Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

D

Dagboek, 1. Zelfbespiegelingen en mededelingen van M. die in 1885 werden gepubliceerd door *C. Busken Huet in het artikel 'Multatuli' in Onze Hedendaagsche Letterkundigen (1882-1887) van *J. ten Brink. Het betreffen fragmenten uit M.'s *'Brief aan A.C. Kruseman', geschreven tussen 25 februari en 16 maart 1851. Busken Huet heeft zijn bron niet vermeld (cf. brief van Busken Huet aan J. ten Brink d.d. 24 augustus 1885, VW XXIII, p. 413). M. noemt in een brief aan Marie Berdenis van Berlekom d.d. 10 december 1886 zelf als bron de brief aan Kruseman en een 'bundel geschryf uit m'n jeugd, die my ontstolen is!' (VW XXIII, p. 753; cf. XXIII, p. 458-459).

2. Dagboek van Mimi, waaruit zij gegevens haalde voor haar uitgave van de *Brieven van Multatuli (1 & 2). Het bewaard gebleven deel van haar dagboek, twee blauwe cahiers, loopt van 29 juni 1872 tot 27 september 1873 (VW XV, p. 15). Op 25 maart 1863 kreeg M. al een dagboek van Mimi te lezen, 'Ik wist niet wat my wachtte! Ik heb gelezen tot nu toe, 2 uur, en ben erg aangedaan.' schrijft hij haar (VW XI, p. 126).

Dageraad, De, 1. Het tijdschrift De Dageraad verscheen van 1 oktober 1855 tot 1867; uitgever was *F.C. Günst. In 1879 kwam het blad opnieuw uit, maar nu als officieel orgaan van de gelijknamige vereniging. Het tijdschrift werd de verzamelplaats voor bestrijders van de godsdienst. In 1898 werd het opgeheven, nadat A.H. Gerhard de laatste twee jaar redacteur geweest was.

De Dageraad publiceerde in november 1859 M.'s *'Geloofsbelydenis'. In Idee 101 schrijft M. dat de lezer zijn 'Geloofsbelydenis' in De Dageraad kan vinden, 'als ge slecht en goddeloos genoeg zyt er naar te zoeken in dat tydschrift' (VW II, p. 332). In 1861 plaatst het blad M.'s 'Gebed van den Onwetende'. In mei 1862 (p. 159-167; VW X, p. 733) verschijnt hierin een welwillende beoordeling van de Ideën van de hand van *Lachmé. In de Ideën 125-131 prijst M. De Dageraad (VW II, p. 345 e.v.). In een noot (uit 1879) bij Idee 131 schrijft hij: 'De heer Günst was jaren lang uitgever van bedoeld tydschrift. Sedert enigen tyd heeft het opgehouden te bestaan, doch niet dan na in wyden kring licht te hebben verspreid. Zeer veel begrippen die thans by beschaafden en ontwikkelden voor vanzelfsprekend doorgaan, werden dertig en twintig jaren geleden, toen de Dageraad ze voorstond, door verreweg de meesten van hen die er thans mee instemmen, als gewaagde paradoxen verworpen. Deze opmerking is alsmede van toepassing op 'n groot gedeelte myner Ideën.' (VW II, p. 678)

In 1887 gaf De Dageraad een Multatuli-aflevering uit die, voorafgegaan door Overmans portret van M. uit de Havelaartijd, bijdragen bevat van *H.C. Muller, *J.J. Van Laar, *C.v.d. Zeyde, *P. Westra, P.J. van Eldik Thieme, *H. de Vries, *H.F.A. Peypers en *Marie Berdenis van Berlekom. Verder bevat dit Multatulinummer het gedicht 'Multatuli's graf' van *Cosman, en een overdruk van de beoordeling van de Minnebrieven uit de 's-Gravenhaagsche Nieuwsbode van 25 augustus 1861, getiteld 'De critiek over Multatuli'.

In 1892 verscheen 'Ter Gedachtenis aan Multatuli. 1887 - 19 februari - 1892'. Op 1 juli 1899 werd het weekblad De Vrije Gedachte als opvolger van De Dageraad opgericht.

2. De vereniging De Dageraad werd in oktober 1856 opgericht uit de kringen van de onafhankelijke vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux. Het was, anders dan het tijdschrift van die naam dat zuiver deïstisch georiënteerd was, een gemêleerd gezelschap van atheïsten, pantheïsten, materialisten, proto-socialisten en andere vrijdenkers. Tot de oprichters behoorden *F.C. Günst, *R.C. d'Ablaing van Giessenburg (voorzitter tot 1864), *K. Ris en *H.H. Huisman (secretaris en vanaf 1865 voorzitter). Op 13 augustus 1864 hield M. een lezing voor de leden van de vereniging, 'een zeer modest burgerlyk gezelschapje van menschen die naar waarheid zoeken (...) 't is een soort armen van geeste - en vooral armen naar de wereld - die de kern vormen' (brief aan Mimi d.d. 13 augustus 1864, VW XI, p. 360). Tot 1865 volgden er nog verschillende lezingen en vanaf 1869 hield M. opnieuw enkele lezingen voor de vereniging. Op 28 augustus 1864 werd *Sietske Abrahamsz het eerste vrouwelijke lid (VW XI, p. 372).

De vereniging leidde een kwijnend bestaan: er vond een afscheiding plaats door enkele leden, die een eigen vereniging onder de naam De Humaniteit (*Berlin ) startten, De Dageraad zelf nam in de periode 1868-1876 de naam Het Vrije Onderzoek aan. De vereniging kon zich niet vinden in de opkomende socialistische en sociaal-democratische stromingen, en als exponent van de negentiende eeuwse vrijdenkersbeweging verviel het in obscuriteit.

In 1910 gaf de vereniging de bundel Een zaaier ging uit om te zaaien (bij de herdenking van het verschijnen van M.'s Max Havelaar, 1860-1910) uit, waarin M. in de eerste plaats wordt gehuldigd als vrijdenker. Op 1 maart 1920 hield De Dageraad een plechtige herdenkingsbijeenkomst in het Concertgebouw te Amsterdam, met A.H. Gerhard als spreker. In datzelfde jaar gaf de afdeling Amsterdam de bloemlezing Multatuli als vijand van het godsdienstig bijgeloof van J. Hoving uit. Ook in 1937 heeft men M. herdacht. (Lit. O. Noordenbos, Het atheïsme in Nederland in de negentiende eeuw, Rotterdam, 1931)

Deiss, Maria Wilhelmina (Mina), 1830-1905, winkeljuffrouw in de banketbakkerij van *Knobel in de Kalverstraat, waar M. in 1862 een kamer huurde. Toen bleek dat zij zwanger was en de aanstaande vader haar in de steek liet, hielp M. haar aan een huis in het Hamerslop 9 (nu Hamerstraat) in Den Haag, waar zij een winkelge begon. In Mina's winkel ontmoette M. regelmatig *Mimi Hamminck Schepel en *Marie Anderson (VW X, p. 540-541). Op 10 oktober 1862 werd haar zoon, Oskar Felix, geboren. Zij vertrok daarna met Marie Anderson naar Duitsland, maar keerde in 1872 terug naar Den Haag, waar zij winkeljuffrouw en wasvrouw werd. In 1877 trouwde zij met de gemeentebode Ferdinand Frederik Duthour Geerling (geb. 14 mei 1839). (Lit. J. Kortenhorst, Multatuli en Mina Deiss. Geschriften van het Multatuli-Genootschap VII, 1964)

Dek, de naam van M. onder zijn vrienden. Deze schrijft begin 1882 aan W.A. Paap: 'Noem me "Dek". Dat 's hartelyk en eenvoudig.' (VW XXI, p. 633).

Democraten, In Millioenen-studiën spreekt Meester Adolf de belerende woorden: 'Over 't algemeen houdt gy democraten u onevenredig veel bezig met politiek. Of liever, ge meent ten onrechte dat politiek hoofdzakelijk bestaat in studie van wetten en regeringsstelsels. Verbeter uzelf, dan zal geen verkeerde Wet, geen gebrekkig systeem standhouden.' (VW V, p. 85)

In Idee 987 schrijft M.: 'Er zyn demokraten die aan hun grondbeginselen menen verschuldigd te zyn, het Koningschap te bestryden. "Hoe, zeggen zy, zouden wy ons laten regeren door iemand wiens aanspraken slechts gegrond zyn op een naam?" Ik erken dat dit zeer weinig is. Maar gy die aldus spreekt, waarom buigt ge u zo gewillig onder lieden wier overwicht door niets wordt gerechtvaardigd, zelfs door zo'n naam niet? Dit is zeer inconsequent. Wie aan Koningen hun onbeduidendheid verwyt, heeft het recht niet, tevreden te zyn met even onbeduidende Ministers.' (Idee 987, VW VI, p. 225)

Democratie, In een aantekening uit 1872 bij Idee 451 schrijft M.: 'By alle kwalen die bestaan bleven, heeft zich een nieuwe ramp gevoegd: het gekakel der politiserende demokraatjes. Arm volk dat gered moet worden door zulke advokaten! We hadden: liberalismus, Thorbeckery, behoud, halfheid, traagheid, karakterloosheid, vervalste levensmiddelen, specialiteiten, kiezery, Kamer-speeches, verrotte politieke atmosfeer... dit alles was niet genoeg! Dc clubziekte ontbrak nog. De heren demokraat-byeenkomers zien niet in, dat ze nu reeds - 't is wat vroeg - al de fouten overnemen van de nog niet verslagen tegenstanders.' (VW III, p. 385)

*parlementair stelsel

Derde partij, In de Minnebrieven (1860) stelt M. voor om naast de bestaande liberale en behoudende partijen, een derde partij op te richten. Deze partij zou moeten opkomen voor de belangen van de Javaan: 'Lieve hemel, zou er geen derde party te scheppen wezen! Een party, die eenvoudig de mening voorstond, dat men den Javaan niet moet mishandelen? 't Is een excentriek idee, dat erken ik, doch zodra er weer een plaats open komt in de Tweede Kamer, zal ik dat toch eens beproeven.' (VW II, p. 75)

Vervolgens schrijft hij zijn *'Brief aan de kiezers van Nederland' (VW II, p. 75-83). De derde partij wordt opnieuw bepleit in *Over vryen arbeid, waarin M. spreekt van de 'eerlyke derde party, die ik de Kiezers aanbeval in de Minnebrieven' (VW II, p. 207). Hij eindigt met de woorden: 'Op dan! Ten stryde tegen de leugen! Op, ten stryde! Op, ter overwinning! Op, tot het byeenroepen, tot het ordenen, tot het wapenen van de DERDE PARTY.' (VW II, p. 283)

Ook in de Ideën gaat hij in op de noodzaak van een derde partij. Bijv. in Idee 452, waarin hij schrijft: 'weg met parlementaire, ministeriële leugens! wy etsen brood, vlees, uitspanning, genot, levensgeluk voor het volk... Geachte hoorders, ik zal te zyner tyd u oproepen, om deel te nemen aan de oprechte, eerlyke, moedige derde party...' (VW III, p. 184)

Van M.'s plannen om in Sneek een derde partij op te richten, is niets terechtgekomen. (Lit. Hans Verhage, 'De derde partij: Multatuli en Sneek 1868-1875', in: Over Multatuli, 1991, nr. 27, p. 13-28)

Deyssel, Lodewijk van, (ps. van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm, 1864-1952), zoon van Josephus Albertus Alberdingk Thijm. Schrijver van romans, letterkundige artikelen en kritieken. Redacteur van verschillende literaire tijdschriften. Onder het pseudoniem A.J. schreef Van Deyssel na 1890 enkele werken in een minder gekunstelde stijl dan zijn toen gebruikelijke, o.a. een biografie van zijn vader (1893) en de bundel Multatuli (1891), die de artikelen: 'De Brieven van Multatuli' (verschenen in het tijdschrift Nederland, 1891), 'Multatuli en Van Lennep' en 'Multatuli en de vrouwen' bevat (tweede herziene druk, Rotterdam, 1922).

In een brief aan Marie Berdenis van Berlekom d.d. 20 oktober 1886 geeft M. zijn oordeel over Van Deyssels artikel in De Amsterdammer over 'styl en uitdrukking': 'òngemeen wàs 't. Maar 't kwam me gezocht voor, en 't ratelde wat veel. Zoo als 't daar nu ligt, is er iets heel eigenaardigs in, maar de schryver moet het daarby laten. Als-i voortging, als hy in dien styl - luister: in die voorbedachtelyk aangenomen manier, iets dat men als 'n pruik kan op - of afzetten zonder dat de ziel er iets mee te maken heeft - nu, als hy in die manier een boek schreef zou men 't heel gauw vermoeid uit de hand leggen. Toch blyft het stuk zelf 'n aardig kunstje. En dit is 'n veroordeeling. Want kunstjes is geen kunst.' (VW XXIII, p. 721)

In 1888 mengde Van Deyssel zich in de discussie rond Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Eene Ziektegeschiedenis (1888) van *Theodoor Swart Abrahamsz, met het artikel Literatuur-fyziologie (De Nieuwe Gids, jrg. 3, 1888, p. 474-478). Hierin schrijft hij over genoemd werk van Swart Abrahamsz: 'De schrijver stelt als praemisse, dat het werk van Multatuli abnormaal is, niet goed is, en zegt dan: nu zal ik u verklaren wat daarvan de oorzaak is. Het artikel is inferieur om twee redenen. Vooreerst omdat de praemissie er een misschien-valsche is, ten tweede en voornamelijk omdat de schrijver niet verklaart wat de oorzaak is van den toestand, dien hij als aanwezig meent te kunnen konstateeren' (a.w., p. 475). Aan het slot van het artikel constateert hij: 'De deter- ministisch-fyziologische literatuurkritiek is er in 't geheel niet door vervolmaakt. Maar het is belangrijk om de methode waarin de auteur getracht heeft het te schrijven, en bevat boven-dien een aantal verstandige beweringen en juiste opmerkingen' (a.w., p. 478). Eveneens naar aanleiding van Eene Ziektegeschiedenis en het antwoord daarop van F. van der Goes, schreef Van Deyssel twee artikelen onder de titel 'Multatuli-Studiën' (De Amsterdammer, 11 en 18 november 1888). Hij concludeert daarin 'dat Multatuli niet is: een groot kunstenaar, niet is: een groot denker. (...) Hij was een kunstenaar, maar wou geen kunstenaar zijn, hij was geen staatsman en wilde een staatsman wezen. Hij was een man van de Gedachte en de Verbeelding en waande zich een man van de Daad'. De Max Havelaar noemt Van Deyssel 'een sentimenteele en filanthropische redevoering'; de geschiedenis van Woutertje Pieterse is een 'gering-artistieke en in haar causerie-vorm typisch burgerlijke satire'. Zijn artikel 'Over Multatuli' in De Tribune (23 december 1894) toont zijn ambigue houding ten aanzien van M. en diens werk: 'Maar ik, die mij gegeven heb aan de Kunst en aan de Gedachte, ik wil en zal het schrijven, dat de Kunst en de Gedachte niets met dezen mensch hebben van doen, dat hij de grootste Nederlandsche mensch was van zijn tijd, maar vergaan zal in een latere eeuw omdat hij tot de Kunst en de Gedachte niet is kunnen stijgen. Hij heeft me dus niet zelden kriegel gemaakt en verveeld; maar het derde, dat hij me gelapt heeft, dat is dat hij mij veel van hem heeft doen houden. (...) En daarom houd ik van Multatuli, als mensch in Holland, als opstandeling, als schrijver van een brutaal-mooye taal, mooi en levend tegen al de afschuwelijke zanik-schrijvers in; door zelf levende taal te schrijven, heeft hij voorbereid, dat levende taalkunst mogelijk is in Holland.' Van Deyssels visie op M. heeft lange tijd veel invloed gehad. In 1933 rekende 'Ter Braak ermee af in zijn Forum-essay Paapse sympathiënt (M. ter Braak, Volledige Werken III, 1949-1950 p. 429 e.v.).

*Kloos

Divagatiën over zeker soort van liberalismus, (divagatie = afdwaling, uitweiding) titel van een drietal artikelen van M., die in 1870 in het maandblad Nederland werden gepubliceerd (VW V, p. 327-383 en 714). Nadat M. op 5 juni 1870 in een brief aan *D.F. Tersteeg, hoofdredacteur van Nederland, de definitieve titel had voorgesteld (VW XIV, p. 126), verscheen op 1 juli de eerste aflevering (1870, dl. II, p. 243-260). In augustus en september volgden de tweede en derde aflevering (dl. II, p. 405-432 resp. dl. III, p. 95-108). Daarna werd de reeks gestaakt omdat het blad niet over voldoende fondsen beschikte (VW V, p. 645; cf. brief aan Mimi d.d. 11 juli 1870, VW XIV, p. 141).

In het eerste deel van deze politieke beschouwingen, lezen we: 'Liberaal zyn bestaat: in het voortdurend gemoedelyk zoeken naar waarheid, en in 't eerlyk toepassen van de verkregen resultaten.' (VW V, p. 335)

En aan het slot van het derde deel: 'Maar, meen ik te horen, is 't liberaal aldus anderen hun lapsus te verwyten? Ik hoop dat die vraag gedaan wordt. Ik antwoord zo gaarne daarop. Ja, dat is liberaal! Want het liberalismus eist waarheid, en geen kwakzalvery. Het liberalismus is geen zoetelende, pluimstrykige, vals-liefkozende deerne, geen meretrix blanda, die ieder streelt. Vryzinnigheid moet fors optreden, waar men haar koningin beledigt, die Waarheid heet.' (VW V, p. 381)

Djaksa, inlandse officier van justitie. De djaksa van Lebak, Raden Astra Koesoema, ressorteerde rechtstreeks onder de assistent-resident. Hij nam, als Javaan tussen de Soendanees-Bantamse hoofden, een bijzondere positie in. In een aantekening bij de Max Havelaar deelt DD. mee dat de djaksa zich ook door zijn kleding onderscheidde (VW I, p. 333). De djaksa verzamelde gegevens voor DD. Ook voor DD.'s voorganger Carolus had hij al de overtredingen van de inlandse bestuurshoofden onderzocht, hetgeen hem uiteraard niet populair gemaakt had (P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 314-315). Van 't Veer suggereert dat de djaksa waarschijnlijk ook als tolk fungeerde, aangezien DD. zelf het Soendanees van de klagers niet kon verstaan.

*oeser-oeseran

Domela Nieuwenhuis, Ferdinand, 1846-1919, luthers predikant, legde in 1879 zijn ambt neer, trad uit de kerk en wijdde zich geheel aan het socialisme. Van 1879 tot 1897 verzorgde hij de uitgave van het tijdschrift Recht voor Allen. Naar aanleiding van het in dit blad verschenen artikel 'De Koning komt', werd Domela Nieuwenhuis wegens majesteitsschennis in 1886 veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf; hij werd op 31 augustus 1887 vrijgelaten.

Hij was oprichter van de Sociaal-Democratische Bond en de Bond voor Algemeen Kiesrecht, en was van 1888 tot 1891 lid van de Tweede Kamer voor Schoterland. Na 1891 ontwikkelde hij zich steeds meer in anti-parlementaire richting. Dit leidde in 1894 tot een schisma in de bond, en tot oprichting van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In 1897 stichtte hij een eigen orgaan, De vrije socialist.

Domela Nieuwenhuis' fascinatie met M.'s werk stamt uit het midden van de jaren zeventig: hij maakte aantekeningen en excerpten, en noteerde citaten bij zijn lectuur (Lit. J. Meyers, Domela. een hemel op aarde, Amsterdam, 1993, p. 53 en 63). In zijn Nog godsdienst? Reeds godsdienst? ('s-Gravenhage, 1878) citeert hij - tot grote verbazing van M. - uit Het Gebed van den onwetende (VW XIX, p. 189). In zijn autobiografie Van Christen tot Anarchist (Amsterdam, 1910) gaat Domela Nieuwenhuis in op zijn kennismaking en omgang met M. Hij ontmoette M. voor het eerst in 1886, na al enige tijd met hem gecorrespondeerd te hebben. 'Douwes Dekker nu was ongetwijfeld een neurasthenicus en wij kunnen nog de woede niet begrijpen van zijn vrienden, toen indertijd dr. Swart Abrahamsz dit konstateerde, want in de eerste plaats moet elkeen dit bespeurd hebben, die ooit met hem in aanraking is gekomen en in de tweede plaats is dat toch geen reden om er zich boos over te maken.' (a.w., p. 134). Over M.'s politieke invloed schrijft hij: 'als het mij gelukt is binnen zoo korten tijd het socialisme te doen ingang vinden in een land, welks bevolking niet gemakkelijk is in beweging te brengen, dat komt dit mede door Multatuli, den zaaier die uitging om te zaaien'. Hij had 'geestelijk den bodem losgemaakt, hij had de geesten gerevolutioneerd en men ziet weer hoe de geestelijke revolutie elke andere is voorafgegaan.' (a.w., p. 137-138).

Toen Domela Nieuwenhuis in januari 1887 werd opgehaald om zijn gevangenisstraf te ondergaan, droeg hij M.'s *'Kruissprook' voor (a.w., p. 157). Op 8 januari 1884 schrijft M. H.C. Muller over Domela Nieuwenhuis: 'Die arme Nieuwenhuis! Ik heb redenen om hem voor 'n braaf man te houden, en betreur de ydelheid van z'n pogingen. Hy zal op drie manieren geslagen worden. 1o. Door de bezitters. 2o Door z'n zoogene geestverwanten die hem slechts eeren zullen zoolang hy kans ziet de verplichting der maatschappy te bespreeken om ieder 't noodige te verschaffen. Hiermee zal hy wel uitscheiden zoodra hy inziet dat daarby behoort opgegeven te worden waar dat noodige vandaan moet komen? Voeding op de school? Magnifiek! (...) "Wie zal dat betalen?" Zoo luidt het oude liedje, en de vraag is zoo gek niet! Ook ik doe haar! Mèt niet-socialisten heeft D.N. de fout gemeen, deze eenvoudige vraag over 't hoofd te zien, en 2o altyd geld (ruilmiddel tot inkoop van genotsmiddel, conventioneel speelfiche) te verwarren met de aanteschaffen genotsmiddelen-zelf. (...) 't Plebs wordt altyd beul van z'n weldoeners (...)' (VW XXIII, p. 31-33)

Ook in enkele volgende brieven aan Muller schrijft hij dat hij Nieuwenhuis 'oprecht en wèlwillend' (VW XXIII, p. 242) vindt, maar dat hij diens inzichten niet deelt. In een brief van augustus 1886 stelt hij nogmaals dat hij geen socialist is: 'Neen, socialist ben ik niet! Ik kan 't program van die party niet onderschryven, (...) Niet alleen dat ik niet socialist ben, ik ben anti-socialist. De socialisten willen den "Staat" almachtig maken, ik dring aan op de meest mogelyke inkrimping der bemoeienis van 't noodzakelyke kwaad dat men "Regeering" noemt.' (VW XXIII, p. 651-653)

Aan C. Vosmaer schrijft hij in september van hetzelfde jaar: 'D. Nieuwenhuis is tweemalen hier geweest, eens 2 jaar geleden, eens onlangs. Hy is 'n zeer beminnelyk mensch, en 't kost moeite hem te zeggen dat men z'n stelsel voor onzin houdt. Toch heb ik dit gedaan, natuurlijk. Hy mocht niet in den waan verkeeren dat ik 't met hem eens was. Wel deel ik in z'n ontevreden- heid met de bestaande toestanden, maar de oorzaken liggen m.i. niet waar hy die meent te vinden, en de herstellingsmiddelen die hy voorslaat noem ik krankzinnigenwerk! Hoe dit zy, ik houd hem voor een eerlyk man. Hebt ge z'n "Afscheid aan de Kerk" gelezen? Dat stuk is flink en fraai. 't Is te betreuren dat de man die dát schreef in aanraking komt met straatfilosofen. Toch kan hy dit niet vermyden. Z'n stelsel brengt het mee. Maar 't moet hem hinderen, dunkt me, al wil hy er niet voor uitkomen, waarschynlyk uit piëteit voor z'n "broeders" niet af te vallen. 't Ergste wat hem kan overkomen is dat hy - altyd slechts voor 'n oogenblik - slaagt. Als er dan geen champagne te scheppen valt uit de straatgoten, zullen die "broeders" hem steenigen.' (3 september 1886, VW XXIII, p. 706)

M.'s afkeer van het socialisme komt duidelijk tot uiting in de advertentie die hij op 15 november 1886 plaatste in het Rotterdamsch Nieuwsblad (*advertentie 5.), juist op het moment dat Domela Nieuwenhuis - na zijn veroordeling wegens majesteitsschennis - publieke steun van M. verwachtte. Domela Nieuwenhuis zag hierin een tegen hem gerichte aanval (J. Meyers, a.w., p. 153-155).

Bij de vijftigste verjaardag van de Max Havelaar, gaven Domela Nieuwenhuis en B. Damme de volgende vier Multatuliwerken uit: Multatuli over de sociale kwestie, Geschiedenissen van gezag en drie sprookjes uit de Minnebrieven, Multatuli over zeden, deugd en moraal en Multatuli over den godsdienst. In 1913 werd aan deze serie Multatuli over vrije studie toegevoegd. In 1907 verzorgde Domela Nieuwenhuis de bloemlezing Het gulden boekje der vrijheid. Zijn artikel 'Multatuli als ketter bij uitnemendheid' (1909) werd opgenomen in de Bloemlezing van B. Damme. *Multatuli-Commissie 5.

Douwes Dekker, Catharina, 30 september 1809 – 10 december 1849, geb. te Hollum (Ameland), oudste zuster van Eduard. Zij trouwde op 20 juli 1832 met de scheepsgezagvoerder Cornelis (Swart) Abrahamsz (1802-1879). Zij kregen vier kinderen: Catharina (1835-1876), Anna (1837-1908), Sietske (1842-1912), en Theodoor (1848-1912). In zijn brief aan Tine van 5-8 november 1845 waarin DD. zijn familie beschrijft, noteert hij over haar onder meer: 'lk kan u niets dan goeds van haar zeggen. Zij is geheel niet voor de wereld opgevoed maar zeer huishou- delijk. Gedurende de ongesteldheden mijner Moeder, zorgde zij trouw voor ons, jongere broers, ik hield altijd veel van haar, maar eigenlijk meer als moeder want tien jaar verschil is veel bij kinderen. Zij heette Catharina;- uit overmaat van bourgeoisie noemde men haar Kaatje, een naam waaraan ik altijd een verschrikkelijken hekel had en zij zelve ook.' (VW VIII, p.534-535)

Toen DD. met verlof naar Nederland kwam, was zij overleden en was haar man inmiddels hertrouwd.

Douwes Dekker, Eduard-, (Multatuli) Amsterdam (Korsjespoortsteeg 20) 2 maart 1820 - Nieder-lngelheim 19 februari 1887. Zoon van Engel Douwes Dekker en Sietske Eeltjes Klein. Van 1832 tot 1835 bezocht hij de Latijnse school en van 1835 tot 1838 was hij werkzaam in de textielhandel van de heer *Van de Velde. Met het schip *Dorothea vertrekt hij op 23 september 1838 naar Indië. Op 4 januari 1839 kwam hij te Batavia aan waar hij op 14 februari voorlopig wordt aangesteld als volontair op de Algemene Rekenkamer; in 1840 wordt hij bevorderd tot tweede kommies (*Caroline Versteegh). In november 1842 wordt hij controleur te *Natal op Sumatra's Westkust. Na zijn suspendering vanwege het *kastekort verblijft hij gedwongen te *Padang, waar hij zijn eerste toneelstuk, De Eerlooze, later getiteld *De Bruid daarboven schrijft (het op 14-jarige leeftijd geschreven drama in verzen, getiteld *Hector, is verloren geraakt).

Bij besluit van 13 september 1845 wordt DD. tot eind december van dat jaar ter beschikking gesteld van de resident van Krawang en toegevoegd aan de assistent-resident Dickelman te *Poerwakarta. Op 10 april 1846 treedt hij te Tjiandjoer in het huwelijk met *Everdina Huberta baronesse van Wijnbergen (Tine). Op 18 mei 1846 wordt hij kommies op het residentiekantoor te *Poerworedjo; op 27 oktober 1848 wordt DD. benoemd tot gewestelijk secretaris, tevens vendumeester, van *Menado. Op 8 oktober 1851 wordt hij benoemd tot assistent-resident, tevens 'Magistraat en Kommandant der Schutterij', te *Amboina.

Eind februari 1852 komen DD. en Tine op Ambon aan. Op 24 juli vertrekt DD. echter met ziekteverlof met zijn vrouw naar Europa; op eerste kerstdag gingen ze in Hellevoetsluis aan land. Vanuit Holland maakt DD. in 1853 diverse reizen naar België en Frankrijk. Op 1 januari 1854 wordt zijn zoon Eduard (*Edu) geboren. *verlof

In mei 1855 zeilt DD. terug naar Batavia, waar hij op 10 september arriveert. Op 22 januari 1856 aanvaardt hij het ambt van assistent-resident van *Lebak, waar *Brest van Kempen resident van Bantam is. Na de affaire in *Lebak wordt hij overgeplaatst naar Ngawie. Op 29 maart 1856 dient hij een aanvraag om eervol ontslag in. Dit wordt op 4 april verleend.

Omstreeks 20 april vertrekken Tine en DD. met hun zoontje uit Rangkas-Betoeng naar Serang, logeren er korte tijd bij de resident, en reizen door naar Batavia. Een jaar lang probeert DD. nog werk op Java te vinden. Hij probeert bijvoorbeeld in het najaar van 1856 aan de slag te komen als huurder van een rijstpelmolen, maar dit mislukt (*Van Son). Na een kort verblijf bij broer Jan te Kedong, gaat DD. op 3 april 1857 aan boord van het stoomschip Koningin der Nederlanden, dat hem van Soerabaja naar Singapore zal brengen, waarna hij met een Brits schip naar Suez zal varen. Tine blijft in Soerabaja achter en op 1 juni wordt daar hun dochter Elisabeth Agnes Everdine (*Nonnie) geboren. DD. zou pas maanden later haar geboorte vernemen. Ondertussen verblijft hij in Marseille, vertoeft enkele maanden in Duitsland en vertrekt in het najaar van 1857 naar Brussel, waar hij zijn intrek neemt in Au Prince Belge. Tine verblijft bij Jan tot zij in 1858 ook naar Europa komt.

DD.'s geldnood neemt in deze periode toe, en hij schrijft de *'Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste', *Duymaer van Twist. Deze antwoordt niet; DD.'s schulden worden uiteindelijk betaald door Jan. Daarop vertrekt DD. in oktober 1858 naar Duitsland, waar hij te *Kassel *Ottilie Coss ontmoet. In augustus 1859 ontmoet hij Tine met de kinderen in Luik, waarna het gezin achtereenvolgens naar Visé, Maastricht en Antwerpen gaat. Hierna logeert Tine met de kinderen eerst bij haar zuster en zwager in Den Haag, later bij Jan nabij Brummen. DD. vertrekt op vrijdag 2 september naar Brussel en neemt opnieuw zijn intrek in Au Prince Belge. Daar schrijft hij tussen 17 septembec en 13 oktober 1859 de *Max Havelaar, die in 1860 onder het pseudoniem *Multatuli wordt gepubliceerd. Ook zijn toekomstige werken zullen onder dit pseudoniem verschijnen. Al op 18 januari schrijft DD. een rekest aan de koning, op 5 mei schrijft hij de tweede brief waarin hij zijn boek, dat op 14 mei in de handel wordt gebracht.

In De Tijdspiegel van oktober 1860 wordt DD.'s 'Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste' gepubliceerd, in april 1861 *Wijs mij de plaats; in juni de *Minnebrieven en in januari 1862 Vrije Arbeid. De eerste bundel *Ideën verschijnt in 1862. In februari 1862 houdt DD. zijn eerste voordracht in de grote zaal van Frascati te Amsterdam. Terug in Amsterdam, woont hij achtereenvolgens op de Botermarkt bij *Lobo, in de Kalverstraat bij *Knobel, in het Poolse koffiehuis, in het hotel Rondeel en op zolder bij *d'Ablaing van Giessenburg.

Van april 1862 dagtekent de kennismaking met *Mimi Hamminck Schepel. In 1864-1865 verschijnt de tweede bundel Ideën. In december 1865 deelt DD. een *klap uit in Salon des Variétés en wijkt vervolgens in januari 1866 uit naar Duitsland. Op 8 maart voegt Mimi zich bij hem; tot januari 1867 wonen ze te Koblenz, waar DD. zijn *Van den Rijn-berichten schrijft voor de Opregte Haarlemsche Courant. Van Koblenz trekken zij eerst naar Keulen en daarna naar Den Haag, waar op 22 februari 1869 Tine met de kinderen zich bij hen voegen. Na het mislukken van deze *ménage à trois vertrekken DD. en Mimi begin april 1870 naar Wiesbaden (VW XIV, p. 71). Na een kort verblijf aldaar verhuizen zij naar Mainz en Gustavsburg. In november 1870 keren zij weer terug naar Wiesbaden om er tot 1879 te blijven wonen. Na Tine's dood in 1874 trouwen DD. en Mimi op 1 april 1875 te Rotterdam. In augustus 1879 verhuizen ze naar Geisenheim, waar ze blijven tot ze op 21 mei 1881 het door *Zürcher betaalde huis in *Nieder-Ingelheim betrekken. Na 1870 heeft DD. alle plannen een politieke en maatschappelijk invloedrijke positie te verwerven, opgegeven. Hij beschouwt zichzelf voortaan als schrijver. Evenals de voorgaande jaren staat de periode 1870 in het teken van grote armoede en problemen met de publikatie van zijn werken: zo verschijnen de derde en vierde bundel Ideën, Millioenen-studiën, Nog-eens: vrye arbeid, Over specialiteiten met grote moeite en inspanning. Pas wanneer *G.L. Funke vanaf augustus 1871 uitgever van het merendeel van zijn werken wordt, komt DD.'s leven, door diens voorbeeldige uitgeverskwaliteiten, weer tot enige persoonlijke en financiële rust. Hij schrijft nog drie bundels Ideën.

Na de dood van Tine in 1874, wanneer ook *Van Vloten zijn felle aanvallen op DD. publiceert, stokt het *schrijverschap. De voornaamste bronnen van inkomsten vormen nu de herziening van vroegere uitgaven en verscheidene lezingen-tournees door Nederland. De laatste tournee eindigt op 31 maart 1881. Het jaar daarop wordt het voor DD. desillusionerende *Huldeblijk opgezet, waaruit nog eens blijkt dat hij in Holland nu voor goed is 'geklassificeerd als 'n byna-niemendal' (VW XXII, p. 298). Zijn laatste jaren brengt hij, in een zelfverkozen kluizenaarsbestaan in familiekring, te Nieder-Ingelheim door, waar hij veel tijd besteedt aan het voeren van correspondenties met zijn vrienden. (Lit. De meest gedetailleerde biografie (tot 1860) is Het leven van Multatuli, door Paul van 't Veer, Amsterdam, 1979; zie voor deze periode ook E. du Perron, De man van Lebak, Amsterdam, 1937. De raadselachtige Multatuli van W.F. Hermans (tweede druk 1987, Amsterdam) geeft een beeld van M.'s gehele leven; het meest complete beeld is te vinden in de wetenschappelijke biografie van Dik van der Meulen, Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker. Amsterdam, 2002.)

Douwes, Engel, 1787-1850, zoon van Pieter Douwesz en Engeltje Dekker, de vader van DD. Van 1800 tot 1807 was hij leerling aan de Kweekschool voor de zeevaart te Amsterdam. Hij trouwde in 1808 op Ameland met Sietske Eeltjes Klein (geb. te Hollum, ca. 1781), die evenals hij doopsgezind was. Aanvankelijk noemde hij zich nog Engel Douwes, toen de kinderen waren geboren liet hij zich als Engel Douwes Dekker inschrijven, waardoor zijn kinderen ook Dekker als achternaam kegen. Op Ameland had Engel Douwes zich in de Franse tijd voornamelijk beziggehouden met de smokkelhandel op het Britse eiland Helgoland of rechtstreeks op Engeland zelf.

In een aantekening bij Pruisen en Nederland schrijft DD. daarover:'Myn vader heeft eens met zekere D. Visser (een soort van Paul Jones op kleine schaal; later was hy vredig koopvaardyschipper, en voerde de Havana-packet) een hun behorend schip losgemaakt "van de ketting" te Enkhuizen, en onder 't vuur der kanonneerboot die hen vervolgde, uit de haven en naar Engeland gebracht.' (VW IV, p. 96)

In 1817 vestigde Engel zich met zijn gezin in Amsterdam, van waaruit hij als scheepskapitein reizen ondernam naar Amerika's oostkust en Suriname en later naar Nederlands-Indië. In 1838 nam hij zijn zoon Eduard op zijn schip mee naar Batavia.

DD. schrijft in zijn brief aan Tine van 5-8 november 1845 over zijn vader onder andere: 'Mijn vader is inderdaad een achtenswaardig man, die echter voor velen niet gemakkelijk is om mede om te gaan, dewijl hij zich maar niet verbeelden kan, dat men hem niet altijd gehoorzaamt. (...) Hij spreekt gaarne en goed, en heeft veel invloed op de menschen, die hem kennen. Hij noemt de meeste menschen, als hij familiair er mede is: "jongetje". (...) Vader spreekt gaarne met dames en is, hoewel hij van het jaar 98 af (reken eens welk een tijd) op zee heeft gezworven, zeer beschaafd. Hij is goedhartig en zelfs al te week van hart; en daardoor ligt te misleiden, vooral door een zacht woord. Als het mij voegt, u fouten van hem te zeggen dan geloof ik, dat het - neen dat weet ik niet.' (VW VIII, p. 533-534)

Douwes Dekker, Jan, 1816-1864, broer van Eduard, werd stuurman bij de koopvaardij tot hij in 1851 tabaks-contractant in Rembang op Java werd. Hij trouwde op 4 augustus 1843 met Wilhelmina Frederica Antonia van Leeuwen (1819-1846), hertrouwde op 17 september 1849 met Louise Marie Elise Adolphine Bousquet (1826-1910), met wie hij negen kinderen kreeg, van wie er twee op jonge leeftijd overleden. Hij kwam in 1858 naar Europa en betaalde toen diverse schulden van zijn broer Eduard. Hij woonde tijdelijk te Delft, Brummen en 's-Gravenhage.

In november 1859 bracht hij het handschrift van de Max Havelaar naar *J. van Lennep. In deze tijd logeerde Tine bij hem op zijn buiten De Buthe bij Brummen. In 1856 had zij ook al enige tijd bij Jan gelogeerd, die toen te Kedong in de residentie Bowerno woonde.

Zijn relatie met DD., die sinds 1858 gespannen was, verslechterde toen Jan in 1860 poogde DD. ten gunste van Vrije Arbeid te laten schrijven (brief aan Tine, 12 augustus 1860, VW X, p. 281-283). Maar na mei 1862 - Jan woonde toen in het Willemspark in 's-Gravenhage - verbeterde hun relatie, en logeerde DD. enige tijd bij hem (VW X, p. 541). In november 1862 vertrok Jan met zijn gezin opnieuw naar Indië (VW VIII, p. 266, 685).

In een brief aan Tine d.d. 5-8 november 1845 wijdt DD. slechts enkele woorden aan broer Jan: 'Mijn broeder Jan zoude nu moeten volgen die 3½ jaar ouder is dan ik. Ik heb een uitstekend hoog idée van hem, gij weet dat hij mijn vriend is. Ik mag dus niet veel van hem zeggen om niet partijdig te wezen.' (VW VIII, p. 536)

Droogstoppel, Batavus, 'Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, No. 37.'. Aldus luidt de openingszin van de Max Havelaar (*Lauriergracht). De hier sprekende Droogstoppel is het type van de vrome Nederlander die altijd bedacht is op zijn eigen voordeel; een zakenman in hart en nieren. Hij leeft keurig volgens de overgeleverde begrippen van fatsoen, zeden, godsdienst en politiek.

Aan Tine schreef M. op 13 oktober 1859: 'D. is een type: duiten en de Heer (VW X, p. 77). In Van Dales Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal (1872) lezen we bij Droogstoppel: 'Scheldnaam, die vooral gehoord wordt sedert de verschijning van M.'s Max Havelaer [sic]'.

In Over vryen arbeid schrijft M. over zijn romanpersonage: 'Droogstoppel nu - ik heb dien man gemaakt, ik heb 't recht te zeggen hoe, wat en wie hy is - Droogstoppel is de gemene dief, minus den moed om in te breken. Droogstoppel is de Farizeeër die weduwen en wezen op-eet, en kushandjes toewerpt aan een eigengemaakt godje dat hem helpt in de digestie. Droogstoppel is de bloedzuiger die opzwelt van onrechtvaardig verkregen goed, maar een veerkrachtige magerheid bewaart om zyn voze opgeblazenheid binnen te persen door de enge poort. Droogstoppd is de femelende laffe gierige schriftuurlyke gauwdief... Eilieve, ik heb vergeten te zeggen of Droogstoppel liberaal of behoudend is... In de Kamer heeft men de goedheid gehad deze gaping aan te vullen. Liberalen hebben tot behouders gezegd: - Gy Droogstoppel! En behouders hebben geantwoord: - Droogstoppel, gy!' (VW II, p. 202-203)

Wanneer zijn vroegere schoolkameraad *Sjaalman Droogstoppel vraagt hem te helpen met de uitgave van zijn eerste boek, weigert Droogstoppel niet: het betreft een boek over koffie. Droogstoppel draagt *Ernst Stern 'die een tint van letterkunde over zich heeft', op het verhaal samen te stellen uit het pak aantekeningen dat hij van Sjaalman heeft gekregen, en voegt daar zelf nu en dan een hoofdstuk aan toe 'om aan het boek een soliede voorkomen te geven' (Max Havelaar, VW I, p. 48-49). Ook voorziet Droogstoppel, waar hij het nodig acht Sjaalman te corrigeren, het verhaal van commentaar. Zo schrijft hij bijvoorbeeld bij de geschiedenis van *Saïdjah en Adinda: 'Ik zal beproeven niets van dien Saïdjah te horen, en hoop dat de man gauw trouwt, als hy tenminste de held is van de liefdehistorie. 't Is nog al wèl van Stern dat hy vooraf gewaarschuwd heeft dat het een eentonige geschiedenis wezen zal. Zodra hy dan later aan wat anders begint, zal ik weer toeluisteren. Maar dat afkeuren van Restuur, verveelt me byna evenzeer als liefdegeschiedenissen. Men ziet uit alles dat Stern jong is en weinig ondervinding heeft. Om de zaken goed te beoordelen moet men alles van naby zien. Toen ik trouwde ben ik zelf in Den Haag geweest, en heb met myn vrouw het Mauritshuis bezocht. lk ben daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappy, want ik heb den Minister van Financiën zien voorbyryden, en we hebben samen flanel gekocht in de Venestraat - ik en myn vrouw, meen ik - en nergens heb ik 't minste hlyk bespeurd van de ontevredenheid met de Regering. (...) Tegenover ons woont een juffrouw, wier neef een toko doet in de Oost, zoals ze daar een winkel noemen. Als dus alles zo slecht ging als Stern zegt, zou zy er ook wel wat van weten, en 't schynt toch dat het mens zeer tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen. (...) Ook ziet men daaruit dat er voor iemand die wil oppassen, in dat land nog wel wat te verdienen valt, en dat dus die Sjaalman ook dáár al lui, pedant en ziekelyk geweest is, anders zou hy niet zo arm zyn thuisgekomen, en hier rondlopen zonder winterjas.' (Max Havelaar, VW I, p. 232-233)

Nog overtuigder van Sjaalmans onjuiste voorstelling van zaken is Droogstoppel na een bezoek aan een gewezen resident, die hem verzekert dat 'hy het in de Oost altyd heel goed heeft gehad, en dat er dus geen woord waar is al die vertellingen over ontevredenheid onder de bevolking.' (VW I, p. 267). De resident blijkt Sjaalman gekend te hebben en schildert Droogstoppel een zeer ongunstig beeld: de man had altijd kritiek, schaakte vrouwen enz. Wanneer Droogstoppel na dit bezoek aan de resident in een rijtuig huiswaarts keert zegt hij: 'Wat die paarden liepen! Op de Weesperstraat, waar 't altyd zo vuil is, vloog de modder rechts en links huizen hoog, en, alsof weer 't spel sprak, daar liep die schooierige Sjaalman, in gebogen houding, met gebukt hoofd, en ik zag hoe hy met de mouw van zyn kaal jasje zyn bleek gelaat trachtte te reinigen van de spatten. Ik ben zelden prettiger uit geweest, en myn vrouw vond het ook.' (Max Havelaar, VW I, p. 269)

M. werd voor deze figuur ge‹nspireerd door de Amsterdamse makelaar *Robert Vo-te.

*sarcasme

Duclari, personage uit de Max Havelaar, eerste luitenant, commandant van het kleine garnizoen te Rangkas Betoeng tijdens het verblijf van Max Havelaar in Lebak. Gebaseerd op *Petrus Albertus Alexander Collard. ln afwachting van de komst van de nieuwe assistent-resident Havelaar, ontvangt controleur *Verbrugge Duclari, 'Een krachtig mens van dertigjarigen leeftyd en flinke militaire houding' (VW I, p. 72-73), in de pendopo. Duclari keurt Havelaars gedrag af en vertrekt wanneer het gezelschap arriveert: 'Duclari, die niet door zijn tegenwoordigheid in de pendopo den schyn wilde aannemen als ware ook hy aan de grenzen ter verwelkoming van den adsistent-resident, die wel zyu meerdere doch niet zyn chef en bovendien een gek was, steeg te paard, en reed door zyn bediende gevolgd heen' (VW I, p. 75).

Enige tijd later maakt Duclari kennis met Havelaar tijdens het middagmaal in het huis van de Adipati (VW I, p. 95). Ook is hij samen met Verbrugge te gast bij Havelaar, die hen na het middagmaal 'trakteert' op een tafelgesprek (*Geoffrin), waarin hij een en ander over zichzelf vertelt (Hoofdstuk XI-XIV, VW I, p.121-185).

Duizend en eenige hoofdstukken over Specialiteiten, Door acute geldnood gedreven hoopte M. begin 1871 een feuilleton voor het tijdschrift Onze Eeuw te leveren. Materiaal hiervoor - zoals blijkt uit zijn memoriaal - was al voorhanden (VW XIV, p. 264). De publikatie ervan ging echter niet door, maar door bemiddeling van *Van Plettenberg kwam het werk op 30 mei 1871 bij de Delftse uitgever J. Waltman Jr. uit (VW V, p. 481 e.v.). Een tweede, uitgebreide druk kwam pas in 1879 van de pers. Met de oproep 'De roeping van de mens is Mens te zyn' eindigt M. zijn filippica tegen het soort 'specialiteiten' (specialisten) dat zich van zaken buiten het eigen vakgebied gelegen afsluit, en dat zich zo, aldus M., elk recht op bemoeienis met zaken van algemeen belang ontzegt. Hij illustreert dit met de levensgeschiedenis van 'Jonker Frits' en in duizend-en-één soortgelijke geschiedenissen (in hoofdstuk V-MV), die echter door de uitgever gesupprimeerd zijn. Hoewel het werk specialiteit-bakkers, juristen, straatvegers, wijsgeren etc. behandelt, is het vooral een aanval op de Nederlandse politiek en de volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer, die slechts hun eigen kiesdistricts-belangen en stokpaardjes vertegenwoordigen, en het algemene landsbelang verwaarlozen.

Du Perron, (Charles) Edgar, 1899-1940, Nederlands schrijver, voorman van de groep rond het tijdschrift Forum (1932-1g35), 'de grootste, want voor zijn nagedachtenis meest effektieve, bewonderaar die Multatuli ooit gehad heeft' (J.J. Oversteegen, Multatuli en de kritiek. Een bloemlezing uit de literatuur over Multatuli, Amsterdam, 1970, p. 130). Vanaf 1937 heeft Du Perron zich intensief met M.'s leven en werk beziggehouden. In februari van dat jaar schreef hij te Tjitoeroeg (in één inaand) de biografie De man van Lebak. Anekdoten en documenten betreffende Multatuli, die in november van dat jaar te Amsterdam verscheen. In reactie op het boek Eduard Douwes Dekker van J. Saks (Rotterdam, 1937) publiceerde hij vervolgens Multatuli. Tweede pleidooi. Beschouwingen en documenten (Bandoeng, 1938) en De bewijzen uit het pak van Sjaalman. Nieuwe documenten betreffende de Havelaarszaak en Lebak (Rijswijk, 1940). Du Perron publiceerde hierin voor het eerst de afschrifen die M. als zijn bewijsstukken in de *Havelaarzaak had verzameld, alsook andere archiefstukken. In 1940 verscheen verder van zijn hand Multatuli en de luizen waarin Du Perron zich in de polemiek tussen Ter Braak, Pée en de Schoondochter (*A. DouwesDekker-Post van Leggelo) over *Edu mengt. Een tweede druk van De man van Lebak, waarin Du Perron in 1939-1940 gedeelten van Multatuli. Tweede pleidooi en De bewijzen uit het pak van Sjaalman verwerkte, verscheen in 1949. De overgebleven delen uit de laatstgenoemde werken verschenen onder de titel Multatuli's naleven (Bandoeng, 1950). In 1956 verscheen deel IV van Du Perrons Verzameld werk, dat deze beide omgewerkte edities, Multatuli en de luizen en 'verspreide stukken' (tijdschriftpublikaties) bevat. Als bijlage zijn de aantekeningen van Du Perron voor een tweede deel van zijn Multatuli-biografie opgenomen, een werk dat onder de titel 'Multatuli de schrijver' had moeten verschijnen.

Du Perron stond aan de wieg van M.'s Volledige werken, waarvan het eerste deel in 1950 vescheen. In 139 overlegde hij met G. Stuiveling over een revolutionaire editie, waarin alle werken en brieven strikt chronologisch, dus door elkaar heen, zouden worden afgedrukt (Volledige Werken). (Lit. J.H.W. Veenstra, Multatuli als lotgenoot van Du Perron, Utrecht, 1979; Dik van der Meulen, E. du Perron. Een korte biografie, Den Haag, 1990)

Duymaer van Twist, Albertus Jacobus, 1809-1887, advocaat te Deventer tot hij 1843 als liberaal politicus lid van de Tweede Kamer werd. Onder Thorbecke werd hij benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1851-1856). Hij verbeterde het muntwezen, regelde de vrije handel in de Molukken en voerde het Regeringsreglement van 1854 in. In de allerlaatste weken van zijn bewind was M. assistent-resident van Lebak en werd de *Havelaarzaak aan de orde gesteld. Hij benoemde M., tegen het advies van de Raad van Indië in, wat later werd geïnterpreteerd als zou Duymaer van Twist met opzet M. hebben willen benoemen om de misstanden daar aan te pakken (W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987, p. 252-258 en de noot bij zijn Max Havelaar-editie, 1987, p. 411). Hij plaatste M. over van Lebak naar Ngawi, nadat deze de regent in staat van beschuldiging gesteld had op grond van misbruik van gezag en knevelarij. Toen M. daarop ontslag vroeg, verleende Duymaer van Twist dit, zonder hem te horen (*kabinetsmissive). Ook later weigerde hij M. te ontvangen (*Max Havelaar). In Nederland teruggekeerd, werd hij in 1859 benoemd tot Minister van Staat. Van 1858 tot 1862 was hij lid van de Tweede Kamer en van 1865 tot 188t lid van de Eerste Kamer.

M. schreef hem direct na de Lebakzaak twee brieven. De eerste bevatte een uitgebreide verantwoording van zijn gedrag, maar werd nooit verstuurd (*Brief aan de gouverneur generaal Duymaer van Twist 1.). In de tweede brief verzoekt hij om een gehoor. Hierop heeft Duymaer van Twist nooit geantwoord (*Brief aan de gouverneur generaal Duymaer van Twist 2.). Laatstgenoemde brief werd later in de Max Havelaar verwerkt. In januari 1858 richtte M. zich op-

nieuw tot Duymaer van Twist in zijn *'Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste', die ook deze brief onbeantwoord heeft gelaten. In 1858 heeft hij wel een onderhoud met Duymaer van Twist, waarbij deze hem ƒ 50 geeft (of leent?), maar voor M. loopt dit op een teleurstelling uit (P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 403-408). M. hoopte op een aanbeveling voor een baan als klerk op het Franse consulaat te Nagasaki. Nadat Duymaer van Twist hem vele dagen op antwoord had laten wachten, berichtte hij dat de zaak hem toch bezwaarlijk voorkwam, omdat hij niet zeker wist of M. wel genoeg Frans kende (Idee 950, VW VI, p. 146-147). Duymaer van Twist werd voor M. steeds meer de belichaming van alles wat verkeerd was in het Indisch bestuur en de Nederlandse politiek. In een aantekening bij de Max Havelaar schrijft M. over hem: 'Het was dezelfde Van Twist, die de door hemzelf afgeschafte wyze van werving voor 't indisch leger weer invoerde! De brave man meende dat zy "den toets der zedelykheid niet kon doorstaan". Heel juist! Onnozele Javaanse jongens werden van Regeringswege door onderofficieren, met behulp van dobbelspel en... hoeren, in 't net gelokt. Zeker, zeker dat kan inderdaad den "toets der zedelijkheid" van den godvruchtigen Van Twist niet doorstaan, Maar wél kon 't den "toets der zedelijkheid" van den godvruchten Van Twist doorstaan, die wyze van werving weer in te voeren en die man is in Nederland "geacht". Zal 't niet by zulke toetsverhoudingen weldra 'n eer worden, tuchthuisboef te zyn?' (VW I, p. 355; *werving van in landse soldaten)

In een noot bij Idee 534 spreekt hij van 'den dorren ouwerwetsen styven Van Twist, die niets begreep dan wat-i gister en verleden week ook gezien had' (VW III, p. 442). Hij voerde de werving op de oude manier 'heel in 't geheim' weer in (VW III, p. 443). In de Minnebrieven maakt M. een betekening van wat een gouverneur-generaal als Duymaer van Twist Indië kost, wanneer men de knevelarijen te Lebak omslaat over het geheel: 'Duizend miljoen guldens geldswaarde, die aan de Indische bevolking wordt afgenomen, onder de regering van één Gouverneur-Genernaal die zyn plicht niet doet.' (VW II, p. 130) Hij vervolgt: 'Ik wend my tot u, Mr Albertus Jakobus Duymaer van Twist. (...) Ik heb u herhaaldelyk geschreven. Gy wildet niet horen. Ik heb u tyd gegeven tot bekering. Gy hebt u niet bekeerd. Het ogenblik is gekomen, dat ik u zal aantasten zonder genade. (...) Ik kies u tot representant van 't stelsel van uitzuiging dat Nederland zich omtrent dat land veroorlooft.' Hierop volgen de vraagpunten aan de Controleur (Minnebrieven, VW II, p. 132-133 en 143).

In zijn bericht *'Aan de Stemgerechtigden in het kiesdistrikt Tiel' (7 oktober 1860) wijst M. op het feit dat Duymaer van Twists 'onstaatkundige regeling der troons-opvolging in het Ryk van Banjermassing, de hoofdoorzaak was van den opstand op Borneo' (VW I, p. 438). Bovendien hebben de door Duymaer van Twist genomen maatregelen tegen de Mekkagangers 'de kiemen van ontevredenheid en fanatismus' in Indië gelegd, zodat 'een aanmerkelyke vermeerdering van leger en vloot noodzakelyk zyn geworden, en millioenen schats vorderen om het geschokte gezag te handhaven' (VW I, p. 438). In Idee 300 hekelt hij een circulaire van Duymaer van Twist betreffende zeerovers: 'En nu weer de zeerovers. Ik verzeker u, dat zy zich volstrekt niet storen aan enig "staatkundig principe" (...) evenmin als zy zich stoorden aan de circulaire van den Heer Van Twist die - als opperbevelhebber van de land- en zeemacht beoosten de Kaap de Goede Hoop! - hen te keer ging met 'n larmoyant beroep op de weldadigheid, precies als de juffrouw die 'r bestaan verloor, of haar eer, door onvoorziene omstandigheden.' (VW II, p. 492)

Op 25 september 1860 kwam de Max Havelaar - zonder het echter bij naam te noemen - ter sprake in de Tweede Kamer tijdens de debatten over de Troonrede. In een aantekening bij de Max Havelaar, schrijft M. hierover dat Duymaer van Twist zich bepaalde tot het 'verwyt' dat hij zoveel talent had en 'dat-i zwygen zou uit vrees voor den schyn van partydigheid'. En 'met zulke jongensachtige uitvluchten namen kamers en Natie genoegen!' (VW I, p. 345-346 en VW X, p. 316-320).

In Over vryen arbeid valt M. Duymaer van Twist opnieuw aan (VW II, p. 289 e.v.): hij laat hem zijn verontschuldigingen aan de koning aanbieden voor zijn wanbestuur en 'dien onnodigen oorlog op Bandjarmasin die zoveel mensenlevens gekost heeft' (VW II, p. 191). Aan het slot legt M. hem de volgende woorden in de mond: 'Vergeef me dit alles, o Keizer van Insulinde, en meer nog, dat ik nu niet aanroer, omdat ik niet verstaanbaar spreken kan nadat ik lid ben geworden van de Tweede kamer. Vergeef, vergeef, o Keizer, en laat me terugkeren naar Deventer, waar ik een betrekking weet te vervullen, die me beter past dan die van Landvoogd, en die ik nooit had moeten verlaten...' (VW II, p.191)

Zo had, aldus M., Duymaer van Twist kunnen spreken nadat hij zijn brief van januari 1858 ontvangen had, maar om 'aldus te spreken zou die man een held van deugd moeten zyn, en helden zyn zeldzaam' (VW II, p. 191). Op 11 november 1873 schrijft hij G.L. Funke: 'Reeds in (60 of 61) zond v.Twist van Hoëvell by me met voorstel my met hem te verzoenen, vóór Vryen Arbeid te stemmen, en dan zou hy my aan 'n Kiesdistrict helpen! Ik heb hem afgewezen.' (VW XVI, p. 293)

In zijn naschrift bij Over vryen arbeid richt hij zich nogmaals direct tot Duymaer van Twist: 'Ik wend my tot u, MR VAN TWIST! Ik verneem dat gy in die onzalige, vervelende, geheel beneden haar roeping staande Tweede Kamer, enige provincieleden sleeptouwt, die uw koelheid nemen voor ernst, uw droogheid voor wysbegeerte, uw styfheid voor standvastigheid, uw zondeloos-achtigheid voor deugd. (...) En gy, MR VAN TWIST, die aan het hoofd schynt te staan van de Vry-arbeidsparty, dat is: van de clique der vry-arbeiders, gy die vrywilligen arbeid predikt voor den Javaan, en niet vrywillig den arbeid volbracht, dien ik u aanwees als voorgeschreven door eerlykheid, plicht en eed... ik veroordeel by dezen uzelf tot dwangarbeid. Ik sla u het juk van myn geest om den nek, en span u in het tuig van den ploeg waarmee ik de harde korst opscheur van domheid en vooroordeel. Ik zweep u voort met den gesel myner verontwaardiging...' (VW II, p. 282-283)

In een aantekening bij Idee 221 vermeldt hij dat Duymaer van Twist als afgevaardigde van Amsterdam in de Tweede Kamer anders stemde 'dan 't belang van die stad meebracht'. Dit is hem zeer kwalijk genomen 'door dezelfde mensen die hem z'n gewetenloos plichtverzuim in de Havelaarzaak zo hoog niet aanrekenen' (VW II, p. 677-678). *Poolman (Lit. P.A. v.d. Lith, 'Levensbericht van A.J. Duymaer van Twist', in: Handelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1890-1891, p. 1-115; J. Zwart, Duymaer van Twist, een historisch-liberaal staatsman, Utrecht, 1939; polemiek Hermans-Stuiveling over M.'s benoeming in: Max Havelaar, ed. W.F. Hermans, 1987, p. 411 en W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987, p. 252-263; 'Polemiek met Hermans', in: Over Multatuli, 1982, nr. 10, p. 86-93)