Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

E

Edu, d.i. Jan Pieter Constant Eduard Douwes Dekker, Amsterdam 1 januari 1854 - Nice 4 maart 1930, zoon van M. en Tine, stond model voor de kleine Max in de Max Havelaar. Sedert het vertrek uit Lebak in 1856 is hij vrijwel geheel zonder zijn vader opgegroeid (*Everdina H. van Wijnbergen). Slechts gedurende korte perioden vervoegde M. zich bij zijn gezin: 'nog geen zeven maal dertig dagen' aldus de Schoondochter in De Waarheid over Multatuli en zijn gezin (p. 183). De familie is bijeen in de perioden juli-augustus 1859 te Vis' en Maastricht (VW VIII, p. 25); 15 januari tot 15 juni 1860, 10 december 1860 tot half februari 1861, 5 november 1861 tot 20 januari 1862 en januari 1863 te Brussel; april 1863 logeert M. met Edu bij de fam. *Hotz te Den Haag; oktober tot half november 1863 is de familie bijeen te Brussel; maart 1864 logeert het hele gezin bij Hotz te Den Haag; april, begin oktober en eind november tot 17 december 1864 weer samen te Brussel; begin maart 1865 te Amsterdam (uitvoering van De Bruid daarboven); eind september 1865 te Amsterdam. Edu blijft daar bij de familie van *David Koning logeren tot 1 juli 1866. Zijn moeder ontvluchtte eind maart 1866 Brussel en nam met *Nonnie haar intrek bij de uitgever *d'Ablaing van Giessenburg te Amsterdam. Edu bleef bij de familie Koning logeren; op 1 juli 1866 vertrokken Tine, Edu en Nonnie naar Milaan (eerst wonende in de Via del Circo (De waarheid over Multatuli en zijn gezin, door 'De Schoondochter', 1939, p. 218), waar Edu twee jaar op school (een 'cole technique) zat (VW XI, p. 642, 702, 721, 731): 'hij leert voor Ingénieur te worden' aldus Tine, die zelf met Nonnie van november 1866 tot april 1868 op het internaat Le Comte-Vigo (Via di Rugabella) werkte en woonde. Edu logeerde bij de Omboni's, bezocht na schooltijd vaak het museum van natuurkunde (science naturelle) waar de directeur hem 'voorthelpt', en het ziekenhuis, waar zijn 'handigheid in het ontleden' opvalt (VW XII, p. 274, 705 en VW XIII, p. 124).

Nadat Le Comtes internaat failliet gaat, wonen Tine en de kinderen in een appartement aan de 'Bastini di porta Garibaldi', nr. 1 (VW XIII, p. 51). In augustus 1868 bereidt Edu zich voor op examens in de chemie en toelatingsexamens van de 'latijnse school' (VW XIII, p. 124). Daarbij heeft hij dan nog zijn eerste betaalde baantje (De waarheid, p. 226): op het bureau van een lapjeswinkel, waar hij de Franse correspondentie kopieert. Hoewel hij de toelatingsexamens voor de Latijnse school haalt, is hij er niet school gegaan: men kon de inkomsten uit zijn baantje niet missen. In november 1868 is Edu dagelijks werkzaam in het museum, 'om de praktijk te leren', waarbij hij veel aanleg voor de wetenschap toont (VW XIII, p. 205, 238 en 240). In februari 1869 vertrekken Tine en de kinderen naar Den Haag waar, samen met M. en Mimi aan de Zuidwest Binnensingel 18 wonende, de tragische *ménage à trois tot 1 juni 1870 duurde. Terug in Italië nemen Tine en de kinderen hun intrek bij de familie Omboni te Padua. Edu komt op een handelskantoor in Milaan terecht, waar hij de Franse correspondentie doet.

Van februari tot juli 1872 werkt hij te Londen op het bureau van een hotel. Na een kort bezoek aan M. en Mimi (VW XV, p. 276 en 301) keert hij terug naar Italië, waar hij op kantoor komt bij de bankier *Blumenthal te Venetië. Van zijn inkomen, aangevuld door geld van *Potgieter, leeft de familie. Na 1873 wonen zij aan de Fondamenta Bollani no. 1059 - Wanneer Tine in 1874 sterft, blijft Edu te Venetië bij de bank, en is volgens de Schoondochter (De waarheid, p. 280) dan inmiddels tot particulier secretaris van de directie opgeklommen. In september 1877 komt Edu naar M. en Mimi in Wiesbaden. Volgens M. moest Edu Venetië verlaten wegens financiële malversaties (VW XIX, p. 606), de Schoondochter vermeld echter dat Edu door M. een functie in Indië of een studie aan een Duitse universiteit in het vooruitzicht werd gesteld, en daarom zijn baan had opgegeven.

Edu arriveert te Wiesbaden met een vriendin, de 'gravin Edelsheim von Berlichingen' (VW XVIII, p. 722-725), die door M. de deur wordt gewezen. Op 29 november keert Edu terug naar Padua (waar de Omboni's wonen), nadat was gebleken dat alle plannen van M. op niets waren uitgelopen (zie M.'s brief aan G.L. Funke d.d. 15 december 1877, VW XVIII, p. 776-786).

Edu leeft in Padua van journalistieke arbeid en bezoekt als toehoorder colleges aan de universiteit. In augustus 1878 komt hij via Parijs te Den Haag aan, waar hij door oud Oost-Indisch ambtenaar Gerard du Rij van Beest Holle wordt geholpen. Hij ontmoet zijn vader in Delft op 12 februari 1879 (VW XIX, p. 671). Van het plan in Leiden medicijnen te gaan stu- deren komt niets terecht. Edu komt door bemiddeling van zijn vader wel te werken in het 'Museum van plastische leermiddelen' van *). van der Hoeven (mei 1879, zie VW XIX, p. 649). In april 1880 krijgt Edu ƒ 500 van Van der Hoeven om in Italië 'kunstschatten' te kopen (De waarheid, p. 443). Volgens M. is het geld van Van der Hoeven gestolen om naar Italië te vluchten (VW XIX, p. 472). Edu keert terug naar Padua (Via Colmellon 484; zie VW XX, p. 523), waar hij wederom van journalistiek werk leeft en colleges aan de universiteit volgt, met het plan arts te worden. M. raakte steeds meer overtuigd van Edu's slechte karakter, en omschreef hem eens als 'zedelyk kleurenblind' en 'krankzinnig slecht'. Na 1880 wenste hij niet langer met zijn zoons daden geconfronteerd te worden; hij zag verlangend naar het bericht van Edu's dood uit.

Als in september 1880 *Frederik Marius Bogaardt in het Dekkersduin wordt vermoord, meent M. dat zijn zoon de moordenaar is, en hij meldt dit persoonlijk aan de Haagse politie. In 1891 schrijft Edu twee ingezonden brieven aan het weekblad De tribune, die op 28 januari van dat jaar in een artikel, getiteld 'kermispret', de publikatie van M.'s correspondentie door Mimi, had bekritiseerd. In deze twee brieven (afgedrukt in A.S. Kok, Multatuliana, Baarn, 1903, p. 67-72), schrijft Edu bovengenoemd artikel met instemming te hebben gelezen. Hij betwist Mimi's eigendomsrecht op de door haar gepubliceerde brieven.

In juni 1891 keert Edu terug naar Nederland waar hij een baan tracht te vinden als journalist. Na het behalen van zijn diploma Middelbaar Onderwijs A., begint zijn carrière als leraar in de Franse taal: tot 1894 werkt hij als tijdelijk leraar aan het openbaar gymnasium te Rotterdam, daarna aan de HBS te Sappemeer. Op 22 september 1896 trouwt hij te Foxhol met Annetta Gerharda Post van Leggelo (1870-1962).

In 1903 behaalt hij het diploma Middelbaar Onderwijs Frans B., waarna hij in 1907 bij de HBS te Gouda wordt aangenomen, waar hij tot zijn pensioen in 1921 zou blijven werken. Zijn haat tegen zijn vader zou hem op de herdenkingsdag van de vijftigste verjaardag van de Max Havelaar in 1910 (*Multatuli-Commissie 5), hebben doen uitroepen: 'Dekker was een ploert en deze hulde onwaardig' (aldus).G. Götze; zie J. Pée, Multatuli en de zijnen, i937, p. 361).

In 1913 nemen Edu en zijn vrouw de verweesde kinderen van *Theodoor Swart Abrahamsz in huis. Na zijn pensionering wonen zij achtereenvolgens te San Remo en Nice, waar Edu op 4 maart 1930 overlijdt.

Evenals zijn vader, had Edu literaire ambities: naast zijn journalistieke werk zou hij toneelstukken hebben geschreven. Zelf noemt hij in een brief aan Sietske Abrahamsz de titel 'Un sogno (zie J. Kortenhorst, 'Een brief van Multatuli's zoon van 25 augustus 1887 in: SIC, 1990, nr. 5, p. 60-75). Hij hoopte ooit een biografie van zijn moeder te publiceren onder de titel Posthuma (Pée, p. 341). De verwezenlijking hiervan bleef achterwege (*Douwes-Dekker Jr., Eduard).

De correspondentie tussen M. en zijn zoon, waaruit hun slechte verstandhouding nog eens blijkt, zou later leiden tot een der meest beschamende polemieken in de Nederlandse literatuur (W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987, p. 202). Julius Pée beschrijft in zijn Multatuli en de zijnen Edu als een leugenachtig monster, vrij algemeen gehaat door familie, collega's en oud-leerlingen. Edu's weduwe schreef onder het pseudoniem 'De Schoondochter' daarentegen in haar De waarheid over Multatuli en zijn gezin in de meest lovende termen over hem, wijst op M.'s abominabele vaderschap en neemt haar echtgenoot in bescherming tegen Du Perron en Ter Braak, die Pée bijvielen. *Annetta G. Douwes Dekker - Post van Leggelo

Eeden, Frederik van, Haarlem 1860 - Bussum 1932, arts, romanschrijver. Onder het ps. Cornelis Paradijs publiceerde hij in De Nieuwe Gids parodiërende gedichtjes op de huiselijke en stichtelijke gedichten van die tijd. In 1898 stichtte hij de idealistische woon- en werkgemeenschap 'Walden' te Bussum.

In een brief aan J. Zürcher d.d. 7 februari 1886 (VW XXIII, p. 566) schrijft M. vol lof over Van Eedens Grassprietjes (1885), en De kleine Johannes (in De Nieuwe Gids in 1885; in boekvorm verschenen in 1887). Nadat M. en Van Eeden enkele jaren met elkaar gecorrespondeerd hadden, ontmoetten zij elkaar in mei 1886 te Nieder-Ingelheim, toen Van Eeden uit Italië terugkeerde van zijn huwelijksreis. (Hij was getrouwd met Martha van Vloten, de dochter van M.'s aartsvijand *J. van Vloten.) *Pietje en Mietje

Eerloze, de, titel van een toneelstuk van M., die hij later omdoopte tot *De Bruid daarboven.

E.H.V.W., initialen van *Everdina Huberta van Wijnbergen (Tine), M.'s eerste vrouw. M. droeg zijn Max Havelaar aan haar op, waarbij hij alleen haar initialen vermeldde. Pas in de vierde druk uit 1875 - de eerste door M. gecocrigeerde druk -, wijzigde hij deze initialen in haar volledige naam; zij was toen net overleden.

In het twaalfde hoofdstuk van de Max Havelaar zegt Tine dat haar man, Havelaar, deze letters vertaalde als: 'Eigen haard veel waard' (VW I, p. 154).

Enschedé en zonen, de firma Joh., In 1703 stichtte Izaak Enschedé (1681-1761) in Haarlem de boekdrukkerij, die sinds 1737 de *Opregte Haarlemsche Courant uitgaf.

Van 10 juli 1866 tot 28 decentber 1869 was M. correspondent van deze krant (*'Van den Rijn'-bijdragen). De krant werd toen geredigeerd door Jan Justus Enschedé (1807-1887), Johannes IV Enschedé (1811-1878) en Adriaan Justus Enschedé (1829-1896). In januari 1866 was P. Bruijn als mederedacteur in dienst genomen. Op 18 november 1866 noemt C. Busken Huet in een brief aan M. Jan Justus Enschedé als 'de invloedrijkste dier heeren (drie in getal)' (VW XI, p.742). In zijn brief aan M. d.d. 9 juli 1866, sprak Busken Huet al van de 'heeren Enschedé', namens wie

hij M. ƒ 50,- aanbood voor zijn 'Van den Rijn'-bijdragen (VW XI, p. 626).

Erfeniskwestie, Na het overlijden van Tine's grootmoeder, Judith Geertruid van Wijnbergen-d'Aulnis, op 21 juni 1832, dacht M. dat Tine recht had op een aanzienlijke erfenis; in een brief aan Tine d.d. 11 februari 1853 spreekt hij van 'de zaak met de ƒ 30/m.' (VW IX, p. 303). Hij meende namelijk dat Tine aanspraak kon maken op een deel van het miljoenenvermogen van de nakomelingen van Beat Fischer (1641-1698), de Zwitserse grondlegger van een groot postimperium dat van 1675 tot 1831 bestond. De grootmoeder van Tine, Maria Gertruida Savelkoels was in 1797 getrouwd met Charles Lodewijk Fischer, een directe nakomeling van Beat Fischer. Toen de erfenis op zich liet wachten, was M. ervan overtuigd dat het geld werd achtergehouden en ging hij zelf op onderzoek uit naar Tine's familiekapitaal in Culemborg. Wanneer het geld binnen is, aldus schrijft hij Tine, 'heb ik een magnifiek plan. Om namelijk heel op mijn gemak Doctor in de letteren en in de regten te worden. Behalve dat zoude het nog wel kunnen gebeuren dat ik mij een tijdje bij eene akademie liet inschrijven.' (VW IX, p. 303).

Tine's aandeel bleek echter niet meer dan 1/18 van de nalatenschap te zijn. Een 'rêve aux millions' (Fr. droom van miljoenen) noemde M. deze erfeniskwestie ook wel. In de Max Havelaar gaat Havelaar op zoek naar de erfenis: in zijn verbeelding werd iets 'geboren', 'wat men een rêve aux millions zou kunnen noemen' (VW I, p. 101-102). In noot 50 (1881) hierbij schrijft hij over de werkelijkheid: 'Nu, 'n rêve was 't eigenlyk niet. De aanspraak is verjaard, en 't lust me nog altyd niet, den zeer interessanten familieroman te behandelen, die hiermee samenhangt. Ook stuit ikzelf, vooral ten gevolge van den diefstal der bescheiden waarvan ik in den tekst melding maak, op enige duisterheden. Toch is 't voor my van belang, hier te doen opmerken dat sommige personen en familietakken die de hier aangeroerde byzonderheden beter begrypen dan de gewone lezer, onder de venynigste vervolgers van Havelaar behoorden. Hun belang bracht mee dat hy niet aan 't woord kwam, of althans niet in de gelegenheid om zekere mysteriën te ontsluieren.' (VW I, p. 331) (J. Kortenhorst, 'Correspondentie van Eduard en Pieter Douwes Dekker', in: Tirade, jrg. 19, 1975, nr. 210, p. 599-628; VW IX, p. 317-319)

Na het overlijden van Mimi's neef in 1885, was er opnieuw sprake van een aanzienlijke erfenis. M. schrijft hierover op 22 maart 1885 aan G.L. Funke. De neef 'die schatryk moet zyn geweest', had vrouw noch kinderen en ook geen broers of zussen, waardoor elk lid van de familie Hamminck Schepel (door M. 'Schepeltje' genoemd) recht zou hebben op 1/96 deel, 'maar de man was zóó ryk dat ieders aandeel toch zeker over de 10/m zou bedragen', aldus M. De

erfenis ging echter niet door omdat Mimi's moeder niet meer in leven was; alleen via haar hadden de kinderen Hamminck Schepel een deel van de erfenis kunnen bemachtigen (VW XXIII, p. 325; cf. zijn brief aan C. Vosmaer d.d. 4 juni 1885, VW XXIII, p. 357).

*Perrette

Ernst, Laura, Koningsbergen ca. 1829 - Bremen 1875, Duits toneelspeelster, sedert 1848 werkzaam bij verschillende gezelschappen. Aan haar engagement aan het Hoftheater te Karlsruhe (1849-1856) ontleende zij het recht zich bij gastvoorstellingen 'Grossherzoglich Badische Hofschauspielerin' te noemen. Op 3, 7 en 12 februari 1863 trad zij bij liet Duitstalige gezelschap Van Lier in het Grand Théatre te Amsterdam op als Isaura in Die Schule des Lebens oder die Königstochter als Bettlerin van Ernst Raupach. De geringe belangstelling voor de meeslepende invulling van haar rol inspireerde M. tot zijn essay *De School des Levens (VW III, p. 35-40), dat geplaatst werd in het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad van 6 februari 1863. A1s dank hiervoor gaf Laura Ernst hem een portret met een opdracht (VW XI, p. 95).

M.'s voorstel aan Koningin Sophie om Laura Ernst aan het hof te laten optreden, werd afgewezen (VW XI, p. 93). Om 'te genezen van verdriet', zond hij haar naar Tine in Brussel (cf. brief aan Mimi d.d. 17 maart 1863, VW XI, p. 106). Jaren later was hij echter beduidend minder positief over haar voordrachtskunst: 'Ze was 'n allerordinairste beroeps-artiste. Eigenlyk 'n dégoutant schepsel. De Kunst was haar slechts een métier. Maar in dat métier was ze knap. Noch vroeger noch later heb ik ooit iemand zoo hooren reciteeren, niet declameeren noch acteeren, neen weinig meer dan lezen. Ik wist niet dat zóó iets bestond. Muziek haalt er niet by!' (brief aan C. Vosmaer d.d. 28 april 1874, VW XVI, P. 532)

Etymologie, woordafleidkunde. Om de geschiedenis van een volk te leren is de etymologie uiterst bruikbaar, schrijft M., die in zijn werk verscheidene malen aandacht besteedt aan de etymologie. Al in het *pak van Sjaalman, vinden we een opstel 'Over etymologie als hulpbron bij ethnologische studiën' (Max Havelaar, VW I, p. 41). In zijn Divagatiën noemt hij de etymologie 'die schone handleiding tot beoordeling van volksleven en ontwikkeling der mensheid' (VW V, p. 375).

In M.'s memoriaal zijn uit de periode na zijn kennismaking met *C.F. Riecke in juni 1872, uitgebreide etymologische aantekeningen te vinden, die in de VW onder de titel 'notities over taal' zijn opgenomen (VW XV, p. 787; VW XVIII, p. 585; VW XIX, p. 33 en 563, VW XX, p. 578; VW XXI, p. 566; VW XXII, p. 670 en VW XXIII, p. 520).

In Idee 1064 schrijft M. na een tirade over spelling, over het ontstaan van *taal. Hij meent de bron van de taal te hebben gevonden in klanknabootsingen uit de riatuur en kapittelt: 'Wie de hier opgegeven voorbeelden in gedachte houdt, zal niet licht om 't verschil in voorkomen alleen de verwantschap ontkennen, die er tussen schynbaar heterogene woorden bestaan k n. En van hier af, tot het opsporen en vinden van die verwantschap, is de overgang niet moeilyk.' (VW vt, p. 682-683; *Max Müller)

Hij illustreert zijn stelling met de gekko, een dier die zijn naam aan de nabootsing van zijn roep te

danken zou hebben. Verder leidt hij het Franse aboyer, het Engelse to bark, het Duitse bellen en ons blaffen af van de klank 'ba, bah, bla, bwa, of zoiets'. In de Woutergeschiedenis verkondigt Oom Sybrand een soortgelijke mening, die geillustreerd wordt met de, aan het kippenhok ontleende, klank köllökköllökköl (Idee 1062, VW VI, p. 639-642). In de Millioenen-studiën wordt de naam van vele rivieren afgeleid uit de klank rho of rhoe (VW V, p. 305), dat de beteke-

nis 'de stroom' zou hebben gekregen. In noot 43 van de Max Havelaar noemt M. de benamingen van de Indonesische muziekinstrumenten gong, anklong en gamelan onomatopeeën (VW I, p. 329).

Etymologen ('taalmeesters') worden door M. herhaaldelijk bekritiseerd. In een noot bij Idee 512 bespreekt hij de herkomst van het woord gauw, dat volgens hem afgeleid is van het woord gauwdief ('de betekenis van dit gau, heeft oorspronkelyk niets te maken met spoed'), terwijl de etymologen menen dat het juist andersom is. En van het woord honved ('de benaming der Hongaarse militie, later scheldwoord') maken de etymologen hondsvot, waarover M. spot:

'Dit rehabiliteert de juffrouw van den koekbakker, die clairvoyance tot "kleer van jansen" omknoeide. IK vraag 'n professoraat in de letteren voor die dame.' (VW III, p. 423)

Bilderdijks etymologische verklaring van het woord rust wordt door M. in Idee 1047b beaamd, ondanks zijn overtuiging dat Bilderdijk '- zelf mank gaande aan 't euvel der schoolmeestery -', dit woord 'eigenlyk niet [had] mogen verklaren': 'Hy heeft er op gewezen hoe die klank de begrippen

beweging en stilstand in zich verenigde, en wel bepaaldelyk den stilstand aanduidt die op beweging volgt.' Na uitleg hiervan vervolgt M.: 'Het woord rust is alzo een zeer oude, of juister nog: de geheel oorspronkelyke voorstelling van een der eerste gecompliceerde denkbeelden, waarvan zich 't Mensdom rekenschaf gaf, en bewyst o.a. den adel van een deel der germaanse talen, boven 't door staatkundig overwicht geparvenieerd Grieks en Latyn.' (VW VI, p. 400-401)

In Idee 1047e gebruikt M. bovenstaande etymologische verklaring voor de volgende stelling:

'Op gelyke wyze als 't woord Rust ontstaan is door de vermenging van twee ongelyksoortige bestanddelen, schynt ook de menselyke ziel zekere hoedanigheid te bezitten, die voortgebracht wordt door twee verschillende soorten van traagheid.' (VW VI, p. 409)

M.'s ideeën over oertaal en etymologie worden kritisch besproken in twee artikelen van Jan Noordergraaf: 'Multatuli's ideeën over taal' (Over Multatuli, 1979, nr. 4, p. 21-36) en 'Multatuli en de taal van Ur' (Over Multatuli, 1994, nr. 32, p. 3-20). *Cimber *mens *Rock

Etzerodt, Stéphanie, *Omboni-Etzerodt, St'phanie