Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

H

Haarlemmerdijk, straat in Amsterdamse volksbuurt. Het gezin van DD. vestigde zich tussen 1823-1827 aldaar op nummer 94, nadat het reeds van de Korsjespoortsteeg naar de Binnen Brouwerstraat was verhuisd. P. van 't Veer spreekt van 'een geleidelijke opgang in de wereld: van steeg naar zijtraat, van zijstraat naar hoofdstraat' (Het leven van Multatuli, 1979, p. 25). In een brief aan Tine van november 1845 schrijft DD. dat hij zich als jongen schaamde voor het feit dat hij op de Haarlemmerdijk woonde. Hij denkt dat Tine wellicht vroeger haar neus opgehaald zou hebben bij het idee een man te trouwen 'wiens ouders slechts op den Haarlemmerdijk wonen'. Ook anno 1845 'schaam ik mij nog het te zeggen, dat ik een burgerjongen ben, die op den Haarlemmerdijk woonde' (VW VIII, p. 532-533).

Hallemannetjes, de, In de *Woutergeschiedenis de naam voor de broers Gus en Fransje Halleman, 'd.z.b.f.w.' (=die zo bijzonder fatsoenlijk waren), met wie Wouter omging. Nadat ze bij Wouter aangedrongen hadden op geld (de vriendschap had hen al negen stuivers gekost - Wouter wordt door hen voor 'klaploper' uitgemaakt), zetten de Hallemannetjes een pepermunthandeltje op. Wouter legde een gulden in die hij gestolen had - hij kreeg geen zakgeld -, Gus en Fransje ieder een dubbeltje. Daags daarna krijgt Wouter te horen dat hij niet langer mee mag doen omdat de fatsoenlijke Hallemannetjes vermoeden dat hij niet eerlijk aan zijn geld is gekomen. Ze verdelen het geld 'eerlijk': Wouter krijgt acht stuivers van zijn ingelegde gulden terug (Idee 365, VW II, p. 531-537). M.'s commentaar hierbij luidt: 'Op deze waarachtige historie grondt zich myn ongeloof aan de buitengewone fatsoenlykheid van de Hallemannetjes, en ik hel over tot de mening dat dit fatsoen eigenlyk niets was dan 'n uitvindsel van Wouters moeder, omdat ze "nauw behuisd" was. 't Is de vraag of zy ooit iets zo byzonder fatsoenlyks zou ontdekt hebben in die kinderen, als zy kans had gezien Wouter met wat nut te gebruiken in 't huishouden.' (Idee 365, VW II, p. 537).
In een brief aan Mimi d.d. 21 augustus 1864, schrijft M. over het verhaal van de Hallemannetjes: 'De pepermunthandel is letterlijk waar. De jongens heetten Haverkamp' en dat ik een gulden stal is ook waar' (VW XI, p. 368).

Hamminck Schepel, Maria Frederika Cornelia-, (Mimi) Venlo 14 december 1839 - 's-Gravenhage 25 september 1930. Dochter van de militair Joannes C.P. Hamminck Schepel (1808-1870) en Maria Volck (1815-1863). Tijdens de catechisatielessen van *ds. Zaalberg, leerde zij in september 1861 *Marie Anderson kennen. Deze gaf haar de Minnebrieven te lezen, waarna Mimi, ruim voor 22 april 1862, een brief aan de auteur ervan stuurde. Op die datum namelijk verschijnt er op de omslag van de derde aflevering van de eerste bundel Ideën een oproep aan de anonieme schrijfster van die (al maanden oude) brief (VW X, p. 630), waaruit M. citeert. Marie Anderson meent terecht hierin Mimi's hand te herkennen en geeft haar M.'s adres. Op 28 april 1862 beantwoordt M. een niet bewaarde brief van Mimi (VW X, p. 631). Tot mei 1862 volgt een intensieve correspondentie, die echter door Mimi's vader niet wordt getolereerd: het contact wordt verbroken.
Op 2 juni wandelt M. met Marie Anderson door de Rijswijkseweg te Den Haag. Daar komen zij - welllicht niet toevallig - Mimi met haar twee jongere zusters tegen. Mimi geeft M., nadat de kinderen vooruit zijn gestuurd, door haar voile heen een kus. Twee dagen later schrijft hij haar, hevig verliefd, een brief, die door Marie Anderson wordt bezorgd (VW X, p. 667). Op 3 september ontmoeten zij elkaar weer, dit maal in Artis te Amsterdam, als Mimi bij haar oom Burlage logeert. Mimi wil het contact niet vernieuwen: haar moeder, die ernstig ziek is, verdient al haar aandacht (cf. de twee brieven van M. aan Mimi 10 en 11 september 1862, VW X, p. 686-693).

Zij zien elkaar nog een keer, ergens voor november 1862, bij M.'s broer Jan, die aan de Sophialaan in Den Haag woont. Op 5 februari 1863 behaalt Mimi haar 'Acte van bekwaamheid voor hoofdonderwijzeres' in de Franse taal. Begin maart 1863 ontmoeten M. en Mimi elkaar bij de familie Hotz, eu weer volgt een gepassioneerde briefwisseling. Aanvankelijk tracht Mimi, onder sterke druk van haar vader, M. op afstand te houden. M.'s brieven, bijvoorbeeld die van 9 en 16 maart 1863 (VW XI, p. 96 en 98 e.v.) tonen zijn wanhoop hierover.

Op 21 april, wanneer M. bij Hotz logeert, zien zij elkaar weer. Mimi's dagboek, dat M. van haar te lezen krijgt, maakt hem nagenoeg wanhopig van liefde, zij blijft echter elk verder contact afwijzen. Op 9 juni 1863 overlijdt Mimi's moeder na een lang en slepend ziektebed; op 24 juni deelt Mimi M. mee dat zij een half jaar geen contact met hem wil hebben, mogelijk wil zij zich nu in alle rust op haar toekomst beraden. De toon van de M.'s brieven wordt echter vanaf juni steeds vertrouwelijker en zelfverzekerder: uit haar dagboek leest M. dat zij werkelijk van hem houdt.

Begin augustus ontmoeten zij elkaar weer te Amsterdam. Er volgen wederom vele, lange brieven van M. Tine wordt naar vader Hamminck Schepel gestuurd om hem te overtuigen van M.'s edele motieven en goede gedrag (cf. VW XI, p. 244). Eind augustus ofseptember 1863 vertrekt Mimi uit Nederland. Zij reist via Arnhem naar Duitsland. In augustus 1864 is zij in Zwitserland, waar zij in Genève op een kweekschool werkt. Later nog zal zij bij een familie in Zuid-Frankrijk als gouvernante werken. Zij heeft M. in oktober in Parijs ontmoet, waar hij aan een vertaling van de Max Havelaar werkte. Marie Anderson vermeldt dat Mimi en M. hier voor het eerst 'lichaamsgemeenschap' hebben gehad (Uit Multatuli's leven, heruitgave 1981, p. 70).

In december 1864 is Mimi bij Tine in Brussel; op 8 maart 1865 komt zij uit Brussel naar Amsterdam om een voorstelling van De bruid daarboven bij te wonen. Uit aantekeningen van d'Ablaing blijkt dat zij op 16 maart besluiten samen te gaan wonen (op de zolderkamer van d'Ablaing), maar dat M. niet tot werken in staat is, zolang zij in zijn nabijheid is (cf. VW XI, p. 472-473).

Op 30 maart vertrekt zij, waarschijnlijk weer naar Brussel. Op 27 mei 1865 schrijft M. aan R.J.A. Kallenberg van den Bosch over Mimi: 'Buiten myn brieven naar huis, meestal niets inhoudende dan 't verzoek om toch moed te houden, schryf ik tegenwoordig alleen aan een meisje dat te Arnhem is; secondante op de kweekschool van onderwyzeressen. Ze is hartelyk en moedig.' (VW XI, p. 491)

Deze brieven zijn niet bewaard gebleven; de eerstvolgende gepubliceerde brief aan Mimi dateert van 7 december 1868. In december 1865 is Mimi weer te Amsterdam, vanwaaruit zij samen, met haar geld, meerdere malen naar Homburg reizen om hun geluk in het casino te beproeven (cf. VW XI, p. 528 e.v.). Begin 1866 is Mimi bij Tine te Brussel. Nadat M. zijn *klap heeft uitgedeeld, vertrekt hij op 17 januari naar Keulen. Mimi voegt zich daar bij hem. In Frankfurt werken zij samen aan een, in hun ogen onfeilbaar, systeem om in het casino te winnen. Mimi dient hiertoe telkens naar Homburg te reizen teneinde het systeem aan de praktijk te toetsen. Dit heeft succes, en regelmatig wordt er geld naar Tine gezonden. Eind februari is hun geluk en geld echter op. Er moet geld worden geleend van de uitgever Van Helden; hun speelsysteem blijkt te falen; in juni vertrekken zij naar *Koblenz (cf. VW XI, p. 559), waar ze samen van de magere inkomsten van M.'s 'Van den Rijn'-bijdragen leven.

Eind mei 1866 was Tine's armlastige situatie al aanleiding tot de circulaire 'Ten behoeve van Tine en de kinderen'; in juli vertrekt Tine naar Italië. Mimi heeft de plaats van Tine als levensgezellin van M. overgenomen. Later zal zij over hun verblijf te Koblenz schrijven: 'Zyn positie was ellendig, maar dat kon niet zoo blyven en als hy zeide:jou althans kan niemand my afnemen! dan was ik voldaan. Ook ik had zorg en smart, maar de grootte van zyn leed hield my staande en maakte my moedig. Er was iets groots in alles. We hadden ongelukken gehad en zaten daar als schipbreukelingen op een rots. Onze eenzaamheid, de schoone natuur, de groote geschiedenis die we zagen afspelen als een boeiend drama, 't was alles aangrypend. En dan met hem!' (VW XI, p. 627)

Op 8 februari 1867 schrijft M. aan Tine over zijn verhuizing naar Keulen, 'dat Mimi apart eene gelegenheid zou zoeken om zich dan beter te kunnen vertoonen en iets [nl. werk] te zoeken'. Maar 'Er was reeds lang geen spraak meer van 2 aparte woningen te kunnen huren en te betalen, dus één woning gezocht' (VW XII, p. 64). De volgende jaren zal Mimi in Duitsland als de echtgenote van M. door het leven gaan. In april 1868 is er nog even sprake van dat Mimi met geld van haar vader 'een betrekking ver weg [nl. van M.]' zal zoeken. 'En nu is er kwestie van dat ze naar Weenen gaat.', aldus M. in een brief aan Tine d.d. 11 april 1867 (VW XII, p. 190, 191). In een brief aan mw. Flemmich legt hij uit dat hij met Mimi om zich heen niet tot werken in staat is. Het is overigens helemaal niet zeker of Mimi in Wenen een baan zal vinden (brief van 14 en 15 april 1867, VW XII, p. 193). Op 24 december van dat jaar is zij bijna. in Keulen, van waaruit de laatste aan Tine schrijft: 'Mimi is een voorbeeld van trouw en moed geweest. Ze heeft honger geleden. Niet by wyze van spreken, maar indedaad, en nooit heeft ze geklaagd. Zy heeft my letterlyk in 't leven gehouden. Nu maakt zy (omdat ik drukte heb) de stukken voor de Courant.' (VW XII, p. 579)

Dit zijn de 'Van den Rijn'-berichten, die M. schreef voor de Opregte Haarlemsche Courant. In 1868 tracht Mimi een Duitse vertaling van de Max Havelaar te maken en hoopt zich in de techniek van de fotografie te bekwamen (brief van M. aan Tine d.d. 22 april 1868, VW XII, p. 779). Beide plannen waren niet succesvol: de vertaling is puur 'woordenboeken duits', over fotografie wordt later niet meer gesproken.

In januari 1869 wordt met geld van Mimi een huis in Den Haag ingericht aan de ZW Binnensingel 18. Vanaf 22 februari wonen M., Mimi, Tine en de kinderen samen, tot deze *ménage à trois in juni 1870 uiteenspat. Mimi keert samen met M. naar Duitsland terug.

Sinds 1872 heeft Mimi zich ook met literair werk beziggehouden: zij maakt vertalingen en schrijft later ook eigen werk, onder het ps. Helo‹ze. In 1873 schrijft zij het verhaal 'Vier en twintig uren op reis', dat pas in augustus 1874, door bemiddeling van Mina Krüseman, in het tijdschrift Nederland (deel II, p. 350-411) wordt gepubliceerd. Aan origineel werk verscheen verder van haar: 'Eva', in De Nederlandsche Spectator (1874); 'Gelijk hebben', in De Nederlandsche Spectator (1875-1876); 'Twee vrouwen. Proeve van een tooneelspel in vijf bedrijven', in Nederland (1876) dl. I, p. 109-169; 'Met vuur gespeeld', in Nederland (1877) dl.I, p. 36-65.

Mimi vertaalde verder nog: Uit Fanny Lewalds bundel Villa Reunione, Erzählungen eines alten Tanzmeisters: 'Cesare Cesarini', mogelijk als feuilleton in Het Nieuws van den dag, ca. eind 1872;

Uit Leopold von Sacher Masochs bundel Das Vermächtniss Kains: 'Marcella' (uit het Frans als 'Le conte bleu de bonheur'), gepubliceerd in Het stuivermagazijn, ca. augustus 1873; Van Elisa Lynn Linton: Meliora latent, verschenen als premie-uitgave voor de geabonneerden op Het Vaderland (1875); Van James Payn Twee Vondelingen, in Het Nieuws van den dag, 6-7 januari 1877; 'Een bezoek te Marpingen', vertaling uit de Rheinischen Kurier, in het zondagsblad van Het Nieuws van den dag, 7 oktober 1877. Verder stelde zij de bloemlezing Multatuli, bloemlezing door Heloïze samen (1876; *bloemlezingen 2.). Het plan voor deze bloemlezing was al op 11 november 1874 door uitgever G.L. Funke geopperd.

Mede door Mina Krüsemans bemoeienis, besluiten M. en Mimi, nadat Tine in september 1874 te Venetië is overleden, te trouwen. De plechtigheid wordt op 1 april 1875 te Rotterdam voltrokken, waar M. zich op dat moment met de opvoering van z'n Vorstenschool bezighoudt. M. en Mimi konden zelf geen kinderen krijgen, Mimi had voor dit probleem al in 1873 een vrouwenarts bezocht (zie VW XVI, p. 92). Op 8 maart 1878 adopteert Mimi *Wouter, terwijl M. op lezingtournee in Nederland is. Na M.'s dood keert Mimi terug naar Nederland, waar zij van 1887 tot 1898 bij Willem Paap in Amsterdam woont. Hier stelt zij in 1890 de eerste Woutertje Pieterse bloemlezing uit de Ideën samen (*Woutergeschiedenis). Daarop volgt, met hulp van Paap, de uitgave van de Brieven van Multatuli, die van 1890 tot 1896 in tien delen bij W. Versluys verschijnt (tweede uitgave in 1910).

In 1901 schrijft zij Multatuli en de officiëele bescheiden, dat ook bij Versluys te Amsterdam verschijnt. Zij bespreekt daarin twee publikaties over M.'s tijd als ambtenaar. In 1904 woont zij aan de Duinweg 26 te Scheveningen. Later woont zij in Den Haag, waar gedurende zesentwintig jaar mw. A.C. Everts haar verzorgster en huisgenote zal zijn. In 1907 stelt zij de Briefwisseling tusschen Multatuli en S.E.W. Roorda van Eysinga samen. Verder helpt zij in deze tijd de Duitse Multatuli-apostel Wilhelm Spohr bij zijn werk. Ook bezorgt zij veel uitgaven van M.'s werken, die ze van voor- of nawoorden voorziet. In 1929 wordt haar 90ste verjaardag groots gevierd.

Na een heupfractuur komt zij in het Bronovo-ziekenhuis, waar zij in september aan een longontsteking overlijdt. Mimi had vier zusters en een broer, met wie zij regelmatig contact onderhield: Annetta Hamminck Schepel, 1844-1931. In 1863 toonde M. ook interesse in haar. Marie Anderson schrijft dat zij zich in een logement te Delft 'aan hem overgaf' (Uit Multatuli's leven, heruitgave 1987, p. 34). Later werd zij opvoedkundige: zij werkte in Berlijn als hoofd van het Pestalozzi-Fröbelhaus en in 1898 in Londen in het Sesame House for Home Life Training te Londen. Daarnaast vertegenwoordigde zij Duitsland bij het World's Congress of Representative Women te Chicago (1893); Christina Johanna Jacoba Hamminck Schepel, 1848-1928, trouwde in 1872 met Allard Merens; Elisabeth Louisa Hamminck Schepel, 1841-1934, verpleegster; Frederika Maria Hamminck Schepel, 1853-1931, trouwde in 1876 met Frederik Hendrik Arend Pool; Johan Albrecht (Albert) Hamminck Schepel, 1843-1901, leraar in Amerika, Japan en België.

Havelaarzaak, de, nl. het recht doen aan de in de Max Havelaar gedane beschuldiging 'dat de Javaan mishandeld wordt'. In de Minnebrieven en Over vryen arbeid wijst M. op de miskenning van de strekking van zijn boek (zie bijv. VW II, p. 19 en 106-107). De zaak komt verder herhaaldelijk aan de orde in de Ideën. Bijv. in een noot bij Idee 70, waarin M. schrijft dat hij nog lange tijd 'de al te naieve hoop' gekoesterd had 'dat er dan toch eens eindelyk recht zou geschieden in de Havelaarzaak' (VW II, p. 674).

In Idee 227, waarin Thorbeckes ministerschap in 1862 aan de orde komt, schrijft hij dat diens eerste taak 'De Havelaar-zaak uitmaken' is (VW II, p. 435). Dat de liberalen de Havelaarzaak weer aan de kant schuiven ('dat is: de mishandeling van de indische bevolking') lezen we in Idee 322 (VW II, p. 511).

*bewijsstukken van de Havelaarzaak *jhr. H.C. van der Wijck

Heeckeren tot Waliën, Johan Constant Wilhelm, baron van-, 1819-1868, trouwde op 6 augustus 1846 met *Henriëtte barones van Wijnbergen, zuster van Tine. Van Heeckeren was in 1845 naar Nederlands-Indië vertrokken, waar hij vanaf 1851 kommies te Buitenzorg was. Van 1854 tot 1856 ging hij met verlof naar Nederland, in 1857 werd hij assistent-resident van Tebing-Tingie in de residentie Palembang. Een jaar later werd hij wegens ziekte eervol uit de functie ontheven en keerde hij terug naar Nederland.
In 1859 - het echtpaar woonde toen in Den Haag - gaf Henriëtte Tine ƒ 20,- om door te kunnen reizen naar Jan Douwes Dekker, op voorwaarde dat Tine haar man zou schrijven dat hij een betrekking als matroos of hofmeester moest gaan zoeken. Tine voldeed hieraan, maar krabbelde onderaan de brief: 'deze brief is politiek en "ik moet zoo schryven"'. DD. antwoordde dat hij de 'zoogenaamde hulp' van de Van Heeckerens een 'canaillestreek' vindt (1 september 1859, VW X, p. 34), en schrijft in zijn volgende brief:'Ik ben slecht, gemeen, lui, al wat je wilt, goed! Maar dan moet gij zeer ongelukkig zijn; dan moet hun streven zijn U te helpen zonder mij, en oppervlakkig is het logisch dat zij om U te redden vorderen dat gij U van mij afscheurt.' (4 september 1859, VW X, p. 40)

Een maand later is DD. nog steeds woedend op Van Heeckeren: 'Ik ben dank schuldig aan v. Heeckeren, hij heeft mij de gal doen overloopen. Je zult zien dat hij ook een tik krijgt. De tijd van zachtheid is voorbij.' (brief aan Tine, 13 oktober 1859, VW X, p. 78) Deze 'tik' kreeg Van Heeckeren in de Max Havelaar, waarin DD. Droogstoppel een brief laat lezen van een 'bloedverwant wiens naam in Nederland aanzienlyk is': 'Het scheen iemand te zyn die yverig werkt voor den Heer, want hy schreef "dat de vrouw van Sjaalman zich moest laten scheiden van zulk een ellendeling, die haar armoed liet lyden, die zyn brood niet kon verdienen, die bovendien een schurk was, omdat hy schulden had... dat de schryver van den brief met haar lot begaan was, schoon zy zich het lot had op den hals gehaald door eigen schuld, daar ze den Heer had verlaten en Sjaalman aanhing... dat ze tot den Heer moest terugkeren, en dat dan de hele familie misschien de handen zou in éénslaan, om haar naaiwerk te bezorgen. Maar vóór alles moest ze scheiden van dien Sjaalman die een ware schande was voor de familie.' (VW I, p. 265; cf M.'s brief aan W. Pik d.d. 24 maart 1876, VW XVI:I, p. 323)

Met de schulden doelt M. op zijn schuld aan de *tantes, door Van Heeckeren als een welkom middel gebruikt om M. te bekritiseren.

Helden, Christiaan van, 1839-1900, nam in 1864 de boekhandel-uitgeverij van zijn vader over. Drie jaar later kwam zijn twee jaar jongere broer Stephanus in de zaak. Op 1 januari 1870 fuseerden beide broers en vestigen de firma 'Gebroeders van Helden'. Een jaar later werd de firma ontbonden en werd C. van Helden failliet verklaard.

In 1867 gaf hij M.'s geschrift Een en ander naar aanleiding van J. Bosscha's Pruisen en Nederland uit en in 1870-1871 verzorgde hij de eerste drie afleveringen van de derde bundel Ideën. De laatste aflevering van deze bundel werd door G.L. Funke, die in 1871 de rechten van deze bundel voor ƒ 1000 had gekocht, voltooid. M. ontving ƒ 1040 auteurshonorarium van Van Helden (VW XV, p. 426).

Al in 1870 verkeerde deze uitgever in grote financiële moeilijkheden waardoor hij M. niet langer kon betalen. 'Hebt ge 't er dan op toegelegd my dood te martelen? schrijft deze hem op 16 mei 1871 (VW XIV, p. 551). Het einde van het zakelijke contact tussen M. en Van Helden leidde niet tot conflicten: in 1875 was Van Helden getuige bij M.'s tweede huwelijk en in 1878 organiseerde hij M.'s lezingentournee.

Heloïze, ps. van *Mimi Hamminck Schepel als samenstelster van de bloemlezing uit M.'s werken (*bloemlezingen 2). ln 1874 publiceerde zij onder dit ps. al enkele stukjes in Nederland en in De Nederlandsche Spectacor.

Herdrukken, titel van een bundel stukken (voorzien van noten) van M., uitgegeven bij R.C. Meijer in1865. Hierin zijn opgenomen: *Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb; Japanse gesprekken; *Geloofsbelydenis; *Gebed van den onwetende; *De School des Levens; *De Zegen Gods door Waterloo; *Brief aan den Gouverneur Generaal in ruste; Brief aan Ds. W. Francken Az. (*Francken Az.). Deze stukken werden nog in hetzelfde jaar door R.C. Meijer uitgegeven als Verspreide Stukken.

Herendiensten, In 1854 schreef het nieuwe Regeringsreglement voor dat de herendiensten wettelijk geregeld moesten worden en dat ze elke vijf jaar moesten worden herzien, met het doel ze geleidelijk te verminderen. In het 'tweede bewys dat de Javaan mishandeld wordt' (Minnebrieven, VW II, p.122-123), gaat M. in op de arbeid van de Javaan, die onderverdeeld kan worden in zes categorieën, waarvan de eerste twee herendiensten zijn t.b.v. de 'eigenaars van partikuliere landeryen' en de 'Inlandse hoofden en beambten'. Daarna volgt de arbeid ten behoeve van de contractanten, de particulieren (de zgn. Vrije Arbeid) en het Gouvernement (het zgn. Cultuurstelsel). Als laatste categorie noemt M. de arbeid 'ten eigen behoeve': 'Hiertoe ontbreekt meestal de tyd, en dan komt de hongersnood.'. 'Herendienst, onbetaalde arbeid, onbetaalde levering van allerlei zaken, bedraagt in geldswaarde méér, véél meer, twintigmaal meer' dan de van de Javanen afgenomen buffels, vervolgt hij (VW II, p. 130).

Hoëvell, Wolter Robert, baron van, 1812-1879, geb. te Deventer, predikant te Batavia, medeoprichter en van 1847 tot 1849 redacteur van het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Hij kwam op voor de belangen van de Javanen en toonde zich een voorstander van *Vrije Arbeid (die term is van hem afkomstig). Van 1849 tot 1862 was hij Indië-deskundige van de liberalen in de Tweede Kamer, waar hij het *Cultuurstelsel bestreed. In 1860 zei hij in een zitting van de Tweede Kamer dat een zeker boek (d.i. de Max Havelaar) 'een zekere rilling' door het land had doen gaan (VW X, p. 316).

Van Hoëvell en M. hadden in dat jaar meerdere ontmoetingen, de liberalen hoopten nl. de Max Havelaar bij hun oppositie te kunnen gebruiken. Onder het ps. Jeronimus schreef Van Hoëvell verhalen in het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Deze verhalen werden door M. gewaardeerd; hij bewerkte er één van tot de parabel van de *Japanse steenhouwer. In de Max Havelaar spreekt Havelaar lovend over de verhalen van Jeronimus (VW I, p. 149). In noot 92 (1881) bij de Max Havelaar schrijft M. hierbij: 'Wel jammer dat deze publicist, gedeeltelyk uit gebrek aan kennis van Indische toestanden - hy was volbloed Bataviaan - meer nog misschien uit persoonlyke behoeft aan 'n schelle leus, zich door den klank van 't woordje: vry, verlokken liet tot het ophemelen van den zogenaamd-vryen Arbeid. Het wawelen over dezen opgedrongen topic heeft jaren lang de aandacht afgetrokken van hoofdzaken (...)' (VW I, p. 339-340)

In een noot bij Idee 534 noemt hij Van Hoëvells boek Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet (2 dln., Zaltbommel, 1854). Hij schrijft dat Van Hoëvell in de Duitse vertaling (ca. 1872) had verklaard dat er inmiddels veel verbeterd was aan de situatie van de slaven en dat M. dit had horen te vermelden in de Engelse vertaling van de Max Havelaar. M. vraagt zich af of Van Hoëvell hiermee soms bedoelt dat zijn eigen positie is verbeterd; hij is nl. Staatsraad geworden (VW III, p. 441; cf. brief aan S.E.W. Roorda van Eysinga d.d. 24 oktober 1872, VW XV, p. 427).

Holm, personage uit *De Bruid daarboven. J. Saks geeft in Eduard Douwes Dekker, zijn jeugd en Indische jaren (Rotterdam, 1937, p. 72-73) aan dat het model van Holm terug te vinden is in de burgerman Saint-Preux uit Julie, ou la nouvelle Héloise (1761) van *Rousseau. Hij laat zien dat beide personages tot in enkele details gelijken. Saint-Preux zegt bijvoorbeeld, wanneer hij Julie voor zich meent te hebben gewonnen: 'Puissances du ciel! J'avais un âme pour la douleur, donnez-m'en une pour la félicité!'; (Fr. Hemelse machten! mijn ziel was gewend aan smart, went haar ook aan gelukzaligheid!) wanneer Holm denkt Caroline verloren te hebben, zegt zij: 'En gij, Hemelsche Magten, laat het gebroken hart van den zoon tot voldoening strekken van de zonden des vaders...'. Volgens Saks heeft M. wel de 'donkere partijen' van het voorbeeld 'aangedikt'.

Holsma, dokter-, personage uit de *Woutergeschiedenis. Hij is niet alleen dokter, maar tevens zielearts en ideale opvoeder. Het gezin van dokter Holsma met zijn vrijzinnige begrippen en ongedwongen levenshouding wordt door M. tegenover de vlakke burgerlijkheid van de familie Pieterse gesteld. Dr. Holsma leert Wouter zijn onbeteugelde fantasie te beheersen en steeds zijn plichten te vervullen. Hij geeft de kleine Wouter gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen. M. verkondigt via deze intellectuele, athe‹stische arts veel van zijn eigen ideeën. Carel Vosmaer schrijft in zijn Studiën over Multatuli's werken (Garmond-editie 1899-1901, dl. I, p. 31-33): 'In Holsma's gezin vindt Wouter de vroolykheid en ongedwongenheid, waarvan hy geen besef had, het gezonde, menschelyke dat hem moet opvoeden en redden. Wouter is onthutst, verbysterd - hy begrypt niet dat de wereld niet vergaat. Klimmen dien kinderen dien deftigen dokter zoo maar op schouders en knieën? Is dat diezelfde dokter, wiens beerenvellen en gouden pen hun allen t'huis zoo'n hoog idee van zyn deftigheid hadden gegeven?'

Hooft, Pieter Cornelis, Amsterdam 1581 - Den Haag 1647, prozaschrijver en dichter. In 1609 werd hij door Maurits benoemd tot drost van Muiden, baljuw van Gooiland en hoofofficier van Weesp. In 1610 trouwde hij met Christina van Erp. Nadat zijn vrouw in 1624 was overleden, huwde hij in 1627 Eleonora Hellemans, weduwe Bartelotti. De zomers bracht Hooft door op het Muiderslot, dat weldra een ontmoetingsplaats werd voor letterkundigen, die met de Muiderkring worden aangeduid.

Zijn hoofdwerk, de Nederlandsche Historiën (20 'boeken', Amsterdam, 1642), is in de stijl van Tacitus geschreven. M. hield niet van Hooft en van de Muiderkring. In Idee 1240 schrijft hij: 'Wat er van de "verlustigingen" op 't Muiders slot tot ons kwam, boezemt my geen hoog denkbeeld in van 't zielevoedsel waarmee Hooft en z'n geestverwanten tevreden waren in hun ónverlustigde uurtjes. Ik weet zeer goed dat velen hierover anders denken of liever dat velen zich nog altyd opdringen, fyn geestelyk levensgenot te vinden in 't gerymel en de redekavelingen van den "Muiderkring".' (VW VII, p. 464)

In Idee 731 schrijft hij over Hooft:'Deze boekenmaker levert een der duidelykste voorbeelden van de apigheid die zovelen bederft. Niet alleen schreef hy 'n croustilleus latyn-hollands - z'n frasen lyken op geschroeid leer - niet alleen bootste hy den styl van Tacitus na - zegge: diens schryfmanier, een groot verschil! - een testimonium paupertatis dat hem, N.B. door onze hoog-en zeer-geleerde letterbeotiërs als verdienste is aangerekend, maar hy vond er geen bezwaar in, hele volzinnen onveranderd over te nemen, en dus brutaal te stelen, zodat eigenlyk welbeschouwd, Tacitus medewerker is geweest aan de "Nederlandse Historiën". Dat droomde de man niet, toen hy z'n boekjen over de Germanen schreef!' (VW IV, p. 455-456)

In Idee 1017 vergelijkt hij de Nederlandsche Historiën met Tacitus' Historiae, en laat aan de hand van een groot aantal door Hooft bijna letterlijk overgeschreven passages uit de Historiae, zien 'hoe vreemd er soms is omgegaan met het begrip: oorspronkelykheid' (VW VI, p. 302-305).

*Vondel

Hoogmoed, M. schrijft verscheidene malen dat hij hoogmoedig is. Hij gebruikt het woord hoogmoed echter in een andere betekenis dan de gebruikelijke; bij hem is hoogmoed letterlijk de moed om hoog te staan, het durven nemen van risio's: '(...) als ik zeg dat ik tracht naar hoogmoed, en naar 't recht om hoogmoedig te wezen, dan bedoel ik daarmee niet zo'n domme, leerlingachtige, ultra-christelyke, eigengerechtige, zelfgenoegzame jongensverwaandheid.' (Idee 133, VW II, p. 336)

Idee 220 luidt: 'De hoogste graad van moed is hoogmoed.' (VW II, p. 434). Hij vindt het niet terecht dat men hem hoogmoed verwijt. Immers, hoogmoed is nodig om daden te stellen. In een brief aan Mimi d.d. 27-28 juli 1863 legt hij dit aan de hand van een voorbeeld uit:
'-"Wie zal die bres bestormen?"
- "Ik".
- "Die man is hoogmoedig!"
O zeker, hy is hoogmoedig - zyn gemoed staat hoog en hy heeft den moed zich zelf hoog te stellen. Doch als men hem hoogmoed toekent als verwyt, dan vorder ik dat men wachte tot hy vreest en weigert te doen wat hy zeide. Maar dan is er geen kwestie van hoogmoed meer, dan zou 't verwyt luiden: "je was een laffe, gemeene, leugenaar, een grootspreker, een bedrieger."' (VW XI, p. 171)

*H.A. des Amorie van der Hoeven *nederigheid

Hotel, 1. *Bijbelhotel

2. Hotel König von Preussen te *Kassel

3. Hotel Maréchal de Turenne, te 's-Gravenhage, op de hoek van de Lange Houtstraat en de Casuaristraat. Hier logeerde DD. tijdens zijn verlofin 1852 en 1861. ln die tijd was *Führi de eigenaar. Tijdens het laatste verlof raakte DD. er met baron Van den Hoëvell en drie leerlingen van de kostschool Noorthey in een geanimeerd gesprek (VW X, p. 417).

4. Hotel Multatuli, Mainzerstrasse 255 in *Nieder-lngelheim. M.'s laatste woonhuis *Auf der Steig

werd in 1953 tot een hotel omgebouwd (Atte Jongstra, De Multatulianen, 1985, p. 226-230). In 1963 bezocht W.F. Hermans dit hotel. Hij deed hierover verslag in zijn 'Hotel Multatuli', opgenomen in Het Sadistische universum (dl. 1, Amsterdam, 1964).

5. Hotel 't Rondeel, Doelenstraat te Amsterdam, thans Hotel de l'Europe. M. logeerde er voor het eerst in augustus 1863 (brief aan Mimi d.d. 9-10 augustus 1863, VW XI, p. 215). Later logeerde hij er wel tijdens zijn lezingentournees.

6. Het Poolsche Koffiehuis, logement en drinkgelegenheid in de Kalverstraat 15-17 te Amsterdam, de uitbater was *Hermanus Mijnhardt. Droogstoppel verbleef er regelmatig en schreef daar zijn brief aan Ludwig Stern (Max Havelaar, VW I, p. 21 en p. 233). M. legt in noot 2 (1881) bij de Max Havelaar uit dat dit koffiehuis 'vooral 'n verzamelpunt voor zekere klasse van beursgangers.' was (VW I, p. 309). Hijzelf logeerde er in november-december 1859, tijdens zijn

onderhandelingen met *J. van Lennep (VW X, p. 138 en p. 174). Vanaf maart 1860 verblijft hij er opnieuw: 'Het publiekje in dat koffiehuis is heel vriendelijk. Iedereen kent mij' (brief aan Tine, 27 maart 1860, VW X, p. 423). Op 2 mei schrijft hij Tine: 'De menschen hier (P.K.) zijn allerliefst, ik kan 't niet genoeg roemen. Maar 't slot is toch betalen!' (VW X, p. 434).

In september 1861 is het koffiehuis nog steeds zijn adres in Amsterdam. Aan Mimi schrijft hij op 13 augustus 1864 dat hij de Minnebrieven gedurende zijn verblijf aldaar schreef (VW XI, p. 361).

7. Rotterdamsch Hotel, een eenvoudig hotel te Weltevreden (Java). M. logeerde er enkele malen na de Lebak-affaire (Lit. Paul van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 354 en p. 380).

8. Hotel de Toelast te 's-Gravenhage, op de hoek van Achterom en Groenmarkt, 'waar de vooraad van gerechten waarlyk tegen groter onbescheidenheid bestand is, dan ik nodig heb me te veroorloven', aldus M. in Over Specialiteiten (VW V, p. 496). Hij vertoefde er o.a. tijdens zijn onderhandelingen met minister *Rochussen in 1868 (VW XII, p. 692). De rekening (ƒ 1000, waarvan ƒ 200 betaald) bleef hem tot in 1878 achtervolgen (*Zuur).

9. Hotel Weimer, aan de Spaanse Kade te Rotterdam. In februari 1862 bood M. hier zijn bewijsstukken uit de Max Havelaar ter inzage (ingezonden stuk van M. in de NRC, VW X, p. 399). Ook tijdens zijn lezingentournees in de jaren 1878-1881 logeerde hij regelmatig in dit hotel (zie bijv. VW XIX, p. 42 en VW XX, p. 175).

Hucht, Guillaume Louis Jacques (Willem) van der, 1812-1874, echgenoot van Sara Johanna Pen (1811-1844). Hij exploiteerde op Parakan Salak een half theeland. In 1844-1845 verloor hij zijn vrouw en zijn twee dochters. In het voorjaar van 1845 raakte hij bevriend met M. (*Salak). In 1848 hertrouwde hij met Mary Pryce (1830-1894). Terug in Nederland werd hij lid van de Tweede Kamer en vriend van minister Rochussen. M. ontmoette hem ten huize van J. van Lennep. Van der Hucht bood hem, uit naam van Rochussen, een 'eervolle lucratieve en winstgevende betrekking in de West' aan (noot bij Idee 942, VW VI, p. 377), wanneer hij de Max Havelaar niet zou laten verschijnen (25 november 1859, VW X, p. 137). M. heeft hem daarop 'de deur uitgevloekt' (zie zijn brief aan V. Bruinsma d.d. 11 februari 1880, VW XX, p. 324). *Scotsman

Huldeblijk, In maart 1882 werd een circulaire rondgestuurd, waarin 'landgenooten ' werden uitgenodigd deel te nemen aan het 'Huldeblijk aan Multatuli'. Een commissie, bestaande uit de heren *J. Versluys, S.J. Bouberg Wilson, *F. van der Goes, *D.J. Korteweg, *W. Paap, Jan C. de Vos, *J.A. Roessingh van Iterson en *J. Zürcher, wilde met dit Huldeblijk M.'s geldzorgen verlichten. Zij slaagde erin een bedrag van ƒ 22.500 in te zamelen, waarvoor een lijfrente voor M. van 2400 mark en voor Mimi van 1000 mark werd gekocht. Er restte een bedrag vanƒ 5700 (waarvan ƒ 2700 nagekomen gelden uit Indië), dat M. contant ontving. Mimi heeft na M.'s dood haar lijfrente genoten totdat de Duitse mark na de oorlog van 1914-1918 nauwelijks meer iets waard was.

Onder de zeventig ondertekenaars van het Huldeblijk bevonden zich: *W.B. Bergsma. *P.A.M. Boele van Hensbroek, *V.A. Bruinsma, *P.A.A. Collard, *W. Doorenbos, *Engel Douwes Dekker, A.N.J. Fabius, *G.L. Funke, *A.J. le Gras, *J.H. de Haas, *J.N. van Hall, *H. Hartog Heys van Zouteveen, *D.J.A. en *J.M. Haspels, *B.H. Heldt, J. Israels, *R.J.A. Kallenberg van den Bosch, *A.S. Kok, J. de Koo, *D. de Lange, L. Leopold, *A.C. Loffelt, *D.R. Mansholt, J. van Maurik, H.W. Mesdag, *M. Nijhoff, *W.A. Paap, *M.T.H. Perelaer, *A. Pierson, *J.G. Robbers, *S.E.W. Roorda van Eysinga, *F. Smit Kleine, *P.A. Tiele en *C. Vosmaer.

Om deze actie niet te laten mislukken, zoals bij een inzameling (*Multatuli-Commissie 3) in 1870-1871 was gebeurd, besloot men de actie geheim te houden. Dit mislukte echter en een discussie barstte los in de pers. De Maasbode, De Amsterdammer, De Middelburgsche Courant, Het Vaderland, Het Nieuws van de dag, De Tijd, De Locomotief en Het Algemeen Handelsblad blijken felle tegenstanders van het plan.

M. toont zich teleurgesteld over de lijfrente: 'Zéker is 't dat het meer zal gelyken op 'n ouwemannig pensioentje dan op 'n schitterend huldeblyk. (...) Ik weet nu precies wat ik in de oogen van al die geestverwanten waard ben. Het is die armzalige taxatie die me grieft, en dit zou zoo blyven al kwam de finantieele uitslag ten behoeve van 'n ander. (...) Dat het Huldebl. my niet instaat stellen zou groote plannen uittevoeren voorzag ik. Maar dat het ook in eenvoudig-burgerlyken zin zoo armzalig zou uitvallen, neen, dàt had ik niet gedacht! lk weet nu waaraan ik me te houden heb. Laffe, flauwe ontzenuwende kappelmannige zuinigheid is nu de boodschap. Dat breekt me! Ik heb nu 't zelfde inkomen (zegge met dat van mimi er by) als toen ik 43 jaar geleden als 19 jarig jongetje klerk by de algemeene Rekenkamer te Batavia was. En toen gaf myn vader er my 80 gl. smaands by! We weten nu wat toe juiching, opgang en god-onttronen in Holland waard is!' (brief aan J.M. Haspels van 31 mei en 16 juni 1882, VW XXII, p. 280-281; VW XXII, p. 298)

Enkele maanden later is hij milder gestemd over het Huldeblijk wanneer hij J.M. Haspels schrijft: ' 't Lykt ondankbaar als ik, wat den uitslag van dat Huldeblyk aangaat, verdrietig ben. (...) Maar de grief over die mislukking wordt waarlyk verzacht door zooveel offergeest en trouw als ik van sommigen ondervind, waaronder gy in de eerste plaats!' (27 oktober 1882, VW XXII, p. 436)

Humor, In Idee 158 geeft M. de volgende definitie van humor: 'Humor is 't weergeven van de Natuur, anders niet. (...) De Natuur zelve namelyk, is zeer humoristisch. Ja, zy alleen is humoristisch, en meer nog, ze is altyd humoristisch. Dat zal ik straks aantonen. Wat wy humor noemen, is kopy daarvan' (VW II, p. 383).

Over humor in de literatuur schrijft M. in Idee 1052b dat *Feith, *Helmers, *Loots en *Tollens zich nooit aan humor 'vergrepen', *Wolff en Deken ' één van de twee althans' wel, *Loosjes 'eventjes' en *Bilderdijk 'heel eventjes, byna niet, en altyd met God'. *Staring is volgens hem de meest humoristische auteur. De humor van andere Nederlandse auteurs is niet echt, vervolgt hij, want nagevolgd van buitenlandse auteurs: '(...) wie de duitse litteratuur wil leren kennen van 1760 af, tot... hm, hm... toe, moet zich 'n compleet stel hollandse Letteroefeningen en Muzen-almanakken aanschaffen. Daarin vindt men alles - neen, byna alles - zo ongeveer tegen den tyd toen men 't in Duitsland begon te vergeten.' (VW VI, p. 483-486)

*Saphir *illustraties

(Lit. over humor in M.'s geschriften: G. Stuiveling, 'Humor, Ironie en Sarcasme bij Multatuli', in: De Lach in de Literatuur, Den Haag, 1955; als overdruk verschenen in Geschriften van het Multatuli-Genootschap, no. II)

Huwelijk, In M.'s verlovingsbrieven aan Tine (oktober 1845 - april 1846; *verlovingstijd) komt het huwelijk meerdere malen ter sprake. Zijn gedachten hieromtrent zijn bijzonder modern. Veel zaken met betrekking tot het huwelijk zijn volgens hem te zeer 'omsluijerd': 'reinheid wordt niet bewaard door onwetendheid' (24-27 oktober, VW VIII, p. 505).

Blijft men na het huwelijk elkander beminnen, 'dan is er geen band noodig. Zoo niet, dan is die band drukkend, onmenschenlijk en immoreel' (5-8 november, VW VIII, p. 526).

Op 26 maart schrijft hij haar over de huwelijksnacht, die zij te *Tjikalong zullen doorbrengen: 'Wij zullen te zamen theedrinken, en ik die anders nog al stoutmoedig ben, zal er tegen opzien U eene kus te geven. - Waarschijnlijk zullen wij beide verlegen zijn. (...) Schrijf mij eens goed, mijn Engel hoe gij verkiest dat ik te Tjikalong omtrent U handel. Ik wil noch "niais" wezen door te groote beschroomdheid, noch U krenken door te groote familiariteit. Geloof mij dat uw wil op dit punt mij heilig wezen zal.- Maar let goed hierop: bijna alle andere bruiden zouden mij hierop antwoorden: "behandel mij als zuster" maar zij zouden er bij denken: "Ik hoop toch dat je niet onnozel genoeg zijt, om te denken dat ik het meen" Zie je, en dan zouden zij zich over eene te groote gehoorzaamheid beklagen. Doe dat niet Eefje, - gij zijt altijd zoo opregt geweest als meisje, - wees het niet ten halve nu gij spoedig mijne vrouw wezen zult.' (VW VIII, p. 662-663)

M.'s huwelijk met *Everdina Huberta, barones van Wijnbergen (Tine) vond plaats op 10 april 1846 te *Tjandjoer in de Preanger Regentschappen. Op 1 april 1875 trouwde hij voor de tweede keer. Dit huwelijk met *Maria Frederika Cornelia Hamminck Schepel (Mimi) werd te Rotterdam voltrokken. Het huwelijk met Mimi vond slechts plaats om een eind te maken aan de 'verdrietelykheden die 'n onzuivere positie altyd veroorzaakt'. 'Nog voor my noch voor haar zyn de formaliteiten noodig, maar in de Maatschappy levende...' schrijft hij op 9 maart 1875 aan J.N. van Hall (VW XVII, p. 502). Op 8 mei 1881 schrijft hij R.J.A. Kallenberg van den Bosch: 'Ik blyf er by dat het huwelyk - als 't schoolgaan! - een noodzakelyk kwaad is. De maatschappy kan 't niet missen, maar op den individu werkt dàn slechts het huwen niet nadeelig als-i niet veel - of niets - beteekent.' (VW XXI, p. 292)

In Idee 451 herinnert hij zich een huwelijkskwestie in Indië over een meisje dat wilde trouwen, maar volgens de nieuwe wet te jong daarvoor was. M. liet het meisje bij zich komen, zag duidelijk 'dat ze onder de oude wet voorschot had genomen op de nieuwe, en trouwde haar' (VW III, p. 95).

*Agatha *Mattheus

Hysterie, psychisch ziektebeeld dat aanvankelijk in verband gebracht werd met het psychoseksuele leven, met name bij vrouwen. In Idee 199-210 gaat M. in op de opvoeding van meisjes, die volgens hem ' 'n moorddadige opstand tegen 't goede' is: meisjes worden zeden en deugd bijgebracht die tegen de natuur indruisen. Deze opvoeding leidt tot hysterie (een 'minotaurus onzer zeden') omdat de natuur zich niet laat weerhouden. In Idee 201 vervolgt hij:

'Juist: Minotaurus! 't Is een veelslachtig wezen met 'n muil als een statenbybel, en een reusachtige breikous tot achterlyf dat uitloopt in een borduurnaald. En de naam van 't monster is: hysterie! Het eet meisjes, meisjes, altyd meisjes... En als er een Theseus komt, die 't lelyk dier op den kop slaat, noemt ge dien Theseus een slechte kerel. Ouders die uw kinderen liefhebt, moogt gy de bondgenoten zyn van 't beest? (...) Ik zeg u dat 'k stryden zal tegen den minotaurus, met of zonder uw hulp...dat is nu myn zedelykheid.' (VW II, p. 415)

In de Woutergeschiedenis noemt M. Femke hysterisch, waarna hij uitlegt hoe dit woord op te vatten. Hysterie is namelijk vaak 'misbruikt, en naar 't standpunt van den spreker verwrongen, dat het byna ongeschikt geworden is tot gebruik in gezonden zin': 'Ik heb mee te delen dat Femke hysterisch was. Hoe moet ik 't nu aanleggen om te voorkomen dat men zich haar voorstelle als 'n smachtende bleke teringachtige gemankeerd-belangwekkende lyderes? Als 'n wurmstekige bloemknop, vóór 't ontluiken verlept? Dit was ze niet! Ze was 'n flinke meid, naar lichaam en ziel gezond, en gereed om alles te worden wat 'n mens, in den besten zin des woords, worden kan. Ze was hysterisch, ja, maar ze was dit niet méér en niet ànders dan ze in harmonie met haar ouderdom wezen moest. Ze smachtte niet naar wellust - en zelfs ze dacht er niet aan! - maar in allergezondsten zin oefende de onbewust ontwakende geslachtsdrift invloed uit op haar zedelyk gevoel. (...) Ze was hysterisch omdat ze compleet was. Kan ik 't helpen dat men er aan gewoon geraakt is, dit woord byna altyd te horen gebruiken in den zin van overcompleet?' (Idee 1068, VW VI, p. 712-713)

Ook aan Wouter ontbreekt het 'hysterisch element' niet, want: 'wie 't weglaat by mens-schilderen of geschiedschryven, is 'n knoeier of 'n huichelaar, d.i. beide tegelyk' (Idee 119, VW VII, p. gr). *krankzinnigheid