Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

F

Fancy, (E. fantasie) de muze van de dichter, die zich in de loop van M.'s werk ontwikkelde tot de noodzakelijkheid, de drijvende kracht achter het zoeken naar de waarheid. Ze wordt aangeroepen in de *Minnebrieven: 'Profetes, vestale, wichelaarster, sybille, Eg'ria of Rafaëls zuster, waar zyt ge, waar woont gy!' (VW II, p. 23).

Fancy uit de Minnebrieven is geïnspireerd op *Sietske Abrahamsz. Fancy's moeder is, evenals Sietskes moeder, overleden en haar vader is, evenals Sietskes vader, hertrouwd. Fancy schrijft over haar ouderlijk huis: 'Myn moeder is dood, en myn vader hertrouwde omdat een vrouw zoveel gemak geeft in 't huishouden. Myn stiefmoeder is een brave vrouw, en dat spyt my zeer, want ik zou 't gemakkelyker vinden over ondeugd dan over braafheid te klagen, omdat ieder zo party trekt voor braafheid. Nu verlies ik 't altyd, als ik zeg dat ze my 't leven zo vervelend maakt. Nooit heeft iemand voor haar een weefgetouw uitgevonden. Zy breit, breit, breit... altyd breit ze, en den overigen tyd knoopt ze en haakt ze. Maar de uren die zy daarna vry heeft, besteedt ze aan anti-makassars voor de watersnood-lotery, en in verloren ogenblikken stopt ze kousen. Ik heb nog vergeten te zeggen dat zy ter afwisseling kanapékussens borduurt met kraaltjes' (VW II, p. 53-54)

En verder: 'Lieve moeder, heb ik vaak gezegd, we hebben kousen te veel, en gyzelve draagt maar één japon tegelijk. Wy gebruiken weinig pommade, en dus die anti-Makassars... Bovendien, wij zitten altyd "fatsoenlijk" recht... nooit raakte ons bezoedeld hoofd de kussens van de sofa... (...) En 't zyn brave mensen, myn ouders! Spreek geen kwaad van hen. Myn vader slaat geen preekbeurt over van Ds Meyboom, en betaalt prompt zyn rekeningen. Doe hem dat na als ge kunt. En myn moeder is inderdaad kerks en fatsoenlyk, maar...' (VW II, P. 55-56)

Over zichzelf schrijft zij: 'Ik begryp myn leven niet. In keepsakes en muzen-almanakken is een meisje iets liefs, iets belangryks, iets poëtieks. Ik bén een meisje, en voel me onlief, onbelangryk en volstrekt niet poëtisch. Waar ligt dat aan?' (VW II, p. 55)

G. Stuiveling schrijft in Een eeuw Nederlandse Letteren (Amsterdam, 1941, p. 109) over Fancy: 'In Fancy tenslotte worden drie wezens één: De Muze, het inspirerende meisje, en ditzelfde meisje in haar alledaags bestaan. Het verwisselen van deze drie verschijningen schept de vreemde humor van dit persoonlijke boek'.

Fancy, de verpersoonlijkte fantasie, treedt ook op in de *Woutergeschiedenis. Oorspronkelijk was het de bedoeling dit verhaal onder de titel 'Fancy' te laten publiceren, zoals op de omslag van de eerste druk van de Minnebrieven staat aangekondigd. In een brief aan J. van Lennep d.d. 8-9 februari 1860 (VW X, p. 220-213) schrijft M. dat hij aan een boek, 'Fancy' getiteld, werkt. Stuiveling schrijft dat dit waarschijnlijk het begin van de Woutergeschiedenis is (VW X, p. 220).

Hierin treedt Fancy (of Fanny) voor het eerst op wanneer Wouter staat te dromen bij de twee windmolens: 'Fancy... wat meen je daarmee? Heet je Fancy? En... wat is dát... heb je vleugels? Ja, "d'Morgenstond" en "den Arend" waren ineengesmolten, hadden vleugels, en heten Fancy. Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee. Toen ze 'm weer neerzette op de brug, was 't al lang donker.' (Idee 384, VW II, p. 557).

In de 'Brief van Max Havelaar aan Multatuli' lezen we over Fancy: 'Zy was myn ideaal, myn blyde boodschap. (...) Fanny; ik noemde haar "fancy", - fancy begreep my zo goed. (...) wy dachten samen aan onsterfelykheid en wederzien (...) Voor een spekslagerswinkel hingen twee varkens. Ze hingen daar opengespalkt, bloederig en nog bloedend, nog rokend. (...) dat varken kuste het kleinere dat naast hem hing! Ik heb het gezien! Zó had ik Fanny gekust! Ernstig, weemoedig, treurig, met gebogen hoofd; zó had ik Fanny gekust! (...) En er gingen meisjes voorby, die lachten. Maar toen ik afscheid nam van "fancy", noemde ik haar Fanny, zoals ze thuis genoemd wordt door haar ouders en broeders, die haar niet kennen. Ik had "fancy" verloren voor langen tyd.' (VW I, p. 459-461; ook gepubliceerd als Idee 527, VW III, p. 337-338)

J.J. Oversteegen noemt Fancy in De Redelijke Natuur (Utrecht, 1987, p. 30), naar analogie van M., `hooge fantasie'. Via die 'hooge fantasie' en de rede tracht M. het logische en exacte met zijn werk te achterhalen.

Volgens Eep Francken wordt Fancy tenslotte in de Millioenen-studiën de synthese van verstand (*Logos) en gevoel (De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker, Amsterdam, 1990, p. 240). Fancy is de drijvende kracht achter M. Op 29-30 juli 1863 schrijft hij hierover: 'Toen ik trouwde, heb ik Everdine natuurlyk gewaarschuwd voor myn fancy. Zy begreep alles, en had er my lief om. (...) Altyd verzoende zy my met myn fantaisie, als weêr de "kapel was neêrgevallen in 't dagelykse spoor, en daar vertrapt door een ezel."' (VW XI, p. 181-182)

Fatsoen, M. steekt in zijn werk regelmatig de draak met fatsoen, dat vaak als een laag vernis al wat niet pluis is, bedekt. In de Japanse Gesprekken geeft hij zijn definitie van fatsoen: 'Dat is iets als de lynen die den inhoud betekenen, en daarvoor worden in de plaats gegeven, omdat 't lyn goedkoper is dan inhoud. Fatsoen is 't stro dat men in papier wikkelt, en waarop men schryft "hele mans met klink" om 'n kousenwinkel te kunnen opzetten met klein kapitaal. Fatsoen is 'n speelfiche dat waarde voorstelt, maar nooit wordt ingewisseld. Fatsoen is gecristofleerde deugd...' (VW III, p. 14)

Daarnaast werkt fatsoenlijkheid remmend op de persoonlijke ontwikkeling, aldus M., die in Idee 587 fatsoenlijkheid de 'hoofdvyand van de vrye studie' noemt: ' "Dat zegt men niet... dat doet men niet!" is de ultima ratio van deze heren, die in 't qu'en dira-t-on van de buren, een vertrouwbaar kriterium van hun begrippen menen te vinden' (VW IV, p. 339).

De fatsoenlijkheid van het geloof in Christus wordt hier ook aan de kaak gesteld. M. vraagt zich af: 'of zy die my veroordelen omdat ik zyn voorschriften niet voor verbindend, en hemzelf voor een feilbaar mens houd... ik vraag u, of zy denzelfden Jezus dien zy zeggen te aanbidden in den hemel, zouden recipiëren in hun salons op aarde, indien hy daar toegang vraagde in de kleding die men zo pittoresk vindt op een schildery, d.i. zonder das, zonder kousen en zonder broek?' (VW IV, p. 339)

*deugd *Hallemannetjes *Droogstoppel *Octavia

Félix Batel ou la Hollande à Java, boek van de auteur Jules-Félix Babut du Marès (1827-1895, geb. te Maastricht, accountant in Brussel), dat in 1869 in twee delen gepubliceerd werd bij de Gebr. Belinfante in Den Haag. Dit romantische verhaal speelt op Java en eindige in de Bandjermassingse oorlog. Het personage Félix Batel treedt in het boek op tegen het Hollandse gezag. Het boek is een pleidooi voor *Vrije Arbeid en Particuliere Landerijen.

In noot 53 (1881) bij de Max Havelaar schrijft M. zich aan dit boek te ergeren. In de eerste plaats omdat de auteur geen kennis van zaken heeft. In het boek is bijv. sprake van een demang als districtshoofd, terwijl op Oostelijk Java - waar het boek zich afspeelt het districtshoofd wedono genoemd wordt. In de tweede plaats omdat de auteur (hij weet niet wie dit is, blijkens een brief aan S.E.W. Roorda van Eysinga d.d. 3 januari 1871, VW XIV, p. 331) hele stukken uit de Max Havelaar - soms bijna letterlijk - navertelt, en dus plagieert: 'In dat werk gaat de zon op, juist zoals dat werd waargenomen door Saïdjah. Ook de buffel-episode wordt letterlijk overgenomen, en de auteur heeft de goedheid te erkennen dat dit voorval ook door zekeren Multatuli beschreven werd' (VW I, p. 331-332).

Babut du Marès noemt de Max Havelaar op p. 114 van het tweede deel, waarin staat: 'Max Havelaar, ouvrage hollandais, contient une histoire semblable à celle qui précède [Fr. Max Havelaar, een Nederlands boek, bevat een geschiedenis die lijkt op de geschiedenis die volgt]'. 'Brutaler kan het niet', schrijft M. hierover in een noot (1870) bij Nog eens: vrye arbeid.

Hij vervolgt: 'Zover my bekend is, wordt in geen der vele recensiënvan dat werk, die diefstal gebrandmerkt. De Nederlandse letterkundigen vinden het geheel en règle dat ik bestolen word. Het boek is overigens een bespottelyk staal van verwaande onkunde. Zekere inderdaad voorgekomen gebeurtenis - nogal onjuist voorgesteld - levert het canevas, waarop naar franse roman-manier een vertelling wordt geborduurd.' (VW V, p. 470)

In 1869 verschijnt in de Revue de Belgique (dl. II, p.249-z57; VW XIII, p. 554-566) een anonieme recensie, waarin beide romans worden besproken. De auteur ervan, d.i. waarschijnlijk *Charles Potvin, vergelijkt de romans, maar spreekt nergens over plagiaat. (Lit. R. Mortier, 'Un Max Havelaar belge: Felix Batel ou la Hollande à Java de Jules Babut (1869), in: Bulletin de L'Académie Royale de Langue et de Littérature Française, tome I.V., 1977, nr. 2, p. 222-306)

Femke, personage uit de *Woutergeschiedenis. Ze is 'veertien, zestien jaren', dochter van een wasvrouw buiten de Aspoort van Amsterdam. Wouter maakt kennis met haar in Idee 512, even denkt hij dat ze *Fancy is (VW III, p. 248).

Fortuin maken, Op 29 oktober 1845 schrijft DD. aan Tine: 'Geene betrekking zou mij beter passen dan die van schrijver dat heet, als ik mij eerst een jaar of tien oefende en mij er geheel op toelegde. Als ik fortuin had, genoeg om middelmatig te leven, geloof ik waarlijk, dat ik alle andere bezigheden, die mij toch nimmer aanstaan, aan een zij zette.' (VW VIII, p. 519)

In de volgende jaren deed M. vele pogingen dat fortuin bijeen te garen (*Tandem). Tine's aanspraken op een deel van de Fischer-miljoenen (*erfeniskwestie) bleken ijdele hoop. Vele pogingen aan de *speelbank rijk te worden faalden eveneens. Eenmaal schrijver had M. om andere redenen geld nodig. In 1865 trachte hij door de verkoop van portretten (*portretten, verkoop van) geld bijeen te krijgen om een dagblad op te richten, wat niet lukte. In de Millioenen-studiën vraagt hij Meester Adolf om raad: 'Ik wil geld Meester, en veel, veel, veel. Ik wil meer goud dan gy yzer kunt maken in honderd weken, al werkten al uw gnomen en kobolden mee. Ik moet me een plaats kopen in de volksvertegenwoordiging...

- Worden die dan gekocht?

- Indirect ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen zonder betaling. (...) Ik moet dan, dóór of mét geld, me een plaats veroveren vanwaar ik waarheid kan doen horen aan ministers... een ministerplaats ook, om waarheid te kunnen zeggen aan koningen.Geld heb ik nodig om zelf koning te zyn, opdat ik het recht en de macht bezitte, goed te doen aan het volk... liefst zónder ministers. Geld heb ik nodig voor legers, om mensenslachtende vorstjes te ontronen in Afrika... en andere werelddelen. Geld om bevoegdheid te kopen tot het nazien der boeken van weeshuizen en armeninrichtingen. Geld voor volksbibliotheken (...) tot het bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor algemene hygiëne, geld voor het wegruimen van rivierdyken, die vervloekte oorzaak van watersnood en verzande havens. Geld voor het uitwissen van grenzen, geld voor vruchtbomen langs de wegen, geld voor den beul...
- Hè?
- Ja, pensioen. Geld ter ondersteuning zonder smaad invalide burgers, geld tot betaling van - desnoods onvrywilligen - arbeid derzulken die arm zyn door traagheid. Geld voor ware, d.i. veredelende kunst. Geld voor beschaving. Geld voor genot. Geld voor geluk. Geld voor deugd!' (VW V, p. 43-44)

M. hoopte dit geld door het plan voor *advertenties op spoorkaartjes bijeen te krijgen (in de Millioenen-studiën, VW V, p. 302-304). In Idee 1078, de parabel van Lacrymax, verdedigt hij zich tegen het publiek: 'dat my als fout aanrekent - domheid of onbeschaamdheid? - dat ik verzuimd heb fortuin te maken voor ik te velde trok tegen schelmery. (...) Met al de virtuositeit in 't gemene, die m'nheer Publiek kenmerkt, zou 't hem moeilyk vallen treffender blyk van laaghartigheid te geven, dan door deze aanmerking op Havelaars domheid.' (VW VI, p. 735-738)

Fransen van de Putte, Isaac Dignus, 1822-1902, Nederlands liberaal staatsman, van 1838 tot 1849 stuurman ter koopvaardij, van 1849 tot 1859 administrateur van een suikerfabriek op Java. In 1862 werd hij lid van de Tweede Kamer en hielp in deze functie mee het kabinet Rochussen omver te werpen. Van1874 tot zijn dood was hij lid van de Eerste Kamer. In de kabinetten Thorbecke (1863-1866), Fransen van de Putte (februari-mei 1866) en De Vries (1872-1874) was Fransen van de Putte minister van Koloniën, in het laatste kabinet bekleedde hij tevens de post van minister van Marine. Zijn ontwerp-Cultuurwet, waarin de Javaan *Vrije Arbeid zou krijgen, tastte het *Cultuurstelsel aan. Dit voorstel werd in 1866 verworpen. Hij begon de *Atjeh-oorlog, die hij volgens M. nodig had om de aandacht af te leiden van zijn onbekwaamheid. In 1864 schreef hij in zijn functie als minister aan gouverneur-generaal Sloet van de Beele, dat men in

1856 tot zijn bevreemding was overgegaan tot een gunstige beschikking voor de regent van Lebak, n.a.v. de beschuldigingen van M. Men schijnt onderscheid gemaakt te hebben tussen knevelarijen en zogenaamde knevelarijen, vervolgt de minister, die erop vertrouwt dat de gouverneur-generaal bij onverhoopte herhaling van een dergelijk geval, zich door andere beschouwingen zal laten leiden (VW XI, p. 401-403).

Volgens M. beloofde Fransen van de Putte in de Kamer 'dat geschiedenissen als die van Saïdjah niet meer zouden plaats hebben.'. Hij vervolgt: 'Maar nooit bleek er dat er iets gedaan werd om dit doel te bereiken. Integendeel, hy, waarlyk niet minder dan z'n vele voorgangers en opvolgers, stond altyd alle verbetering in den weg door de Natie bezig te houden met byzaken.' (aantekeningen uit 1875 en 1881 bij de Max Havelaar, VW I, p. 364 en 374) In Idee 945 schrijft hij: 'Zo-even vernam ik - Juli '72 - dat men goedgevonden heeft ten tweeden male een man tot minister van Koloniën te benoemen, die nooit andere blyken van bekwaamheid of competentie gaf, dat dat-i nog sneller dan anderen enige millioenen uit den Javaan wist te persen. Ziehier weder 'n opmerking die de "liberale" N. Rotterdarnse Courant liefst overgeslagen zag. Ik beveel haar dus zeer aan in de attentie van ieder die - liberaal of behoudend dan - op waarheid gesteld is.

De herhaalde benoeming van dien Van de Putte tot minister, is schandelyk, en behoorde een schandaal te zyn. Nooit openbaarde zich de Nederlandse geldaanbidding op brutaler wys. Ben ik dan de enige die zich ergert aan dat wegsmyten van waardigheid?' (VW VI, p. 141)

Op 15 december 1871 noemt M. hem in een brief aan W. Wintgens 'eene zeer speciale specialiteit van volstrekte onbevoegdheid'. Hij zou zeker gepast hebben in een van de hoofdstukken van Over Specialiteiten: 'Zyne specialiteit is die van den matroos, die in noodgeval den scheepsraad geroepen om te delibereeren over den te volgen koers, z'n superieuren tracht mat te zetten met 'n praatje over pik, teer, knoopen leggen en verdere matrozenwysheid.' (VW XIV, p. 645)

De Nota over de betrekkingen van Nederland tot het rijk van Atsjin sinds 1824 (anoniem, 's-Gravenhage, 1873) van Fransen van de Putte, noemt hij in Idee 1066 een vod (VW VI, p. 696). 'Het kost me moeite de praatjes van Fr. v.d. Putte onbeantwoord te laten' schrijft hij op 1 mei 1873 aan G.L. Funke. De 'Atjin-zaak' maakt hem zenuwachtig; hij kan deze zaak niet 'uit z'n zinnen zetten' (VW XV, p. 734). In Idee 452 schrijft hij: 'Te allen tyde was rykdom een middel tot bedervenden invloed. Maar ik geloof dat zelden die invloed zich zo onbeschaamd deed gelden als tegenwoordig. Welke aanspraken had de heer Fransen van de Putte om gekozen te worden tot volksvertegenwoordiger, tot minister? Wat had hy verricht? Waaruit was gebleken dat hy bekwaamheden bezat, groot genoeg om die verheffing te billyken? Als de heer Fransen van de Putte bekwaam was voor z'n betrekking - een onmogelykheid, die wel door hemzelf zal erkend worden - zou 't een bloot toeval wezen. Noch zyn opleiding, noch z'n levensloop leidden daartoe (...) Het Nederlandse Volk wist van den heer Van de Putte dit alleen, dat hy in Indië was ryk geworden nog spoediger dan vele anderen, en ik zou juist hierin een reden vinden om by voorkeur hém uit te sluiten van allen invloed. (...) Ik geloof dat de heer Van de Putte bekwamer is dan over 't algemeen kan verwacht worden van lieden die zo byzonder bedreven zyn in geldverdienen. Of liever, ik houd hem voor vlug en handig genoeg om onze Tweede Kamer bezig te houden met *"duitenplatery". (...) Doch al ware de heer Van de Putte inderdaad bekwaam, al had hy kennis van indische zaken, dan immers nog is 't een ongerymdheid, in tyden van kwestie over Vry-Arbeid en kultuurcontracten, iemand aan 't hoofd van Koloniën te plaatsen, die juist met en door die dingen fortuin heeft gemaakt, en hoogstwaarschynlyk nog altyd belang heeft by de wyze van exploitatie der Javanen (...) Daar nu de heer Van de Putte een joviaal mens is, aangenaam in den omgang - och, dat is zo makkelyk als men niet wordt neergedrukt door zorg. (...) - daar hy zich "goed voordoet" en de gaaf heeft om onkunde te verbergen onder woorden (...) - zie, dáárom moest de heer Van de Putte minister zyn. Hy is dit, niet in 't belang der zaken alzo, maar opdat Thorbecke minister blyven zou.' (VW III, p. 138-140)

Frazen, (frasen) 'Door frazen is het volk bedorven. 't Zal door frazen niet genezen worden.', aldus schrijft M. in zijn 'Brief aan de voorzitter van het Demokratische Congres' d.d. 29 mei 1873 (VW XV, p. 773; *congres 3). Het woord frazen wordt door M. in de betekenis van 'holle woorden', 'praatjes', veelvuldig gebruikt om zijn ergernis te uiten over de wijze waarop er gecommuniceerd wordt, d.i. tegen de rede (M.'s 'godin') en de waarheid in. In het tweede hoofstuk van Over Specialiteiten schrijft hij bijv.: 'fraze, spreekwoord, zegswys, manier van spreken, dicton, citaat, zaag en deun... altemaal adjudanten van den leugenduivel, misbruik van het Woord - van den Logos -, zonden tegen den H. Geest der Waarheid, Godslastering.'

Al in den beginne werden frazen gebruikt om de waarheid te verhullen. Het 'eerste woord waarmee de eerste misdadiger den eersten doodslag trachtte te vergoelyken' was Kaïns praatje: 'Ben ik myns broeders hoeder?'. Hij vervolgt: 'Kaïn gebruikte die zegswyze - hy zal er wel bygevoegd hebben: gelyk de grote dichter zich uitdrukt, of: om een oud-echt-vaderlands spreekwoord te bezigen... dat kleedt 'n fraze! - hy sprak zo, uit verlegenheid. Juist. Wie broeders doodslaat, en met Waarheid overhoop ligt, voelt zich verlegen. En een fraze is daarvan de korollaire uiting. Waar we dus frazen ontmoeten, ligt ergens een vermoorde broeder in 't kreupelhout.' (VW V, p. 492-493)

In het eerste hoofdstuk van Over Specialiteiten werd het gebruik van frazen om 'onder vals voorgeven van overbodigheid, de aandacht van een onjuiste redenering af te leiden' al aan de kaak gesteld (VW V, p.488 e.v.). In Pruisen en Nederland ageert M. tegen het gebruik van frazen door *J. Bosscha, en vraagt zich af of de lezers in staat zijn om 'iets te verstaan uit niets', hoewel: 'Het grootste gedeelte des publieks is zo lang onthaald op frasen, dat het waadyk ten laatste karton heeft leren eten, of althans gebiologeerd wordt tot de mening inderdaad iets gegeten te hebben.' (VW IV, p. 20)

*huurfraze *modewoorden *émollients *redeneringen *Rossinant

Funke, G.L., Amsterdam 1836-1885, bracht zijn leertijd door bij de boekhandelaar-uitgevers J.H. Gebhard, W.P. van Stockum en A.C. Kruseman. In 1863 vestigde hij zich als boekhandelaar-uitgever aan de Blauwburgwal te Amsterdam. Van 1867 tot 1871 was hij redacteur van het Nieuwsblad voor den Boekhandel en in 1870 richtte hij samen met *P. van Santen Het Nieuws van den Dag op, dat in 1885 de meest gelezen krant van Nederland was. In 1870 verhuisde hij naar de Herengracht, waar hij zijn boekhandel verrijkte met een antiquarische afdeling. Drie jaar later verkocht hij zijn boekhandel. Zijn fonds bestond o.a. uit werken van J.J. Cremer, Johan Gram, Jan-Pieter Heije en C. Busken Huet. In 1880 verkocht hij zijn fonds en werd hij commissaris van de in hetzelfde jaar opgerichte uitgeversmaatschappij *Elsevier. In 1871 kocht Funke het Multatuli-fonds van d'Ablaing van Giessenburg en nam nog in hetzelfde jaar het kopijrecht van de derde bundel Ideën over van C. van Helden. Hij gaf direct de eerste twee bundels Ideën in een goedkope herdruk uit om het aanschafkapitaal aan te zuiveren (*d'Ablaing van Giessenburg). Hij bracht M. hier niet van op de hoogte. Toen deze hiertegen ageerde, nam Funke contact met hem op. Nog in hetzelfde jaar werd er een intensieve correspondentie opgezet, die tot Funkes dood zou gaan duren. Funke betaalde M. ƒ 40,- en later ƒ 50,-) per vel kopij en ƒ 5,- per vel correcties. Vanaf 1874 gaf Funke hem verder jaarlijks een bedrag van ƒ 500,- als aandeel in de winst. Voor de afzonderlijke uitgave van Vorstenschool kreeg M. ƒ 500,- uitbetaald tot het overlijden van M.'s tweede vrouw, Mimi. Funke werd M.'s belangrijkste uitgever. In zijn brieven gaf hij commentaar op M.'s werk - hij smeekte bijv. om het vervolg van de Woutergeschiedenis en informeerde M. over recensies van diens werk in de Nederlandse dag- en weekbladen. Zij raakten bevriend met elkaar en M. ging zich dientengevolge moreel verplicht voelen regelmatig vellen kopij te leveren (cf. brief van M. aan C. Vosmaer d.d. 15 juli 1874, VW XVI, p. 611-615).

Hij voltooide bij Funke de derde bundel Ideën (1871). Tot 1873 kwamen daar de bundels III-VI bij, bundel VII kwam pas na Tines dood en na de scherpe kritiek van *J. van Vloten gereed.

In 1874 kocht Funke de rechten van de Max Havelaar voor ƒ 2100. M. corrigeerde en herzag zijn eerste boek voor de vierde druk, die in 1875 verscheen. Verder verschenen bij Funke herdrukken van Over vryen arbeid, Verspreide stukken, Pruisen en Nederland en De bruid daarboven. In 1876 gaf hij de Bloemlezing door Heloïze uit, die M. samen met Mimi samenstelde. M. schrijft op 18 november 1876 aan P.A. Tiele over zijn uitgever: 'Ik kan U niet zeggen hoeveel verplichting ik aan hem heb. Dat bepaalt zich volstrekt niet tot geld zaken alleen - schoon hy ook d rin altyd allergrootmoedigst was - neen, op heel andere wyzen nog heeft hy my altyd edel behandeld. Ik heb veel fouten, en de manier waaop hy die altyd vergoelykte en vergaf, maakt hem in myn oog tot een der achtenswaardigste menschen. Dikwyls heb ik hem bewonderd. Z'n goedheid jegens my was des te sterker omdat hy van temperament volstrekt niet schaapachtig is, en dus niet te maken heeft met lamzalige goedigheid. (...) indien allen die met Havelaar in aanraking kwamen hem behandeld hadden als Funke, waarlyk, beste jongen, dan had ik niet zoo rondgezworven, te-vergeefs zoekende naar recht.-' (VW XXI, p. 621-622)

In 1885 was M. aanwezig bij Funkes begrafenis. Brieven van Funke en M. werden uitgegeven door J. Pée in Multatuli en de zijnen (1937). In 1947 publiceerde Funkes zoon, G.L. Funke, de Briefwisseling tusschen Multatuli en G.L. Funke. 1871-1885.