den tekst, iets als gedachten-rym?' (VW XXI, p. 170)

De houtgravures worden bewaard in het Multatuli-Museum; in 1970 werden ze afgedrukt in Multatuli (serie Genie en Wereld, Hasselt) en in 1994 werden ze opgenomen in een uitgave van de Max Havelaar door Reader's Digest.

In Memoriam, Bij M.'s dood verschenen In Memoriams in o.a.: *De Nederlandsche Spectator, De Dageraad (*De Dageraad 2), *De Gids, Eigen haard, *De Lantaarn, De Nieuwe Gids, de *NRC, *De Portefeuille, Flandria, *Het Nieuws van den Dag, De Amsterdammer, Noord en zuid, Vragen van den dag, De Leeswijzer, het Nederlandsch Museum, *Het Leeskabinet, het Groninger Weekblad, het *Bataviaasch Handelsblad, het Tijdschrift van West-Indië, De Indische Gids, De Nederlandsche dicht- en kunsthalle, de Kölnische Zeitung, Die Nation, The Athaeneum. Veel van deze artikelen zijn opgenomen in deel XXIV van de Volledige Werken.

Indië (Nederlands-Indië), sedert de dagen van de VOC het meest uitgestrekte en produktieve wingewest van Nederland, werd in 1949 door officiële soevereiniteitsoverdracht als de staat Indonesië van Nederland onafhankelijk verklaard. Van 1839 tot 1856 was DD. er, met enkele onderbrekingen, als ambtenaar werkzaam. Zijn ervaringen daar waren doorslaggevend voor zijn verdere leven. Het Indisch beheer en politieke bestuur vormen een hoofdthema in Max Havelaar, Minnebrieven, Over vryen arbeid en Nog eens: vrye Arbeid. Behalve daar wordt Indië ook behandeld in Wijs mij de plaats; 'Brief aan de kiezers van Nederland'; 'Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste' en 'Brief aan Ds. W. Franeken Az.'.

De inrichting van het bestuur in Indië wordt door Multatuli in de Max Havelaar uiteengezet (VW I, p. 58 e.v.). In noot 14 (1881) merkt hij hierbij op dat het in 1860 volstrekt noodzakelijk was de Europese lezer te informeren over de inrichting van het Indische bestuur: 'En meer nog: op de hoofdplaatsen in Indië zelf was, kort geleden nog, 't mechanisme van ons Bestuur een gesloten boek.' (VW I, p. 320). Ook in zijn beide werken over Vrije Arbeid gaat Multatuli uitvoerig op dit onderwerp in.

In de Minnebrieven worden de uitzuigers van Indië aan de kaak gesteld in de *Kruissprook: 'Al wat er knaagt aan Insulindse knoken,/Al wat er zuigt aan de Insulindse koe,/Al wat er hangt aan d'afgestroopten tepel,/Al wat er zwelt van 't afgezogen bloed!' (VW II, p. 114)

En Multatuli waarschuwt verder: 'In Indië zal de stryd gevoerd worden om de wereldheerschappy. (...) Nederlands-Indië zal dus verdedigd moeten worden. Maar die verdediging zal zeer zwaar vallen, ja onmogelyk wezen, wanneer de inlandse bevolking gemene zaak maakt met de aanvallers... of met de ongeroepen beschermers, wat compleet hetzelfde is. En 't behouden van de Indische bezittingen zal gemakkelyk wezen, als de bevolking ons steunt.' (Minnebrieven, VW II, p. 81-83)

In Over Specialiteiten hekelt Multatuli de onbevoegdheid van de kamerleden om Indische belangen te behartigen: 'Indië gaat verloren - er is geen woord van waar, schrik dus nog altyd niet, ik stel maar iets - Indiën is in de war... vry-arbeid... kultuurstelsel... algemene ontevredenheid... ministeriële krises zonder eind... aardbevingen... overstromingen... echt liberale meerderheid... allerlei ongelukken. Alzo: Specialiteiten voor! Daar zyn ze. A kan kasi api zeggen. Hy is dus een halve Maleier, en the right man. Maar... B heeft het gebracht tot 'n soendaas tjokot seuneuh, en C tot 'n ongestameld javaans ndjaloek geni' [vert. (3): 'geef of breng me vuur'] (VW V, p. 525)

'Slechts zeer onopmerkzame lezers zullen deze bemoediging voor iets anders dan ironie hebben gehouden. (...) De toestand in Indië is erbarmelyk. De zaken gaan er zo hard achteruit als 'n franse maarschalk lopen kan.' (aantekening uit 1879 bij Over Specialiteiten, VW V, p. 640)

*Raad van Indië* gouverneur-generaal *resident *assistent-resident *regent *Insulinde

Indrukken van den dag, Onder deze titel gaf D.A. Thieme op 1 en 7 oktober 1860 twee brochures van M. uit. In nr. 1 is de *Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste (VW I, p. 391-429) afgedrukt, in nr. 2 M.'s brief *Aan de stemgerechtigden in het kiesdistrikt Tiel (VW I, p. 431-449)

Insulinde, 1. Naam door M. gegeven aan Nederlands-Indië. In het *pak van Sjaalman bevindt zich het opstel 'Over een konstitutie voor het Ryk Insulinde', waarbij Droogstoppel aantekent dat hij nog nooit van dit rijk gehoord heeft (VW I, p. 41). In 1862 maakte hij plannen voor een 'konstitutie voor het Ryk Insulinde', waarbij zijn vereersters (*Sietske Abrahamsz, *Marie Anderson, *Charlotte de Graaff, *Laura Ernst, *Mimi Hamminck Schepel en *Mathilde Lespirt) allen een taak zouden krijgen. M. wilde 'voor millioenen schatkistbilletten' gaan uitgeven om de wantoestanden op Insulinde aan te pakken (zie zijn brief aan Tine van wsch. 10 augusus 1862, VW X, p. 493). Het 'legioen der kinderen van Insulinde', zoals hij zijn vereersters noemt, moet hem 'helpen in den strijd tegen al wat laag en slecht is' (brief aan Tine, 10 september 1862, VW X, p. 689-690). Op 26 juli 1863 schrijft M. Mimi over dit 'legioen': 'Wat was (...) het wapen waarmeê ik de magt wilde veroveren die ik noodig had? 't Was de innige overtuiging in 't gemoed van anderen. En daarom zei ik herhaaldelyk, na Everdine eerst genoemd te hebben, er zyn er meer. Veel zyn er niet, dat's natuurlyk, maar toch er zyn er die gelooven dat ik een roeping heb, dat ik in staat ben die te vervullen, dat zy zich daarby moeten aansluiten, dat zy daaraan al hun kracht besteden moeten.' (VW X I, p. 172-173)

Sietske Abrahamsz beschrijft in haar 'Multatuli-herinneringen' diens plannen voor een machtsovername in Nederlands-Indië, waarbij M. 'Keizer van Insulinde' en zij 'Hertogin van Sumatra' zou worden. Mimi belooft hij een ereplaats in dit nieuwe rijk. Hij schrijft haar op 30-31 juli 1863: 'Insulinde, dat is, ja, vooreerst die verzameling van prachtige landen "die den evenaar omslingeren met 'n guirland van smaragd" maar later, later, zal 't den naam wezen van 't groote wereldryk dat ik stichten wil, en waarin ik u wil zien op de eereplaats.- (VW XI, p. 195)

Het plan de macht in Nederlands-Indië over te nemen heeft M. lang beziggehouden. In 1874 beschrijft hij nogmaals zijn 'zeer radicale plannen' in een brief aan Auguste H.E. Douwes Dekker, een zoon van Jan: 'Zoolang ik leef, geef ik niet op wat ik doen wil zooals ik in den Havelaar gedreigd heb, of althans loyaal gewaarschuwd. Na dien heeft Holland 't er waarachtig niet naar gemaakt om my te doen veranderen van opinie. Zoodra ik kan, doe ik wat ik gezegd heb. Myn incidenteel getob verandert niets aan de zaak.' (VW XVI, p. 593)

M.'s vele pogingen om aan 'millioenen' te komen om zijn plannen te kunnen uitvoeren, mislukten

(*fortuin maken). De strijd voor een beter Nederlands-Indië werd alleen op papier gevoerd.

2. Titel van de Nederlandse vertaling van The Malay Archipelago van A.R. Wallace (1869), door *P.J. Veth in1872 gepubliceerd.