Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

G

Gebed van den onwetende, Het, geschrift van M. dat hij in 26 februari 1861 in het album van *H.E. Bovenschen schreef (VW I, p. 473-477). In 1861 werd het voor het eerst gepubliceerd in De Dageraad, voorzien van een illustratie door *Ernst Stern. Het is geschreven in rijmloze verzen. M. neemt in dit geschrift afstand van het geloof: 'Wat anderen nu beweren van dien God te weten... Baat my niet... Ik versta hem niet!' (VW I, p. 475).

Op 18 februari 1869 schrijft hij H. van Duyse, dat hij de toon van het werk achteraf te mild vindt: 'De gemoedelykheid in dat gebed v.d.O. hindert my thans, en 't komt my voor dat Mlle Logique en Mme Waarheid my die ontrouw euvel duiden. Ik heb beloofd my te beteren. (...) De taak van den denker is niet over de mogelykheid van het onmogelyke te redeneeren, en vooral niet (gelyk ik in myn Gebed v.d. O doe) lieve woordjes te geven aan 't onware, alsof-i verlegen was om gemeenschap met leugen - neen, wy moeten de absurditeit flink in 't aangezicht spuwen'. (VW XIII, p. 361)

ln een noot bij Idee 165 uit 1872 schrijft hij: 'Dat smachten naar een persoonlyken God, is opstand tegen de Rede. (...) Myn "Gebed van den Onwetende" is nog met die ziektestof besmet.' (VW II, p. 681)

Het 'gebed' maakte veel indruk, maar heeft ook het aantal vijanden van M. doen toenemen. In 1861 werd het beantwoord door Pisteuologos (ps. van *J.N. Wiersma) in de brochure Het Gebed van den Geloovige (Amsterdam 186I).

Op bijeenkomsten van de beginnende socialistische beweging werd het dikwijls voorgedragen. In het tijdschrift De Dageraad der Volksbevrijding (nr. 1) schrijft W.H. Vliegen dat het ten gehore gebracht was op een bijeenkomst van de socialisten in Bloemendaal in 1884. Het 'te hoop gelopen volk' stormde hierop de zaal binnen en mishandelde de socialisten. Ook na M.'s dood werd het 'gebed' herhaaldelijk bekritiseerd, o.a. door Th. Famulus, *L. van Elk en J. van Veen.

Tijdens en na M.'s leven verscheen een aantal vertalingen van het Het Gebed van den onwetende. In 1868 vertaalde H. van Duyse het geschrift in het Frans: de brochure getiteld La prière de l'Athée, verscheen anoiem en werd in Frankrijk verboden. Een Franse prozavertaling getiteld La Prière d'un ignorant, verscheen in het tijdschrift La Société nouvelle (maart 1887). In Der Freidenker van 1885 verscheen een Duitse vertaling van *C. Derossi, getiteld Das Gebet des Unwissenden, en in 1876 verscheen een Friese vertaling van de hand van H.G. van der Veen (1826-1887), getiteld It gebet fen de ûnwitende in het tijdschrift Forjit my net (VW XVIII, p. 580-583). In1902 werd Het gebed van den onwetende op muziek gezet en ten gehore gebracht door de zangvereniging Excelsior.

Gedenksteen, 1. Aan het geboortehuis van M. in de *Korsjespoortsteeg te Amsterdam. Na M.'s overlijden vatten N. de Roever, archivaris te Amsterdam, en W.R. Veder, adjunct-archivaris, het plan op een gedenksteen in het geboortehuis te plaatsen. De kosten werden geraamd op ƒ 77,85. Dankzij de intekenaren, onder wie een aantal bekende namen, kwam er ƒ 116,00 binnen. De steen werd uiteindelijk geplaatst op 13 december 1887, getuige een brief van De Roever aan de toenmalige eigenaar van het pand, de heer J.J. Brunner. Van deze plaatsing werd o.a. melding gemaakt in het Algemeen Handelsblad van 14 december 1887 en in Het Nieuws van den Dag van 16 december 1887.

2. In de gevel van het woonhuis van M. in *Nieder-Ingelheim, met beitelfout: Eduard Douves Dekker. De onthulling ervan vond plaats op 11 oktober 1908. Bij de plechtigheid hielden W. Spohr en de zoon van Marie Anderson een toespraak. Vernieuwd en nogmaals onthuld op 19 februari 1987 t.g.v. de honderdste sterfdag van M.

3. In het huis aan de Dorzheimerstraáe 48 te *Wiesbaden (nu verdwenen), waar M. en Mimi van oktober 1877 tot 15 augustus 1879 woonden.

4. In 1960 werd in het pand aan de Arenbergstraat (destijds Bergstraat 80) in Brussel, waar de herberg *Au Prince Belge heeft gestaan, een gedenksteen onthuld. ln de gedenksteen, die zowel in het Nederlands als in het Frans is opgesteld, is de naam Eduard foutief gespeld (Edward).

5. In Den Haag, op de plek waar M.'s woning aan de Z.W. Binnensingel 18 heeft gestaan, werd op 2 juli 1992 een gedenksteen onthuld, aan een nieuwbouwproject dat op dezelfde plek werd opgetrokken aan het Buitenom. (illustraties in W.F. Hermans, De raadselachttge Multatuli, 2e druk 1987, p. 234)

Gedenkteken, 1. Het Multatuli-monument in de urnentuin te Driehuis-Westerveld, ontworpen door A.H. Wegerif, bevat de as van M. en Mimi. Het monument, waarvoor de eerste plannen uit 1920 stammen, werd door Garmt Stuiveling op 6 maart 1948 onthuld. De tekst van de inscriptie luidt: Multatuli/1820-1887/DE ROEPING VAN DE MENS IS MENS TE ZIJN (Jaap Van der Does, 'Wat rest van Multatuli - en waar', in: Over Multatuli, 1991, nr. 26, p. 5-10). *As van Multatuli

2. Standbeeld op de Torensluis in Amsterdam, ontworpen door Hans Bayens en op 16 mei 1987 door koningin Beatrix onthuld.

Gedichten van Multatuli, Een aantal van zijn 'gedichten uit vroeger tijd' nam M. op in zijn Max Havelaar. Bijv. *'Moeder, 'k ben wel ver van 't land', *'Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör!' en *'Ik weet niet waar ik sterven zal'. In zijn *'Brief aan A.C. Kruseman' nam hij ook een aantal gedichten op, zoals *'De nachtschuitsdroom', *'Salak', *'Toen en thans' en een gedeelte uit *'Vaarwel aan Natal'.

*albumversjes *Maleise gedichten *Mijn schaatsen *Nieuwjaar

Een uitgave van M.'s verzamelde gedichten verscheen in 1985 (Multatuli Gedichten. Ingeleid en toegelicht door Sander Blom).

Geloof, Met Het Gebed van den onwetende nam M. in 1861 publiekelijk afstand van zijn geloof in God. De rede werd zijn 'godin' (Over Specialiteiten, VW V, p. 492), want: 'De Natuur is alles, en: alles is natuurlyk. Waar 't ons gegeven is de volgorde na te gaan van de logica der feiten, erkennen we dat natuurlyke, die: noodzakelykheid. Waar de logica ons ontsnapt - omdat we zo weinig weten - denken we aan een God.' (Idee 166, VW II, p. 389)

Hij concludeert in een noot bij Idee 166: 'Geloof is alzo 'n opgedrongen surrogaat voor kennis.' (VW II, p. 681-682).

In zijn geschriften bekritiseert hij herhaaldelijk het geloof in een god. In een brief aan Mimi d.d. 31 juli 1863, schrijft hij: 'Geloof? 't Is een domheid of subliem! Domheid in redenering, in zoeken naar waarheid. Subliem in handeling, als 't grootste offer.' (VW XI, p. 191).

Het geloof belemmert de ontwikkeling van 'den geringen stand' waardoor elke vorm van opstand vermeden wordt, betoogt hij Idee 915. 'Is niet die hele godsdienst één wyzen op den Hemel - waar alles beter wezen zal ! - om de patiënten tevree te stellen met 'n Aarde... waarop zeer veel verkeerds, en 't brood duur is?' (VW IV, p. 655). 'Geloof is bygeloof', schrijft hij in Idee 354, waarna hij in Idee 355 vervolgt: 'Wie het eerst "geloof" wist te verheffen tot deugd, moet 'n stout man geweest zyn.' (VW II, p. 521), want: 'Vóór 't Geloof geselen kon, en wurgen en branden, moest het vooraf de mensen krankzinnig maken.' (aantekening bij Idee 233, VW II, p. 693).

In Idee 1233 geeft M. een 'recept' voor het 'uitroeien van deze pest'. Onthouding alleen is niet voldoende: 'het kind doet geen stap in de maatschappy zonder iets van dien God te vernemen. 't Is ouders en opvoeders onmogelyk deze spokery uit te roeien door onthouding.' Hij stelt voor om 'den afkeer van leegte' toe te passen: 'Men vulle het kind met kennis, men make hem gewoon aan begrypen en weldra zal 't hem stuiten iets aan te nemen dat, met z'n weten en begrip in stryd, zowel een miskenning van z'n oordeel wezen zal, als 'n belediging van z'n smaak.' (VW VII, p. 447)

In noot 111 (1881) van de Max Havelaar schrijft M.: 'De katholiek die vast en zeker gelooft dat de H. Maagd zich de moeite gaf 'n boodschap te komen brengen aan 'n hysterisch landmeisje te Lourdes, spot met den islamiet die beweert 'n visite of brief ontvangen te hebben van Mohamed. En de protestant, lachende om den katholiek, die boodschappen uit den hemel krygt, voelt zich zeer gesticht door 'n preek over den Engelenzang te Bethlehem.' (VW I, p. 347)

*godsdienst *christendom *moderne theologie *Elberfeldse wezen *Daniël *katholicisme *ontevredenheid *Ris *vooruitgang

Geloofsbelydenis, titel van de eerste publikatie van M. die onder het ps. *Multatuli werd gepubliceerd in november 1859 in De Dageraad (VW I, p. 7-9). In 1865 werd de Geloofsbelydenis opgenomen in de Herdrukken en in de Verspreide Stukken.

Het betreft een parabel waarin een vader het huis verlaat en zijn vijf zonen (Blauwbuis, Koek-eter, Katteknyper, Haartrekker en Lijstermannetje) laat raden wat hij gedurende zijn afwezigheid heeft gedaan. De praktische barmhartigheid van Lijstermannetje (zo genoemd omdat hij het gebroken pootje van een lijster verzorgde) wordt in het verhaal geplaatst tegenover de bekrompen godsopvatting van zijn broers.

M. schreef het stuk naar aanleiding van het verzoek van Tine om een geloofsbelijdenis op te sturen, waarnaar haar steeds werd gevraagd, o.a. door Jan Douwes Dekker, bij wie zij logeerde. Op 13 oktober 1859 schrijft M. haar: 'Is dat kiesch, is dat niet wreed, is het niet of de algerijnsche zeerover een Christengevangene vraagt wat hij van Mahomed denkt? (...) Maar gij moet een opstelletje hebben. Ik gaf het liever niet, omdat mijn en Uw geloof zoo negatief is. Ons geloof is: niet te weten wat wij te gelooven hebben.' (VW X, p. 75)

Hierna volgt het 'opstelletje': 'Ik weet niets (...) Veel zegt mij dat er een God is, want alles kan niet voortgekomen zijn door niets uit niets. Maar veel zegt mij dat er geen God is. (...) Slotsom: Ik weet niet of er een God is./Als hij er is moet hij goed zijn./Hij zelf behoeft mijne diensten niet./Ik dien hem door te trachten goed te zijn zooals ik mij Hemzelf voorstel./Als rigtsnoer daartoe heb ik alleen mijn hart./En waar ik dwaal, hetzij in inzigt hetzij in toepassing, moge hij den eersten steen werpen die mij een beter rigtsnoer kan aanwijzen dan mijn hart.' (VW X, p. 75-76)

Op 19 oktober 1859 schrijft hij Tine dat hij na het versturen van zijn vorige brief niet slapen kon: 'Toen ben ik opgestaan en heb eene geloofsbelijdenis geschreven. Ik had je die nu willen zenden, maar toen kwam ik op het idee om die met den naam Multatuli in den "Dageraad" te zetten.' (VW X, p. 82).

In Idee 101 beschrijft M. de ontstaansgeschiedenis van de Geloofsbelydenis, die hij onder dwang van de omgeving geschreven had ('bedenk dan dat die belydenis een wanhopige poging was om rust te geven aan m'n vrouw, en een boterham aan m'n kleinen heiden.'), waarna hij vervolgt: 'Want - een bekentenis - de eerste regel de beste van die belydenis ['Een vader zou voor een ogenblik het huis verlaten'] is een onwaarheid. Ik weet niet of er een vader is. Ik weet niet of die vader de scherpzinnigheid van z'n kinderen beproeven wou. Maar als men heenstapt over dien eersten regel, dan volgt de rest vanzelf. Meer weet ik er niet van te zeggen.' (VW II, p. 332)

Gelijkheid, Er bestaat volgens M. geen gelijkheid tussen mensen. Allereerst is er namelijk het verschil tussen goede en slechte mensen, waarover hij in Idee 451 schrijft: 'Er is verschil, een groot verschil, tussen een mens en een mens. De waarlyk brave man die 't goede wil, die 't betrachtte, die daaraan z'n leven wydt, daarvoor zich opoffert als 't nodig is... o, hy staat niet gelyk met den ellendeling die onder schyn van nederige vergetenheid zich alleen bezighield met het mesten van zyn ik, met rusten zonder ooit te hebben gearbeid.'

Daarnaast verschillen mensen onderling 'in ontwikkeling van denkvermogen, toon, beschaving, ondervinding, smaak'. Hij betuigt zich voor handhaving van dit onderscheid, waarbij hij echter tegen de afscheiding van standen 'zoals we die waarnemen in onze maatschappy' is, omdat de mensen van verschillende standen elkaar niet leren kennen (VW III, p. 90-91; *standsverschil). Zijn voorkeur om de ongelijkheidheid tussen mensen te behouden, maakte M. afkerig van her *socialisme, dat juist gelijkheid nastreefde.

Geschiedenissen van gezag, negen parabelen in de Minnebrieven (VW II, p. 34-44), waarin M. laat zien dat de ontwikkeling van de mens wordt belemmerd door verschillende vormen van gezag, met name het *geloof. De tiende geschiedenis van gezag wordt door hem plotseling gestaakt na de zin: 'Er was eens een land, laag gelegen aan de zee, tussen Oost-Friesland en de Schelde...' omdat hij afgeleid wordt: 'men timmert en metselt om my heen' (VW II, p. 44). De geschiedenissen werden in het Duits vertaald door *C. Derossi en *W. Spohr. Een Franse vertaling werd verzorgd door Alexander Cohen (1892);).L. Bruijn vertaalde ze in 1909 in het Esperanto.

*Meyners

Geyter, Jan Julius de, Lede (Oost-Vlaanderen ) 25 mei 1830 - Antwerpen 18 februari 1905, achtereenvolgens onderwijzer, ambtenaar en vanaf 1874 directeur van de bank van lening in Antwerpen. Als letterkundige verwierf hij grote bekendheid met zijn epos in Middelnederlandse dichtvorm, getiteld Keizer Karel en het Rijk der Nederlanden (1888). Vanaf 1855 ontwikkelde hij zich van conservatief-katholiek tot radicaal-liberaal; zijn Geuzenlied (1873) werd het strijdlied van de antiklerikale partij.
De Geyter zond M. in 1865 zijn epos Drie menschen van in de wieg tot in het graf (Antwerpen-Gent, 1865), waarmee het begin van een langdurige vriendschap werd ingeluid. Op 22 februari bedankte M. hem voor dit geschenk en zond hem zijn portret (VW XI, p. 459).
In maart 1866 schreef De Geyter het artikel 'Multatuli' in het Nederduitsch Tijdschrift (nieuwe serie, dl. 1, p. 65-90; opgenomen in VW XI, p. 560-566), waarin hij M. hemelhoog verheft boven 'al de Bilderdijken, van der Palm's, van Lennep's en Beetsen bijeen'; M. is een 'letterkundige hervormer'. Hij bespreekt M.'s werken en neemt er verschillende citaten uit op. Het artikel was gegoten in de vorm van een brief aan de dichter Frans de Cort, die de Max Havelaar (nog) nietgelezen had. Het was de eerste recensie van M.'s werk in België.
M. roemt op zijn beurt in een brief aan De Geyter diens gedicht 'Voor drie maanden en misschien binnen drie maanden':'uw stuk is heerlyk schoon. Ik zal het leeren overluid lezen zoo goed ik dat kan, en hoop menigeen over te halen tot myne meening dat er geen hartiger krygsroep kán gedaan worden dan zulk verwyt.' Een punt van kritiek noemt M. het metrum, dat 'slordig' is: '(...) als men een keurslyf draagt, moet het goed gesnoerd zyn' (30 augustus 1867, VW XII, p. 410-411).

In 1867 nodigde De Geyter M. uit om een lezing te houden voor de Vlaamse afdeling van de Cercle artistique et littéraire te *Antwerpen. In totaal zou M. hier drie lezingen houden. In 1869 was het De Geyter onmogelijk M. wederom uit te nodigen, getuige zijn brief aan Max Rooses van is december: 'Elken keer als ik in Multatuli's gezelschap ben geweest, ben ik een' tijd lang ongelukkig. Zijne zenuwachtigheid werkt op de mijne. (...) 'k Heb al beproefd hem aan tafel alles te doen vergeten, maar al spoelt bij een ander een lekker glas 't verdriet, het ongeluk, weg, hij drinkt niet, eet weinig, - en blijft eeuwig de zelfde zenuwachtige man. 't Zou mij pijn doen hem zoo spoedig weêr te ontmoeten. Hadde ik een fortuin, ik gave 't hem, op voorwaarde dat hij veranderen of vertrekken zou.' (VW XIII, p. 700-701)

M. drukt in de vierde bundel Ideën een brief aan De Geyter af, waarin hij een groot aantal onderwerpen behandelt, waaronder principes ('Principes heb ik niet.'; 'Nederland is volPrincipes.'), moderne theologie, Nederlands-Indië en het publiek (Idee 932-942, VW VI, p. 114-135).

Het contact tussen De Geyter en M. verwaterde na 1874. Op 13 december 1880 schrijft M.G.J.P. de la Valette dat hij al jaren niets meer van De Geyter heeft vernomen (VW XX, p. 556). ln een brief aan W.A. Paap d.d. 22 januari 1882, schrijft hij dat 'den goeden besten' De Geyter in hem 'niets ziet dan den "letterkundige"' (VW XXI, p. 623).

*Vlaamse Beweging

Gids, De, letterkundig tijdschrift, in 1837 opgericht door Potgieter en Robid' van der Aa als tegenhanger van de Vaderlandsche Letteroefeningen. Weldra werd her een spreekbuis van de liberalen.

In De Gids van 1860 verscheen een uiterst lovende bespreking van de Max Havelaar door *P.J. Veth. Hierna zweeg De Gids over M.'s werk. Potgieter zond zelfs de afleveringen van de Ideën ongeopend terug.

Op 6 augustus 1866 stelt C. Busken Huet M. voor om stukken voor De Gids te schrijven, om op die manier zijn geldzorgen te verlichten (VW XI, p. 655). M. antwoordt hem drie dagen later: 'Schryven voor de gids! Ik ben uitgeput. Waarlyk als ik schryven kon voor den gids, dan zou myn toestand niet zoodanig zyn dat ik voor den gids zou behoeven te schryven. (...) Werken voor den gids! Och, als ik dàt kon - dan zou ik immers ook meer kunnen dan dat.' (VW XI, p. 657)

In een brief aan P.A. Tiele d.d. 18 november 1876 herinnert M. zich de strijd tussen de Vaderlandsche Letteroefeningen en De Gids: 'Ik zag niet in dat die Gids 'n "verschynsel" was, 'n merkpaal, 'n moment van verandering. En, dat is-i toch geweest! Maar, als ik de zaak beschouw aan m'n tegenwoordig standpunt, schynt die belangrykheid toch weer geringer (...). Er is meer letteroefeningachtigs in den Gids gebleven of gekomen dan de bestryders der Letteroefeningen-manier zich wel verbeelden.' (VW XVIII, p. 509)

Na M.'s dood verscheen in het maart-nummer van De Gids (1887) van redacteur *J.N. van Hall een artikel over M.'s leven en werk. Hierin kwalificeert hij M. als 'den oorspronkelijksten Nederlandsche schrijver' en schrijft hij verder: 'Want Multatuli, die een denker is, vordert ook inspanning van zijn lezers. Dat is misschien de reden, waarom hij door zoovelen, die zulk een inspanning schuwen, of tot inspanning onbekwaam zijn, òf geïgnoreerd òf niet begrepen werd, en dat anderen, onder den schijn van hem te 'behandelen' om zijne Ideën heen praatten.'.

Hierna volgden verscheidene besprekingen van M.'s leven en werk. In juli 1888 plaatste het tijdschrift van *Th. Swart Abrahamsz Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Eene ziektegeschiedenis. In 1889 verscheen in het blad een bespreking van de Millioenen-studiën door redacteur J.H. Hooijer en in De Gids van 1890 publiceerde J.N. van Hall n.a.v. de verschijning van de Brieven van Multatuli, een positief stuk over de ontstaansgeschiedenis van de Max Havelaar. Zo kwam er ironisch genoeg met M.'s dood een einde aan het 'doodzwijgen' door De Gids (wat zeker grotendeels op rekening kwam van de invloed die de Multatuli-bewonderaar Van Hall in de redactie uitoefende). Voor De Dageraad was het reden om in een artikel van 1889 zuur op te merken: '- Multatuli is dood. Nu kunnen ze vrij komen, die hem bij zijn leven belasterd en verguisd hebben. Ze kunnen komen en hem prijzen, want hij kan zich niet verdedigen tegen die lof. (...) Jakhals van 'n Gids, Dekker verachtte U met groote innigheid.' (p. 258)

In De Gids van 1899 publiceerde Van Deventer het geruchtmakende artikel 'Een Eereschuld' en in De Gids van 1901 verscheen zijn studie 'Uit Multatuli's dienstjaren', die in jaargang 1910 werd vervolgd.

Het mei-nummer van De Gids van 1910 bevatte, ter gelegenheid van de Havelaar-herdenking, een achttal bijdragen die aan M. gewijd waren:

1. C.Th. van Deventer, 'Multatuli aan den Koning (1860)';

2. C.J. Hasselman, 'Het Regeerings-oordeel over de Bantamsche knevelarijen';

3. G. Busken Huet, 'Onuitgegeven brieven van Multatuli aan Cd. Busken Huet';

4. W. Meyer, 'Multatuli als vrijdenker';

5. J. Prinsen, 'Multatuli's houding tegenover de litteratuur tijdens het ontstaan van den Havelaar';

6. G.J.P. de la Valette, 'Dek; van en over hem';

7. F.M. Wibaut, 'Multatuli's crematie, een woord van laten dank';

8. J.N. van Hall, 'Multatuli-herdenking'.

Het november-nummer van 1984 bevatte 147 opstellen. Elke bijdrage draagt een titel uit het *pak van Sjaalman.

Glorioso, de duivel; eene rovergeschiedenis, geschreven door Christian A. Vulpius (1762-1827) in 1800. In dit boek maakt de roverhoofdman Glorioso allerlei spannende avonturen mee, raakt verliefd op de schone Nadine, geeft het rovervak op en wordt een hoge officier die van de koning een kasteel krijgt en trouwt uiteindelijk met de mooie Miranda (door M. de 'deugdzame Amalia' genoemd in Idee 365, VW II, p. 531).

Wouter verkwanselde zijn Nieuwe Testament voor veertien stuivers om Glorioso te kunnen lenen. De leesbibliotheekhouder gaf hem het boek 'dat vet en belezen, op omslag en bladzyden tekens droeg van veel onzindelyk genot', waarna Wouter met 'z'n misdadig geluk onder 't helend kieltje' de deur uitvloog, 'schichtig als 'n kat die 'r prooi beet heeft, nadat ze "uren lang gedoken zat"' (Idee 36z, VW II, p. 528-529).

M. schrijft hieraan voorafgaand:

'Glorioso! Lezer, er zyn vele navolgingen, er is maar één Glorioso. Al de Rinaldini's en Fra Diavolo's van la ter tyden, mogen niet op één dag genoemd worden met den onvergetelyken held, die gravinnen schaakte by dozynen, pausen en kardinalen uitplunderde als feilbare mensen, en Woutertje Pieterse schuldig maakte aan testamentsverduistering.' (VW II, p. 528)

M. vertelde Mimi over de autobiografische achtergrond van deze scène. In zijn jeugd had hij samen met zijn vriend Scholten Rinaldo Rinaldini (roververhaal uit 1798 van dezelfde auteur) geleend met geld dat hij 'meenam' uit een schaal met kleingeld die thuis op de schoorsteenmantel stond (dagboek van Mimi, aantekening van 15 december 1872, VW XV, p. 521).

Het Multatuli-Museum is in het bezit van een uitgave van Glorioso, de groote duivel; eene rovergeschiedenis uit de agttiende eeuw. Door de schryver van Rinaldini (3 dln., Amsterdam, 1805-1807).

Gnomen, figuren in de Millioenen-studiën. De gnomen worden aard-of kaboutermannetjes genoemd, en zijn ten dele gebaseerd op de berggeesten in de opera *Hans Heiling. Het zijn de knechten van Meester Adolf, die zelf weer *Logos tot baas heeft. Zij dragen namen als a2 en -a2, twee vinnige tegenstanders, evenals Noord en Zuid, Liefdadigheid en Recht etc. (VW V, p. 95). Verderop noemt M. 113/355, Logarichmos, binomium, Mars etc. Tijdens een onderaardse vergadering beweren zij allen slechts: 'twee maal twee is vier'. Met deze wijze les wordt de schrijver geacht millioenen te kunnen verdienen, want voor wie dit goed begrijpt zijn 'yzer worden, de Schepping, steen- planten- en dierengroei, het leven, kanker, pest, stedenbouw' etc. 'allereenvoudigste zaken' (VW V, p. 99). Later komen de gnomen terug bij de schrijver, wanneer deze de speelbank bezoekt: 'Het maakt een groot verschil, of men een speelzaal met of zonder wetende gnomen bezoekt.' (VW V, p. 227). De gnoom Semi-ur houdt hem gedurig voor: 'Schep waarde (...) Dit doen wy ook, en daarom heten wy gnomen, weters!' (VW V, p. 283).

Voor M. zijn de termen 'gnomen' en 'gnosis' (kennis) verwant. Overigens weet de schrijver ook na dit bezoek nog niet hoe aan geld te komen. Pas na een bezoek van *Fancy kan de kennis van de gnomen worden toegepast (VW V, p. 298-301).

God, In Idee 490 schrijft M. dat het woord god volgens de etymologie weten betekent (VW III, p. 235-236). In een noot (1872) voegt hij hieraan toe: 'Daarin ligt het begrip van heilig weten, het weten van verheven zaken, 't priesterlyk weten. (...) Ik houd ons woord god, goden voor 'n anderen vorm van Wodan - de verwisseling van g en w is frequent - en in dat woord bleef de oorspronkelyke vorm vry wel behouden. Ook ons woord wet is waarschynlyk van denzelfden stam.' (VW III, p. 417)

Een groot aantal Ideën handelt over God of het Godsbegrip. In Idee 102 lezen we bijvoorbeeld dat God niet gekend kan worden uit de natuur omdat 'God is buiten alles' (VW II, p. 332-333). Een vergelijkbare gedachte vinden we in Idee 530 (VW III, p. 358-360), waarin M. aan de hand van de vorm van bijencellen (de natuur) probeert aan te tonen, dat er geen Gods wil is. Idee 175 opent met: 'Er is slechts één mysterie: het zyn. De rest volgt vanzelf uit de eigenschappen van het zyn.' (VW II, p. 392)

De inleiding van de Woutergeschiedenis begint met het op ironische wijze aanroepen van deze niet bestaande God (Idee 361, VW II, p. 523). In Idee 919 schrijft hij: 'Komaan, niet gehuicheld! niet geschipperd! twee maal twee is vier, en een persoonlyke God is een ongerymdheid! (...) De God van 'n Volk in lompen, is geen God. Een God die beschaamd moet staan over den stoffelyken toestand van z'n aanbidders, is geen God. Een God die geen geluk geeft, is geen God!' (VW IV, p. 660-661)

In Idee 924 schrijft hij: 'Wie een god heeft, die hem vóórzegt wat-i doen en laten moet, kan alle verdere studie in 't goed-zyn missen.' (VW IV, p. 669). En in Idee 911: 'Zyn 't niet de gelovers, die den "Heer der heirscharen" uitvonden, den militair-God by uitnemendheid? Nooit kwam het in hun hersens op een god te scheppen voor nachtwachts, visserlui of apothekers. Nooit hoorde ik van een "Heer" der Posteryen, der Registratie, der Indirecte Belastingen, of van de Stoomvaart. En dit is te verklaren. Het Oude Testament, de grondslag van ons tegenwoordig verstandsbederf, is één doorgaande vechtpreek, één roffel des geloofs. Goddienen en vechten wordt in die handleiding ter zaligheid zo onuitpluisbaar dooreengemengd, dat we waarachtig wel 'n nieuwe God zouden nodig hebben om die twee elementen behoorlyk te ontwarren.' (VW IV, p. 652)

In Idee 351 betoogt hij: 'Wie aan God gelooft, moet wonderen aannemen, d.i. afwykingen vande regelen der Natuur. Verbeeld je... 'n god met constitutie? Een god met hindernissen! Un Dieu fainéant [Fr. een nietsdoende god)!' (VW II, p. 520) In een aantekening bij dit Idee verwijst M. naar enkele noten bij andere Ideën en naar Idee 909 (VW II, p. 713).

Het Gebed van den onwetende besluit met 'O God, er is geen God!' (VW I, p. 477). In de tweede geschiedenis van gezag koppelt M. macht (gezag) aan god. 'Wie macht wil, wil God. Wie macht, gezag, nodig heeft, maakt zich een god. (...) Het getal goden is zo groot als het getal begeerten. By iedere nieuwe begeerte een nieuwe god.' (Minnebrieven, VW II, p. 35). Ook in zijn lezingen kwamen zijn ideeën over god ter sprake (zie bijv. het verslag van zijn lezing in Den Haag op 23 februari 1878 in Het Vaderland, nr. 48; VW XIX, p. 200).

*geschiedenissen van gezag *geloof *natuurwet *stof

Godsdienst, In Idee 414 belooft M. de bestaande definities van godsdienst, 'de zogenaamde godsdienst' te weerleggen. In Idee 415 schrijft hij over het dienen van een god: 'Ik zeg: zogenaamde godsdienst, want ze bestaat niet. Neem een God aan, zo als ge wilt... maak hem dartel en wellustig als Jupiter, of lastig en kwalyk als de god der Christenen... noem hem Vischnou, Siwa, Bouddha, Thaut, Jao, Jehovah, Zeus, Voorzienigheid, Almacht, Noodlot of natuur... dienen kunnen wy hem niet.'

Daarvoor moeten wij namelijk de wil van God kennen, die echter niemand kent. M. stipt hier kort zijn 'godsdienst', de *noodzakelijkheid, aan (VW II, p. 625). Als we echter het woord 'God dienen' zouden interpreteren als 'hem aangenaam zijn', zou God ieder van ons moeten laten weten wat hem aangenaam is. Dit heeft hij niet gedaan, aldus M. 'Alzo draagt het geloof aan een persoonlyken god de beschuldiging van onrechtvaardigheid in zich... quod absurdum.' (Idee 416, VW II, p. 625).

Hij vervolgt in Idee 417 dat godsdienst schade berokkent door 'doen en door niet-doen'. Het eerste behoeft geen uitleg, aldus M., over het tweede schrijft hij: 'de schade die de godsdienst bewerkt door 't verhinderen van wat beters, is niet zo makkelyk te vatten, en toch is ze heel groot' (VW II, p. 625-626). In de volgende Ideën weerlegt hij verschillende uitspraken over het belang van godsdienst (bijv. 'Godsdienst is nodig voor de zedelykheid' en 'Godsdienst is nodig voor 't Volk'), waarna hij in Idee 437 het onderwerp godsdienst (tijdelijk) afsluit met een betoog over de 'verstandbedervende invloed van de vertellingen waarop het christendom gegrond is' (VW II, p. 637).

Op dit laatste onderwerp komt hij terug in de Ideën 824-826 (VW IV, p. 551-553) over 'de onzedelykheid van de *beloon-theorie in de opvoeding'. Deze theorie, die voortkomt uit de christelijke godsdienst, werkt het kwaad juist in de hand: 'Wie 't goede doet/Opdat een God hem lonen zou, maakt juist daardoor/Het goede tot iets kwaads, tot handel. En wie boosheid vliedt/Uit vrees voor de ongenade van dien God, is... laf.' (VW IV, p. 552)

In Idee 1254 pleit hij voor de opheffing van de bemoeienis van de Staat met de Kerk en godsdienst. Tot op heden heeft nog geen van de 'dozynen "liberale" ministers die ons land hebben' de afschaffing van 'den post Eredienst op de Begroting' durven zetten (VW VII, p. 520-521). Zolang er echter een Staatsgodsienst is, mag men de andere godsdiensten niet verbieden, aldus M. in een aantekening bij Idee 894. Zijn reden hiervoor luidt: 'ik zie niet in waarom de protestandse God meer recht op bescherming hebben zou dan de katholieke God' (VW IV, p. 710).

*geloof *liefdadigheid

Goethe, Johann Wolfgang von, 1749-1832, geb. te Frankfurt am Main, dichter, toneel- en romanschrijver en natuurkundige. Daarnaast was hij minister van Karel August, de hertog van Saksen-Weimar, waar Goethe sinds 1775 woonde. Zijn bekendste drama's zijn Götz von Berlichingen (1773), Egmont (1788), Iphigenie auf Tauris (1787), Torquato Tasso (1789) en Faust (1806-1821). Onder zijn proza vinden we Die Leiden des jungen Werthers (1774), Wilhelm Meisters Lehrjahre (1795-1796), Die Wahlverwandtschaften (1809), Wilhelm Meisters Wanderjahre (1821-1829) en zijn autobiografie Aus meinem Leben, Dichtung und Wahrheit (1811-1814).

De zeer geprezen Goethe wordt door M. herhaaldelijk genoemd en aangevallen in zijn geschriften. M. was niet ingenomen met Goethe: hij ergerde zich vaak aan diens karakterschilderingen en verbaasde zich over de populariteit van diens werken ( één van de opstellen in het *pak van Sjaalman luidt: ' Over de verering van Schiller en Goethe in den Duitsen middelstand.' (VW I, p. 41; zie ook Pruisen en Nederland, VW IV, p. 74).

'Wie of wat dien man aan z'n reusachtige renommeé heeft geholpen, is 'n interessant raadsel. lk zoek den naam van den ziekte die dàt moet veroorzaakt hebben! 't Is waarlyk om misselyk te worden van "opgang-maken". Ik gis dan ook dat hyzelf wel eens gelachen zal hebben over de waarde die 't dom publiek aan z'n schryvery hechtte.', aldus M. in een brief aan J.B.H. Bremer en C. Bremer-Snelleman d.d. 27 februari 1882 (VW XXI, p. 731).

En in een noot bij Idee 621 schrijft hij: 'Ik houd niet van hem, en stel hem veel lager dan z'n loofzieke landgenoten... voorgeven te doen. Ik erken evenwel dat wy niemand kunnen aanwyzen die hem in kunstvaardigheid evenaart. 't Was me onmogelyk de "Wanderjahre" uit te lezen. De Mignon uit "Lehrjahre" is 'n slecht getekende figuur. Philine is goed uitgevoerd, maar dat is alles gezegd. Wilhelm Meister zelf - portret van den auteur dan, of fiktie - houd ik voor 'n misbaksel.' (VW IV, p. 372)

In Over Specialiteiten lezen we over Goethe: 'Van my, die 't slechts versmaden zou my op Goethe te beroepen ter illustrering van de waarheid dat twee meer is dan één, al zy 't dan dat die bekwame faiseur in z'n meer geprezen dan gelezen werken ontelbare zinsneden levert, waarin waarheden van dergelyk gehalte triumfantelyk worden verkondigd.' (VW V, p. 489)

Dat Goethe meer geprezen dan gelezen werd, vinden we ook in Idee 722: 'Menig Duitser die zich zou doodbluffen aan de onovertrefbaarheid van dezen over alle kavallerie gelichten auteur, zou verflauwen in z'n geestdrift, indien men hem de taak oplegde eens alles te lezen wat de grote man al zo gezegd heeft. Men late zich ter beoordeling van de populariteit zyner werken, niet bedriegen door de tot verveling toe, daaruit geputte citaten.' (VW V, p. 452)

In dit Idee schrijft M. verder dat Goethe ver beneden *Schiller staat: 'De hoofdfout in Herr Hofrat Von Goethe, als mens en schryver, was, dat hy niet geleden had.' (VW IV, p. 453).

Toch was M. weleens jaloers op de populariteit en bekendheid van grote auteurs als Goethe en Schiller. In zijn bijlage bij de eerste bundel Ideën noemt hij verschillende landen die beroemde auteurs 'maakten', waarna hij over zijn eigen positie opmerkt: 'ik ben door niemand gemaakt, en zit nog altyd te wachten op 't eerste blyk dat Nederland (...) kennis draag van m'n bestaan'. Het doodzwijgen door Nederland werkt niet voordelig, 'noch op 't gehalte van 'm'n arbeid, noch op de gemakkelykheid waarmee ik dien verricht'. Dit 'zou begrepen worden in alle landen die ik zo-even opnoemde' (VW II, p. 664).

Goethe's Dichtung und Wahrheit bespreekt M. in een brief aan C. Vosmaer d.d. 14 maart 1882. Hij noemt het werk 'zoo min', en zou er een handleiding ter correctie bij kunnen leveren. Zijn eerste punt van kritiek betreft de inhoud: 'dat de man byna doorgaande niet weet wat-i zegt, dat z'n redeneringen meestal rymen als tang op Grietje [zo noemt M. Gretchen uit Faust], dat z'n "ophelderingen" en "toelichtingen" zelden iets anders zyn dan verdikking van de duisternis'. Vervolgens noemt hij de karakterschildering van de ik-figuur, waarover hij schrijft: 'Ik weet niet wat me meer ergert, het beeld dat-i van zich zelf geeft of de domheid die hem niet deed begrypen dat men dat beeld infaam vind en zou.' Het boek werd echter een succes: 'Hy [Goethe) schynt geweten te hebben (...) dat Mr. Publiek alles slikken d.i. niet lezen kan! Hoera voor die intelligentie van den dichtervorst Göthe.'

Als laatste noemt M. de compositie van het werk 'zéér gebrekkig, tot en met de phrase toe, waarna hij cynisch opmerkt dat de compositie ''t minst dan toch [is] dat 'n letterkunstenmaker die in den smaak weet te vallen, gewoonlyk levert'. Zelfs als 'faiseur' muntte Goethe niet uit (VW XXI, p. 792-793).

Twee weken eerder weerlegde M. in een brief aan J.B.H. Bremer en C. Bremer-Snelleman Goethe's bewering in Dichtung und Wahrheit dat zedelijkheid de grondslag is van de moraal (brief d.d. 27 februari 1882, VW XXI, p. 732-733).

Over Die Leiden des jungen Werthers, waarin de hoofdfiguur zelfmoord pleegt na een ongelukkige liefde, is na. evenmin positief. Het werk werd veel nagevolgd (*laven aan bronnen), in Nederland onder meer door Rhijnvis Feith. DD. spreekt van diens 'nagemaakte – Wertherse – sentimentaliteit' (Idee 1048, VW VI, p. 411). Dat dit 'onnozel liefdeheldje' de schuld zou zijn van zoveel zelfmoorden, is te veel eer, aldus M. in Idee 1096, 'geloof me, lezer, dat sterven aan ongelukkige liefden is 'n boosaardig uitstrooisel van "bekroonde" echtparen die zich vervelen, en die niet verdragen kunnen dat anderen 't romantisch geluk hebben zo belangwekkend ongelukkig te zyn.' (VW VII, p. 55).

In een brief aan P.A. Tiele d.d. 22 oktober 1875 schrijft M. dat in zijn *De Bruid daarboven duidelijk de invloed van Die Leiden des jungen Werthers te vinden is. Het stuk 'bevat blyken dat ik in '42 onder den indruk verkeerde van de litteratuur die grootendeels uit de Werther-periode voortkwam, of althans daarop volgde.' (VW XVIII, p. 54; *poëzie).

Hij schrijft in deze brief verder niet van deze roman te houden. Niet zozeer vanwege de moralistische vraag of zelfmoord geoorloofd is, maar vooral vanwege de leugenachtigheid van het personage Lotte: 'De jongeluî die in 1800-1820 met den Werther dweepten, deden dit niet per se omdat ze zoo'n plezier hadden in zelfmoord. De charme van den Werther lag in 't wellustig lyden dat tot dien zelfmoord leidt. Dat "lyden" is dan ook 't uithangbord op den titel, en moest uit dramatisch-letterkundig oogpunt gerechtvaardigd worden (kunstterm: geameneerd) door Lotte's volkomenheid. Zy is de madonna in 't kerkje. Hoe teekent nu Göthe dat ideaaltje? Ronduit gezegd, ze is 'n gemeene meid. Ik weet wel dat men dit niet in haar gezien heeft, en waarschynlyk wist Göthe zelf 't niet, maar hy verklapt zich door 't byvoegen in een der volgende drukken van de kanarievogel-scène. Daar speelt de deugdzame Lotte ("deugdzaam" omdat ze niet met W. naar bed ging. On ne sort pas de là!) Ja, daar stelt ze zich aan als 'n... tafelhoer. (...) Ze wekt hem hoerig op en stoot hem deugdzaam af.' (VW XVIII, p. 55: *Waarheid in legende) (zie voor M.s' beoordeling van Goethe's Faust bij *Faust)

Toch citeert M. zelf ook enkele malen uit Goethe's werk. In de Millioenen-studiën zegt Meester Adolf bijv. tegen M.: '-Kom-aan, wees niet kinderachtig. Nur Lumpe sind bescheiden, heeft m'n vriend Goethe gezegd - en dat is byna waar - spreek op!' (VW V, p. 44)
Op dit citaat komt hij verderop terug (VW V, p. 164), en in hetzelfde boek schrijft M.: 'Goethe zegt ergens: een vertaling is 'n tapyt van den verkeerden kant gezien' (VW V, p. 100; zie ook Causerieën, VW IV, p. 264; *Greift nur hinein ins volle Menschenleben)

Wanneer het schrijven van Vorstenschool niet vlot, schrijft M. aan C. Busken Huet: 'Zie, ik zou een manier weten om aan Holland een toneel te geven! Dan verzocht ik U om eens, zonder genade, Shakespere, Göthe, en Schiller te behandelen. Dat werk van U zou ik bestuderen, en daarna neem ik aan wat goeds te leveren. En is 't niet ellendig, dat ik, die nu over die drie heeren niet zoo gunstig denk, om wát te kunnen leveren, me inspireer met hun niet geacht voorbeeld? (...) Ik zou er niet groots op wezen, als men zei: precies Göthe", waarachtig niet.' (20 sepember 1867, VW XII, p. 431)

In de NRC van 12 oktober verscheen een recensie van Vorstenschool, getiteld 'Het Hollandsch toneel' (waarschijnlijk geschreven door Haverkorn van Rijsewijk; opgenomen in VW XV, p. 402 e.v.), waarin enkele personages uit dit toneelstuk worden vergeleken met personages uit werken van Schiller en Goethe. Dit ontlokt M. in Idee 994 de opmerking dat hij niet begrijpt waar de 'zeer vereerde schryver van stukken over 't Hollands Toneel' het recht vandaan haalt zijn werk te behandelen alsof hij te doen had met de 'kopie van 'n krantenredakteur'. Zijn werk wordt immers getoetst aan de '"heroën der litteratuur" - dezen rang immers hebben Goethe en Schiller by 't Publiek dat ge voorlicht' (VW VI, p. 241).

Goudmaker, parabel van de -, één van de geschiedenissen die M. van zijn baker had gehoord en aan Tine vertelt in Idee 527 (VW III, p. 348-350). Het is de geschiedenis van een alchimist die het goudmaken 'versmaadde' en een 'zoölogie-winkel' begon, waarin hij de grote geschiedenishelden *Curtius, *D'Assas, *Luther, *Cambronne en *Van Speyk te koop aanbood. Meneer Publiek was niet geïnteresseerd, waarop een 'koopman in vlasvinken' de helden opkocht en hun ogen uitstak. Toen Meneer Publiek de helden hun laatste woorden hoorden spreken ('Auvergne, à moi' enz.) kocht hij ze alle vijf'... maar zonder kooien': 'De tyden zyn slecht.'

In het volgende Idee bekritiseert M. zijn lezers aldus: 'Op hoeveel manieren reeds trachtte ik uw traag begrip op te wekken tot erkenning, dat de opgang van myn geschryf geen gevolg is van byzonder talent, maar van de waarheid der zaken die ik meedeelde? Hoelang zult ge blyven voortgaan u aan te stellen (...) u te houden alsof ge my aanzaagt voor een schryver, voor een boekenmaker?' (VW III p. 351)

Gouverneur-generaal, tijdens M.'s leven waren de volgende personen gouverneur-generaal in Nederlands-Indië:

Burggraaf L.P.J. du Bus de Ghisignies (1826-1830)
*Graaf Joh. van den Bosch (1830-1834)
*G.A. G. Ph. baroti van der Capellen (1816-18z6)
*J.C. Baud (1833-1836)
*D.J. de Eerens (1836-1840)
*P. Merkus (1841-1844)
*J.J. Rochussen (1845-1851)
*A.J. Duymaer van Twist (1851-1856)
*C.F. Pahud (1856-1861)
*L.A.J.W. baron Sloet van de Beele (1861-1866)
*P. Mijer (1866-1872)
*J. Loudon (1872-1875)J.W. van Lansberge (1875-1881)
*F. s'Jacob (1881-1884)
*O. van Rees (1884-1888)

Günst, F.Chr., 1823-1885, studeerde in Bern, waarna hij van 1853 tot 1867 uitgever en eigenaar van een boek-, handels- en muziekdrukkerij te Amsterdam was. Zijn fonds bestond o.a. uit Licht- en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java van F.Junghuhn, Wat is vrijmetselarij van M.S. Polak, en Geen volksbeschaving geen volksheil van E.H. Hartman. Daarnaast was hij secretaris van de onafhankelijke vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux, van 1855 tot 1867 uitgever en redacteur van het tijdschrift *De Dageraad en mede-oprichter van de vereniging *De Dageraad. Hij publiceerde in De Dageraad veelal onder het ps. Mephisto.

M. maakte in 1859 kennis met Günst toen zijn Geloofsbelydenis in De Dageraad werd gepubliceerd. M. wilde dat Günst de Max Havelaar zou uitgeven, maar dit voorkwam *J. Van Lennep: Günst was volgens de laatste geen fatsoenlijk uitgever. Toen M. echter problemen kreeg met Van Lennep, stapte hij naar Günst, die nog in 1861 de Minnebrieven op de markt bracht. Als Günst echter niet in staat is om M. voldoende honorarium te betalen, vertrekt deze naar *R.C. d'Ablaing van Giessenburg. In 1876 - Günst is dan redacteur van De Amstelbode - komt M. weer met hem in contact (VW XVIII, p. 355).

Günst is nog steeds straatarm (VW XVIII, p. 362). Hij publiceert een brief van M. over de zaak *Jut in zijn krant. Na zijn overlijden in 1885 zorgt M. voor geld voor de weduwe. Hij schrijft hiertoe aan R.J.A. Kallenberg van den Bosch, die goede relaties in vrijmetselaars kringen heeft (18 november 1885, VW XXIll, p. 496-499).

In de Minnebrieven schrijft M. over hem: 'Die Günst staat zeer ongunstig bekend - gy begrypt dat die geestige woordspeling niet van my is - ik hoorde het van een Dominee - die ongunstig bekende Günst zal helpen, als hy kan. Hij zal discompteren! En als deze niet mocht kunnen helpen, ga dan by Meyer op den Vygendam (*d'Ablaing van Giessenburg), waar Voltaire te koop ligt, en 't gebed van den Onwetende, van den krankzinnigen Multatuli, en veel ander zedeloos geschryf. By zulk volk moet ge wezen!' (VW II, p. 21)