Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

C

Causerieën, M. schreef zijn Causerieën in april-december 1869, toen hij in Den Haag woonde. Als feuilleton werden ze gepubliceerd in *De Locomotief (mei 1869-februari 1870; VW IV, p. 101-306). Stuiveling beschrijft ze als luchtig en ontspannen, en noemt met name de afleveringen V-VIII briljant (VW XIII, p. 293 en 295). De dan actuele zaak van *De Vletter wordt er uitgebreid in behandeld. Ook de onlangs gepleegde moord door *Tropmann krijgt aandacht. Wat betreft stijl en inhoud zijn ze verwant aan het begin van de *Millioenen-studiën, dat kort daarna als feuilleton in dagblad Het Noorden verscheen.

Christendom, Regelmatig neemt M. stelling tegen het christendom en de *christenen (o.a. Idee 138-186, VW II, p. 366-405). In Idee 401 schrijft hij: 'Wie in en met zonneschijn leeft, maakt zich 'n god van licht en kleuren, en waar men genoodzaakt is den elboog aan 't lyf te houden, om vrede te hebben met 'n kontubernaal, heeft men 'n godje nodig dat niet veel plaats inneemt. Dien god zal men dus kleinzerig, kribbig, lastig, kwalyknemend, vervelend en kwaadaardig maken, als men steeds gedwongen was z'n eigen leven te persen in kleine vormen, en als er dan nog bovendien vuiligheid bykomt, is er in 't geheel geen huishouden met zo'n god. De zogenaamde christelyke godsdienst heeft het meest opgang gemaakt, of zich 't best staande gehouden, in streken waar de mensen 't dichtst op elkaar gedrongen zyn, en waar alzo in benauwde kamertjes de beste gelegenheid bestond tot het uitbroeien der spokerige vertellingen van zondenval, zoendood, genade of ongenade en eeuwige verdoemenis.' (VW II, p. 607).

*geloof *godsdienst *moderne theologie *bijbel *joden *Constantijn I de Grote *Noach

Christenen, In Idee 279 betoogt M. dat christenen hun geloof zo te pas brengen dat het hun zaken niet schaadt: 'Maar gy die gelooft... ja, maar niet meer dan juist nodig is in 't belang uwer "zaken"... gy die zondags een hemelvaart belofzingt, maar 'n knecht zoudt wegjagen, die in de week u kwam vertellen dat uw grootboek was opgevlogen... gy die uw krankzinnigheid weet af te knippen op de maat die ge groot genoeg vindt voor den Hemel, en niet te groot toch voor de aarde... gy die zo verstandig zyt als de verstandigste, waar 't uw dadelyk belang geldt, maar meent den Here te dienen door dat verstand te leggen aan 'n halsbandje van spinneweb of yzer, naar 't u voegt, zodra er spraak is van - verondersteld - edeler belang... gy die preekt, bidt en oefent, maar onder 't bidden en oefenen, gedurig een oog in 't zeil houdt van 't aardse scheepje... gy die 't beste deel van uw ziel bewaart voor beurs, school, societeit of kabinet, en zondags lappendag houdt om uw "Heer" te onthalen op wat afval... gy...' (VW II, p. 394-395)

Christenen hebben te allen tijde de vrouw onderdrukt (Idee 181-183, 188). Zo lezen we in Idee 181: 'Om u staande te houden op een door 't recht van den sterkste veroverd standpunt, maakt ge dagelyks uw vrouwen tot huishoudwerktuigen of erger, en uw dochters tot Kaspar Hausers, tot Javanen. Ik erken dat gy uw vrouwen nog slechter behandelt dan uw bybel voorschryft, en dat niet alles wat er valt aan te merken op den vernederden toestand der vrouw, te wyten is aan Mozaïsche of Apostolische voorschriften. Nergens lees ik: "laat uw vrouw dom blyven", of: "zorg dat uw dochters geen begeerte scheppen uit wetenschap." Maar er staat toch: "gy vrouwen, weest uw mannen onderdanig". En eenmaal die onderdanigheid aannemende, volgt de rest vanzelf.' (VW II, p. 396)

In Idee 188 schrijft hij hierover: 'De vrouw wordt weggegeven, verkocht, verruild, uitgeleend als 'n rund. Ja, ze staat beneden 't rundvee. (...) En, dit hebben we gezien, Jezus stelt haar nóg lager, hy ignoreert de vrouw. Hy weet het huwelyk te bespreken, zonder haar te noemen zelfs. 't Huwelyk... iets waarby toch 'n vrouw te pas komen zou, dunkt me, al sloot men ze overal uit!' (VW II, p. 406-407)

In tegenstelling tot de joden, volgen de christenen de voorschriften van hun wet niet op, schrijft hij in Idee 187: 'Ik geloof niet aan uw Christendom, ik ontken 't bestaan van uw Christendom, zolang ge niet, als die jodenkindertjes, uw wet handhaaft, ook tegen zin, lust en belang...' (VW II, p. 406)

Cohen Stuart, Abraham Benjamin, 1825-1876, Oostindisch ambtenaar, kenner van het Maleis, Javaans en Kawi, verzorgde in 1860 een Nederlandse bewerking van de *Brata Yoeda. In februari 1876 kreeg hij een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Leiden. In juni 1873 mengde hij zich in de briefwisseling tussen zijn zoon, *J.W.T. Cohen Stuart, en M. Hij schrijft M. uitgebreid over zijn zoon en deelt mee dat hij niet gesteld is op de invloed die M. op zijn zoon heeft, waarbij hij tevens kritiek levert op M.'s denkbeelden en geschriften (VW XVI, p. 41-45). In december 1873 publiceerde hij het polemische artikel 'Waarheidszin' in De Vrije Gedachte (slot opgenomen in VW XVI, p. 347-350). In een noot bij Idee 655 antwoordt M. dat het hem spijt dat zijn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga in de Sneeker Courant (VW XVI, p.400-406) Cohen Stuart beantwoord heeft, omdat hij het niet nodig acht 'dat men den eersten den besten Jokrisse in 't leven spreekt, die zonder scha kon doodgebleven zyn' (VW IV, p. 686). In antwoord op deze noot schrijft Cohen Stuart de brochure Multatuli en Jocrisse (1874). In 1876 voegt M. aan bovengenoemde noot de vraag toe ofhet toeval is dat Cohen Stuart kort na het verschijnen van zijn hatelijke brochure benoemd is tot doctor honoris causa in de letteren (VW IV, p. 687).

Cohen Stuart, James William Theodoor, 1854-1908, zoon van voorgaande, begon in het najaar van 1872 te Leiden als student rechten, vertrok in 1876 naar Nederlands-Indië, waar hij werkzaam was op de Algemene Secretarie, tot hij zich in 1877 vestigde als advocaat en procureur te Semarang. In augustus 1887 werd hij benoemd tot referendaris ter Algemene Secretarie, zes jaar later tot Gouvernementssecretaris. Na een éénjarig Europees verlof werd hij in december 1899 eerste secretaris van het Gouvernement van Nederlands-Indië en in februari 1903 directeur van Justitie. Eind 1905 vertrok hij met ziekteverlof wederom naar Europa. Hij was getrouwd met M.J. Abendanon uit Delft.

Op achttienjarige leeftijd trachtte hij, gedreven door 'een gloeienden haat' tegen Holland, in Amerika een fortuin te verdienen, om daarmee, desnoods gewapend, zijn vaderland (Java) van de Hollanders te kunnen bevrijden. De samenzwering mislukte: de wegloper werd al in Londen door een oom achterhaald en terug naar huis gebracht (brief van A.B. Cohen Stuart aan M. d.d. 21 juni 1873, VW XVI, p. 41).

Aanvankelijk was Cohen Stuart een groot bewonderaar van M., met wie hij in december 1872 een correspondentie aanving. Vooral onder invloed van zijn vader, die zich in de correspondentie mengde, keerde hij zich van M. af. Hierover scheef hij het artikel 'Multatuli-vergoding' in De Banier (jrg. 1, 1875, nr. 4, p. 307-328; ook als brochure uitgegeven). M. staakte de correspondentie met hem op 8 juli 1873 (VW XVI, p. 79).

Cohen Stuart werd een fel bestrijder van de 'mania multatuliana'. In De Tolk van den Vooruitgang (eind 1875 - begin 1876) voerde hij een briefwisseling over M. met *G.W. van der Voo, die later werd gepubliceerd onder de titel 'Bestrijding van Multatuli' (VW XVIII, p. 67-70, 285 en 328-329).

M. klaagt in een brief aan J. Waltman jr. d.d. 25 december 1875 over het feit dat Cohen Stuart (''n zeer jong, mensch, en zoon van den man dien men zoo onverwachts tot letterdokter verhief') hem ervan beschuldigd had het leven van zijn pas overleden vrouw Tine 'tot 'n hel' te hebben gemaakt. 'Hy beroept zich op de stukken van V. Vloten, die ik nog altyd slechts zeer gedeeltelyk gelezen heb.' (VW XVIII, p. 139-140).

(Lit. De stukken uit familiearchief Cohen Stuart zijn afgedrukt in Olf Praamstra, 'Een vader en een zoon, brieven van en over Multatuli', in: Over Multatuli, 1994, nr. 32 p. 26 e.v., vervolg in nr. 33; over M. en Cohen Stuart Sr. en Jr.: Atte Jongstra, De Multatulianen, 1985, p. 52-55, 69-71)

Collard, Petrus Albertus Alexander, Geulle (Limburg) 1825 - Teteringen 1895, vertrok in 1849 naar Nederlands-Indië, nam in 1850 deel aan krijgsverrichtingen in Bantam, werd in hetzelfde jaar tweede luitenant bij het garnizoens-bataljon in de eerste militaire afdeling. In 1854 werd hij eerste luitenant, in 1860 kapitein. Van 1862 tot 1864 verbleef hij met ziekteverlof in Nederland, waarna hij in 1865 chef van staf en in 1870 majoor werd. Na een jaar op Celebes werkzaam te zijn geweest, keerde hij met de rang van luitenant-kolonel in 1872 definitief terug naar Nederland. In 1875 kreeg hij eervol ontslag, met toekenning van een pensioen.

Collard stond model voor het personage *Duclari in de Max Havelaar, 'kommandant van het kleine garnizoen van Rangkas-Betoeng' (VW I, p. 72) tijdens Havelaars verblijf te Lebak.

Na zijn verblijf te Lebak, ontmoette M. Collard voor het eerst weer begin maart 1863 te Den Haag (VW XI, p. 96). In het voorjaar van 1878 wenste hij hem en Van Hemert een vriendschappelyk teeken van leven te geven' (brief aan D.J. Korteweg d.d. 31 maart 1878, VW XIX, p. 405). Met Collard, die hem tijdens de pauze van een voordracht opzocht, bezocht M. later de zieke Langeveldt van Hemert (VW XIX, p. 407). In 1882 beschrijft M. in een brief aan J.A. Roessingh van Iterson deze ontmoeting met Collard en Langeveldt van Hemert. Na zoveel jaar, betoogt hij, heeft het geen zin meer hem als getuige te laten optreden: 'Maar wie kan zeggen of hy daartoe, god weet om welke redenen, genegen is? Zyn zwygen gedurende zooveel jaren bewyst al vast dat-i geen aandrang voelde spontaan op te treden. En 'n weigering van zyn kant zou heel verdrietig zyn.' (8 januari 1882, VW XXI, p. 606) Ondanks zijn persoonlijke reserves, ondertekende Collard toch de circulaire van het Huldeblijk (VW XXI, p. 682 en 804).

Congres, M. bespreekt in Idee 717 twee moderne verschijnselen met betrekking tot congressen: de 'congreswoede' en de 'redders'. Over de 'congreswoede', door een Belgisch geleerde betiteld als 'Woordenkermis', schrijft hij: 'Nooit heb ik juister uitdrukking gehoord, en 't komt me voor dat alle kongressen die ik sedert dien tyd by woon de, zich beyverden deze benaming te verdienen. (...) De toejuichingen golden enige malen de elokutie, de gebaren, de wyze van voordracht (...) maar gewoonlyk was 't applaus slechts beleefde weerklank op de uitroeptekens die de spreker zelf, met meer of min duidelyke bedoeling, voor hoesten, neussnuiten of suikerwater geplaatst had. En - erger nog - de toejuiching na 't slot, kwam me gewoonlyk voor als 'n dankbetuiging voor de notifikatie dat het "uit" was, en dat men zich eindelyk eens verzetten kon, en praten mocht. Van streven naar waarheid ontdekte ik by dat alles alweer geen spoor.' (VW IV, p. 445)

De 'redders' of misters 'X', moesten op momenten dat de waarheid naar boven dreigde te komen, het congres snel weer in vertrouwde banen leiden. Over één van deze publieksprekers 'van 't eerste water', die M. onlangs in een vergadering had horen spreken, schrijft hij: 'Hy kende zoveel frases par coeur, dat hy by elke gelegenheid terstond gereed was daarvan 'n paar dozyn te plaatsen, en hy was behendig genoeg dit te doen op 'n wyze die den niet aandachtigen hoorder - namelyk: byna iedereen - in den waan bracht dat ze voor de gelegenheid waren vervaardigd. (...) De redder bekreunde er zich niet om, wie de waarheid aan z'n zy had. Gewoonlyk zelfs wist hy niet wat er door beide partyen beweerd was. (...) Betrof het geschil den landbouw? Wat nood! Onze vlugge spreker kent drie regels uit 'n herderszang van Virgilius van buiten. Daar komt van hooi en wilgen in...'t zal wel kloppen, en staat klassiek. (...) Het kongres moet gered worden!' (VW IV, p.446-447)

Ook in de Causerieën (VW IV, p. 228-236) gaat hij uitgebreid in op het fenomeen congres, waarvan hij zich afvraagt wat het nut ervan is: 'Maar eilieve, wat baten zulke byeenkomsten? Brengen ze de wetenschap, de beschaving, de geleerdheid, de kennis der waarheid een haarbreedte vooruit? Ik geloof het niet. (...) Geen congres vond de wetten der zwaartekracht: dat deed *Newton, een individu. Geen congres ontdekte Amerika: dat deed *Columbus, een individu. Gcen congres deed wat de individuen Copernicus, Keppler [*Kepler], *Shakespeare, *Humboldt deden.'

Middelmatigheid ziet M. als de oorzaak van 'verenigingswoede die met veeziekte en parlementery tot de eigenaardige kenmerken van onzen tyd behoort' (*frazen).

M. is op verschillende congressen uitgenodigd om een lezing te houden. Hieronder volgen in chronologische volgorde van het jaar waarin M. was uitgenodigd, de congressen.

1. Congres van de Internationale vereeniging ter bevordering der sociale wetenschappen (Association internationale pour le congrès des sciences sociales) gehouden te Amsterdam in het Koninklijk Paleis in september/oktober 1864. Op 1 oktober hield M. er in het Frans een rede over de invloed van de *staathuishoudkunde op het bestuur van koloniën, waarbij hij Nederland in staat van beschuldiging stelde: 'La nation hollandaise, représentée par son gouvernement, est condamnée par défaut.' (Fr. de Nederlandse natie, vertegenwoordigd door haar regering, is bij verstek gevonnist; verslag uit de Annales de l'Association... opgenomen in VW XI, p. 386-390).

In Idee 534 geeft M. fragmenten uit de congresverslagen, gepubliceerd in de Brusselse Office de Publicité en l'Indépendance Belge; de Nederlandse bladen 'verknoeiden de verslagen op jammerlyke manier' (VW 111, p. 366). In Idee 535 (VW III, p. 368-373) laat hij daarop het officiële verslag van zijn lezing volgens de Annales de l'Association volgen.

2. Taal- ert Letterkundige congressen, bijeenkomsten van Noord- en Zuidnederlandse taal- en letterkundigen, georganiseerd ter bevordering van de studie der Nederlandse taal en de bloei der letteren. Deze congressen hebben de aanzet gegeven tot de totstandkoming van het woordenboek der Nederlandse Taal. Men ijverde er voor de eenheid van spelling, voor de afschaffing van het dagbladzegel enz. Het eerste congres vond plaats in 1849 te Gent. In augustus 1867 sprak M. op het negende congres te Gent over 'Het recht om een gevoelen af te keuren' (*Rooses *De Geyter *Vreede). Aan het congres werd onder andere deelgenomen dooc Beets, Conscience, Dozy, Matthias de Vries, J.N. van Hall en J. van Lennep. De voorzitter was De Maere, lid van de Belgische Kamer.

A. Siffer beschreef in Het belfort (1890, p. 247) zijn impressie van M.'s optreden op dit congres: 'Uitgedoscht en fashionable als eene prent van den Journal des maitres-tailleurs, was hij ver van den gehavenden Sjaalman. In bleek Nankin [lichtgele katoenen stof van grote sterkte] nam men hem eerder voor eenen meester ès-arts in de edele kunst van Terpsischore [sic]; hij hunkerde naar lof en uit zijn bleek gelaat sprak het heimwee van den praalzucht.' (geciteerd naar een overdruk, getiteld Multatuli, Gent, 1890, p. 21-22)

Het tiende congres vond in 1868 plaats in Den Haag, het elfde volgde een jaar later in Leuven. M. heeft er niet meer aan deel genomen. Het congres in Antwerpen van 1873 wordt door M. genoemd in Idee 1196 (VW VII, p. 308), waarin hij zich verweert tegen *Schaepmans bewering dat hij de platte volkstaal zou hebben ingevoerd in de literatuur. N.a.v. hetzelfde congres drijft M. in Idee 1198 de spot met Beets, die het opnam voor Bilderdijk (VW VII, p. 313; *Drie schuintamboers). Op het congres in Maastricht van 1875 was aangedrongen op bestudering van Vondel 'en wel als middel om onze litteratuur op te heffen uit de laagte waartoe ze schynt gezonken te zyn', aldus M. in een noot bij Idee 729 (VW IV, p. 690).

In september 1887 werd in Amsterdam het twintigste congres gehouden. Er werd met geen woord gesproken over M., noch over C. Busken Huet, beiden dat jaar overleden. Aan het slot van de bijeenkomst sprak Chr. Nuys zijn bevreemding hierover uit. De voorzitter, H.P.G. Quack, dankte hem voor het gesprokene (Zelandus, 'Van twee leelijke eenden; een sprookje als toegift aan het xxe Congres' in De Lantaarn,1887, p. 145). Veel aandacht voor M. was er op het 22e congres te Arnhem in 1893, waar Julius Pée hulde aan M. bracht. *Vlaamse Beweging

3. Het Democratisch Congres te Antwerpen, dat in 1873 zou plaatsvinden, nodigde M. uit als spreker. Deze weigerde en schreef hierover een brief aan de voorzitter van het congres, Jac. Rademacher (ps. van E.Ph.H. van der Ven, auteur van Democratie in Nederland, 1873). Hij schrijft hierin o.a.: 'Men kan bovendien weten, dat redevoeringen, debatten, verhandelingen, parlementery, enz. enz. my zeer tegen de borst stuiten. Door frazen is het volk bedorven. 't Zal door frazen niet genezen worden. In allen geval behoor ik niet in "Vergaderingen." 't Parlage van demokraten bevalt my geen haar beter dan dat der meest ouwerwetsche behouders. Integendeel! Ik kan nog beter met 'n redevoerenden minister overweg, dan met 'n werkman, die aan 't raisonneeren slaat, zegge: déraisonneeren gewoonlijk (...) Wat my betreft, ik weet wat geschieden moet en wat geschieden zal, en ik bedank er hartelyk voor, in 'n vergadering te kibbelen met de eersten den besten die - zonder iets gepresteerd of geofferd te hebben - 't woord vraagt en gekregen heeft. Ik kan geen andere betrekking aannemen dan van diktator. Na de executie (zie slot Pruisen en Nederland!) zou ik my terug trekken in m'n kluisje, want: eerzucht in gewonen zin heb ik niet. Daartoe ben ik te misselyk van de wereld, van de zoogenoemde demokratische niet minder dan van de eerste.' (gepubliceerd in Het Vrije Volk van 29 mei 1873; VW XV, p. 773 en 776)

4. De 'Cercle des étudiants progessistes - Bruxelles' nodigde M. als lid van het 'Comité d'honneur' in 1884 uit om het Congrès internationale des étudiants (georganiseerd ter ere van de vijftigste verjaardag van de Vrije Universtiteit van Brussel), onder voorzitterschap van Victor Hugo, bij te wonen op 20-23 november (VW XXIII, p. 222).

In een brief van 16 november antwoordt M. dat hij om gezondheidsredenen hiervan afziet. In deze brief geeft hij wel een stelling over het *onderwijs ter bespreking op het congres (VW XXIII, p. 229-232).

Een gedeelte van deze brief werd in vertaling gepubliceerd in het Ter Gedachtenis-nummer van De Dageraad (1892, p. 69).

Contracten, Binnen het *Cultuurstelsel werden aan gunstelingen van de koning, de (conservatieve) regering en top van het lndisch bestuur contracten verleend voor de industriële verwerking van de koloniale produkten als suiker, tabak, thee en rijst. Het gouvernement verzorgde de aanplant en oogst, en leverde het inlandse werkvolk, waarmee de contractant deze produkten diende te bewerken in een door hem op te zetten fabriek. De bewerkte produkten werden aan het gouvernement teruggeleverd. Voor de noodzakelijke investeringen werden door

het gouvernement grote leningen aan de contractanten verleend (tot soms ƒ 500.000). Een contract kon enorme winsten voor de ondernemer opleveren, zoals bijvoorbeeld in het geval van de suikercontractant Fransen van de Putte, en het begrip 'suikeroom' deed in Nederland zijn intrede. De liberale oppositie was echter sterk gekant tegen de onderhandse uitbesteding en verlenging van de contracten, en eiste (in haar streven naar Vrije Arbeid vanaf 1854) de openbare uitbesteding ervan. In zijn boek Kultuurstelsel en koloniale baten (Leiden, 1975) beschrijft C. Fasseur het favoritisme in het toekennen van suikercontracten als een centrale factor in het einde

van het Cultuurstelsel. In een aantekening bij Nog eens: Vrye Arbeid schrijft M. dat deze contracten soms 'roekeloos' weggeschonken werden. Ze waren een 'ongemotiveerde beschikking ten behoeve van gunstelingen over de werkkracht van duizenden huisgezinnen!': 'Zo'n contract, met één pennestreek naar luim verleend, werd dikwyls du jour au lendemain met tonnen winst verschacherd, zonder dat de begunstigde zelf zich de moeite had gegeven de streek te bezoeken, waar de hem toegewezen slaven woonden.' (VW V, p.477)

Ook *Rochussen heeft zich volgens hem aan dit vergrijp schuldig gemaakt (brief aan Tine d.d. 14 november 1859, VW X, p. 114). Aan het slot van het achttiende hoofdstuk van de Max Havelaar is sprake van (thee)contracten (VW I, p. 268).

Controleur, Nederlands-Indisch ambtenaar ter beschikking gesteld aan residenten of assistent-residenten. De controleur Binnenlandsch Bestuur, zoals de officiële benaming luidde, werd belast met de werkzaamheden van de afdelingssecretaris. Een controleur had tot taak de inlandse bevolking te beschermen tegen de zware druk van het Cultuurstelsel en tegen machtsmisbruik van de inlandse bestuurders. DD. werd op 30 november 1842 controleur van *Natal. In de Max Havelaar treedt controleur *Langeveldt van Hemert op onder de naam *Verbrugge.

Correspondent, Van 1866 tot 1869 was M. correspondent van de *Opregte Haarlemsche Courant.

Correspondentiebladen, M.'s Ideën verschenen in losse afleveringen, voorzien van (voorlopige) papieren omslagen. Bij de laatste aflevering van een bundel werd een boekband geleverd. De omslagen van de eerste twee bundels Ideën, die bij *d'Ablaing van Giessenburg verschenen, werden door M. gebruikt om brieven publiekelijk te beantwoorden (de manuscripten hiervan zijn afgedrukt in VW XXIV, p. 594-599).

Op het eerste omslag - dat zowel voor de eerste als de tweede aflevering van de eerste bundel Ideën gebruikt werd -, vinden we o.a. brieven aan K.v.d.B (d.i. *Kallenberg van den Bosch) en B.O. te Bolsward (d.i. *Braunius Oeberius; VW II, p. 659 e.v.). Op het tweede correspondentieblad, dat werd gevoegd bij aflevering 3, verzoekt M. dringend om het adres van 'de zeer geachte schrijfster van een brief uit den Haag', d.i. *Mimi Hamminck Schepel (22 april 1862, VW X, p. 630 e.v.)

*Weiland

Coss, Ottilie N.C.M., 1837-1870, dochter van een welgestelde wagenfabrikant. M. leerde haar kennen tijdens zijn verblijfin *Kassel in oktober 1858. Hij vertelde haar zijn levensgeschiedenis, waarna een romantische, maar volgens Stuiveling nette, vriendschap volgde. M. las haar voor uit de brieven, die Tine hem vanuit Indië schreef: 'en toen ik haar brokstukken voorlas en vertaalde zei ze: "dat is lieve poëzie, men hoeft het wat maar terecht te zetten". Dit deed ik toen, op haar verzoek, en verzon geen woord' (brief aan Willem Pik d.d. 24 maart 1876, VW XVIII, p. 323). Het hieruit ontstane gedicht *'Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör!' zou later in de Max Havelaar terechtkomen; het door Ottilie verbeterde manuscript liet hij door Tine naar Brussel sturen (VW X, p. 87).

Drie jaar later schrijft M. Tine een brief waarin hij een brief van Ottilie aan hem citeert. Daarin schrijft zij dat ze in de veronderstelling had verkeerd dat M. na zijn vertrek uit Kassel was overleden. Over de Max Havelaar schrijft zij: 'Ich habe alles verstanden. Alles kamm mir so bekannt vor, - alles!, alles!' (22 februari, VW X, p. 400). Het contact met haar wordt hierna weer opgenomen en M. zendt haar de Minnebrieven en de eerste bundel Ideën (VW X, p. 509 en 685). Op 27 mei 1870 overlijdt Ottilie te Kassel op 33-jarige leeftijd aan tuberculose.

Crematie, 1. M.'s crematie. Op zaterdag 19 februari 1887 overleed M. te Nieder-Ingelheim. De laatste drie dagen leidde hij aan hevige astma-aanvallen. De nacht van vrijdag op zaterdag sliep hij de gehele nacht niet. Hij kreeg toen het slaapmiddel chloral in steeds grotere dosis toegediend. Niet duidelijk is of de dokter, op verzoek van Mimi, een dodelijke dosis toediende, teneinde een 'milde dood' te bewerkstelligen. Zaterdagmorgen werd hij op z'n sofa gelegd, om 5 uur overleed hij rustig in zijn slaap.

Mimi beschrijft de laatste drie dagen in een brief van 20 februari 1887 aan het echtpaar De Haas:

'... hy dacht er niet aan te sterven. Maar donderdag kreeg hy een aanval van asthma - waaraan geen eind kwam! eerst vrydag zei hy dit is geen bui hieraan ga ik weg! de laatste nacht was vreesselyk. Morphine had de vorige nacht niet geholpen. nu nam hy chloral. de dokter zei later saturdag morgen ze te zwak was geweest hy had weinig gerust en was heel zwak, maar zyn pols was nog vry goed, en hy liep nr zyn kamer. hy lag op de sofa daar en sprak van heengaan. Toen de dokter kwam hield hy toch vol dek nog wat beter kon worden. hy zou hem sterkere chloral geven en na wat rust zou hy zich beter voelen. Ik smeekte den dokter hem liever wat anders te geven om 't lyden kort te maken. ik weet niet, of- enfin hy nam het om te slaapen. sliep van half 3 tot 5 en hield toen op eensklaps op te ademen. het was uit!' (VW XXIV, p. 69-70)

M. werd op maandag gekist. Dinsdag 22 februari werd hij per trein naar Gotha gebracht, alwaar hij de volgende dag werd gecremeerd in het in 1878 door Friedrich Siemens gebouwde crematorium. Bij de crematie waren aanwezig: Mimi, haar broer Albert, Braunius Oeberius (hij en zijn vrouw waren reeds enkele dagen in Nieder-Ingelheim) en de op dinsdag uit Middelburg gearriveerde Wibaut en Ghijsen. Er werd bij de verassing niet gesproken. In Nieder-Ingelheim bleven achter: Ymke Braenius Oeberius-Meyer en Lina de Haas (maandagmorgen vroeg aangekomen), die voor de eveneens thuis gebleven Wouter en de zieke Ymke Braunius Oeberius zorgde. Zürcher en Paap waren ook op maandag naar Nieder-Ingelheim gekomen, maar een paar uur later weer naar Amsterdam vertrokken. Men keerde met de as terug naar Nieder-Ingelheim.

(n.b. de afbeelding van het crematorium te Gotha in Over Multatuli, 1990, nr. 25, p. 83, komt niet overeen met de beschrijving ervan in Brockhaus' Konversationslexikon, dl. XI van de Jubiläums-Ausgabe, 1902, bijlage bij p. 38-39, speciaal fig. 1) *as van Multatuli

2. Over zijn voorkeur voor het cremeren boven het begraven, schrijft M. in een noot bij Idee 925: 'Ik noemde in dit nummer 't woord "christelyke begrafenis". De sedert opgekomen beweging voor 't lykenverbranden, heb ik met vreugd begroet.Jammer dat de voorstanders van die verbetering met zoveel moeilykheden te kampen hebben. Maar vreemd is 't niet. Sedert eeuwen vonden de vromen in de akeligheden en spokeryen hunner kerkhoven, de trouwste

bondgenoten voor hun bygeloof. Maar des te gebiedender eist het plichtbesef van welmenenden en ontwikkelden, dat ze den vyand dat wapen uit de hand slaan, en dus op 't invoeren - of althans op 't fakultatief veroorloven - van crematie blyven aandringen. De zaak is van hygiënischen aard, o zéker! Maar ze is dit niet minder voor 't denkvermogen van de levenden, dan voor hun lichamen. Dat er uit kerkhoven verpestende dampen opstygen, is ook als beeldspraak de volle waarheid.' (VW IV, p. 717) *Harting

Cultuurprocenten of cultuur emolumenten, dit zijn de voordelen die de Europese ambtenaren op Java genoten van de door de inlandse bevolking volgens de voorschriften van het *Cultuurstelsel, geleverde koffie, suiker en indigo. Ook de inlandse hoofden genoten cultuurprocenten. Het systeem leidde regelmatig tot excessen doordat bestuursambtenaren, die uit geldbejag, in de woorden van oud-inspecteur van Cultures, L. Vitalis, 'de bevolking schromelijk uitputten' (1851). In 1858 werd dit systeem door Van Hoëvell in de Kamer als 'de onzedelijke motor' van het Cultuurstelsel aangevallen; pas in 1867 zouden de cultuurprocenten worden afgeschaft, waarbij tegelijkertijd de salariëring van de ambtenaren werd verhoogd. In noot 14 (1875) bij de Max Havelaar schrijft M. over de cultuurprocenten: ' 't Spreekt vanzelf dat ik, die op de noodlottige werking van deze perspompmekaniek gewezen had, niet genoemd werd by de beraadslagingen over dat onderwerp. Of de maatregel overigens de bedoelde verlichting voor den Javaan ten gevolge heeft, valt te betwyfelen, daar men verzuimd heeft de vaste inkomens der Europese ambtenaren in de binnenlanden te verhogen. Ze zyn en blyven genoodzaakt diensten en leveringen van den Javaan te vorderen, die nergens beschreven staan.' (VW I, p. 321; het 'perspompmekaniek' is een verwijzing naar Over vryen arbeid, VW II, p. 269). Op 10 mei 1856 schrijft Langeveldt van Hemert aan M.: 'Wat zou ik eens gaarne op Batavia komen jammer maar, dat er zulke groote kosten aan zijn verbonden had ik nog maar cultuurprocenten dan zou ik het daarvan kunnen doen: (VW IX, p. 633). In Bantam, waar geen sprake was van enige grote cultuur, werden nauwelijks emolumenten uitgekeerd. (Lit. R. Reinsma, 'De cultuurprocenten in de praktijk en in de ogen der tijdgenoten', in: Geld en geweten, dl. I: 19e eeuw, onder red. van C. Fasseur, Den Haag, 1980, p. 59-90).

Cultuurstelsel (op Java), werd in 1830 ingevoerd door gouverneur-generaal Van den Bosch. De Javaan werd gedwongen om 1/5 van zijn land te bewerken voor koffie en andere gedwongen cultures en die af te staan aan het Gouvernement. Het Cultuurstelsel bracht van 1830 tot 1870 een batig saldo op van 823 miljoen gulden. Het verzet van de liberalen, die in 1854 voor Vrije Arbeid waren, leidde tot verzachting bij het Regeringsreglement. Na het optreden van M. in 1860 erkende minister Loudon de grieven, doch het Cultuurstelsel werd pas in 1870 opgeheven. Het grootste bezwaar tegen het Cultuurstelsel was de knevelarij van het volk door regenten en ambtenaren, die, wanneer het stelsel winst opleverde, beloningen ontvingen. M. schrijft hierover in de Max Havelaar: 'Wel wordt dus de arme Javaan voortgezweept door dubbel gezag, wel wordt hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hongersnood vaak het gevolg van deze maatregelen... doch vrolyk wapperen te Batavia, te Semarang, te Soerabaja, te Pasoeroean, te Besoeki, te Probolinggo, te Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen worden met de oogsten die Nederland ryk maken.' (VW I, p. 69; eveneens opgenomen in Over vryen arbeid, VW II, p. 208-209)

Hij vervolgt: 'Niets is dus gewoner dan dat honderden huisgezinnen van verren afstand worden opgeroepen om zonder betaling velden te bewerken, die den Regent toebehoren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van levensmiddelen ten behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men het ongehoord vinden, als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde.' (VW I, p. 66)

Van het 'gestolen' geld werden in Nederland spoorwegen aangelegd, aldus M. in de Minnebrieven (VW II, p. 22). ln Over vryen arbeid bespreekt hij uitgebreid het Cultuurstelsel en de consequenties ervan voor de plaatselijke bevolking: 'Het hoofddenkbeeld van 't Kultuurstelsel en van ons gezag in Indië, is dit: De Gouverneur-Generaal houdt een teugel in handen, die van afstand tot afstand zich verdeelt in onderdelen, welker splitsing weer opnieuw onderscheiden lynen en koorden daarstelt, die - weer op hún beurt gesplitst - zich rechts en links uitstrekken, en na herhaalde weerverdeling ten laatste elk individu bereiken, in-toom houden, dwingen... dat is: regeren.' (VW II, p. 266)

Hij vervolgt: 'Welnu, verander al die lynen in buizen, zet de twaalf-, millioen dunne twintigmaal onderverdeelde bybuisjes op de borst van twaalf millioen Javanen, breng een zuiger, een flinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna...

POMP, POMP, POMP, zeg ik u. POMP voor den duivel... en voor NEDERLAND.

Dát is 't Kultuurstelsel. (...) Geef elken avonturier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes (...) vergun hem die buizen, de buizen van de Weledele Heren Droogstoppel en consorten, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...
Laat hem boren dóór die borst, tot hy 't hart raakt... En dan... ja, dan... POMP... POMP... POMP... voor den duivel... en voor de VRY-ARBElDERS...'(VW II, p. 269, 275)

Van 1863 tot 1866 werden onder Fransen van de Putte de meest omstreden cultures afgeschaft. Dit waren cultures die 's lands kas toch al weinig inkomsten opleverden. Alleen die van indigo leverde anderhalf miljoen gulden op. In 1870 werd het besluit genomen tot geleidelijke opheffing der gouvernements-suikercultuur. De koffiecultuur werd voortgezet in milder vorm. De herendiensten werden geleidelijk beperkt. (Lit. C. Fasseur, Kultuurstelselen Koloniale Baten; de Nederlandse exploitatie van Java 1840-1860, Leiden, 1975, herdruk 1978)

*agrarische wet *herendiensten