Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

J

Jang di Pertoean, titel van de inlandse vorst in de Bataklanden (Sumatra) ten tijde van DD.'s verblijf in Natal (1842-1843). Zijn naam betekent 'hy die heerst', aldus DD. in noot 109 (1881) bij Max Havelaar, 'Als ik me niet vergis, is er op geheel Sumatra slechts één Hoofd dat dezen titel draagt' (VW I, p. 346).

DD. werd controleur te Natal, kort nadat zich een affaire rondom de Jang di Pertoean had afgespeeld, die DD. van zijn voorganger, *Van Meerten, te horen kreeg. Dit 'gekleurde' verhaal vertelt DD. in zijn Max Havelaar (VW I, p. 177). Jang di Pertoean werd, volgens dit verhaal, ervan verdacht een opstand voor te bereiden in Mandheling (Mandailing), zijn gebied in de Bataklanden. Hij zou als vurig Islamiet alle (christelijke) Europeanen willen vermoorden.

Door de assistent-resident van Mandheling, Door *Van Kervel, de schoonvader van Van Meerten, werd hij gevangen genomen en naar Padang gezonden. Daar ontving generaal Michiels - Van Damme in Max Havelaar - hem als zijn gast, verleende hem ondanks bezwarende verklaringen eerherstel en liet hem terugkeren naar zijn gebied. Van Kervel werd korte tijd later als assistent-resident geschorst vanwege een aantal vergrijpen die niet direct iets met deze zaak te maken hadden. In de Max Havelaar vermeldt M. dat deze zaak nooit werd onderzocht. Hij vermoedt dat de stukken over de Jang di Pertoean door Michiels nooit onder de ogen van de regering gebracht zijn (VW I, p. 179). Dit vermoeden was juist, zoals De Bruyn Prince heeft aangetoond in zijn Officiële Bescheiden (2e dr., 1910, p. 310-341).

Michiels ontkende ten stelligste dat hij bij enige plannen tot opstand betrokken zou zijn geweest, terwijl Van Meerten, Van Kervel, DD., en ook resident *Weddik overtuigd waren van zijn ontrouw.

De hele affaire kreeg nog een vervolg, toen Michiels tijdens het controleurschap van DD. het vonnis tegen *Si Pamaga persoonlijk kwam herzien in Natal. Deze was veroordeeld wegens poging tot moord op de Toeankoe Bezaar van Natal. De Jang di Pertoean zou de opdracht tot de moord gegeven hebben. Uit hoofde van zijn functie was DD. bij deze nieuwe procesvoering aanwezig (VW VIII, p. 133-141).

*Soetan Salim

Japanse Gesprekken, satire van M., geschreven n.a.v. het bezoek van een Japans gezantschap aan Nederland (VW III, p. 9-32). In de Japanse Gesprekken lezen we dat de groep Japanners op 14 juni 1862 in Rotterdam arriveerden, nadat zij eerder Frankrijk en Engeland hadden aangedaan om er westerse instellingen en wetenschappen, o.a. scheepsbouw, artillerie en stoomwezen, te bestuderen. In enkele weken tijd bezochten zij allerlei instellingen in Den Haag, Amsterdam, Delft en Leiden. De Japanse Gesprekken bevat een scherpe ontleding van het Hollands fatsoen en de Hollandse deugd, die M. op schijnbaar serieuze manier aan de Japanners, die worden aangesproken met de titel *Kami, duidelijk worden gemaakt.

Het stuk verscheen als feuilleton in het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad van 23 en 30 juni 1862. In 1875 beschrijft M. in een aantekening bij de Japanse Gesprekken de reacties op de eerste druk. 'De aandeelhouders liepen te hoop, en bedreigden den Direkteur van die courant met allerlei akeligheid, indien hy niet terstond 'n eind maakte aan de publikatie van zulke infame denkbeelden.' (VW III, p. 31).

Hij vergelijkt de gang van zaken met de publikatie van de Millioenen-studiën, die immers door de redactie van Het Noorden afgebroken werd omdat de lezers er niets van begrepen. Deze dagbladen zijn, aldus M., inmiddels 'aan uittering bezweken', maar de Japanse Gesprekken zijn nog altijd springlevend '- wat ze waarschynlyk blyven zullen - (VW III, p. 31). Overigens waren de zinssneden die door het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad als meest aanstootgevend werden ervaren, al geschrapt. Een bijbelse formulering als 'In den beginne, o Kami, waren alle kinderen onecht' (VW III, p. 22) werd niet geaccepteerd. De hoofdredacteur, *G. Broens, had er geen bezwaar tegen gemaakt, maar moest wijken voor de aandeelhouders.

Wel nam hij de Japanse Gesprekken mèt de gewraakte uitdrukkingen op in zijn bundel Papillotten van Oom Geurt (1862). Later werd het herdrukt in M.'s Herdrukken (1865, Amsterdam: R.C. Meijer) en de Verspreide stukken (1865, Amsterdam: R.C. Meijer; 1872, Amsterdam: G.L. Funke). In 1987 verscheen het verhaal in Multatuli!. Bloemlezing voor scholieren (Amsterdam: Van Oorschot).

Japanse steenhouwer, de, parabel in het elfde hoofdstuk van de Max Havelaar (VW I, p. 150-152). Havelaar vertelt dit verhaal, dat hij eerder aan *Si Oepi Keteh vertelde, tijdens één van de tafelgesprekken met zijn vrouw, Duclaci en Verbrugge. De parabel handelt over een ontevreden steenhouwer die wordt gehoord door een engel. De steenhouwer wordt door de engel steeds in een ander, volgens de steenhouwer steeds machtiger, gedaante getoverd, maar hij blijft ontevreden totdat hij als rots de macht van een steenhouwer ziet, en weer steenhouwer wil worden. Hierna werkt hij hard voor weinig loon, maar is wel tevreden.

In het Tijdschrift voor Neêrlands Indië (jrg. 1, 1842, p. 400) had M. een bewerking van dit oorspronkelijk Japanse volkssprookje door Jeronimus (ps. van *W.R. baron van Hoëvell) gelezen. Het werd herdrukt in Van Hoëvells bundel Uit het Indische leven (1860) en in het tijdschrift Rond den Heerd (1867). Marcel Janssens geeft in zijn Max Havelaar, de held van Lebak (Antwerpen/Utrecht, 1970) een vergelijking tussen M.'s en Jeronimus' versie.

Java, In januari 1839 kwam de 18-jarige DD. op Java aan met het schip van zijn vader. Zijn eerste Indische jaren bleef hij op dit eiland waar hij werkzaam was bij de Algemene Rekenkamer in Batavia (1839-1842). In 1844 keerde hij vanuit de westkust van Sumatra terug naar Java. Hij werkte er op verschillende plaatsen, totdat hij in 1849 assistent-resident van Menado (Celebes) werd. In deze tweede Javaanse periode ontmoette hij zijn toekomstige vrouw, Tine. Vanuit *Krawang (1845-1846) schreef hij haar zijn verlovingsbrieven. Na Celebes, zijn verblijf op Ambon en zijn verloftijd in Nederland, keerde DD. in september 1855 terug naar Java, waar hij moest wachten op herplaatsing. In januari 1856 werd hij benoemd tot assistent-resident van *Lebak op West-Java.

Na zijn ontslag bleef DD. nog een jaar op Java, waar hij na zijn mislukte pogingen *Duymaer van Twist te spreken te krijgen, probeerde om op andere manieren aan de kost te komen. Hij vatte onder meer het plan op een rijstpelmolen te kopen (*Van Son). Alle plannen mislukten echter en in april 1857 verliet hij Java - en Indië - voorgoed. Tine bleef nog enige tijd bij Jan in Rembang.

*Rangkas-Betoeng *Poerwakarta *Poerworedjo

Javaan, In het vijfde hoofdstuk van de Max Havelaar schetst M. het karakter van de Javaan en de oorzaken van diens benarde positie: 'De Javaan is uit den aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem daartoe uit, en vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. (...) hy zoekt zyn vrouw onder de meisjes der desa, die 's avonds onder vrolyk gezang de ryst stampen om ze te ontdoen van den bolster... het bezit van een paar buffels die zyn ploeg trekken, is het ideaal dat hem aanlacht...' (VW I, p. 64)

In hetzelfde hoofdstuk introduceert hij het misbruik dat de Javaanse hoofden van hun onderdanen maken, en noemt hij de moeilijkheden waarvoor een Nederlandse ambtenaar zich bij het tegengaan van deze misbruiken geplaatst ziet. Een geromantiseerde beschrijving van deze problematiek vormt de liefdesgeschiedenis van *Saïdjah en Adinda in het zeventiende hoofdstuk. Aan het einde van de Max Havelaar klinkt het: 'Goed, goed... alles goed! Maar... de Javaan wordt mishandeld! Want: wederlegging der HOOFDSTREKKING van myn werk is onmogelyk!' (VW I, p. 293)

Ook later heeft M. voortdurend de zaak van de Javaan bepleit. Bijv. in de Minnebrieven, met daarin de 'bewijzen dat de Javaan mishandeld wordt' (VW II, p. 121 e.v.; *herendiensten). In zijn oproep 'Aan het Volk van Nederland' schrijft hij: 'In Neerlands-Indië laat men z'n slaven wegroven en verhongeren. Overdryving? Nederlanders, leest gy de couranten niet? Staat er niet duidelyk te lezen, dat er wederom hongersnood is op Java? Dat er wederom "een tweehonderdtal" mensen (Nederlandse onderdanen, hoort gy!) zyn weggeroofd op de kusten van Celebes?' (Idee 290, VW II, p. 485)

De zorg voor de Javaan zou één van de eerste staatkundige principes moeten zijn, betoogt hij in Idee 296 (VW II, p. 491). Toch meende een aantal critici dat M. niet werkelijk begaan was met het lot van de Javaan, maar dat het hem in de eerste plaats om zijn eigen positie ging. Daarover schrijft Du Perron in de Bewijzen uit het Pak van Sjaalman (1940, p. 109): 'Een van de grote verwijten van Multatuli's bekladders' is dat hij de 'zaak van de Javaan' achteraf had uitgedacht, dat hij eigenlijk niets voelde voor de inlander'. Als bewijs tegen deze opvatting citeert Du Perron een brief van Duymaer van Twist uit 1882, waarin deze schrijft: 'Op de diners, of liever na de diners, waarop ook hij met zijn echtgenoote nu en dan werden uitgenoodigd, had ik meermalen met hem gesproken en had hij mijn sympathie verworven door zijn hart voor den inlander' (a.w. p. 109). In zijn Multatuli en de luizen neemt Du Perron verdere bewijzen op van het feit, dat de toestand van de Javaan M. wel degelijk tijdens zijn dienst in indië ter harte ging (a.w., p. 43-45). Hart voor de inlander mag hij dan gehad hebben, over de vraag of hij in Lebak juist handelde wordt getwist. Sommigen zijn van mening, dat M. door zijn optreden in Lebak er blijk van gegeven heeft weinig of geen inzicht te hebben gehad in de Javaan en de Javaanse adat. Zo schreef de Indonesische historicus Sartono Kartodirdjo (*Bantam) over de door M. tegen de regent ingebrachte beschuldigingen: 'Here we meet with a lack of understanding of the background of Javanese patrimonial-bureaucratic structure'. (Lit. R. Nieuwenhuys, De mythe van Lebak, 1987).

Jezus, 'Misschien hadden wy nog te offeren aan Jupiter Diana of Mars, als niet Jezus tot 'n twaalftal visserlui had gezegd: gaat en predikt!', schrijft M. op 27-28 juli 1863 aan Mimi (VW XI, p. 176). Jezus wordt door hem herhaaldelijk ter sprake gebracht in zijn geschriften. Hij bewondert en prijst de integriteit en het lijden van Jezus. Zijn afkeer van het christelijke geloof (en alle andere geloven) staat hem hierbij niet in de weg omdat deze godsdienst volgens hem niet op de ideeën van Jezus is gebouwd ('Jezus is geen christen', Idee 66 VW II, p. 321). De bijbel is m.a.w. geen juiste weergave van Jezus' woorden.

Hierover vinden we in de Ideën 63-65 (VW II, p. 320-321) enkele korte uitspraken. Bijv.: 'Jezus moet veel gezegd hebben dat niet in den bybel staat. Daaronder moet veel schoons geweest zyn. Er staat van Jezus veel in den bybel, wat Jezus niet kan gezegd hebben.' (Idee 64) en: 'Jezus is slecht getekend in den bybel. Wie dat niet voelt, is Jezus' vriend niet. Om Jezus te waarderen moet men den bybel wegwerpen.' (Idee 65). Ook Idee 93 gaat hierover en luidt: 'Jezus ontmoette een evangelie, en vroeg, wie zyt gy?' (VW II, p. 330; cf. ook Idee 187, VW II, p. 405).

In de Ideën 263-265 (VW II, p. 464) gaat M. hierop door. Hij schrijft het te betreuren dat er geen ware biografie van Jezus bestaat, waarin ook diens onvolkomenheden beschreven worden. 'Waarschynlyk hadden we [dan] een mens leren kennen; dat wil wat meer zeggen dan een god, of half god, of God, als naar men wil.'. Uit de Evangeliën, het enige geschrift over het leven van Jezus, blijkt dat hij iemand van 'zeer byzondere gaven' was en 'dat z'n levensloop belangryk moet geweest zyn, doch... deze erkentenis grondt zich meer op 't analogisch besef van wat wy niet weten, dan op kennis aan de voorvallen die z'n levensbeschryvers hebben te boek gesteld. Dit namelyk is zeer weinig. De vier Evangeliën, door weglating van herhalingen, door uitsluiting van onmogelyke varianten, tot één gebracht, vormen een zeer, zéér klein boekje, dat ternauwernood de volledige beschryving zou kunnen bevatten van wat menigeen in één maand levens ondervond. Alles nu wat we meer van Jezus menen te weten, dan in zo'n klein bundeltje zou kunnen vervat zyn, is... prekery.' (VW IV, p. 412-413).

Zijn bewondering voor het lijden van Jezus blijkt verder uit de volgende passage uit de Max Havelaar '(...) men denke aan Jezus, waar hy zo treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagt "dat het niet gewild heeft." [Mattheus 23:37] Zulk een kreet van smart - vóór gifbeker of kruishout - vloeit niet uit een ongedeerd hart. Dáár moet geleden zyn, veel geleden... daar is ondervonden!' (VW I, p. 83)

In een brief aan P.A. Tiele d.d. 18 november 1876 schrijft hij dat hij bij Jezus wel de alledaagse gegevens (' 'n Wiskundige waarheid, 'n kloppende boekhouding, 'n triumf van gewoon gezond verstand') tot 'poëtische opwekking' mist. Hij vervolgt: 'Hy [Jezus] spreekt, leraart en leeft slordig, en ik word knorrig als ik zie hoe onhuishoudelyk hy omgaat met maren en wanten. Met rhetorische volgorde van denkbeelden gaat-i om als of 't roofgoed was...' (VW XVIII, p. 505)

In een brief aan H. van Duyse d.d. 18 februari 1869 vergelijkt M. zijn eigen lijden met dat van Jezus: 'Golgotha was zyn lyden niet, dat was 't eind van z'n leed! Ik zal me (indien ik werken kan, want veelal wordt ik gestoord - en dat storen is myn *Golgotha!) nu, als 't kan, zal ik my door Fancy eens laten vóórzeggen wat Christus geleden heeft, voor de domme mêe loopers 't de moeite waard vonden het op te schryven. (...) Zyn artikels in de courant werden niet beantwoord, by letterkundige congressen ignoreerde men hem (...).' (VW XIII, p. 364)

M. werd ook door sommige vereerders, en in enkele publikaties met Jezus vergeleken. Bijv. in Het leven en de werken van Eduard Douwes Dekker (Multatuli) (1920, dl. I, p. 158), waarin J. de Gruyter een aantal karaktereigenschappen van Jezus (de waarde van de persoonlijkheid, de verheerlijking van de liefde, de afkeer van het vergaren van schatten, de aanprijzing van het martelaarschap en de strijdvaardigheid), bij M. herkende. Over de fascinatie van M. voor de Jezus-figuur, publiceerde Ph. Vermoortel in 1984 het artikel 'Mukatuli en Jezus; Aspecten van een hartstochtelijke vriendschap' (Over Multatuli, nr. 13, p. 10-35)

*bijbel *Mattheus *Sint-Eloy *De Kruissprook

Jocrisse, in Franse kluchten de naam van de bespottelijke figuur van de onnozele lakei, een Joris Goedbloed. Een klucht met deze figuur als hoofdpersoon, wordt wel een Jocrissiade genoemd. Enkele voorbeelden hiervan zijn Molières blijspelen Sganarelle (1660), Les Femmes savantes (1672) en de achttiende-eeuwse klucht Le désespoir de Jocrisse van Dorvigny. M. noemt de wijze waarop het publiek zijn Max Havelaar behandeld heeft een Jocrissiade: 'Zéker is 't, dat ik van zo'n naief-wrede Jokrissiade geen voorgevoel had, toen ik zo verheugd uitriep: m'n boek is af, m'n boek is af.' (brief aan Tine d.d. 13 oktober 1859, VW X, p. 73)

In Idee 772 ageert hij tegen het 'verkeerd verstaan'. Het publiek moet z.i. 'De Jokrisses en Pierrots [Pierrot=hansworst van het Franse toneel] op de planken trachten te begrypen.' (VW IV, p. 495).

Juffrouw Laps, personage uit de *Woutergeschiedenis, buurvrouw van de fam. Pieterse die op de ondervoorkamer woonde. M. tekent haar als karikatuur en prototype van de orthodoxe burgervrouw. Zij was zeer godsdienstig ('Wát ik ben? Wel... griffermeerd', Idee 391, VW II, p. 573), en was zeer beledigd toen Stoffel, de oudste zoon van de fam. Pieterse, haar een 'zoogdier noemde (Idee 391, VW II, p. 574). Later trachtte zij de opgroeiende Wouter 's nachts dronken te voeren en aan te randen (Idee 1135-1159, VW VII, p. 125-172).

In De Waarheid over Multatuli en zijn gezin (1939, p. 63) beweert 'De Schoondochter' (d.i. *A.G. Douwes Dekker-Post van Leggelo) dat M.'s moeder 'als model gediend heeft voor juffrouw Laps, maar dat dit niet gezegd mag worden om Multatuli niet te schaden'.

Juffrouw Pieterse, personage uit de *Woutergeschiedenis, moeder van Wouter Pieterse, type van de bekrompen, onontwikkelde burgervrouw, weduwe van een schoenverkoper en volgens meester Pennewip behorend tot Burgerstand, IIIe klasse, 7e onderafdeling: 'Tweede verdieping. Twee schuiframen. Kleine achterkamer die inspringt om de binnenplaats. 't Hele gezin slaapt in twee bedden. Van kraamschut geen spoor. De jongens heten Louw, Piet of Gerrit, en gaan "op" horlogemaken of letterzetten. Soms naar zee, maar zelden. Gedurig twist met de buren, over dien verstopten gootsteen in 't portaal. Overigens godsdienst als boven. Hebben kennis aan "heel fatsoenlyke mensen". Lezen den Haarlemmer samen met III, 7, bý (Pp. Geen meid of 'mens' maar 'n naaister van zeven stuivers en een boterham...' (Idee 380, VW II, p. 552)

Zeer humoristisch en uiterst scherp wordt het milieu van de familie beschreven in het bekende verslag van het 'salie-avondje' bij juffrouw Pieterse (Idee 381 e.v., VW II, p. 552 e.v.).