Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

T

Taal, M. gaat in zijn werken veelvuldig in op het onderwerp taal. Enkele voorbeelden uit zijn eerste bundel Ideën: 'De matrozen weten 't wel. Zy zeggen "den ouwe"- juister en griekser: de-n-ouwe - als ze spreken van den meest nominatieven scheepskapitein. Daarby is geen kwestie van accusatief of declinatie. 't Is een zaak van gehoor.' (Idee 36, VW II, p. 317)

'Als ik doof was, zou 'k niet kunnen schryven.' (Idee 37, VW II, p. 317)

'Een individu leert veelal zyn taal van 'n schoolmeester, dat jammer genoeg is. Maar schoolmeesters moeten de taal niet maken. Zyzelf behoren die te leren van 't Volk dat die taal spreekt en schryft. En weer moeten de schoolmeesters niet alles goedvinden wat dat Volk schryft en spreekt. Zy moeten ziften en kiezen, dat is: ze moeten geen schoolmeesters zyn.' (Idee 38, VW II, p. 317)

'Tussen ziel en taal ligt de lengte van een trompet. Ik gis - en geloof byna - dat weinig trompetten zo kort zyn als de hollandse.' (Idee 39, VW II, p. 317)

'In elke levende taal is een gedeelte dood. "Die vrouw heeft een vlek op haar neus." Haar neus leeft. "Waar moet ik die tafel zetten? Zet haar in den hoek." Haar is dood. Zo is er veel dat ik wou uitknippen als dorre takken. 't Geeft ruimte, licht, leven, aan de groene.' (Idee 40, VW II, p. 317)

'Ik leg my toe op 't schryven van levend Hollands. Maar ik heb schoolgegaan.' (Idee 41, VW II, p. 317)

Enkele uitspraken uit de tweede bundel: 'Talen zyn vogelvry. Elke uitdrukking is 't eigendom van wie 'r vangt.' (Idee 487, VW III, p. 235)

'Er zyn weinig talen, en zeer veel dialecten.' (Idee 488, VW III, p. 235)

In een noot bij Idee 451 (VW III, p. 396) schrijft M. over de betekenis verandering van woorden in relatie tot het gebruik ervan in diverse sociale lagen van de bevolking. In de Woutergeschiedenis begrijpt Wouter het woord massa niet omdat dit woord 'nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt' (Idee 1107, VW VII, p. 64).

Men is zich niet bewust van het feit dat de taalkunde één van de belangrijkste takken van de algemene wijsbegeerte is, schrijft M. in Idee 1047a: 'Zolang de hoogleraren in dit vak zich bezighouden met kibbelen over de geslachten der woorden, over letters en spelwyze - altemaal zaken waarmee 't begrip: Taal evenmin te maken heeft, als wiskunde met de stof waaruit men passers en linealen vervaardigt - zólang is hierin geen verbetering te wachten. (...) Zodra men hier en daar begon klanken voor te stellen door zichtbare tekens, was 't met de natuurlyke wordings- geschiedenis van de taal gedaan. Wie zeker geluid wist uit te drukken door 'n - altyd slechts conventioneel! - teken, was zo groots op z'n kunst, dat-i voor z'n tekens den voorrang eiste boven de klanken-zelf die ze heetten te vervangen. Zo werd het levende door 't dode verdrongen. Weldra schreef men niet wat er gesproken werd, de schoolmeesters eisten dat men spreken zou zoals zy verkozen te schryven. En dat zou voortaan "beschaving" heten.' (VW VI, p. 399-400)

Op taal en de ontwikkeling van taal gaat hij in de volgende Ideën verder in, waarbij hij het belang van taalkunde benadrukt: 'Ik beweer, met terugzicht op deze en dergelyke beschouwingen, dat er geen dankbaarder vak van onderzoek is dan algemene taalkunde. Het bestuderen van wording en ontwikkeling der spraak, samengaande met het toenemen der behoeften en de volmaking der gaven van een pas tot zelfbewustzyn geraakten mens... het terugbrengen tot oorspronkelyke eenheid - of althans tot enige weinige nagenoeg synchronistische en zeker geheel syllogistische of soortgelyke eenheden - de toepassing van 't darwinismus op 't ontleden van oorzaak en gevolg (...) dit alles zou, wél behandeld, bruikbaarder bouwstoffen opleveren tot de Geschiedenis der Mensheid, dan ooit kan verwacht worden van elke andere wetenschap.' (Idee 1047d, VW VI, p. 408)

Dezelfde gedachtengang vinden we ook in Idee 1064 (*spelling), waar hij stilstaat bij het belang van het onderzoek naar de *etymologie: 'De omstandigheden vergunnen my niet van taalstudie - in verband natuurlyk met Historie en algemene Wysbegeerte - 'n hoofdbezigheid te maken. Om anderen hiertoe op te wekken, die niet zo rechtstceeks en terstond behoefte hebben aan den opbrengst van hun arbeid, geef ik hier de verzekering dat deze tak van onderzoek verrassende uitkomsten oplevert, die niet alleen de moeite van 't nasporen belonen, maar deze moeite zelf tot 'n aangename bezigheid maken. Het terrein dat ik hier bedoel, is nagenoeg onbearbeid gebleven.' (VW VI, p. 680)

In hetzelfde Idee gaat hij in discussie met *Max Müller, die 'voorgeeft weinig of geen gewicht te hechten aan de rol die door klanknabootsing in de wording der talen - dialekten slechts! - gespeeld wordt' (VW VI, p. 683-684).

In de Divagatiën schrijft M. over taalkunde: 'Het nasporen van de afkomst der woorden, die schone handleiding tot beoordeling van volksleven en ontwikkeling der mensheid, wordt verlaagd tot laffe schoolmeestery. By gebrek aan bekwaamheid heeft men 'n vak uitgevonden - stiel, zeggen de Vlamingen- waarby men, 'n beetje mnemotechniserend, bekwaamheid missen kan.' (VW V, p. 375)

In de Woutergeschiedenis lezen we: 'En geef aan ieder individu een taal naar z'n karakter, temperament, standpunt, en zelfs naar z'n ogenblikkelyke stemming. (...) Hiervan, en niet van 't verschil in uitspraak der letters, sylben of woorden, hangt de karakteristiek af. Ik vleie my dat juffrouw Pieterse, juffrouw Pieterse blyven zou, d.i. zichzelf al ondergingen haar praatjes de verlammende correctie van 'n *prote uit de School van De Vries & Te Winkel.' (Idee 1199, VW VII, p. 315 *M. de Vries)

*jou *Kadmus *modewoorden

(Lit. J. Noordegraaf, 'Multatuli's ideeën over taal', in: Over Multatuli, 1979, nr. 4, p. 21-36)

Tandem, (Lat. tandem bona causa triumphat: eindelijk zegeviert de goede zaak) door M. in maart 1878 opgericht genootschap om 'Max Havelaar te pensioneeren'. Men slaagde erin dit initiatief geheim te houden. Pas in 1892 werd er door *Vitus Bruinsma over gepubliceerd (Ter Gedachtenis aan Multatuli, uitgegeven door de Vereeniging 'De Dageraad', Amsterdam, 1892, p. 14). Het genootschap, waarvan vele van M.'s vrienden (o.a. Bruinsma, *C. Vosmaer, *De Haas, *Roessingh van Iterson, *Versluys en *Admiraal) lid waren, funetioneerde van 1 april 1878 tot 1 april 1882 (lidmaatschapskaart, VW XIX, p. 296). De minimale jaarlijkse bijdrage was Ÿ 5,- (cf. Vosmaers administratie over 1879, VW XX, p. 113).

M. koesterde grote verwachtingen van dit genootschap. Zo schrijft hij op 30 maart 1878 aan Mimi: 'Het [Tandem] moet en zal grandioos worden. Een kans van mislukken is niet te bedenken. Je vraagt hoeveel sectiechefs ik benoemd heb. Op 't oogenblik 19. (...) Zoodra 't me schikt (...) verhoog ik 't getal sectiën. Maar ook zonder myn toedoen, zullen ze aangroeien. De sectie die vol is (chef & negen leden) breekt in tweën. (polypenstelsel) Maar, nog eens, ik weet 'n middel om wel 100 sectien te stichten, en zal 't over 'n maand of 'n paar maanden doen. De financieële uitslag zal ryk zyn.' (VW XIX, p. 398)

Op 7 april 1878 bericht hij dat er al 22 sectiën benoemd zijn en dat er nog 7 8 op de nominatie staan (VW XIX, p. 445). De sectiehoofden werden echter gewaarschuwd 'niet lichtvaardig in 't uitreiken van ledenkaarten' te zijn (brief aan Vosmaer d.d. 17 maart 1878, VW XIX, p. 326). In 1882 werden de Tandem-bijdragen voor een groot deel in het *Huldeblijk opgenomen. Enkele trouwe vrienden bleven daarna eigen bijdragen sturen (cf. de administratie van M.J. de Witt Hamer, VW XIX, p. 545). Het Tandem heeft M. geen financiële onafhankelijkheid gebracht. Bruinsma concludeert in bovengenoemde publikatie over Tandem 'dat het leed onder de te groote verwachtingen die Multatuli van de nauwgezetheid zijner vereerders in hunne offervaardigheid koesterde'.

Sinds 1987 bestaat de stichting 'Tandem 2' om de studie van M.'s leven en werk te bevorderen.

Teunisz, Cateau, beschermelinge van DD. te Poerwakarta tijdens zijn verlovingstijd. Zij was een dochter van een gepensioneerde kapitein van de Infanterie, die aan lager wal was geraakt. Zij logeerde enkele maanden bij de kommies *Permentier. DD. ontmoette haar op 8 oktober 1845. Hij beschrijft haar in een brief aan Tine als een mooi meisje, zeer blank en met witte tanden (brief van 2-11 oktober 1845, VW VIII, p. 472-473). Over haar schreef hij nadien uitvoerig in zijn brieven aan Tine. DD. compromitteerde haar mevrouw Permentier wees haar weldra de deur. Voor Cateau's vertrek naar Batavia schrijft DD. op 7 december 1845 aan Tine: 'Ik hoop Cateau dezen avond nog te zien, en als ik haar niet alleen kan spreken kom ik voor haar venster, schoon zij het mij verboden heeft, omdat ik haar laatst bij die gelegenheid een kus heb gegeven. Ik heb nooit opgehouden u boven alles lief te hebben, maar er zijn wel oogenblikken geweest dat ik verhit was door het zien van een jong meisje dat in het ongeluk verkeerde en er heel goed uitziet. Daarbij kwam nog de geheimzinnigheid onzer betrekking, hetwelk altijd aantrekt.' (VW VIII, p. 568) (Lit. Paul van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p.181-185)

The right man on the right place, motto van Over Specialiteiten (VW V, p. 483). Het motto is verworden tot een stopwoord, schrijft M.: 'Lezer, ik koos m'n eigen manier om u voor te bereiden tot het betoog dat de uitdrukking: the right man on the right place, te onzent is afgedaald tot 'n armzalig vulsel, tot 'n scie, tot 'n stopwoord. Neen, tot iets ergers... tot 'n onwaarheid.' (VW V, p. 485)

Thieme, Derk A., 1830-1879, vestigde zich in 1853 als uitgever te Arnhem. Hij gaf De Tijdspiegel, De Nederlandse Spectator en Vragen van den dag uit, alsook werken van Lindo, Lodewijk Mulder, Lublink Weddik, Vitringa en Keller. In 1868 richtte hij met M. Nijhoff en A.W. Sijthoff Het Vaderland op; in 1874 verhuisde hij naar Den Haag.

Na de verschijning van de Max Havelaar zocht hij M. als schrijver aan. In augustus 1860 bezocht hij M. die hem werk beloofde. M. schrijft Tine op 27 augustus 1860 dat Thieme graag zijn priv'-correspondentie zou willen uitgeven. Hij schrijft verder: 'Toen ik aan Thieme vertelde dat ik wel eens in den brand zat, zei hij: dat is uw eigen schuld, er is geen een boekhandelaar die het zich niet tot een eer rekenen zal u geld te geven, gij hebt een schat in uwe pen, enz. enz.' (VW X, p. 294)

In oktober 1860 verscheen bij Thieme M.'s *Indrukken van den dag. M. heeft verder geen contact meer met hem gehad.

Thorbecke, Jan Rudolf, Zwolle 1798 - 's-Gravenhage 1872, Nederlands staatman. Hoogleraar in de geschiedenis van de Staat en het recht te Gent (1825) en later in de staatsgeschiedenis te Leiden (1831). In 1839 trok hij de aandacht met zijn Aanteekeningen op de Grondwet waarmee hij leider van de groeiende groep liberalen werd, die het beleid van Willem I afkeurden. In 1840 werd hij dan ook benoemd tot lid van de Dubbele Kamer, die tot herziening van de Grondwet bijeengeroepen was. Met enkele anderen stemde hij tegen de door de Koning voorgestelde

veranderingen. In 1844 werd hij lid van de Tweede Kamer, in oppositie tegen J.N. van Hall, omdat hij een ruimere grondwetsherziening wilde. Met acht anderen diende hij op 10 december 1844 een voorstel tot verregaande Grondwetsherziening in. Dit voorstel der 'Negen mannen' werd in 1845 verworpen. In1848 nam hij zitting in een commissie met de opdracht een ontwerp van grondwetsherziening samen te stellen. Het werd door de Dubbele Kamer aangenomen (*grondwet van 1848). In 1849 werd Thorbecke minister van Binnenlandse Zaken (*Wacht op onze daden!). Tijdens zijn bewind kwamen onder meer tot stand: de Kieswet (*algemeen kiesrecht) en Procinciale Wet (1850), de Gemeentewet (1851), de Armenwet, waarbij alle instellingen van armenzorg onder Staatstoezicht zouden komen (1851), en de Scheepvaartwetten Van Bossche. In 1853 gaf hij de rooms-katholieken de vrijheid tot de instelling van het aartsbisdom Utrecht en de bisdommen Haarlem, Breda, 's-Hertogenbosch en Roermond. Hier was de Aprilbeweging tegen. Zij wekte met haar protest in protestantse kring zoveel beroering, dat het kabinet nog hetzelfde jaar aftrad. Thorbecke werd herkozen als lid van de Kamer voor

Maastricht. In 1860 kwam hij krachtig op tegen Staats-exploitatie van spoorwegen en tegen de aanleg van Staatswegen. Zijn motie werd echter verworpen. In 1862 werd hij opnieuw belast met de vorming van een kabinet. Ditmaal vond hij als liberaal de anti-revolutionaire *Groen van Prinsterer tegenover zich. Hij werkte mee aan de afschaffing van de slavernij in West-Indië, de Indische Comptabiliteitswet, waterwegen voor Amsterdam en Rotterdam, exploitatie van Staatsspoorwegen, de Wet op het Middelbaar Onderwijs, geneeskundige wetten, afschaffing der gemeentelijke accijnzen en van die op brandstof.

In 1866 bracht de koloniale kwestie het kabinet ten val. Thorbecke werd vervolgens lid van de Tweede Kamer voor Groningen. Toen het kabinet Van Zuylen van Nyevelt ten val gebracht was, stelde hij het kabinet Van Bosse-Fock samen. In 1871 vormde hij zijn derde kabinet met Van Bosse voor Koloniën. Hij bracht de overeenkomst met Engeland in zake het Sumatra-Traktaat (1872) tot stand (*Atjeh). Zijn voorstel tot invoering van Inkomstenbelasting werd verworpen en het ontslag aan zijn ministerie was reeds verleend, toen hij op 5 juni 1872 overleed (*Jolles). Op 18 mei 1876 werd op het voormalige Reguliersplein - thans Thorbeckeplein - in Amsterdam een standbeeld van Thocbecke onthuld. Thorbecke was de leider van de liberale burgerij, die door zijn optreden aan de macht kwam. De toestand van de arbeidende klasse werd door Thorbecke's maatregelen niet verbeterd, ook de toestand in Indië bleef onveranderd. Om deze en vele andere redenen werd Thorbecke door M. uiterst fel bestreden. Hij viel hem veelvuldig op elk gebied aan: als schrijver, als leider van de liberalen, als minister, als de vader van de Grondwet en van de Kieswet. Hij schold hem uit, bij zijn leven en na zijn dood. Thorbecke wordt o.a. bekritiseerd in de Ideën 311-317 (VW II, p. 502-507) en in Idee 452 (VW III, p. 148-184). Bij het aantreden van het tweede kabinet Thorbecke in 1862 verlangt M. nog grote daden van Thorbecke:

'Hy moet: De Havelaar-zaak uitmaken. 't Zegel op de dagbladen afschaffen. In komende rechten... idem. Ministerie van eredienst... idem. Wetten tegen laster en kindermoord... idem. En nog een en ander... ja, nog véél meer. Geschieden zal het!' (Idee 227, VW II, p. 435)

Geen van die verwachtingen heeft Thorbecke waargemaakt, constateert M. in een noot bij dit Idee (VW II, p. 687). In Idee 312 spot hij met Thorbecke's verklaring dat hij niet behoorde tot de Liberale Partij (*annonce van een bierbrouwer).

'Schande over u Thorbecke', roept hij in de aanhef van Idee 313: 'Hoe, gy spreekt van algemeen belang, gy de schepper onzer ellendige Kieswet? Hoe, gy verloochent uw party, gy loochent zelfs 't bestaan der partyen, gy, de partyman by uitnemendheid? Gy, de vaandrager? Gy, de voorganger? Gy, het verzamelingspunt dier zogenaamde liberalen, 't mikpunt der zogenaamde behouders? O Thorbecke, byna beweegt ge my conservatief te worden... Zeker!' (VW II, p. 503)

Thorbecke heeft noch de door het volk betaalde dominees afgeschaft, noch de Kieswet veranderd, noch de Tweede Kamer naar huis gestuurd. Verder heeft hij, in tegenstelling tot wat hij zelf beweerd had, de 'besmetting' in de politiek (*contagium) niet weggenomen (Idee 315-316, VW II, p. 505-506).

Na zijn dood werd Thorbecke ook als schrijver geprezen. M.'s reactie hierop: 'De man schreef allergebrekkigst, en levert in z'n kreupele werken (...) een getrouwe afspiegeling zyner bekrompen geestvermogens. Hy was een der kleinste mannen die ooit 'n rol speelden op publiek terrein. Arm Nederland!' (noot Idee 399 uit 1872, VW II, p. 721)

Het *welzijn van het volk tijdens Thorbecke's ministerschap neemt hij onder de loep in Idee 451, waarbij hij in een noot nogmaals het onliberale karakter van Thorbecke benadrukt (VW III, p. 394-395).

In Idee 452 bekritiseert hij Thorbecke's Historische Schetsen ('s-Gravenhage, 1860): 'de vlag dekt de lading niet, de stijl is slecht, Thorbecke geeft meer of min diepzinnige beschouwingen over de verdeling van macht en gezag: wie 't best caramboleerde.' (VW III, p. 165). Verderdop schrijft hij:

'Zelfs al naamt gy de moeite die vervelende dorre "historische" schetsen van Mr Thorbecke te doorworstelen, ik verzeker u, dat ge... vermoeid wezen zoudt, ja... maar u niet bezwaard zoudt voelen met overmaat van onnodige wetenschap. Uw gemoed zou rein blyven van staatkunstige spinnekoppery, en ik hoop zelfs, dat gy juist dit zoudt geleerd hebben uit uw lectuur, dat er uit zulke lectuur niets te leren valt. Het boekje van den heer Thorbecke is, wat vorm en inhoud aangaat beide, een kostbare bydrage tot de grote verzameling van al 't geschryf, waaruit men precies kan te weten komen hoe men niet behoort te schryven' (VW III, p.173).

'Wat we niet vinden in de werken van den heer Thorbecke? Niets, volstrekt niets van wat wy zouden zoeken by iemand, die 't wél meent met de publieke zaak. Geen schyn van aandacht wydt hy aan 's Lands welvaart. De toestand des Volks is hem een gesloten boek, en nergens blykt zelfs z'n begeerte dat boek te openen. Zulke begeerte zou dan ook moeten voortkomen uit het hart, en hoe dor 't geschapen staat met dat "persoonlyk middelpunt" - of ovaal-brandpunt, als ge wilt - des ministers, zyn we gewaar geworden uit den styl van den auteur.' (VW III, p. 177)

M. neemt in deze kritiek, die de vorm van een voordracht heeft ('ikzelf moest me inspannen, tot het uitspreken van al die gordiaanse frasen', VW III, p. 175), de Historische Schetsen als maatstaf ter beoordeling van de geest van de regering.

Door zijn bewering dat de Historische Schetsen de gehele schrijversarbeid van Thorbecke gedurende een kwart eeuw zoud uitmaken (VW III, p. 155), toonde M. zich slecht op de hoogte met de omvangrijke publicistische arbeid van de staatsman, voor wiens verdiensten hij geen begrip kon opbrengen. Uiterst fel wordt M.'s bestrijding van Thorbecke, wanneer er plannen worden gemaakt een standbeeld op te richten:

'De toestand van 't Nederlandse Volk, sociaal en politisch, is gevaarlyker dan ooit. (...) Weet, begrypt, kent ge dit alles niet? Gy hadt het toch kunnen weten, Nederlanders! Tien jaren geleden heb ik u gewaarschuwd. (...) De bladzyden waarin ik uw onmachtigen afgod in z'n naaktheid tentoonstelde, werden dezer dagen ten vyfden male gedrukt... Tóch 'n standbeeld! Maar zyt ge dan krankzinnig? My komt het zo voor. (...) Wie Indië kende voor dertig jaren, en thans de daar verschynende couranten leest, die op allerlei wyze den toestand afspiegelen waartoe de Europese maatschappy in Indië gezonken is, heeft slechts de keus tussen smart en woede. Vloek over de Haagse ellendelingen die aldus 't heerlykste bedierven, wat ooit aanspraak mocht maken op zorgvuldige behandeling! En op de lyst van die ellendelingen staat Thorbecke bovenaan. Hy had het recht niet, dom te zyn. Hy had het recht niet, onbekwaam te zyn. Hy had het recht niet, traag te zyn. Men betaalde hem - in geld, wat spaarzaam, dit moet ik erkennen, maar in eer en invloed dan toch ruim - voor wat anders! En - boven alles! - hy nam de plaats in van beteren dan hy. Dit is m'n hoofdgrief. Hy was: gewoon,/En in den vreemden tyd dien wy beleven,/was, op zyn standpunt, 't ordinaire: misdaad!' (Idee 969, VW VI, p. 170-172)

In juli 1876 verschijnt in De Tolk van den Voortuitgang (jrg. 2, nr. 6, p. 226; VW XVIII, p. 427-428) het artikel 'Thorbecke-vergoding'. Het stuk is ondertekend door 'Vrienden van Multatuli'. Zij stellen voor de gasten die aanwezig zullen zijn bij het diner ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld, te onthalen op M.'s grafschriften op Thorbecke. M. publiceert in Idee 972 (VW VI, p. 179-196) zijn 107 grafschriften op Thorbecke, in navolging van de *Schoolmeester. Enkele hiervan zijn:

I De man dien men de vryheid nam hier in de kist te leggen,/Was zo verdienstelyk dat z'n beste vrinden niets goeds van 'm/weten te zeggen.'

'II. ANDERS Wandlaar die me hier begraven ziet,/Als 't sterven 'n kunst was, dan lag ik hier niet.'

'XX. ANDERS De man die hier begraven leit,/Stak uit in onuitstekendheid.'

'XXVIII. ANDERS Ik zou me hier minder vervelen,/Als ik parlementje kon spelen.'

'XLVII. ANDERS Wat m'n eminentie aangaat, lezer, ik geef je de keus/Of je me houden wilt voor 'n groten dwerg of 'n byzonder kleinen reus./Zeg nu eens dat de man die hier ligt, exigent is,/Die stumperd is met alles tevree, als 't maar in z'n soort eminent is.'

'LXXXVIII. ANDERS. Multatuli is 'n letterdief, bepaald! Of: exakter misschien, onbepaald:/Hy heeft al z'n Ideën uit myn werken gehaald./En dan klaagt-i nog met organig venyn,/Dat er geen Ideën in m'n werken zyn!'

Deze grafschriften bevielen M.'s uitgever *G.L. Funke allerminst (zie o.a. brief aan M. d.d. 1 oktober 1872, VW XV, p. 384), maar M. stond op publikatie ervan in de vierde bundel Ideën. Aan zijn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga schrijft hij op 3 oktober 1872 over de tot- standkoming van deze epigrammen - zoals M. ze zelf noemt - onder meer: 'De geest kwam over my, en ik maakte er - schrik niet! - een honderdtal! Gehalte? Wie zou nu mal genoeg zyn te denken dat die 100 állen precies even goed zyn? Dit is zeker: "aardig" zyn ze allen, hetzy door den

blödsinn die de zotterny van den dag karakteriseert (...) hetzy door den vloed van 't geheel. 't Is of ik den vent begraaf.' (VW XV, p. 387)

In Idee 979 bespreekt M. enkele artikelen die handelen over de verdiensten van Thorbecke: 'Professor *Vissering sprak, Professor *Buys sprak, Professor *Opzoomer sprak... over den "groten staatsman, Thorbecke. Maar al die heren gingen, als [*E.J.P.] Jorissen en de rest, heel voorzichtig voorby: wat die man byzonders heeft uitgericht! We vinden allerlei meer of min afgezaagde oratorische fanfares, maar... feiten, daden vinden we niet!' (VW VI, p. 208)

In zijn naschrift bij de derde bundel Ideën spreekt M. van 'Thorbeckeritis' (VW VI, p. 389) en in een aantekening bij De Zegen Gods door Waterloo van 'Thorbeckomanie' (VW III, p. 559). *F.A. van Hall (Lit. H.A. Gomperts, 'Multatuli contra Thorbecke', in: Intenties 2, Amsterdam, s.a., p. 91-96)

Thugatèr, parabel van, *vrouw, positie van de

Times, the, het meest gezaghebbend Engels dagblad, werd in 1783 in Londen opgericht door J. Walter. Idee 34 luidt: 'Myn Ideën zyn de "Times" van myn ziel.' (VW II, p. 316)

In een briefaan Mina Krüseman d.d. 29 mei 1874 herhaalt hij dit aforisme, waarna hij vervolgt: ' 't kan me minder schelen of ge alles of veel met me eens zijt, maar veel hecht ik er aan dat je mij houdt voor WAAR., (VW XVI, p. 555). *schrijverschap

Tjiandjoer, (Tjanjor, Cianjur) hoofdplaats van de gelijknamige afdeling van de Preanger-Regentschappen. DD. en Tine trouwden daar op 10 april 1846 (huwelijksakte, VW VIII, p. 674-675). De regent van Tjiandjoer, radŠn adipati Aria Koesoema Ningrat, een neef van de regent van Lebak, zou in 1856 met groot gevolg naar Lebak komen. Dit was een reden tot knevelarij van de inlandse bevolking, omdat de ontvangst hoge kosten met zich mee bracht. Dit bracht de regent 'meer dan anders in de verzoeking (...), - om niet te zeggen in de noodzakelijkheid met het oog op zijne benarde geldelijke positie, om door onwettige middelen te voorzien in de toebereidselen voor dat bezoek', schrijft DD. op 24 februari 1856 aan de resident van Bantam, C.P. Brest van Kempen (VW IX, p. 502-503). Deze missive werd door DD. overgenomen in de Max Havelaar (VW I, p. 261-263). In een noot bij dit werk geeft hij aan dat hij de voorkeur geeft aan de spelling Tjanjor, omdat dit z.i. beter aansluit bij de klank van het woord (VW I. p. 335). *Karta Nata Negara Een beschrijving van Tjiandjoer en omgeving door J.I. van Sevenhoven (Tijdschrift voor Neêrland's Indië, Batavia, jrg. 1, 1838) werd opgenomen in de Volledige Werken (VW VIII, p. 672-673).

Tjikalong, plaats op 15 km. afstand van Tjiandjoer, op de weg naar Poerwakarta. Hier zouden DD. en Tine na de huwelijksvoltrekking de nacht doorbrengen. *huwelijk

Tjikandi, district in de afdeling Serang van de residentie Bantam, bestaande uit twee particuliere landerijen. M. noemt dit district in de Max Havelaar (VW I, p. 87)

Tjilangkahan, district aan de kust van Lebak. In het gelijknamige dorp kocht Saïdjah een vissersprauw waarmee hij naar de Lampongs zeilde (Max Havelaar, VW I, p. 253). In het archief van Lebak vond DD. twee rapporten over de knevelarijen van de demang van Tjilangkahan, Angka Widjana (VW IX, p. 417-436 p. 559-561). Deze stukken werden opgenomen in zijn *bewijsstukken in de Havelaarzaak (VW IV, p. 618).

Tjiringin, afdeling van de residentie Bantam. In de Max Havelaar zegt Havelaar dat de toestand in Tjiringin volgens de resident (d.i. *Brest van Kempen) nog ellendiger is dan in Lebak. Havelaar vraagt zich af hoe de resident de misbruiken in deze afdeling kan laten bestaan, zonder de regering daarvan in kennis te stellen (VW I, p. 191-192).

Toen en thans, schimpdicht van DD. uit 1840, geschreven als reactie op de verkrachting van een meisje te Batavia. De verkrachter, een assistent-resident, werd slechts gestraft met overplaatsing. Het gedicht eindigt met de regels: 'Wie thans eens anders vrouw begeert,/Of meisjes uit de buurt onteert -/Krijgt eerst een maand verlof, zoals het voorbeeld leert,/En wordt daarop gewis met glans gepromoveerd./Zo wreekt men thans - in onzen tijd/ De snood belaagde onnozelheid.'

DD. nam het gedicht op in zijn *'Brief aan A.C. Kruseman. Hij schrijft hierin dat hij het zelf indertijd een 'ferm schimpdicht' vond (VW IX, p. 186). Hij had gehoopt dat het gedicht voor wat opschudding en wat bekendheid zou zorgen, maar hij kreeg slechts kritiek op de lengte van de versregels en enkele inhoudelijke zaken (VW IX, p. 188-189).

(Ook opgenomen in: Multatuli Gedichten. Verzameld en ingeleid door Sander Blom, Amsterdam, 1985, p. 22-24)

Toespraak tot de Hoofden van Lebak, door Max Havelaar gehouden bij zijn intrede als assistent-resident van Lebak (Max Havelaar, VW I, p. 105-114). De toespraak werd in het Maleis gehouden (VW I, p. 104). Enkele passages hieruit luiden:

'Ja, ik weet dat er veel goeds is in Banten-Kidoel! Maar niet hierom alleen was myn hart verheugd! Want ook in andere streken zou ik veel goeds gevonden hebben. Doch ik ontwaarde dat uw bevolking arm is, en daarover was ik blyde in het binnenste myner ziel. (...) Hoofden van Lebak er is veel te arbeiden in uw landstreek! (...) Ik wenste gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en daarom verzoek ik u my te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald mocht hebben, kan op een zacht oordeel van myn kant staat maken, want daar ikzelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zyn... niet althans in de gewone dienstvergrypen of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over misslagen van groveren aard... over knevelary en onderdrukking, spreek ik niet... zo iets zal niet voorkomen, nietwaar, Adipati?'

De toespraak werd op 30 januari 1950 door Albert Vogel in Den Haag (Diligentia) voorgedragen.

*Van der Capellen *Minahassa

Toneelstukken van Multatuli, *Aleid *De Bruid daarboven *Hector *Vorstenschool

Troonrede, In de troonrede van 1860 werd verkondigd dat de toestand van de overzeesche bezittingen in alle opzichten bevredigend was. Bij de beraadslagingen over het ontwerp.adres van antwoord op deze troonrede verklaarde *Van Hoëvell op 25 september dat er een rilling door het land gegaan was, veroorzaakt door een zeker boek, d.i. de Max Havelaar (VW X, p. 316). *P. Mijer wees in deze beraadslagingen op het feit dat *Duymaer van Twist in dit boek zwaar beschuldigd werd (VW X, p. 318). Duymaer van Twist zelf weigerde over dit boek te spreken (VW X, p. 320).

In Over vryen arbeid (geschreven in het voorjaar van 1862) ageert M. tegen de 'verrotting' van de Staat (*contagium) en constateert: 'De troonrede spreekt van ongestoorden vrede, van rust en geluk, op den ogenblik als duizenden daarginder bezwyken onder hongersnood, of neerzygen onder klewang-bajonetten uwer voor hoog handgeld gehuurde soldaten. Die troonrede spreekt dus leugen, Nederlanders! Uw Tweede Kamer beraadslaagt met voorgewende deftigheid wat zy zal antwoorden op die leugen, en brengt, na 't horen van een zestigtal geachte maar onverstane sprekers, met kunst en moeite de leugen voort, dat ze die opgediste andere leugen met genoegen heeft vernomen.' (VW II, p. 231)

In Idee 451 schrijft hij: 'De troonrede die de ministers laten uitspreken, is een jaarlyks terugkerende leugen. En 't antwoord daarop insgelyks. Nooit laat men den Koning zeggen: "Heren, 't Volk lydt gebrek." Nooit antwoordt men: "Sire, 't Volk heeft honger." En zo toch zou er moeten gesproken worden, als er naar waarheid gestreefd werd.' (VW III, p. 142)

In Vorstenschool vraagt koning George op het feest om 'Een speech vol lamme laffe lompe leugens!'. Spiridio begint:

'Hèm, hèm! M'nheren, het verheugt me zeer,/U hier opnieuw om my vereend te zien./De toestand is perfekt, het vlees goedkoop./De burgers zien er flink en vrolyk uit./Sneller/De burgeressen... idem. Nyverheid/ En handel... idem. Landbouw... idem./l...) Onderwys,/ Fabrieken... idem, idem. Onze vloot,/Ons leger, schuttery, oogst... alles idem./De vriendschap met de vreemde hoven... idem.' (tweede bedrijf, VW VI, p. 45-46)

In zijn brief aan de Koning (*Brief aan den Koning 4) beweert M. dat de ministers 'in de jongste troonrede (1872) zwygend en sprekend gelogen hadden': 'De Ministers hebben Uw vertrouwen misbruikt, door U te doen verklaren: "Vriendschappelyke verstandhouding kenmerkt onze betrekkingen met alle Mogendheden" Hier hebben Uw Ministers gelogen, Sire! Opzettelyk, tegen beter weten aan, gelogen!' (Idee 982, VW VI, p. 215, 217)

*Kappeyne van de Coppello

Tweede Kamer, wordt door M. herhaaldelijk veroordeeld en beschimpt, bijvoorbeeld in zijn kritiek op de staatsman *Thorbeeke en op de Kieswet (*algemeen kiesrecht).

In de Ideën 119-121 en 133-135 (VW II, p. 338-344 en p. 349-363) betoogt M. dat de Kamer het volk niet vertegenwoordigt. In Idee 133 schrijft hij: 'Op weinige uitzonderingen na zyn de leden van de Kamer gekozen naar een geheel willekeurige, op niets degelyks berustende, en (...) zeer ondoelmatige en gevaarlyke kiesregeling.'

In Idee 135 noemt hij de Tweede Kamer een 'verzameling van nietigheden' en 'verrot' (VW II, p. 355 en 363; *contagium). M. verwijst hierbij naar zijn Over vryen arbeid, waarin hij 'zeer laag neervalt op de Tweede Kamer' (VW II, p. 354; cf. in genoemd werk de pastiche op kamerdebatten: VW II, p. 231-255). In Idee 313 spreekt hij van 'de bekende onnozelheid eener Kamer' (VW II, p. 503) en in Idee 316 schrijft hij: 'Die Tweede Kamer, die pronkkamer van Nederlandse middelmatigheden, dat museum van misdadige nietigheid, is uw werk, o Thorbecke!' (VW II, p. 507). In Idee 988 klinkt het: 'Weg met de Kamers!' (VW VI, p. 229).

Desalniettemin - of juist daarom - stelde M. zich in1862 verkiesbaar voor de Tweede Kamer. Hij schreef daartoe een brief 'Aan het volk van Nederland', opgenomen in Idee 290 (VW II, p. 482-486), maar door een 'verdrietig misverstand' bereikte dit beroep op het volk de lezers te laat of in het geheel niet (voetnoot, VW II, p. 482). Hij beroept zich hierbij op zijn manifest aan de kiezers in de Minnebrieven (*Brief aan de kiezers van Nederland). In een noot uit 1872 schrijft hij bij dit beroep op het volk: 'By de correctie van dit stuk voelde ik schaamte over de naieveteit waarmede ik in '62 nog menen kon, dat een beroep op 't eergevoel van het Nederlandse volk, of op een deel daarvan, zou gehoord en verstaan worden. Hoe kon ik op twee-en-veertig jarigen leeftyd, zo kinderlyk zyn?' (VW II, p. 705)

Eerder al had hij zich kandidaat gesteld voor het kiesdistrict Tiel (oktober 1860; *Aan de stemgerechtigden in het kiesdistrikt Tiel) en werd hij - zonder zijn medeweten - kandidaat gesteld voor het kiesdistrict *Leeuwarden. Beide kandidaturen liepen op een mislukking uit.

*behouders en liberalen *democratie *kamerontbinding *parlementair stelsel *regering *sarcasme