Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

K

Kabinetsmissive, Officieel schrijven van gouverneur-generaal *Duymaer van Twist van 23 maart 1856 (VW IX, p. 578-579), door DD. ontvangen op 29 maart, waarin DD. 'ernstig wordt te regt gewezen, ter zake van zijne onvoorzigtige handelingen als Adsistent Resident van Lebak' (VW IX, p. 571).

De kabinetsmissive nam DD.'s laatste hoop weg dat hij gelijk zou krijgen tegenover *Brest van Kempen. Hij beantwoordde de missive met het verzoek om ontslag (29 maart 1856, Rangkas Betoeng, VW IX, p. 582-583) hij werd eervol ontheven uit zijn functie als assistent-resident van Lebak. In een onvolledig ontwerp van een brief van 23 mei 1856 aan Duymaer van Twist, met het verzoek hem nog voor zijn vertrek te spreken, schrijft DD. onder meer: 'De gronden waarop gebaseerd is de afkeuring in Uwer Excellenties Kabinetsmissive van 23 Maart zijn geheel en al verdicht en leugenachtig.' (VW IX, p. 635).

Tegelijk met de kabinetsmissive ontving DD. een schrijven van 'H.J.C. Hoogeveen, adjunct-secretaris van Duymaer van Twist, waarin deze DD. aanraadt zich 'bij de ontvangst van een en ander bedaard te houden - en niets te doen waardoor gij alles geheel kunt verbroddelen. - Neem de kabinets missive liefst stil aan en zwijg er op.' (VW IX, p. 581). DD. tekende op deze brief aan dat hij vermoedde dat deze brief op last van Duymaer van Twist was geschreven. (Lit. Paul van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 342 e.v.)

Kami, in de Shinto religie de aanduiding voor het goddelijke, in het bijzonder van vooroudergeesten, dieren en natuurverschijnselen. Met deze titel spreekt M. de Japanners aan in de Japanse Gesprekken.

Kansberekening, in de Ideën 1122-1124 (VW VII, p.101-105) toont M. enkele staaltjes van kansberekening. Hij verwijst hierin naar zijn *Millioenen-studiën, waarin dit onderwerp uitgebreid aan bod komt. Als notoire gokker was M. constant bezig een systeem uit te denken dat hem aan de speeltafel schatrijk zou maken. Maar het kwam nimmer tot een succesvol systeem.

(Lit. J.J.N. Nauta, 'Multatuli als kansrekenaar', in: Over Multatuli, 1987, nr. 19, 37-46)

Kappelman, personage in de Minnebrieven. Deze bekrompen, benepen, zelfzuchtige burgerman leidt, zoals hij zelf zegt, 'een rustig en gemakkelyk leven'. Hij zal zijn vriend 'den kruidenier' zeggen dat M. een democraat is (VW II, p. 157). In Idee 374 voert M. Kappelman weer op en laat hem in ' 'n bui van wysbegeerte' zeggen: '- Myn zoon, let op uw zeggen, meer dan op uw doen, en het zal u wélgaan in den winkel, dien ik u geven zal, naast het kamertje uwer geboorte. Het doet er weinig toe, myn zoon, of de pruimen goed zyn die ge verkoopt, zeg en herhaal: wat zyn die pruimen byzonder goed.' (VW II, p. 941)

In 1878 verscheen de brochure Hoe Kappelman (de heer M.) Multatuli beoordeelde van J.S. ( *Janssen-Schollmann).

Karta Nata Negara, radèn adipati, 1790-1879, zeer aanzienlijk inlands hoofd, regent van Lebak in Bantam Kidoel (Zuid-Bantam) van 1837-1865, de tijd van DD.'s verblijf aldaar. Radèn adipati is de eretitel van een regent.

Op 24 februari 1856 schreef DD. een brief aan resident *Brest van Kempen, waarin hij de werkwijze van Karta Nata Negara aan de kaak stelde (VW IX, p. 501-504; *Tjiandjoer). Deze brief is opgenomen in de Max Havelaar de schrijver is hier Havelaar: 'dat ik den Regent van Lebak, Radèn Adipati Nata Karta Nagara, beschuldig van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over den arbeid zyner onderhorigen, en verdenk van knevelary, door het vorderen van opbrengsten in natura, zonder, of tegen willekeurig vastgestelde, onvoldoende, betaling; dat ik voorts den Demang van Parang-Koedjang - zyn schoonzoon - verdenk van medeplichtigheid aan de genoemde feiten. Om beide zaken behoorlyk te kunnen instruëren, neem ik de vryheid u voor te stellen, my te gelasten:

1. den Regent van Lebak voornoemd, met den meesten spoed naar Serang op te zenden, en zorg te dragen, dat hy noch voor zyn vertrek, noch gedurende de reize, in de gelegenheid zy, door omkoping of op andere wyze te influenceren op de getuigenissen die ik zal moeten inwinnen;

2. den Demang van Parang-Koedjang voorlopig in arrest te nemen;

3. gelyken maatregel toe te passen op zodanige personen van minderen rang, als, behorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen worden invloed uit te oefenen op de zuiverheid van het in te stellen onderzoek;

4. dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van den uitslag te dienen van omstandig bericht.' (VW I, p. 261-263)

De beschuldiging tegen de regent heeft in deze eeuw veel stof doen opwaaien. Vooral Rob Nieuwenhuys verdedigt Karta Nata Negara, die volgens hem niet meer dan de volgens het gewoonterecht van Java toegestane diensten gevraagd heeft van de bevolking. (Lit. Frits Jaquet en Rob Nieuwenhuys, 'De tienduizend buffels van Max Havelaar', in Het Oog in 't Zeil jrg. 6, 1988, nr. 1, p. 1-9; Rob Nieuwenhuys, De mythe van Lebak, Amsterdam, 1987; R.A. van Sandick, Leed en lief uit Bantam, Zutphen, 1892, p. 177 e.v.).

De houding van DD. tegenover de regent wordt besproken in H.W. van der Doel, 'Over brooddronkene vadzige regenten en andere ambtenaren' in Over Multatuli, 1994, nr. 33, p. 3-29. *Raad van Nederlandsch-Indië

Kastekort, door verscheidene fouten in de administratie en achterstand bij het insturen van de verantwoordingsstukken had DD., bij zijn gedwongen vertrek uit *Natal, een schuld van ca. ƒ 6000 aan het gouvernement, blijkens de berekening van 15 september 1843 (VW VIII, p. 326-327). Hiervan bestond ca. ƒ 4000 uit nog inbare vendugelden, welk bedrag dan ook op zijn tekort in mindering werd gebracht. Daar kwam op 4 december 1843 een nieuwe vordering van ƒ 2106 bij (VW VIII, p. 353)

Op 3 mei 1843 had DD. als wisselagent een wissel van de Nederlandsche Handel-Maatschappij van ƒ 8931,92 voor slechts ƒ 6825,92 ingeboekt. Het verschil van ƒ 2106 bleef onopgehelderd. Generaal *Michiels wilde DD. daarvoor strafrechtelijk vervolgen, maar de Raad van Justitie te Padang verklaarde zich hiertoe onbevoegd. Intussen had Michiels op 8 januari 1844 DD. geschorst. Michiels stond niet toe dat DD. te Natal zelf een onderzoek instelde. Voor DD. betekende dit dat hij van september 1843 tot september 1844, toen hij door ingrijpen van de gouverneur-generaal Padang kon verlaten, zonder inkomsten kwam te zitten.

Op 30 november 1844 ging DD. accoord met een vordering van het gouvernement ten bedrage van ƒ 2106. Het bedrag werd met de nog aan DD. uit te betalen tractements- en wachtgelden verrekend (besluit van de gouverneur-generaal, 10 september 1845, VW VIII, p. 450)

Stuiveling schrijft over deze periode in VW IX (p. 296): 'Dekker heeft deze tijd van armoede, rechteloosheid, onvrijheid, verdenking, verdachtmaking, honger en volslagen onzekerheid, psychisch en fysiek nauwelijks overleefd: eens, misschien zelf tweemaal, heeft hij een poging gedaan om te sterven.'

Hij verwijst hiervoor naar DD.'s Rekest aan gouverneur generaal Rochussen d.d. 2 februari 1846 (VW VIII, p. 632). Over dit laatste schrijft DD. zelf in zijn 'Brief aan A.C. Kruseman': 'Ik weet hoe ik ben gaan liggen op eene mat - hoe ik Clio verzocht my niet wakker te roepen - nooit. Want ik had honger toen ik liggen ging al lang - en ik voelde dat ik niet langer honger hebben zoude.' (VW IX, p. 155) (De bescheiden over de administratie van DD. zijn opgenomen in P.M.L. de Bruijn Prince, Officiële bescheiden betreffende den dienst van Multatuli als Oost-Indisch ambtenaar, Jogjakarta, 1900; zie ook VW VIII, p. 342 e.v.)

In Padang schreef DD. zijn eerste drama De Eerlooze, dat later zou verschijnen als De Bruid daarboven. (Lit. G. Stuiveling, 'Douwes Dekkers eerste drama', in: Over Multatuli, 1982, nr. 10, p. 16-31 en p. 102-104; P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 127-156)

Katholicisme, M. liet zich katholiek dopen ter wille van zijn verloofde *Caroline Versteegh. Op 28 augustus 1841 deed hij, daartoe voorbereid door pastoor *J.H. Scholten, heilige communie en kreeg doopsel en vormsel toegediend door pastoor *Cartenstat (P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 93; VW VIII, p. 91). Het hielp hem echter niet verder, want op 3 september schrijft Caroline hem: 'de voornaamste hinderpaal is thans uit den weg geruimd, het staat nu te beproeven of Gij mij wezenlijk liefhebt.' (VW VIII, p. 92). Toen haar vervolgens op 8 oktober ongunstige berichten over M. bereikten, M. dat hij onverschillig met zijn geld omging en dat hij klappen zou hebben uitgedeeld, werd de verloving verbroken (VW VIII, p. 92).

In M.'s werk komen we verschillende uitspraken over het katholicisme tegen. In Idee 584 schrijft hij bijv.: 'meent men dat het Katholicisme ooit zou geheerst hebben zonder schilderyen, stand- of hangbeelden? Zonder eeuwig-jonge maagden? Zonder beeldschone naakte Sebastianen of Laurentiussen? Zonder muziek, en zonder wierook? Waarlyk, de dogmatiek van velen zit in neus, ogen, oren en... elders' (VW IV, p. 337-339)

In een brief aan Mimi d.d. 30-31 juli 1863 schrijft hij over de katholieke kerk: ''t Is altyd geweest de schoonste organisatie die ooit bestaan heeft. Van den paus tot den minsten kloosterportier of liefdezuster, bestaan betrekkelyk slechts weinig trappen, maar door eene voorbeeldelooze geslotenheid heeft zy met haar stelsel de wereld geregeerd! Voor de wyze waarop zy gebruik maakte van haar magt, trek ik natuurlyk geen party, maar de organisatie is prachtig. Zy had het zóó ingerigt dat ze den mens aangreep by zyn geboorte, en hem niet losliet by den dood, ja daarná zelfs! Van den doop tot het laatste oliesel omklemde zy de zielen met onweêrstaanbare magt, en nog ná 't sterven beschikte zy over de mate van zaligheid. (...) En die kracht sproot grootendeels voort uit dat ééne (schoone) leerstuk: de onfeilbaarheid van de Kerk! (...) Ik beken dat het Katholicisme een oud, verrot gebouw is geworden (...) maar 't protestantisme is 'n huis zonder rez-dechaussée [rez-de-chaussee=begane grond).' (VW XI, p. 191-192)

Een soortgelijke vergelijking maakt hij ook in een brief aan De Geyter d.d. 1 april 1866. Hierin noemt hij het katholicisme weliswaar 'een dwaling', maar het *protestantisme 'een pest' (VW XI, p. 572).

In de Woutergeschiedenis schetst M. een groep katholieken over wie hij niets dan goeds schrijft: de onbetaalbare roomse Stijntje, de aanvallige roomse Femke, de flinke roomse Vrouw Claus, Femke's moeder, met als hoofdpersoon pater Jansen. In Idee 893-896 beschrijft hij een aantal katholieke types. Over een wasvrouw merkt hij op: 'Eén onnozel halskraagje kost haar meer moeite dan de hele zaligheid' (Idee 893, VW IV, p. 628). Hij vertelt dat hij te Keulen eens een processie heeft bijgewoond, 'Elke toeschouwer moet verbaasd staan over de zonderlinge fysionomieën die men by zulke gelegenheden te zien krygt, en over heb byna volslagen gemis van

een dragelyk gelaat'. En in Idee 894 schrijft hij dat het katholicisme in 'zeer letterlyken zin' het 'Evangelie der armen' is (VW IV, p. 630-631). *geloof *kerkelijke belasting *Kulturkampf *pauselijke onfeilbaarheid *Veuillot

Klap, de, tijdens een optreden van de muzikale familie van Hubert Sauvlet in de Salon des Variétés van Duport in de Nes te Amsterdam, deelde M. op 1 december 1865 een oorvijg uit 'aan eenige heren, die zich voor tien stuivers entree 't regt aanmatigden ZEER VERDIENSTELIJKE artisten te beschimpen' (zie hiervoor M.'s advertentie in het Algemeen handelsblad van 5 december 1865, VW XI, p. 523-524). De gedupeerden, Jacob Jacobs en Jesaja de Vries, spanden vervolgens een proces aan tegen M. Op 17 januari 1866 moest hij voorkomen (proces-verbaal, VW XI, p. 545-548) Omdat hij, naar eigen zeggen, te lang op de afhandeling van zijn zaak moest wachten, vertrok hij naar Keulen, waar hij al met Mimi had afgesproken. Op 18 januari werd hij veroordeeld tot 15 dagen gevangenisstraf, twee boetes van ƒ 8,- en de kosten van het geding (zie het vonnis, VW XI, p. 550-552)

Eind 1867 diende M., op aanraden van *J.J. Rochussen, een verzoek tot gratie in, dat begin 1868 werd ingewilligd (VW XII, p. 585-587; VW XII, p. 619).

Deze affaire wordt door M. beschreven in Idee 538 (VW III, p. 375-378). In Idee 539 schrijft hij hierover: 'Myn oorvegen-betoog - thesis, deductie en slotsom, alles uit één stuk - is me byzonder goed bevallen. (...) Ik moet erkennen dat ik moeite had, niet terstond naar Den Haag te gaan, en op soortgelyke manier aan Van Twist te bewyzen hoe verkeerd het is, geld en rang aan te nemen van de Natie om goed te doen, en in stee daarvan het kwade te beschermen. Maar ik bedacht hoe hy reden van klagen hebben zou indien ik hem, den groten misdadiger, gelykstelde met de kleine ploerten in 't parterre van dien schouwburg.(...) Ik erken dat Van Twist recht heeft op iets beters dan een oorveeg. Vooral nu ik gezien heb hoe makkelyk zeker soort van bedeelden zulk een demonstratie aannemen en meedragen.' (VW III, p. 378-379)

(Lit. P. Spigt, Keurig in de kontramine, Amsterdam, 1975, p. 56-69)

Klein, Sytske Eeltjes, 1782-1846, moeder van DD. Amelandse schippersdochter, trouwde in 1808 met Engel Douwes(zoon). DD. schrijft op 5-8 november 1845 Tine een lange brief over zijn familie. Over zijn moeder schrijft hij:

'Hare ouders, die ik echter nooit gekend heb, woonden in Friesland en hadden vermogen, hetgeen in den Franschen tijd te niet is gegaan. In hare jeugd heeft zij veel leed gehad en geloof ik met hare zusters, werkelijk armoede geleden, maar daar zij veel geestkracht heeft, het hoofd altijd goed boven gehouden. Na het huwelijk was dat natuurlijk beter maar toen had zij gedurig te worstelen met een zenuwachtigheid, die haar belette datgene te wezen wat zij anders met haarscherp verstand zijn konde. Ik heb veel van die aantrekkelijkheid van haar overgenomen, maar niet in zóo hoogen graad. Moeder is overdreven gesteld op hare kinderen, als er in Moederliefde iets overdrevens wezen kan. Het is compleet eene soort van jalousie. Toen mijne zuster trouwde, konde zij zich maar niet verbeelden, dat er nu iemand meer regt op haar dochter had dan zij, en nu mijne zuster reeds sedert veel jaren gehuwd is. bestaat dat nog altijd. Moeder is als haar gemoed in rust is, zeer vlug en ijverig. Als zij gekleed was, zoude men haar (in 1838 tenminste) aan haar postuur voor een meisje houden. Zij is zeer hartelijk en niets krenkt haar meer dan koelheid. Er is niemand in staat haar zóo te beminnen, als zij wel verlangen zoude en dat veroorzaakt wel eens, dat zij meent gemankeerd te zijn, al is dat werkelijk het geval niet, en dit heeft vader ook.' (VW VIII, p. 534)

In de Max Havelaar nam hij het gedicht *'Moeder, 'k ben wel ver van 't land' op. Volgens *Th. Swart Abrahamsz was zij de oorzaak van de 'hereditaire belasting' die tot DD.'s neurasthenie geleid heeft (Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Eene ziektegeschiedenis, 1888, p. 10).

Kloos, Willem, 1859-1938, Nederlands letterkundige, richtte in 1885 met Frederik van Eeden, Albert Verwey, Frank van der Goes en Willem Paap *De Nieuwe Gids op. In dit blad publiceerde hij verscheidene artikelen over M., waarin hij hem als grote voorganger van de Tachtigers bestempelde. Bijv. in de eerste jaargang van het tijdschrift (nr. 2; fragment in VW XXIII, p. 504-505), waarin hij over 'de reuzenfiguur van Douwes Dekker' schrijft, 'wiens woorden zestien jaren lang als een moker rondvlogen door ons literair en politiek en maatschappelijk leven, sarrend of dreigend, kneuzend of verpletterend, om dan terug te keeren in de hand des dondergods, die hem thans voor goed ter zijde schijnt te hebben gelegd. Multatuli (...) weet zelf niet wat een invloed de vrijheid van zijn oordeel en de scherpte van zijn kritiek hebben gehad, ook daar waar hij ze het minste verwacht: in het tot stand komen dezer voor alles artistieke en psychologische periode onzer literatuur.'.

Verder schreef hij in De Nieuwe Gids (jrg. 2, 1887) het artikel 'In memoriam Multatuli... nu hij dood is', en een bespreking van *Th. Swart Abrahamsz' Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Eene ziektegeschiedenis (1888) onder de titel 'Dr. Th. Swart Abrahamsz: Eduard Douwes Dekker' (De Nieuwe Gids, jrg. 3, 1888, nr. 2, p. 468-474).

Na het overlijden van Mimi verscheen in De Nieuwe Gids van 1930 (p. 513) een 'In memoriam' van Kloos; in dichtvorm herinnert hij aan de wekelijkse schaakpartijen met haar ten huize van *W. Paap (opgenomen in Atte Jongstra, De Multatulianen, 1985, p. 192).

*Frederik van Eeden beschrijft in zijn verslag van een bezoek aan M. in 1886 (De Amsterdammer van 21 februari 1920; VW XXIII, p. 595-600) diens kritiek op de Tachtigers Van Deyssel, Kloos en Verwey. M. sprak vol minachting over deze schrijvers, 'die zich verschansen in hun verzen en boekenwaereld en maling hebben aan het gemeenschapsleeven, aan politiek of sociale bemoeying', aldus vermeldt Van Eeden.

Koblenz, Na hun verblijf te Keulen en Frankfurt am Main (*de klap) in 1866, vertrokken M. en Mimi naar Koblenz, waar zij midden juni 1866 (VW XI, p. 607) een kamer huurden aan de Rheinstrasse 17 (VW XI, p. 618). Mimi schrijft over deze periode: 'Ja, we waren zeer arm in Coblenz (...) maar in weerwil van die armoed is de indruk die my uit dien tyd is bygebleven, een indruk van rykdom en heerlykheid. We woonden er in één kamer in de Rheinstrasse boven een banketbakker, Werner. De kamer was vriendelyk en zindelyk maar uiterst eenvoudig ingerigt. We hadden haar gehuurd voor zes thaler 's maands! Maar op dat kanapetje aan die wrakke tafel zat hy... MULTATULI. Zyn positie was ellendig, maar dat kon niet zoo blyven en als hy zeide: Jou althans kan niemand my afnemen! dan was ik voldaan.' (VW XI, p. 627)

In een brief aan C. Vosmaer d.d. 3 september 1886 herinnert M. zich zijn verblijf te Koblenz bij de familie Werner. In deze brief vertelt hij een anekdote betreffende de komst van een detachement Pruisen naar Koblenz en de reactie van Frau Werner, 'dejuffrouw', daarop. Zij was zijn kamer ingevlogen met de uitroep 'O Gott, O Gott (...) die Preussen kommen... (...) und nun grad' da Herr Werner nicht zu Hause ist!' M. reageert hierop: 'Herr Werner was HED echtgenoot, tevens koekbakker, en een van de innocentste menschen die ooit echtgenoot of koekbakten. Welk beletsel hy - als-i thuis geweest was - dien vreeselyken Pruisen zou hebben in den weg gelegd, is 't geheim van "de Juffrouw" gebleven.' (VW XXIII, p. 706)

In Koblenz begint M. aan zijn *'Van den Rijn'-bijdragen voor de Opregte Haarlemsche Courant. In januari 1867 vertrekken M. en Mimi weer naar Keulen.

Koning, 1. In Idee 451 schrijft M. over het 'beroep' van koning: 'Een koningszoon moet, om eenmaal zyn beroep goed waar te nemen, z'n karakter doden, z'n geest uitblussen, z'n wil onderdrukken. Om wat te wezen, moet-i niets zyn. De grondwet leert dat-i eenmaal zal te tekenen hebben wat men hem voorlegt, en dat z'n hoogste verdienste of bekwaamheid wezen zal geen bekwaamheid of verdienste te bezitten. Waar individuele verdienste bestaat - en men ziet dit meestal by vorsten die niet werden opgevoed als troonopvolgers - is hun hoofdstreven, te verbergen dat ze minder onbeduidend zyn dan de grondwet voorschryft. Ze moeten dan hun bekwaamheid verstoppen, als 'n schuchter meisje haar gevoel. (...) Uw ['s-konings] taak is: niets te doen.

Uw roeping is: geen roeping te hebben. Uw zorg is: alle zorg over tc laten aan anderen.' (VW III, p. 129)

In een noot bij Idee 427 (VW II, p. 724) schrijft hij, zonder hier verder op in te gaan, dat koningen 'nuttig' kunnen zijn. In Pruisen en Nederland roept M. koning *Willem III op, naar het voorbeeld van Pruisens koning Wilhelm I, persoonlijk de leiding te nemen over het bestuur van het land: er moet één leider zijn die voor het volk het goede brengt (*constitutionele monarchie).

2. *Willem III

3. Koning George, personage uit M.'s *Vorstenschool.

Korsjespoortsteeg, te Amsterdam, loopt van het Singel naar de Herengracht. Op nr. 20 werd DD. geboren. Sinds 1975 is op deze plaats het Multatuli Museum gevestigd. (Over de geschiedenis van het geboortehuis en het museum zie Atte Jongstra, De Multatulianen, 1985, p. 240-243)

Kritiek, 1. M.'s opvattingen over het schrijven van kritieken. In Vorstenschool (3e bedrijf, VW VI, p. 67) schetst hij kritiek als kunst: 'Et l'art ... kritiek is zelf een kunst, en niet/De lichtste, al wordt ze druk beoefend... o!/Wie afkeurt, tone dat z'n oordeel ryp is,/Dat hy gewerkt heeft, en uit traagheid niet/Zich wydde aan 't hedendaagse modevak,/ Aan 't pis-aller der luiaards: oppositie!'

In Idee 1197a prijst hij de kritieken van *C. Busken Huet: 'Wat de Fantasieën van Busken Huet aangaat, dát is Kritiek! De heer Huet bepaalt zich niet tot de communicatie, dat zeker stuk hem al of niet behaagt - onze meeste critici schynen te menen dat Publiek nieuwsgierig is naar de maar van 't genoegen dat zy gesmaakt hebben - hy behandelt 'n schryver.' (VW VII, p. 312-313)

De Franse dichter *Boileau-Despréaux 'loog door onvolledigheid', beweert M. in Idee 637, 'toen hy de kunst moeilijk noemde, en kritiek 'n lichte taak'. Boileau-Despréaux wist volgens hem beter en indien hij de waarheid zou hebben verteld, dan 'hadde hij verzekerd, dat de ware, echte kritiek niet alleen tot de "difficile" kunsten behoort, maar daaronder een der moeilykste is' (VW IV, p. 385). In een noot bij dit Idee legt M. nog eens uit dat kritiek méér is dan 'sprokkelen van fouten' (VW IV, p. 683).

2. Voor de kritieken op M.'s werk zie Multatuli en de kritiek. Een bloemlezing uit de literatuur over Multatuli. Ingeleid en samengesteld door J.J. Oversteegen (Amsterdam, 1970).

Kruissprook, De, d.i. het derde sprookje in de Minnebrieven, door M. ook wel het 'Golgotha sprookje' genoemd (VW II, p. 106-114). M. schreef het enkele maanden na het Gebed van den onwetende. In de 'Kruissprook' wordt de kruistocht van een man die 'véél droeg, maar kracht heeft méér te dragen', 'veel leed, maar lang nog lyden kán!' beschreven: '(...) Komt mee, komt mee, daar wordt een man gekruist!/ Roept Ruben hier, en Nathan ben Daöud.../ Klaas, Jakob, Nafthali, Albertus, Eliëzer.../De dames en heren uit de buurt,/Verwanten, neven, nichten, broeders, en de rest,/Behouders, liberalen, mannen van de beurs,/En van de balie of den kansel!... Kontraktanten/En vry-arbeiders, oppositie en ministers,/De leden van de Tweede Kamer in Den Haag,/En wie er rusten kan, na slecht regeren.../En wie geen tyd had om zyn plicht te doen,/Maar licht nu tyd heeft voor een grappig schouwspel./Roept Mozes, Issaschar en 't hele Willemspark, (...)' (VW II, p. 113)

*Domela Nieuwenhuis *Schmoel

Kruseman, Arie Cornelis, Haarlem 1818-1894, boekhandelaar-uitgever te Haarlem. Hij bracht zijn leertijd door bij de Erven F. Bohn te Haarlem, en associeerde hij zich in 1874 met H.D. Tjeenk Willink. Hij gaf vele werken uit op wetenschappelijk en literair gebied, o.a. van Da Costa, Hofdijk en Bilderdijk. Van zijn hand verschenen Bouwstoffen voor een geschiedenis van de Nederlandsche boekhandel gedurende 1830-1880 (2 dln., 1887), Fransche wetten op de Hollandsche drukpers 1806-1814 (1889) en Aanteekeningen betreffende den Boekhandel van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw (1893).

In zijn jeugd raakte M. bevriend met Kruseman. Het contact staakte toen de eerste naar Indië vertrok, maar Kruseman werd via hun gezamenlijke vrienden, onder wie *Pieter Bleeker, wel geïnformeerd over M.

In 1851 stuurde M. hem een zeer uitgebreide brief vanuit Menado (*'Brief aan A.C. Kruseman'); ook stuurde hij hem zijn Hemelbruid (later gepubliceerd als *De Bruid daarboven) ter beoordeling (VW IX, p. 230-234).

Tijdens zijn Europees verlof bezocht M. hem in februari 1853. Zijn doel was, aldus schrijft hij op 11 februari aan Tine, 'van hem te weten te komen of ik talent had uit het oogpunt van een boekhandelaar. (...) Hij moet kunnen weten of er door de natie geld voor zal gegeven worden want zonder dat loopt alles spaak'.

Over Krusemans reactie schrijft hij in dezelfde brief: 'Ofschoon zijn antwoord niet decisief was, beschouw ik toch zijn oordeel over het geheel als gunstig.' (VW IX, p. 300).

Aan hun goede verstandhouding komt nog hetzelfde jaar een einde wanneer M. de 16-jarige *Annetje van der Burgh bij Kruseman onderbrengt. De geruchten dat zij een publieke vrouw zou zijn, gaan al snel rond.

Op 2 mei 1862 beschrijft M. deze geschiedenis in een brief aan Mimi, waarna hij over zijn relatie met Kruseman vervolgt: 'Ik ben met Kruseman niet onwel, maar koel. Hijzelf heeft al veel verdriet gehad om dat praatje, en is moê van verklaringen. (...) Ik wil nu niet opstaan om te zoeken, maar later zal ik U een brief van Kruseman zenden, waaruit ge de koelheid zult zien, doch waaruit achting blijkt, - geschreven op een manier echter die mij hinderde, en die ik verwaand noem. Ik had geld noodig en was in gesprek met een uitgever. Deze aarselde, en zeide dat "ik van Kruseman (die ook uitgever is)

ƒ 2000 had ontvangen om een werk te schrijven; dat ik in plaats van daaraan te voldoen, dat geld had opgemaakt met een maitresse te Parijs." Toen schreef ik aan Kruseman. Hij antwoordde dat er niets van waar was. Goed. Maar hij voegde er bij dat onze rigtingen zoo uit elkaâr liepen (hij een rigting!) dat zoo iets tussen ons ook nooit had kunnen bestaan. (Hij geeft versjes uit van ten Cate, vertaalde romans, hij heeft de onsterflijke Aglaia geschapen, en spreekt van rigting!) Kortom hij maakte van mijn behoefte aan eene verklaring op dat punt misbruik om zich aan mij optehijssen, zich tot persoon te maken. Het slot was dat men hoe ook uitëenlopende, elkaâr kon achten, en "als flinke mannen onder de oogen zien" (letterlijk). Ik nu erken Kruseman niet als flink man, - integendeel! - hij is alleen een zeer soliede, geldverdienend, actief uitgever, en ben verstoord over zijn toon.' (VW X, p. 639-640)

P. van 't Veer schrijft in Het leven van Multatuli (p. 257) dat Kruseman 'Als uitgever van christelijke werken en tijdschriften van moderne richting (...) wel de laatste [zou zijn] om de opruiende geschriften die Dekker in zijn Menadonese brieven had aangekondigd, uit te geven'.

Krüseman, Wilhelmina Jacoba Paulina Rudolphine (Mina), Velp 1839 - Boulogne sur Seine 1922. Nederlands schrijfster, toneelspeelster, zangeres en feministe. In 1871-1872 maakte zij als zangeres (onder het ps. Stella Oristorio di Frama) een tournee door Noord-Amerika. Zij hield met *Betsy Perk en later alleen, als eerste vrouw in Nederland, voordrachten over feministische onderwerpen. Daarnaast streed zij met een onafhankelijke geest voor onafhankelijkheid van kunstenaars van hun uitgevers of impresario's. Zij bepleitte de noodzakelijkheid van een auteurswet en bestreed oneerlijke kritiek in de kranten.

In 1873 publiceerde zij de roman Een huwelijk in Indië, waarvan het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw onderwerp is. Zij bewerkte de roman tot het toneelstuk Echtscheiding. Onder haar ps. Stella Oristorio di Frama schreef zij in 1874 de satire Meester Kritiek, die zij opdroeg aan haar vijand *H. de Veer, redacteur van Het Nieuws van de Dag. Naast een felle aanval op De Veer, prijst zij in deze satire M.'s Vorstenschool, waaruit zij enkele stukken citeert.

Op 24 maart 1873 publiceert zij over M. een ingezonden stuk in Het Vaderland (VW XV, p. 694-497), waarin zij de Nederlanders vraagt: 'Bezit gij twee Multatuli's, dat gij zoo weelderig afstand doet van 'en?'. M. reageert hier nog dezelfde dag op in een brief aan G.L. Funke: 'Heden ontving ik (...) 't "Vaderland" van 24 Maart, waarin zekere jufvrouw Mina Kruseman heel hartig over me spreekt. Ik wil haar bedanken, of althans m'n compliment maken over haar courage. Ze durft! Zoudt gy nu eens willen informeren hoe haar adres is? Ik zou wel kunnen schrijven aan de Uitgevery van 't Vaderland, maar dit myd ik liever. En, zoo ge iets van die Jufvr M. Kruseman weet, deel het my dan mede. Ik bedoel of ze geschreven heeft, zoo ja wat?' (VW XV, p. 698)

Op 29 maart vraagt M. Funke haar een briefje te bezorgen (VW XV, p. 710); op 5 april bedankt Mina Krüseman hiervoor schriftelijk (VW XV, p. 713-714).

In augustus 1873 bezoekt zij M. te Wiesbaden. Een jaar later maakt zij een reis naar Italië en zoekt Tine en de kinderen in Venetië op. In mei van dat jaar schrijft zij Tine: 'Ik vind Mimi zeer lief, ze is, naar mijn idee, een trésor voor Dek, een onmisbare schat' (VW XVl, p. 551).

In 1873 publiceerde Mina Krüseman De Moderne Judith, een 'Allerhandebundeltje', zoals de ondertitel luidt. Het titelblad bevat tussen haakjes haar vroegere pseudoniem Stella Oristorio di Frama en de toevoeging 'cantatrice'. In deze bundel verzamelde zij de teksten van de lezingen (met commentaar) die zij samen met Betsy Perk in dat jaar gehouden had. De kritieken varieerden van waarderend tot honend en grof beledigend. De titel van het werk ontleende zij aan een, ook door haar overgenomen, spotprent uit het satirische blad Uilenspiegel. Deze prent toont Mina 'Als eene nieuwe Judith, met haar vreeselijk zwaard heel het mannendom bedreigende'. Het 'vreeselijk zwaard' is het zwaard der welsprekendheid, terwijl haar andere hand, de letterkundige Jan ten Brink, stevig bij de kuif houdt. Naast haar staat Betsy Perk met een zak gereed om de slachtoffers in op te vangen. Op de achtergrond brengt een troepje mannen zich haastig in veiligheid (Mina Krüseman, Alles bevalt mij behalve rust. Brieven, verzameld en ingeleid door Margot de Waal. Feministische Uitgeverij Sara, 1986; p. 13-14).

Over M. schrijft zij in deze bundel onder meer: 'Gij ziet het, Multatuli staat hoog voor mij, zeer hoog, en ik kom openlijk voor mijn opinie uit, zonder er eeuwige "excuses" over te maken. (...) Kon ik M. naschrijven, ik deed het. Maar zooveel wetenschap en algemeene kennis, gevoegd bij zoo veel poezie, verstand en grootheid gaarde ik in geen zeven levens bij elkaar!' (a.w., p. 287).

M. oordeelde positief over Een Huwelijk in Indië, maar had ook enkele punten van kritiek. In een brief aan C. Vosmaer van omstreeks 20 juli 1874 vertelt hij dat Mina Krüseman bij hen thuis een hoestdrankje kookte: 'Welnu, dit pakte my meer in dan de beste stukken uit haar "Huwelyk in Indië" waaronder toch zeer zeer schoone zyn!' (VW XVI, p. 621).

Wanneer koningin Sophia de opdracht van het boek weigert te aanvaarden, schrijft M. een 'woordje aan de Koningin' dat helaas niet bewaard is gebleven. 'Zoo vleiend en brutaal had ik het nooit verzonnen', schrijft Mina Krüseman hierover (4-7 maart 1874, VW XVI, p. 455).

Het toneelstuk Echtscheiding, 'oorspronkelijk drama in 16 Tafereelen, vrij bewerkt naar den roman Een huwelijk in Indië', door Stella Oristorio di Frama, waarin Mina Krüseman zelf de rol van Louise vertolkte, werd voor het eerst opgevoerd op 13 november 1874 (VW XVIl, p. 95). Het stuk oogstte geen succes; het publiek vond Mina Krüseman goed acteren, maar het stuk 'deugde niet'. Haar reactie op deze kritiek verwoordt ze in een brief aan M. d.d. 15 november 1874 aldus: 'Jullie staat te laag voor meesterstukken, daarom kom je allen voor een prul, je hebt de Vorstenschool geweigerd, nu zal je de Echtscheiding slikken!' (VW XVIl, p. 102).

M. en Mimi worden door haar bijna dagelijks op de hoogte gehouden van de gebeurtenissen rond de opvoering van Echtscheiding. Als Mina Krüseman meldt dat het succes tegenvalt, schrijft M. haar een brief waarin hij uitgebreid ingaat op de techniek van het stuk, waaraan volgens hem het één en ander hapert (VW XVII, p. 161-165). De vele taferelen gaan ten koste van de eenheid; hij biedt aan dit manco te verhelpen. Hij eindigt zijn brief met een aantal grafschriften voor haar ('Als je boos wordt, maak ik er 1000 van die soort: ): 'Deze jufvrouw had alle harten kunnen stelen,/streelen,/Maar ze struikelde over 't misbruik van tafreelen./(...)/De Amsterdammer is op rust gesteld,/Hy kan maar vyf tafreelen verdragen, wèlgeteld!/voor z'n geld.

Hier 'n essentiëele kunstregel:

Die echt wil scheiden, en tooneelspelen,/Moet de menschen niet met op-en-neerhalen van 't scherm vervelen.

Theologisch.

Veertien tafreelen voor 't scheidingsproces?/God schiep de heele wereld in zes!'

Mina Krüseman zet zich in om Vorstenschool op de planken te krijgen. Hierover schrijft zij op 26 juni 1874 aan M. en Mimi:

'Ja, uw Vorstenschool zál opgevoerd worden, wacht maar; leef nog een beetje en wees niet saai! Ik heb u immers gezegd: "ik eindig altijd met triomfeeren!" (...). Toen ik een paar jaar geleden uwe "Vorstenschool" gelezen had, heb ik bij mij zelve gezegd: "Die rol is mijn, dat stuk zal ik laten opvoeren, als niemand anders er den moed toe heeft."' (VW XVI, p. 586-587)

Er ontstaat een hechte vriendschap tussen M. en Mina Krüseman, waarvan M.'s brief aan haar d.d. 30 augustus 1874 getuige is. Hierin schrijft hij onder meer: 'Je portret hangt boven M's tafel, en we drinken altyd uitje kopjes' (...) 'geloof dat ik met eerbied voor je karakter en je gaven je oprechte vriend ben' (VW XVI, p. 690)

Bij Tine's dood vraagt Mimi haar geld voor M.'s reis naar Italië (VW XVI, p. 715).

Op 21 augustus 1874 schrijft M. haar dat hij twijfelt of zij de rol van koningin Louise aan zal kunnen. Wellicht vereenzelvigt zij zich teveel met de rol: 'Het is mogelyk dat je je zoo geïdentificeerd hebt met Louise, dat je bedorven bent voor de taak om haar voor te stellen, als rol. Misschien met de Louise uit Vorstenschool, idm idm. Een kunstenaar die persoonlyk aandeel neemt in z'n rol, is te vergelyken met 'n wondheeler die mede lydt met z'n patient. Dit moet niet! Een artist moet passie hebben, já , maar... voor z'n vak, voor 't kunstmatig nabootsen der natuur, en dit: na diepe studie en met verloochening van allepersoonlyke indrukken! Hiertoe nu vrees ik dat je te entière bent, te veel je zelf te vol eigen karakter, (schoon ik erkennen moet dat het krachtig wegdringen van die ikheid, óók karakter is.)' (VW XVI, p. 673)

Mina Krüseman trekt zich weinig van deze kritiek aan en blijft voortgaan met pleiten voor opvoering van Vorstenschool. Op 10 januari vraagt zij de directeur van de Haagse Schouwburg, Valois, of deze Vorstenschool aandurft; op 16 januari stuurt zij M. het contract dat zij gesloten heeft met het toneelgezelschap van *Le Gras, Van Zuylen en Haspels van de Nieuwe Rotterdamse Schouwburgvereniging, een jong en nog onbekend gezelschap. Op 21 januari 1875 schrijft M. aan zijn uitgever J. Waltman Jr. dat hij dit contract voor zeer nadelig houdt: de entreeprijs is volgens hem te hoog omdat Mina 'zwaar' betaald moet worden. Bovendien heeft zij voor hem ƒ 25,- per voorstelling bedongen (brief van 21 januari 1875, VW XVII, p. 287). Hij kan echter niets aan het contract veranderen omdat hij haar volmacht gegeven heeft (VW XVI, p. 688-689). Begin 1875 starten de repetities en al snel uit M. zijn eerste kritiek op Mina Krüsemans acteerwerk. Tegen de tijd dat de eerste voorstelling (1 maart) gespeeld gaat worden in Utrecht, is de verhouding tussen hen dusdanig bedorven dat zij op 27 februari aan Mimi schrijft: 'Miesje lief? Ik ben geslagen vijanden met D. Hij zal je wel 't een en ander over mij geschreven hebben, geloof hem maar, want je hoort bij hem, maar reken op mij, ik zal Multatuli niet sacrifieeren aan Douwes-Dekker; wat er ook gebeuren moge, zijn werk zal mij heilig wezen en ik zal den avond van de opvoering alle haat vergeten, voor 't meesterstuk.' (VW XVII. p. 416)

Nog dezelfde dag schrijft ze in een brief aan een zekere mevrouw B. dat M. haar tijdens de repetities voor een 'nul' heeft uitgemaakt (VW XVII, p. 417). Op 2 maart noemt zij hem een ellendeling, omdat hij bij de opvoering van Vorstenschool te Rotterdam geschenken aannam van het publiek dat hij immers zo verachtte (publiek). Haar contract wordt niet verlengd en er wordt besloten dat Nans Sandrock-ten Hagen haar rol zal overnemen. Mina Krüseman is furieus *Sandrock-ten Hagen.

In 1877 publiceert zij de brievenuitgave Mijn Leven, waarin M. het ontgelden moet. Bijvoorbeeld in haar brief van 8 oktober 1876 aan Elize Baart en B.P. Korteweg, waarin zij schrijft: 'Leest toch eens 'Les Lettres d'Abeilard et d'Héloise', die Abeilard is precies Mul! Ik heb in mijn eentje zitten lachen over de overeenkomst! Die innige zielloosheid en die geslepen frazenwijsheid, dat egoïstisch klagen en dat gevoelloos overheerschen, die veeleischende koudheid, die bestudeerde hoogheid, die gemaakte nede righeid, die valsche oprechtheid, die gemaniereerde eenvoud, die schijnheilige goedhartigheid, die onridderlijke ruwheid, die doordachte menschlievendheid, die alles vertrappende zelfaanbidding, Mul! Mul! Mul! op en top Mul! tot in 't mishandelen van zijn innig geliefde Héloïse toe! Hij sloeg haar, maar hij deed 't uit liefde!' (a.w., dl. 3, p. 236; fragment opgenomen in VW XVIII, p. 470)

Ook M. spuit zijn gal, bijv. in brief aan J.N. van Hall d.d. 27 december 1875:

'Om Zenobia te spelen, heeft M. K. even goed als de geringste achterbuurtjodin, 'n regisseur noodig, die haar zegt: "Je moet nu denken dat je 'n heel baasie bent, en je borst wat vooruitzetten -. Och dát zou M.K. doen al speelde ze voor keukenmeid! Die borst is juist de hoofdschotel op 't menu van haar talentenbanket. Bah! - (...) Toen ik nu te Rotterdam op de eerste repetitie bemerkte (...) dat ze niets van de Louise rol begreep - ik spreek niet van uitvoering, neen, niets begreep - werd me op-eenmaal haar taktiek duidelyk: één humbug-campagne!' (VW XVIII, p. 151) Op 14 september 1877 schrijft hij G.L. Funke over Mijn Leven: 'Natuurlijk draagt ge kennis van 't boek dat juffrouw Kruseman in de wereld bracht. (Een kuriositeit! De canaille heeft verzuimd den brief te laten drukken, waarin ik haar zei dat ik nièt behoorde onder haar tallooze aanbidders. Ook heeft ze telkens m'n kritiek van haar schrijverij (Kunst en Kritiek byv!) overgeslagen. (...) Ik hoop dat ieder, die M.K.'s boek in handen neemt, het geheel lezen zal. Doe gy dit ook S.V.P. Zy levert overal de bouwstoffen om haar te leeren kennen. Zie byv. De streken en slenters waarmee ze trachtte in Amerika de lui te foppen. En de leugens! Zy, een dikke zware tante, wist zich zóó voortedoen, dat 'n Amerikaansche concertman die haar persoonlijk kende, haar voor 'n "Gretchen" aanzag! Juist die vertelling heeft ze hier ook gedebiteerd, en ik zei aan Mimi: "ik geloof dat ze liegt!" (...) 't Is 'n onbeschaamd schepsel.' (VW XVIII, p. 726-727)

In de zomer van 1877 vertrok Mina Krüseman naar Indië. In 1883 trouwde zij met F. Hofman in Singapore, met wie ze naar Parijs vertrok. Tijdens de eerste Wereldoorlog schreef zij Appel à toutes les femmes du monde entier, waarin ze de oorlogsvoorbereiding en oorlogsmethoden fel bestrijdt. (Lit. Mina Krüseman 1839-1922; portret van een militante feministe. Samengesteld door Margot de Waal. Verschenen in de reeks De Engelbewaarder, nr. 12, 1978; in 1986 verscheen bij uitgeverij Sara een bloemlezing uit Mijn Leven onder de titel Mina Krüseman Brieven; alles bevalt mij behalve rust. Samengesteld en van een inleiding voorzien door M. de Waal. Amsterdam)

Kunst, in Idee 459 geeft Multatuli zijn opvatting over kunst: 'Kunst - in hogen zin - is een der krachtigste middelen tot het opwekken van schoonheidsgevoel. Dat is: ter veredeling. Dat is: tot oefening in de bekwaamheid om te genieten. Dat is: om deugdzaam te wezen. Dat is: te naderen aan geluk.' (VW III, p. 224).

Kunstwerken 'moeten niet beoordeeld worden naar 't antwoord op de vraag: wat leert men hier uit?' 'De artist is geen onderwyzer'. De kunst is 'een schatkamer, waaruit zorgvuldige gebruikers meer weten te putten dan de bekwaamste rentmeester daarin neerlegde' (Idee 823, VW IV, p. 550-551). ln Idee 30: 'By 't beschouwen van een kunstwerk, by 't schatten ener uitstekende daad, by 't beoordelen van een uitgedrukte gedachte, leg ik myzelf altyd de vraag voor: wat is er omgegaan in de ziel des kunstenaars, van den held, van den wysgeer, om dat ideaal te scheppen, om tot die daad te besluiten, om die gedachte voort te brengen, en ze vorm te geven als denkbeeld? Dat is: ik vraag, hoe de ziel bevrucht werd? Welke toestanden doorliep ze doorliep by dracht en verlossing?' (VW II, p. 315-316)

Idee 632 e.v. (VW IV, p. 381 e.v.) handelen uitgebreider over M.'s visie op wat een kunstenaar is en doen moet.

Over kunstgenot doet Multatuli een uitspraak in Pruisen en Nederland. J. Bosscha had nl. beweerd dat kunstgenot de achteruitgang van het volk zou veroorzaken. M. beweert dat het volk niet in staat is van kunst te genieten. De musea zijn leeg, het volk gaat niet naar de schouwburg: 'En kunstgenot? Een kantoorklerk moest het eens in zyn hoofd krygen aanspraak te maken op kunstgenot... zyn patroon zou hem leren!' (VW IV, p. 72)

Het gebrek aan kunstenaars in Nederland wordt volgens M. veroorzaakt door het ontbreken van een publiek:

'Want, lezer, de hoofdinhoud van m'n opmerkingen was, dat we in ons land hoofdzakelyk hierom geen goede schryvers voor het toneel hebben - en tevens minder goede toneelspelers - omdat ons 't voornaamste ontbreekt, wat de Kunst nodig heeft: een Publiek dat behoefte voelt aan Kunst, dat besef van Kunst heeft, dat Kunst waard is, en dat aan Kunst den weg weet te wyzen. De artist vindt in ons land geen weerklank. Daar ikzelf zoveel lyd onder dit verdrietig gebrek...' (Idee 957. VW VI, p. 153)

In Idee 646-647 keurt M. echter steun voor de kunstenaar af: 'Het uitloven van beloning, het schenken van medailles en dergelyke middelen, hebben altyd nadelig gewerkt. Broeikasten leveren uit den aard der zaak slechts dwergplanten. Een kunstschepping behoort, als Pallas uit den Jupiterskop, spontaan voor den dag te komen, en is per se 'n misgeboorte, indien ze anders ontstond dan door bevruchting, dracht en baring van de ziel.' (VW IV, p. 390)

'Neen, geen hulp! Ook hier gelde de wet van de liberaal opgevatte industrie, dat de verhouding tussen vraag en aanbod - zonder de minste bybeschouwing - den prys regelt.' (VW IV, p. 390)

In Idee 823 beweert M. tenslotte: 'De kunstenaar is geen bonne die 't kind lopen leert. Hy loopt, en wie hem vergezelt heeft zich geoefend in het gaan.' En even verderop: 'Wanneer wy dan daarby nog letten op het verschil der zieletoestanden van de beschouwers, die 'n kaleidoskopische oneindigheid van opvatting teweegbrengen, waaraan de kunstenaar zelf niet gedacht kan hebben (...) dan komen wy tot de slotsom dat Kunst een schatkamer is, waaruit zorgvuldige gebruikers meer weten te putten dan de bekwaamste rentmeester daarin neerlegde.' (VW IV, p. 550-551).

'Kunst is geen regeringszaak' beweerde Thorbecke in de Tweede Kamer de regering moet geen invloed hebben op de opvattingen van kunstenaars. Dit wordt door M. letterlijk opgevat; hij schrijft dat dan 'regeren geen kunst is'. Het bleek dat dezelfde woorden al op 4 december 1872 in de Tweede Kamer zelf gesproken waren door *Wintgens (Idee 1050a-1051b, VW VI, p. 445-469). In Idee 1051a betoogt M.: 'Een minister die openlyk verkondigt geen acht te willen slaan op 't enige middel dat 'n kleine natie ten dienste staat, om zich door omliggende mogendheden te doen eerbiedigen, begaat 'n aanslag tegen 't Volksbestaan, en nodigt uit tot annexatie.' (VW VI, p. 463)

Verder spreekt hij over de 'spichtige dorheid' van Thorbeckes oordeel over 'Kunst als staatkundig gegeven.' (Idee 1051b VW VI, p. 467-468).