Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

B

Baart, (Maria) Elize, 1854-1879, geb. te Middelburg. Ze hield voordrachten en was een toneelleerlinge van *Mina Krüseman. Op voorspraak van Mina Krüseman kreeg zij de rol van het naaistertje Hanna bij de eerste opvoeringen van *Vorstenschool (1 maart-14 mei 1875). Met deze rol oogstte zij een opmerkelijk succes. In het conflict tussen M. en Mina Krüseman over de invulling van de rol van koningin Louise door Mina Krüseman, koos zij de kant van haar vriendin. Beide dames beëindigden tegelijkertijd hun optreden en maakten dit bekend d.m.v. een advertentie in de Leeuwarder Courant d.d. 14 mei 1875 (VW XVII, p.7l9).

Door haar verloving in 1876, en later huwelijk met de Multatuli-bewonderaar *B.P. Korteweg verslechterde haar relatie met Mina Krüseman. Korteweg en Elize Baart maakten op 13 oktober 1879 in Groningen een eind aan hun leven. (Lit. P.J. Meertens, 'Een Middelburgse burgerfamilie uit de 19de eeuw: Kornelis Baart en zijn dochters', in: Archief Kon. Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, 1970, p. 68-99; Jeroen Brouwers, Twee verwoeste levens, verschenen in de reeks: De Nieuwe Engelbewaarder, 1993, nr. 4.)

Badoer, Saïdjah's dorp in Parang-Koedjang, één van de districten van Lebak (Max Havelaar, VW I, p. 248 e.v.).

Bandoeng, (Bandung) hoofdplaats van de Preanger regentschappen, genoemd in de Toespraak tot de hoofden van Lebak als de stad die zoveel rijker is dan Lebak (Max Havelaar, VW I, p. 106). Na zijn ontslag in Lebak was M. vanaf 2 november tot (minstens) 16 november 1856 te Bandoeng. Hij probeerde er als particulier een bestaan op te bouwen door een rijstpelmolen te kopen van *Van Son (VW IX, p. 660-669; P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p.386-387).

Bantam, (Banten, Bantam-Kidoel) de westelijke residentie van Java met als hoofdplaats Serang. En onafhankelijk sultanaat, tot Daendels het in 1808 annexeerde. Tengevolge van de afpersing en knevelarij van de inlandse bevolking weken in 1855 veel Bantammers uit naar de *Lampongs. In zijn 'Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste' herinnert M. aan deze opstand in Bantam:

'Door velerlei relatiën was ik reeds lang in de Bantamse afdelingen geeu vreemdeling. Ik wist hoe de later uitgebroken onlusten in de Lampongs door Bantamse uitgewekenen waren voorbereid, gevoed en versterkt, en ik kende de oorzaken van dat uitwyken. Ik wist hoe ongaarne enige Bataviase en Buitenzorgse landheren een intègre bestuur in het Bantamse zagen; "als er in Bantam gekneveld wordt, hebben wy volk gebrek heb ik een hunner te Buitenzorg horen zeggen.' (VW I, p. 407)

In 1856, toen M. assistent-resident van Lebak was, was *C.P. Brest van Kempen resident van Bantam. Over Bantam geeft *R.A. van Sandick in Leed en lief uit Bantam (1892) het volgende overzicht: in 1815-1819 heeft men er grote roverbenden, in 1822 de opstand van Moerad, van 1825-1829 een hevige opstand. ln 1832 wordt de laatste sultan verbannen; in 1834 weer grote roverbenden; in 1836 wordt het herenhuis van Tjikandi-Ilir in brand gestoken; in 1839 weer oproer in 1845 wordt de landheer van Tjikandi-Oedik met vrouw en kinderen, administrateur en opziener, op barbaarse wijze omgebracht. In 1850 een hevigen opstand in Anjer, die door luitenant-kolonel De Brauw gedempt werd. In hetzelfde werk vermeldt Van Sandick ook de rampen die Bantam in later tijd troffen, zoals de veepest (1880), een koortsepidemie (1880) en de uitbarsting van de Krakatau (1883), die 21500 doden eiste. De voornoemde factoren - een opstandige traditie, sociale deprivatie en een hierop inspelende godsdienstige (islamitische) elite - leidden tot de opstand te Tjilegon (8-9 juli 1888), waarbij de assistent-resident Gubbels met

zijn gezin en vele anderen werden vermoord. In dezelfde maand nog werd de opstand hardhandig neergeslagen en werden de leiders ervan in een militaire actie achtervolgd en opgepakt. (Lit. Sartono Kartodirdjo, The peasants' revolt of Banten in 1888, in: Verhandelingen van het Koninklyk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, dl. 50, 's-Gravenhage, 1966)

Barbertje moet hangen, algemeen bekende uitdrukking wanneer iemand de schuld krijgt van een vergrijp, ook al is zijn onschuld duidelijk gebleken. Het is een toespeling op het 'Onuitgegeven Toneelspel', dat voorafgaat aan de Max Havelaar (VW I, p. 14). Hier is het echter niet Barbertje maar Lothario die moet hangen: hij is schuldig aan 'eigenwaan'. Lothario is de naam van een personage ('de geïncarneerde geestes- en zieleadel') uit Wilhelm Meisters Lehrjahre van *Goethe. Wellicht heeft M. deze naam aan Goethes roman ontleend. Het verhaal werd herdrukt in het tijdschrift Rond den Heerd (1867).

(Lit. A.L. Sötemann, De structuur van de Max Havelaar, Utrecht, 1966, dl. I, p. 24)

Bassani, Francesco, geb. te Thiene bij Vicenza. In 1876 was hij assistent in het kabinet van mineralogie en geologie van prof. Omboni (*Omboni-Etzerodt) in Padua, waar hij kennis maakte met *Nonnie, de dochter van DD. In 1880 trouwden zij. Bassani schreef vele wetenschappelijke werken over fossielen van vissen en vertaalde samen met prof. Canestrini in 1878 Darwins The expression of the emotions in man and animnls. In 1887 werd hij hoogleraar in Napels. Het echtpaar Bassani kreeg twee zoons, Guido (1881) en Mario (1887). Guido werd medewerker van

de universiteitsbibliotheek in Napels, Mario werd lector Italiaans aan het University College te Londen. De laatste kreeg twee zonen, Aldo (1919) en Ugo (1922), die beiden de Engelse nationaliteit kregen.

Batavia, hoofdplaats en bestuurszetel van de gelijknamige residentie op Java, gelegen op de plek waar zich vroeger het inlandse *Jakatra bevond. Woonplaats van DD. in de perioden 1839-1842, 1844-1845 en op ongeregelde tijden tussen april 1856 en april 1857.

Op 4 januari 1839 arriveerde hij in de Indische hoofdstad, waar hij zijn loopbaan begon bij de *Algemene Rekenkamer, die gevestigd was in het zogenaamde 'paleis van Daendels', dat dienst deed als centraal regeringskantoor. Hij kwam aanvankelijk te wonen in huis bij zijn chef, de secretaris *Coorengel. Later logeerde hij ook bij de familie *Mulock Houwer. ln de loop van 1840 trok hij in bij de familie Schuijlenburch waar hij kennis maakte met hun nicht, *Caroline Versteegh.

Was het bestaan in Batavia vrolijk begonnen met deelname aan het sociëteitsleven in de Harmonie en Concordia, het eindigde na drie jaar met relatief hoog opgelopen persoonlijke schulden van ruim duizend gulden en een stukgelopen verloving. Vooral dit laatste deed DD. in 1842 besluiten om overplaatsing naar Sumatra's Westkust aan te vragen. Na zijn kastekort en schorsing te *Padang, keerde hij in 1844 berooid terug naar Batavia. Aanvankelijk logeerde hij bij zijn vrienden Henk Hoogeveen, Levinus Keuchenius en Julius Mispelblom Beyer, later betrok hij een goedkoop inlands bamboehuisje naast Gang Pasabaroe, de voornaamste winkelstraat van Batavia.

De stad bood hem ondanks zijn armoede de mogelijkheid om enigszins afstand te nemen van de gebeurtenissen in Padang. Hij werkte er gedurende enige maanden als volontair aan het Departement van Producten en Civiele Magazijnen tot hij begin oktober 1845 zijn ambtelijke loopbaan weer mocht voortzetten. Hij vertrok toen naar Poerwakarta, de hoofdplaats van de residentie Krawang, waar hij tot tijdelijk ambtenaar benoemd werd. Intussen had hij te Batavia kennis gemaakt met Everdina (Tine) van Wijnbergen. Nog datzelfde jaar verloofden zij zich

in Parakan Salak, waar Tine op de theeplantage van *Willem van der Hucht woonde. Pas na zijn ontslag in Lebak verbleef DD. weer enige tijd te Batavia. Hij nam er met zijn vrouw en hun zoon Edu zijn intrek in het Rotterdamsch Hotel in Weltevreden. Van hieruit heeft hij geprobeerd de gouverneur-generaal te spreken te krijgen. Toen dit niet lukte en de stad hem geen nieuwe kans op werk bood, keerde hij Batavia definitief de rug toe en reisde via de Preanger naar zijn broer Jan in Rembang.

Bataviaasch Handelsblad, het bevatte in de nummers van 29 en 31 oktober 1861 kritische artikelen over de Max Havelaar. Het eerste artikel was ondertekend met H ( *H.A. des Amorie van der Hoeven), het tweede was van de hand van *H.J. Lion. Het Bataviaasch Handelsblad publiceerde op 25 februari 1887 - na M.'s dood - een stuk over diens staat van dienst als ambtenaar.

Bataviasche Courant, na 1829 getiteld de Javasche Courant. In Idee 515 citeert M. tweemaal uit deze semi-officiële krant: het bericht van de viering van de verjaardag van de koning op 7 september 1810 (VW III, p. 276) en het bericht van de vereniging van Nederland en Frankrijk, door gouverneur-generaal Daendels met een aanzienlijk festijn voor 130 personen gevierd (20 februari 1811, VW III, p. 278-279).

Batige saldo's, lett. voordelige overschotten, in het bijzonder de geldelijke overschotten die het *Cultuurstelsel opleverde. M. brengt de batige saldo's onder andere ter sprake in een ingezonden stuk in het Algemeen Handelsblad van 13 december 1859 (VW X, p.720-722), geschreven na het overlijden van het kamerlid *Stolte: 'Ik stem volmaakt overeen met de (...) meening dat er naauw verband bestaat tusschen de keuze van een kamerlid en batige saldo's' (VW X, p.721).

Verder schrijft hij dat het niet van belang is of de opvolger van Stolte tot de 'Behouders' dan wel tot de 'Liberalen' behoort, maar dat deze kennis van zaken nodig heeft. Een dag later verscheen zijn brochure Brief aan de kiezers te Amsterdam omtrent de keuze van een afgevaardigde, in verband met Indische specialiteiten en batige saldo's (VW X, p. 170 e.v.). Beide stukken werden in 1860 afgedrukt in de lndrukken van den dag (VW I, p. 444-e.v.).

In de Minnebrieven (VW II, p, 70-72, 74) worden de batige saldo's ironisch omschreven als 'de Firma Bato Saldig & Co.'.

Baud, Guillaume Louis, 1801-1891, maakte carrière in Indië, werd resident van Kediri en eindigde als directeur van de kultures. Terug in Nederland volgde hij zijn neef Jean Chr'tien Baud (1789-1859) op als minister van koloniën (1848-1849). Hij was een voorstander van het *Cultuurstelsel. Verder was hij van oordeel dat de Staten-Generaal niets met het bestuur van de koloniën te maken hadden. Toen DD. in 1859 door *J. van Lennep kandidaat zou worden gesteld voor de Tweede Kamer, moest hij terugtreden voor Baud, die 'oudere brieven' had (VW X, p. 140).

Bayle, Pierre, 1647-1706, hoogleraar filosofie aan de protestantse hogeschool te Sedan, groot voorvechter van de gewetensvrijheid, volgeling van Descartes en medestander van Balthasar Bekker. Hij vluchtte om geloofsredenen uit Frankrijk. In 1681 werd hij docent wijsbegeerte en geschiedenis aan de Illustere School te Rotterdam waar hij het tijdschrift Nouvelles des lettres (1684-1687) uitgaf. In 1693 werd hij ontslagen, mede door toedoen van zijn fanatiek calvinistische collega *Pierre Jurieu. Hij bleef te Rotterdam wonen. In zijn oeuvre neemt de Dictionnaire historique et critique (2 dln., Rotterdam, 1695-1697) een zeer belangrijke plaats in. In Idee 870 noemt M. dit werk en spreekt van 'den zonderlingen maar beminnelyken Bayle', die hij een groot geleerde acht (VW IV, p. 591). In een voetnoot uit 1871 voegt hij hieraan toe:

'Pierre Bayle is minder bekend dan hy verdient. De grondige beschouwing van zyn arbeid, denkwyze en karakter, zou stof leveren tot een schoon werk, en vreemd licht werpen op den geest die voor tweehonderd jaar de Republiek der letteren beheerste. (...) Met vreugd zou ik die taak op my nemen, indien 't my gegund ware ongestoord te arbeiden. Maar dit is nu eenmaal zo niet. Gelukkige Bayle!' (VW IV, p. 591)

Aan P.A. Tiele schrijft hij in 1876 dat er geen 'komieker voorbeeld' van 'boekenvereering' bestaat dan bij Bayle (9 juli 1876, VW XVIII, p. 410).

Vele jaren later bengt M. dit werk van Bayle opnieuw ter sprake in een brief aan Marie Berdenis van Berlekom, waarin hij schrijft dat hij een van haar gekregen plaatje ('Bertha') tussen twee folianten van Bayle heeft gelegd 'om er de krul uit te krygen': 'Ik gis dat ge dien zonderlingen (zeer geleerden!) schryver niet kent, en ik noem hem nu maar om daaraan de opmerking vastteknoopen hoe onsmakelyk "geleerdheid" is als ze zich bepaalt tot boekerig weten. Dit nl. is by Bayle in dubbelen zin 't geval. Niet alleen dat hy - zooals meer gebeurt - al z'n kennis uit boeken gehaald heeft, maar hy schynt ook te meenen, dat het boeken-maken hoofdzaak in de wereld is. Wien wat doet, stelt hy lager dan wien wat beschryft. Natuurlyk zegt hy dit niet uitdrukkelyk, maar overal straalt die verheffing van schryvery door. Nu, hy hééft dan ook wat geschreven! Dat er veel onnoodigs by is, spreekt van zelf! En... op 't oogenblik doet hy wat. Hy plet "Bertha". Zoo zie je, hoe zelfs dorre geleerdheid - mits in zwaaren folioband - nuttig wezen kan.' (10 december 1886, VW XXIII, p. 752)

Beecher-Stowe, Harriet Elisabeth, 1811-1896, schreef de geruchtrnakende roman Uncle Tom's cabin or life among the lowly (Nederlandse vertaling: De negerhut van Oom Tom). Dit pleidooi tegen de slavernij verscheen in 1850 als feuilleton, en in 1852 in boekvorm. M. was onder de indruk van dit werk toen hij zijn Max Havelaar schreef, getuige zijn brief aan Tine d.d. 28 september 1859, waarin hij zijn boek vergelijkt met Uncle Tom's cabin or life among the lowly: 'Het is een protest tegen onze positie evenals de hut van Oom Tom tegen de Slavernij. Het moet overal gelezen worden als lectuur van vermaak, en dat besef moet de regering dwingen er op te letten omdat men geen boek dat in aller handen is, ter zijde leggen kan als een brief.' (VW X, p. 62)

In hetzelfde jaar vergelijkt W.J.C. van Hasselt beide auteurs in een vertrouwelijke brief aan J.J. Rochussen, waarop deze M. karakteriseert als 'den Nederlandschen Beecher Stowe' in een brief aan J. van Lennep (VW X, p. 130). In de Max Havelaar schrijft M. na het verhaal van Saïdjah en Adinda: 'Of - om af te dalen tot meer gelykheid met myn boek - mag men de waarheid ontkennen die de hoofdzaak uitmaakt van de Negerhut, omdat er nooit een Evangeline bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk pleidooi - onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door strekking en indruk - zal men tot haar zeggen: ''ge hebt gelogen, de slaven worden niet mishandeld, want... er is onwaarheid in uw boek: het is een roman!' (VW I, p. 256)

*Chateaubriand *vrouw, positie van de-

Beer, Taco H. de, 1838-1923, geb. te Maarseveen, leraar aan de HBS te Amsterdam, redacteur van het taal- en letterkundig tijdschrift Noord en Zuid en oprichter van het letterkundig weekblad *De Portefeuille. In het tijdschrift Nederland verschenen zijn 'Invallen '. Op één van deze laatste artikelen (verschenen in dl. II, 1876, p. 437) reageert M. in een brief aan A.S. Kok d.d. 22 september 1876. Hoewel De Beer M. min of meer verdedigd had tegen een aanval van *De Veer in Het Nieuws van den Dag, geeft deze in zijn brief aan niet zo gelukkig te zijn met dergelijke medestanders: 'Eergister viel m'n oog op 'n uitdrukking van den heer De Beer (in de "Nederland") en ik rilde! Verbeelje, die schryver trekt in 'n goed geschreven stuk party voor zekere onafhankelykheid van genien (of zooiets): (...) Ik heb dan ook 't heele stuk niet gelezen. Genoeg dat het géén Onkruid-onder-de Tarwe" artikel is. 't Schynt eer van juist tegenovergestelde strekking te zyn. Welnu, in d...t stuk komt het woord "zedeloosheid van (Bilderdyk en) Multatuli" voor, alsof de man van hollandsche kaas sprak! (...) 't Schoonste wat er tot me komt zyn (heel ongewenschte) vergoelykingen als van de Beer, met wien ik 't in principe niet eens ben. Juist ik eisch hoogezedelykheid in den artist!' (VW XVIII, p. 457)

In 1881 vroeg De Beer M. om een levensbericht van zichzelf te schrijven voor de Illustrierte Konservations Lexikon der Gegenwart van *F.O. Spamer (*De Portefeuille).

In zijn 'In Memoriam Eduard Douwes Dekker (Multatuli)' (bijvoegsel bij jrg. 8, 1887, nr. 48 van De Portefeuille), publiceerde De Beer behalve een artikel over M. ook brokstukken uit een brief van M. aan hem van 1 mei 1883, waarin een zeer ongunstig oordeel over zijn zoon *Edu werd geveld. Hiertegen kwam *J. Versluys op in Het Nieuwe Schoolblad van 4 maart 1887. ln de tweede druk van bovengenoemd nummer van De Portefeuille waren de door Versluys bekritiseerde passages stilzwijgend geschrapt.

Een brief van M. aan De Beer van 12 juni 1883 werd opgenomen in 'Ter Gedachtenis' (1892), het herdenkingsnummer van De Dageraad. In deze brief schrijft M. over de inbezitneming van een deel van Nieuw Guinee door de Engelsen. Ook nodigt hij De Beer uit om eens naar Nieder-Ingelheim te komen (VW XXIl, p. 628).

Beets, Nicolaas, Haarlem 1814 - Utrecht 1903. Na zijn studententijd te Leiden (1833-1838) werd hij in 1840 predikant in Heemstede en 14 jaar later in Utrecht, waar hij in 1874 tot hoogleraar werd benoemd. In zijn tijd was hij een beroemd dichter en essayist. Zijn dichterlijke roem werd door de Tachtigers ontluisterd; hij behield voornamelijk nog bekendheid door zijn bundel humoristische schetsen die hij onder het pseudoniem Hildebrand als Camera Obscura in 1839 had gepubliceerd.

M. kreeg van zijn jeugdvriend A.C. Kruseman Beets' gedicht in proza Guy de Vlaming (1837) mee, toen hij naar Indië vertrok ('Brief aan A.C. Kruseman' uit 1851, VW IX, p. 153).

Het portret van neef Robertus Nurks uit de Camera Obscura wordt door M. geprezen in Idee 1102, waarin hij Nurks als voorbeeld geeft van iemand die een 'vluggen dartelenden geest' tracht aan te wenden, maar... daarmee altijd door de mand valt: 'Wie diep graaft in de ziel van den door Beets geschilderden Nurks - 'n meesterstuk! Nurks niet, maar 't werk van den artist - zal iets van den hier bedoelden aard opdelven. De beminnelyke Nurks schopt maar zo omdat-i niet dansen kon.' (VW VII, p. 58).

Ook het 'diakenie-mannetje' wordt door hem positief beoordeeld (Idee 1199, VW VII, p. 316). Minder gelukkig is hij met de poëzie van Beets: in een noot bij de Japanse Gesprekken merkt hij over de 'verzenmakery' van Beets op dat 'die - neem 't me al of niet kwalyk - al zeer ellendig is' (VW III, p. 28).

Hij noemt hier het gedicht Aan mijne landgenooten op den 18den Juni 1865, dat Beets ter gelegenheid van de 50-jarige herdenking van de Slag bij Waterloo schreef. Hierin wordt hulde gebracht aan de vorige koning 'wien 't Delftsche graf besluit', en waarin staat: 'Van U, o God! kwam ons de hulp, van U - alleen de zege.' Als 'Jubelfeest van den slag bij Waterloo' (18 juni 1865) is dit gedicht o.m. te vinden in Beets Dichtwerken III (Amsterdam, 1878, p. 233). M. spot dat hij vernomen heeft dat de 'krant-ombrengers' hem een proces zullen aandoen, wegens plagiaat' vanwege zijn geschrift De Zegen Gods door Waterloo (VW III, p. 28). In dit geschrift bespot hij bovengenoemd gedicht van Beets door de veelvuldige herhaling van de zinsnede: 'als niet bij Waterloo, met Gods hulp, de Prins van Oranje - ik bedoel prins Willem van Oranje den Grote - als niet die prins, zegge ik, den Overweldiger had verslagen met Gods hulp' (VW III, p. 555).

In Idee 1194 drijft M. de spot met deze dominee-dichter n.a.v. diens redevoering op het Letterkundig Congres te Antwerpen in 1873 (*congres 2). Deze redevoering ging onder andere over de vraag of regels van een vers al dan niet moeten beginnen met kapitalen'. M.'s reactie: 'Wie zich over zo'n onderwerp in geestdrift zet, moet drift en geest te veel hebben. 't Is om er jaloers op te worden!' (VW VII, p. 306).

Op dit congres nam Beets ook stelling tegen M.'s oordeel over *Bilderdijk. M. antwoordt hierop dat weerlegging van zijn opmerkingen wèl zo goed op zijn plaats zou zijn geweest als het opzeggen van een versje en hij spot verder: 'De heer Beets moest my eens 't majestueuze lied van

"drie schuin tamboers, die kwamen uit het oosten" horen declameren!' (Idee 1198, VW VII, p. 314; *Drie schuintamboers)

Hij had namelijk vernomen, dat Beets een gedicht had voorgedragen op het congres om het ongelijk van DD.'s mening te bewijzen (VW VII, p. 313, 336). ln de Verpoozingen op letterkundig gebied (1856) is een essay over Bilderdijk opgenomen, waarin Beets spreekt over de 'uitnemende schoonheden van den Floris V'. M. haalt deze woorden aan ten bewijze dat de 'letterlui van professie' het treurspel een uitstekend werk vonden tot het ogenblik waarop hij het onderhanden nam (noot bij Idee 1053, VW VI, p. 749; *Floris V).

De Camera Obscura werd vele malen herdrukt en uitgebreid. Het was tot aan de tweede wereldoorlog het populairste letterkundige werk uit de Nederlandse literatuur, zoals ook bleek uit een lezersenquête in De Nederlandsche Spectator van 2 januari 1892. Gevraagd naar het favoriete Nederlands letterkundig werk, won de Camera Obscura het met 206 stemmen van de Max Havelaar, dat met 134 stemmen op de tweede plaats eindigde (M. haalde in totaal 215 stemmen, 2 meer dan Beets). (Nop Maas, De Nederlandsche Spectator. Schetsen uit het letterkundig leven van de tweede helft van de negentiende eeuw, Utrecht/Antwerpen, 1986, p. 278-282)

*C. Busken Huet vergeleek de Max Havelaar met de Camera Obscura in het artikel Bemoediging' in het tijdschrift Nederland (1867, nr. 1, p. 320-325).

*kinderpoëzie *Quack *Schaepman

Behouders en liberalen, staatkundige partijen ten tijde van M. Voor hem was het lood om oud ijzer welke van de beide partijen aan de macht zou komen, getuige het volgende citaat uit de Minnebrieven: 'Sedert enige jaren bemoeien zich velen met Indië. Die "velen" kunnen onderscheiden worden in twee hoofdsoorten, de behouders en de liberalen. Behouders zyn de personen die gaarne zoveel mogelyk voordeel trekken uit Indië; en liberaal noemt men de zodani-

gen die gaarne uit Indië voordeel trekken, zo v éél mogelyk. Ziedaar 't verschil, dat zich oplost in treffende gelyklieid. Maar die overeenstemming openbaart zich nog duidelyker in de gelykluidendheid van de scheldwoorden die ze elkaar naar 't hoofd werpen. Welnu, ze zyn beiden volkomen in hun recht. 't Is volkomen waar, wat de liberalen zeggen: de behouders zuigen Indië uit... maar even eerbiedwaardig is de oprechtheid, waarmee de behouders de eer van 't uitzuigen toekennen aan de liberalen.' (VW II, p. 73-74).

ln een noot bij de Millioenen-studiën wordt dezelfde gedachte verwoord, zij het dan dat M. hierin over de behouders toevoegt: 'Eén ding is zeker: ik meen onder de laatste meer eerlykheid gevonden te hebben, een ontdekking die niet veel zeggen wil, als men het peil beschouwt waartoe de óneerlykheid der anderen gezonken is.' (VW V, p. 307; werd alleen in het feuilleton en niet in de verschillende drukken van Millioenen-studiën in boekvorm opgenomen).

De eis van het liberalisme, aldus betoogt hij in Idee 884, is 'onderzoeken, zelfonderzoeken, en niet het meegaan met een party, al zy 't dan - wy weten nu eenmaal hoe zonderling zekere benamingen worden uitgedeeld - al zy 't dan dat zo'n party zich de liberale noemt'. Hij vervolgt: 'Ik beweer liberaal te zyn waar ik aandring op 't eerlyk onderzoeken der mening van andersdenkenden.' (VW IV, p. 609).

In Vorstenschool geeft koningin Louise zowel de liberalen als de behouders een veeg uit de pan: 'Behouden? Conserveren? Wat? Het oude?/Volstrekt niet! Ook dit woord is leugen. Nooit/Zag ik Behouders met een vygeblad/Gekleed, of... niet gekleed. Nooit met een pyl/Van visgraat, zich het dejeuner verdienen./(...) Behouden? Wat? Wat wordt behouden? Niets!/Dan eigen geld en goed, als 't mooglyk is,/En wat vooroordeel tegen nieuwigheid./Maar... niet te veel vooroordeel! Juist genoeg/Om, met vertoon van quasi-deftigheid,/Te delen in de winst die 't nieuwe geeft./ Zaagt ge ooit Behouders tyding weigren, die/Gebracht was met den telegraaf?' (VW VI, p. 63)

Zowel de reactie van de 'zogenaamd behoudende party', als die van de liberalen op de Max Havelaar, wordt door m. scherp bekritiseerd in Idee 292 (VW II, p. 488) en in Idee 942 (VW VI, p. 130): 'En de liberalen? 't Zou niet onaardig wezen eens al den lof van hùn kant over het boek te verzamelen. Dat zou 'n curieus boek worden op zichzelf. Misschien geef ik eenmaal den tekst ener oproeping van liberale zy, om den "edelen Havelaar by te staan". (...) voor den verschyning van die circulaire, vertelde ik den liberalen dat ik heel liberaal was, en juist daarom niet kon behoren tot hun party. Van dien tyd af was Havelaar 'n slecht mens, de circulaire werd niet gedrukt en 't recht van gister werd heden... onrecht. Precies als met de behouders' (VW II, p. 489)

*Divagatiën *J.R. Thorbecke

Bekking, Henri Charles, 1818-1866, begon in 1837 zijn carrière in Nederlands-lndië, werd in 1843 secretaris van Makassar en in 1847 van Bagelen. Vervolgens werd hij assistent-resident van respectievelijk Panaroekan in Bezoekie (1850), Bandjar Negara in Banjoemaas (1852) en Buitenzorg (1854). Hij eindigde als resident van Rembang. Op 11 april 1861 werd hij ontslagen wegens onrechtmatige tabak-licenties. Dit gebeurde tijdens zijn verlof in Nederland, dat in 1858 was ingegaan. Hij werd beschuldigd van uitgifte van licenties aan particuliere ondernemers, de tabakscontractanten, 'als middel om bloedverwanten en betrekkingen te bevoordeelen'. Dit gold

zijn eigen broer alsmede Jan Douwes Dekker, de broer van DD. Ook werd hij te Rembang deelgenoot van de tabakscultures, onder andere van die van Jan Douwes Dekker. Na zijn ontslag zond Bekking een uitvoerige nota aan de minister, die deze echter niet doorzond naar de Tweede Kamer. In 1861 verschenen enkele anonieme publikaties om de schuld van Bekking aan te tonen. Eén daarvan droeg de veelzeggende titel: De schuld van H.C. Bekking, in de Rembangsche kwestie, bewezen uit zijne eigene verdediging en door de feiten ('s-Gravenhage, 1861). In antwoord op deze naamloze beschuldigingen, gaf Bekking het verweerschrift De schandalen van den vrijen arbeid in Rembang ('s-Gravenhage 1864) uit. Op aandrang van de Tweede Kamer werd er nu wel een onderzoek gestart. De gouverneur-generaal *Sloet van de Beele belastte O. van Rees, de resident van Soerabaja, hiermee. Deze bracht in 1863 verslag uit. Hij constateerde dat het ontslag berustte op 'verkeerdelijk voorgedragen feiten'. Volgens hem had Bekking de aanplant van tabak alleen maar 'aangemoedigd' (P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 389 en 464). Het ontslag werd uiteindelijk gewijzigd in eervol ontslag. Bekking behoorde tot de tegenstanders van het *Cultuurstelsel. Hij pleitte voor *Vrije Arbeid, maar heeft tijdens zijn residentschap zelf wel veel druk uitgeoefend op de bevolking. DD. leerde Bekking kennen in *Poerworedjo (Bagelen), alwaar deze op 5 september 1847 F.N. Nieuwenhuijzen als secretaris opvolgde. DD. was kommies aldaar (1846-1848; VW IX, p. 36). Bekking bleef zijn hele leven bevriend met Jan Douwes Dekker.

Toen DD. in 1859 te Brussel aan zijn Max Havelaar werkte, ontmoette Tine, die te Brummen bij Jan Douwes Dekker logeerde, het echtpaar Bekking. Zij lieten zich zeer neerbuigend uit over haar hoogmoedige echtgenoot. Wanneer Tine zich hierover beklaagt in brieven aan DD., antwoordt deze: 'Mijn boek zal ook een antwoord zijn aan van *Heeckeren en mevr. Bekking' (28 september 1859, VW X, p. 63)

Het 'Onuitgegeven Toneelspel' (*Barbertje) - het motto van de Max Havelaar - was, schrijft hij verder, speciaal bedoeld voor allen die hem zelfingenomenheid verweten.

Een jaar later, in augustus 1860, nam Bekking met DD. contact op. Hij schreef hem te willen helpen en nodigde hem uit een artikel te schrijven voor het Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. DD. schrijft Tine hierover: 'Ik schreef voorloopig aan B. dat hij dat krijgen zou, en zie, daar ontving ik gisteren een brief die mij ten duidelijkste aantoont dat al die voorgespiegelde hulp niets is als de prijs om mij tot machine te maken van de partij waartoe Bekking behoort sedert hij belang heeft bij Vrijen-Arbeid. Ik moet, heet het, niet D.v.T. aantasten maar Rochussen. In 't kort, er volgt een soort van gedragslijn die mij voorgeschreven wordt, en die ten duidelijkste aantoont dat men mij tot slaaf wil maken, tot een leeuwerik die op hun kommando moet zingen. Ik ben ge‹ndigneerd, ik heb nog niets geantwoord.' (12 augustus 1860, VW X, p. 282)

Op 7 juni 1861 schrijft hij Tine dat Bekking wegens 'knoeierij met de tabaksfabriekanten infaam ontslagen... doch met pensioen' is. Hij vervolgt: 'En het eigenlijke wist het Gouvernement niet eens, namelijk dat hij aandeel had. 't Is een infame clique, en aan den leiband van die clique liep Duymaer van Twist! Misschien schrijf ik er over.' (VW X, p. 469).

Op 6 maart 1868 schrijft hij Tine dat hij gehoord heeft dat Bekking overleden is. 'Hy had eene maitres te Scheveningen. By háár zynde is hy door eene beroerte getroffen' (VW XII, p. 696).

Belasting, personele, Als gevolg van een wet van 29 maart 1833 mochten de huiseigenaren de personele belasting niet langer verhalen op de huurders, maar dienden zij die zelf te betalen. De wet gold voor huizen met een huurwaarde beneden ƒ 80; en leidde in Amsterdam in 1835 tot allerlei onlusten onder de kleine huizenbezitters. In Idee 101 schrijft M. hierover: 'Ik gis dat de bezitters zo vry zullen geweest zyn de te betalen belasting, plus 'n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood om oud yzer. (...) De eigenaars van kleine huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt. Wie gebruikten zy nu om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-bevoorrechten! Het "gemene volk" doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de "dienders" te water, mishandelde de "veteranen" die te-dier-tyd Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid van de gebruikelyke soort. Dom! Zo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere intelligentie, wanneer men z'n wrok lucht geeft - en op die wys! - tegen een maatregel die naar 't gevoelen van de oproermakers zelf in hun eigen belang genomen was.' (VW VII, p. 66)

In de volgende Ideën komt Wouter in zo'n oproer terecht. Ook in Idee 707 behandelt M. deze geschiedenis als een herinnering uit zijn jeugd (VW IV, p. 437). De menigte verbrandde de turfloods van een armeninrichting samen met enige meubels die door belastingschuld moesten worden verkocht. Dit zogenaamde 'soeploodsoproer' leidde tot het ontslag van de burgemeester van Amsterdam, F. van de Poll. (Lit. P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 41-42)

Berdenis van Berlekom, Maria Catherina (Marie), 1860-1922, geb. te Middelburg, waar haar vader arts was. Zij werd muzieklerares en schreef enkele boeken, zoals De eerste pianolessen, methode om op natuurlijke wijze..., (1911), Hoe kan het zangonderwijs... verbeterd worden? (1911).

Nadat zij als jong meisje op 11 maart 1879 een lezing van M. in Middelburg had bijgewoond, raakte zij in zijn ban. Ze zei hierover in een lezing van 10 maart 1905 voor de vereniging De Dageraad: 'Van dien tijd af beheerschte de studie van Multatuli's werken onze jonge jaren, en, toen ik, in Frankfurt muziek studeerende, toevallig vernam dat M. in Nieder-Ingelheim woonde, werd het mij te machtig, om hem niet even te vragen, of ik hem, op mijne reis naar huis, de

hand mocht komen drukken, of ik hem persoonlijk mocht komen danken.'. (deze ontmoeting had plaats op 22 augustus 1885; verslag van de lezing in Atte Jongstra, De Multatulianen, 1985, p. 121).

Na de kennismaking ontstond er een innige vriendschap tussen haar en M., waarvan de correspondentie uit de jaren 1885-1886 (VW XXIII, p. 424 e.v.) getuigt. W.F. Hermans spreekt van 'een nieuwe liefde, al zal het dan wel een platonische geweest zijn' (De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987, p. 220). Op 12 oktober 1885 schrijft M. haar: 'lieve Marie! Vind maar goed dat ik u zoo gemeenzaam toespreek en bedenk dat ik 65 jaar oud ben, waardoor zulke familiariteitjes alle konsekwentie verliezen.' (VW XXIII, p. 443)

Na zijn dood heeft Marie geprobeerd de tedere herinnering aan M. in woord en geschrift levend te houden met een 'In Memoriam' in het Multatuli-nummer van De Dageraad (1887) en het artikel 'Multatuli-herinneringen' in De Ploeg (jrg. 2, 1910). In laatstgenoemd artikel schrijft zij onder meer: 'Zijn levensbeschouwing, frisch en verjongend, gegrond op de werkelijkheid, behoudt hare bezielende, stuwende kracht, ook al vervormen zich de toestanden en denkwijzen, die door zijn helderen, scherpen geest werden gegeeseld.' (p. 342)

In 1920 was zij betrokken bij de Multatuli-herdenking in Den Haag, waar zij toen woonde. Eén van haar zusters, Mathilde, was getrouwd met de socialistenleider *F.M. Wibaut. Mathilde legde haar Multatuli-herinneringen vast in Het Boek van Nu, 15 augustus 1948, p. 203 (een fragment hieruit is opgenomen in VW XIX, p. 755).

Beroepskeuze, onderwerp van de Ideën 1075-1079 (VW VI, p. 725-743). Wouter wil later graag zeeman worden, maar Stoffel meent, evenals zijn moeder, 'dat zoiets niet te pas kwam'. M. schrijft dat Stoffel toen 'treffend' voorbeelden verhaalde 'van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich aan wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy "Stoffel" met de logiek die in zyn kring voldoende was, beoogde dat men niet naar zee moest gaan' (Idee 1075, VW VI, p. 726).

In hetzelfde Idee schrijft hij: 'Er bestaan nuttige mensen. Het zyn dezulken wier plaats niet, of slechts zeer moeilyk, door anderen zou kunnen worden ingenomen. Nuttige beroepen - d.i. nuttig by uitnemendheid - zyn er niet. Elk vak, vertegenwoordigd door zoveel individuen als de verhouding tussen vraag en aanbod toelaat of eist, is even nuttig als 'n ander dat dóór z'n bestaan blyk geeft reden van bestaan te hebben. Waar deze reden ophoudt, sterft het uit als tovenaars, profeten, dominees en pruiken makers.' (VW VI, p. 729)

Over de motivatie van de beroepskeuze - de hoogte van het salaris -, kunnen we eerlijk zijn, aldus Mulatuli: 'De meeste beschouwingen alzo, die men by de keuze van 'n beroep telkens op den voorgrond hoort zetten, vallen in de termen van de zeer bekende braafheidsventery (...). leder weet, en als 't er op aankomt zal ieder erkennen, dat het geldverdienen hoofdzaak is. Ik keur dit volstrekt niet af, mits men de zaak by den naam noeme. Niet de waarheid is plat, maar het ver-

draaien en verbloemen van de waarheid. (...) Men wil geld, veel geld. Zeer wel. Men wil nuttig zyn, allernuttigst. Ook goed. 't Een belet het ander niet, volstrekt niet!' (Idee 1078, VW VI, p. 734-735)

Bewijsstukken van de Havelaarzaak, heeft M. na zijn ontslag in Indië voortdurend bij zich gedragen, getuige zijn opmerking in Idee 951: 'Ik ben zonder hemd geweest, maar nooit zonder de getuigschriften die den nazaat zullen in staat stellen recht te spreken tussen u (Duymaer van Twist) en my.' (VW VI, p. 148)

Na de brief van zekere IJ (*Bensen), waarin de vergiftiging van Carolus in twijfel werd getrokken, reisde M. van Brussel naar Rotterdam, alwaar hij in hotel Weimer de bewijsstukken ter inzage aanbood (ingezonden brief in de NRC d.d. 21 februari 1861, VW X, p. 396-399). In een brief van 8 januari 1882 aan J.A. Roessingh van Iterson herinnert hij zich heel naïef te zijn geweest toen hij meende 'dat het de Natie om waarheid te doen was! Er kwam niemand!' (VW XXI, p. 610; zie ook noot 7 uit 1881 bij de Max Havelaar, VW I, p. 315). Deze bewijsstukken zijn voor het eerst uitgegeven door E. du Perron in zijn Bewijzen uit het pak van Sjaalman; nieuwe dokumenten betreffende de Havelaarzaak eit Lebak (Rijswijk, 1940). *Havelaarzaak

Bewijzen dat de Javaan mishandeld wordt, opgenomen in de Minnebrieven (VW II, p. 121 e.v.), als onderdeel van de *'Brief aan de Kiezers van Nederland'. Hierin uit M. zijn ongenoegen over het feit dat hij nimmer werd opgeroepen om zijn beweringen uit de Max Havelaar te staven. Eerste bewijs: vrije arbeiders en 'kultuurstelselaars' zijn beiden even schuldig (VW II, p. 121-122). Tweede bewijs: de Javaan verricht arbeid als herendienst voor de eigenaars van particuliere landerijen, voor inlandse hoofden en Europese beambten, voor de contractanten, voor particuliere ondernemers en voor het Nederlandsch-Indisch Gouvernement: 'Dat Indisch Gouvernement is van hogen zielenadel... en 't schuld-afdoend Nederland bouwtspoorwegen van 't batig saldo.' (VW II, p. 123). Derde bewijs: de lijst van de in de maand februari 1856 aan de bevolking van één district afgenomen buffels: 'Duizend miljoen guldens geldswaarde, die aan de Indische bevolking wordt afgenomen, onder de regering van één Gouverneur-Generaal die zyn plicht niet doet.' (VW II, p. 130). Vierde bewijs: de vragenlijst aan de controleur *Verbrugge. Uit diens antwoord blijkt dat Havelaar met zachtheid begonnen is op te treden tegen de oude regent, maar ook dat - volgens de controleur - Havelaar vergiftigd zou zijn als de regent daartoe gelegenheid had gekregen.

Bibliografie van Multatuli, als meest toonaangevende Multatuli-bibliografie geldt het werk van A.J. de Mare, Lijst der geschriften van en over Eduard Douwes Dekker (1948, Leiden: E.J. Brill). De Mare geeft op pagina 188-189 een overzicht van eerder verschenen bibliografieën van en over M. In het levensbericht (Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde (1959/1960, p. 101-104) vermeldt K. ter Laan De Mares eigen aanvullingen op zijn Lijst in bezit te hebben. Hiervan is ons verder niets bekend. Als kritisch commentaar en aanvulling zijn nog te noemen de twee catalogi, nr. 60: Multatuliana (s.a.) en nr. 140: 1860 - Multatuliana - 1960 (1960), van antiquariaat Schumacher te Amsterdam. In 1987 verscheen van de hand van P.C. van der Plank een aanvulling op De Mares lijst: Multatuli-literatuur 1948-1977, Lijst der geschriften van en over Eduard Douwes Dekker (Huis aan de Drie Grachten, Amsterdam).

Bilderdijk, Willem, 1756-1831, geb. te Amsterdam, naar de vermoedelijk adellijke voorouders van zijn moeder noemde hij zich later ook officieus Willem van Teisterbant. Bekend dichter en geschiedschrijver van orthodox-protestantse huize. Reeds in 1779 won Bilderdijk een prijs met zijn verhandeling over Het verband van Dichtkunsten Welsprekendheid met de Wijsbegeerte. Vanaf 1782 was hij advocaat in Den Haag; hij was een pleitbezorger voor vervolgde prinsgezinden. Na de komst van de Fransen trok de Orangist Bilderdijk in 1795 naar het

buitenland. In 1806 werd hij echter door vrienden en vereerders in staat gesteld terug te keren en hij kwam zelfs in de gunst van koning Lodewijk Napoleon, aan wie hij vervolgens Nederlands leerde. Bij de komst van Lodewijk naar Amsterdam in 1808 dichtte Bilderdijk het treurspel Floris V. Het stuk werd echter niet opgevoerd. In 1817 vestigde Bilderdijk zich in Leiden, waar hij privé-colleges gaf in de vaderlandse geschiedenis, waarin hij blijk gaf van zijn alkeer van de Staatsgezinde geschiedschrijving van Wagenaar, de liberalen en de vrijmetselaars, de grondwet en de Verlichting. Hierdoor werd zijn werk in politiek opzicht van groot belang. Bilderdijk gaf de aanzet tot het Reveil; de christelijke partijen oriënteerden zich op zijn beginselen.

Zijn brieven aan M. en H.W. Tydeman verschenen in 1866. Ds. Ten Brummeler Andriesse bezorgde de uitgave van Bilderdijks brieven aan zijn eerste vrouw onder de titel Bilderdijks Eerste Huwelijk (1873). In datzelfdejaar publiceerde J. van Vloten zijn Mr. W. Bilderdijk's eerste huwelijk naar zijn briefwisseling met vrouw en dochter. Bilderdijks eerste vrouw was Catharina Rebecca Woesthoven met wie hij in 1785 trouwde en die hij in 1795 verliet voor Katharina Wilhelmina Schweickhardt (*Vrouwe van Heusden). Hij werd bovenmatig vereerd door de orthodoxie, maar scherp aangevallen door C. Vosmaer, C. Busken Huet en M. Ter waarschuwing bootste Vosmaer 'Teisterbantse verzen' na in zijn 'Beschouwing van Bilderdijk' (Het Vaderland; ook opgenomen in Vogels van diverse pluimage, 1872-1875). M. spot dat Vosmaer er niet in is geslaagd Bilderdijk goed na te bootsen: de verzen zijn niet 'zot' genoeg, 'en vooral veel te welluidend': 'Ze "de verzen" kraken niet, en klapperen niet, en knersen niet. Men kan ze overluid lezen, zonder kramp in de kaakspieren te krygen. Dit noem ik 'n onvergeeflyke fout in iemand die zich 'n ogenblikje lang onbekwaam genoeg wil aanstellen om Bilderdyk na te bootsen.' (noot bij Idee 731, VW IV, p. 691-692)

In Idee 1053 schrijft M. over Bilderdijk: 'Die man behoorde gedurende zeer langen tyd onder de voornaamste voorgangers van 't Nederlandse volk. Tydgenoten en zelfs mededingers noemden hem: de meester. (...) Bilderdyk was 'n zeloot in den gelove.' (VW VI, p. 492, 494)

Floris V wordt in de Ideën 1053-1058a (VW VI, p. 492-588 en 749-751; *Elia) geanalyseerd en fel bekritiseerd. In Idee 1053 begint M. met de volgende constatering: 'De taal is slecht. De versificatie is slecht. De historische voorstelling is slecht. De ontwikkeling der karakters is slecht. De knoop is slecht. De ontknoping is slecht. De strekking is... infaam. Heel veel meer opzichten zyn er niet. Ik zal waarschynlyk genoeg bewezen hebben, als ik die zeven punten toelichtend behandel.' (VW VI, p. 495)

M. belicht zijn stellingen uitvoerig en voegt een 'brok variant op 's treurspelpoëets "Floris" in over een gesprek tussen de kuise graaf Floris en Machteld van Velzen die, hoewel getrouwd, een kuise maagd is gebleven: 'FLORIS, hoogstfatsoenlyk/O, eeuwigdierbre vrouw... vergun my dat ik zwym/Van wondring over uwe kuisheid en uw rym!' (VW VI, p. 529)

Aan het slot van Idee 1056 rijmt M. ... la Bilderdijk op de naam Machteld: 'Och, dat heel Nederland uitriepe by zeker soort van verzen die zich aan de pers wisten te... ontzwachtelen: (...) en verkiezen ons niet langer door zottepraat te laten (...) Bemachtelen' (VW VI, p. 565-566).

In een aantekening uit 1877 gaat hij in op de positieve kritieken op het gedicht van *J. van Vloten in diens Onkruid onder de Tarwe (1875) en van *N. Beets in diens Verpoozingen op letterkundig gebied (1856) (VW XI, p. 749).

In de Woutergeschiedenis wordt gesproken over het feit dat het stuk uiteindelijk niet werd opgevoerd, wellicht omdat 'de acteurs te lui waren om hun rollen te leren' (Idee 1177-1178, VW VII, p. 233-244). In een aantekening bij Idee 1178 schrijft hij dat deze reden door Bilderdijk zelf werd aangevoerd (VW II, p. 335). In Plaats daarvan werd *Scilla van Rotgans opgevoerd.

In Idee 1053c schrijft M. over historische waarheid in romans. Veel auteurs nemen het niet zo nauw met de feiten en romantiseren als het zo uitkomt. M. noemt als voorbeeld de persoon Floris V, die in Bilderdijks toneelstuk als een kuis persoon wordt geschilderd maar in werkelijkheid 'genegen tot de vrouwen was' Dit citeert hij uit Wagenaar (VW VI, p. 504 e.v.). Volgens de opvatting van 'gewoon denkende mensen' was Floris V een 'gemene kerel', schrijft hij in Idee 1056. Niet alleen vanwege diens 'gesjacher met [Englands vorst]', maar ook omdat hij altijd bezig was met 'gevangen nemen en houden: ridderlyk-losgeld-industrie! Met het grissen van sterkten en sloten, om die bewaren als pand.' (VW VI, p. 559; cf. Idee 1058a, VW VI, p. 582).

Bilderdijks heldenepos Ondergang der Eerste Waereld (1820) beschrijft de strijd van koning Segol. In een aantekening bij Idee 1053 schrijft M.: 'Z'n fragment van den Ondergang der eerste wereld geeft dat koddige treurspel [Floris V) niets toe in zotte conceptie, platte opvatting, mnken gang, verschrompelde denkbeelden, onhandige tekening, gebrekkige dictie, mislukte verhevenheid en verknoeide taal.' (VW VI, p. 749-750). In Idee 1066 betoogt M dat het publiek niet lezen kan: 'de invloed van Bilderdyk-vergodingen en de daarmee samengaande geestverstomping' werkt nog altijd (VW VI, p. 698).

ln een brief aan T.H. de Beer d.d. 3 mei 1883 noemt hij Bilderijk 'een ingemeene kerel! Een ware fielt.', want 'Van ' inkomen dat hy te Brunswijk had, zegt hy z'n arme vrouw niets. Hy houdt zich alsof hy gebrek lijdt' (VW XXII, p. 604). In Idee 1047b schrijft hij: Hoe dit zy, Bilderdyk - zelf mank gaande aan 't euvel er schoolmeestery - ahnde toch, dat er zekere natuurlyke, niet-conventionele betekenis kon liggen in de wording van 'n woord, al blykt er dan overigens niets van z'n besef dat de gehele menselyke spraak op gelyke wyze moet ontstaan zyn. Dit was dan ook onmogelyk in iemand die aan Genesis geloofde, waarin aan vogels en enig ander gedierte namen gegeven werden door 'n willekeurig beslissenden God.' (VW VI, p. 400)

In Bilderdijks correspondentie met zijn tweede vrouw uit de periode 1784-1807 verdiepte M. zich in 1879, getuige een brief aan S.E.W. Roorda van Eysinga d.d. 20 november van dat jaar (VW X, p. 125). Hij schrijft herhaaldelijk overeenkomsten te zien met Bilderdijk en hemzelf (*boekdrukkunst).

De vergelijking tussen Bilderdijk en M. werd ook door anderen gemaakt, bijv. door J. te Winkel in Bilderdijk, lotgenoot van Multatuli (1890). Een kritische noot over Bilderdijks brieven vinden we in een brief aan P.A. Tiele d.d. 22 oktober 1875: 'Juist bezig met de correspondentie van Lessing, denk ik telkens hoe onbeduidend dikwyls de correspondentie was van de coryfeeen. Zie eens Bilderdyk. Ook by hem zat de wysbegeerte en de poëzie op 'n vreemde plaats. Z'n hevigste verliefdheid gaf hem geen idee in. Als die kerel in 't bed zoo impotent was geweest als in de zielespys die hy zyn [allebemindsten] toedeelde, was er veel ellende gespaard.' (VW XVIII, p. 59)

*bijbel *Fokke Simonsz *humor

Biografieën, aan M. gewijd:

J. de Gruyter, Het leven en de werken van Eduard Douwes Dekker (2 dln., Amsterdam, 1920);
J. van den Bergh van Eysinga-Elias, Multatuli (in de reeks: Onze grote schrijvers II, Amsterdam, 1920);
J. Saks, Eduard Douwes Dekker. Zijn jeugd en Indische jaren (Rotterdam, 1937);
E. du Perron, De man van Lebak. Anekdoten en dokumenten betreffende Multatuli (Amsterdam, 1937);
W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli (Amsterdam, 1976, 2e druk 1987);
P. van 't Veer, Het leven van Multatuli (Amsterdam, 1979).
Hans van Straten, Van blanke radja tot bedelman (Amsterdam, 1995), een vervolg op de biografie van Paul van 't Veer.
Dik van der Meulen, Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker (Amsterdam, 2002).

Verder is sedert vele jaren de Multatuli-biografie van Hugo Brandt Corstius aangekondigd.

Andere publikaties met belangrijke biografische gegevens:

Marie Anderson, Uit Multatuli's leven. Bijdrage tot de kennis van zijn karakter (Amsterdam, 1901; eerder verschenen onder het pseudoniem Veritas met de titel Multatuli-wespen, Amsterdam, 1888);
J. Pée, Multatuli en de zijnen. Naar onuitgegeven brieven, met een stamboom en illustraties (Amsterdam, 1937);
[A.G. Douwes Dekker-Post van Leggelo], 'de Schoondochter', De waarheid over Multatuli en zijn gezin ('s-Gravenhage, 1939).

Opvallend is de Russische biografie voor schoolkinderen: E. Vygodskaja Plamja gneva [De vlam der woede] (Moskou, 1949). Een Duitse vertaling hiervan, onder de titel Die Flamme des Zorns. Die abenteuerliche Geschichte des Eduard Dekker (Essen, 1953), verscheen te Berlijn in 1954.

Bleeker, Pieter, Zaandam 10 juli 1819 - 's-Gravenhage 24 januari 1878, begon zijn loopbaan als apothekersbediende in Amsterdam, studeerde daarnaast medicijnen en werd vervolgens als arts benoemd tot officier van gezondheid in het Indische leger. Door een rijk huwelijk kon hij zich later geheel aan de ichtyologie wijden. Hij publiceerde vijfhonderd studies die hem op dit terrein van de biologie grote internationale faam brachten; hij werd de 'Linnaeus van de vissen'. Verder vervaardigde hij de zogenaamde Bleekersdrank tegen cholera. In 1863 werd hij als kolonel gepensioneerd en een jaar later benoemd tot staatsraad in buitengewone dienst. In Idee 451 wordt hij door M. één van de weinige Nederlanders genoemd, die kan bogen op Europese bekendheid, maar die 'ongelukkigerwyze als 'n echte Hollander z'n roem heeft gezocht beneden de oppervlakte van de zee, door zich te maken tot den Linnaeus van de vissen' (VW III, p. 99).

M. en Pieter Bleeker leerden elkaar kennen tijdens de doopsgezinde catechesatie van dominee Doyer te Amsterdam. In tegenstelling tot wat wordt meegedeeld in de biografische aantekeningen van VW VIII p. 683, is er wel iets bekend over het hernieuwd contact tussen de jeugdvrienden in hun beider Indische periode. Mimi doet in haar Brieven-uitgave (WB V, p. 7-9) verslag van een gesprek met M. uit 1881, waarin hij haar uitgebreid, en met sympathie en respect, vertelde over zijn jeugdvriend. Over de ontmoeting in Indië zou hij onder meer gezegd hebben: 'Toen ik later in Indië was, kwam hy uit als officier van gezondheid. Dat was een heele gebeurtenis. Heb je 't al gehoord? Bleeker komt uit! En ik stelde er my veel van voor. Nu, wel bezien, hy was dezelfde drooge jongen van vroeger, maar dat hy 't was, 't makkertje van myn schooltyd, dat maakte hem belangryk. En, verbeel-je, een van zyn eerste vragen was of ik ook een geschikte vrouw voor hem kende. Geschikt wou zeggen: ryk. Nu, daarin is hy later geslaagd. Die rykdom was niet noodig voor hem, daar was hy te dor voor, maar voor zyn studie. Hy was nu officier van gezondheid,ja, maar de visschen waren zyn doel.' Ook uit een brief van Bleeker aan A.C. Kruseman blijkt dat het contact in Batavia allerhartelijkst was. M. en hij hadden zelfs plannen om samen te gaan wonen in de officierswoning van Bleeker. Bleeker schrijft in deze brief over zijn ontmoeting met M.: 'De gelukkigste dag die ik tot nog toe hier beleefd heb was wel de derde na mijne aankomst, toen onze Eduard, uit de Courant mijn arrivement vernomen hebbende, naar mij kwam toegevlogen en wij beide weder herleefden in herinneringen onzer vroegere vriendschap. Sedert zien wij elkander zoo te zeggen dagdijks. Hij is nog de oude Eduard; hetzelfde vurige, wilde onbuigzame, onbedwingbare karakter. Maar een karakter niet geschikt voor Indië en nog minder voor de Europeanen in Indië. Want men kent hier slechts opregtheid bij naam en men weet hier dat er maatschappelijke deugden bestaan, zonder de praktijk ervan te willen.' (7 april 1842, VW XXIV, p. 518)

In 1860 was Bleeker lid van de Commissie voor *Nationale Inschrijving. De leden van deze commissie raakten spoedig ontmoedigd door de vele negatieve reacties op het verschijnen van de Max Havelaar. Bleeker schrijft M. hierover op 27 januari 1861: 'Gij verlangt natuurlijk openhartigheid van mij. Ik zal openhartig zijn. De indruk van uw werk is reeds aanmerkelijk verflauwd en heeft niet gewonnen door hetgeen gij later hebt geschreven. De beroepen op de natie om bijdragen voor de ongelukkigen door watersnood en koude, zullen haar voor het oogenblik minder opwekbaar maken voor uw belang. Maar bovenal hebben de recensies in het Bataviaasch Handelsblad [*H. des Amorie van der Hoeven] van uw werk de sympathie van velen voor u verminderd, en die recensies, uitvoerig en warm, staan nog onaangevallen en niet wederlegd daar.' (VW X, p. 388)

Bleeker raadt hem vervolgens aan weer in koloniale dienst te treden. De sympathie van Bleeker neemt in deze dagen af, getuige het feit dat hij deze zaak op 4 februari opnieuw ter sprake brengt: 'Bij het ministerie van Kolonien heb ik in uw belang naar best vermogen gewerkt. lk kan evenwel niet zeggen dat ik er zeer gelukkig geweest ben. Ik heb veel vernomen, ook van de zijde uwer familie, waarover ik verbaasd heb gestaan en hetwelk ik niet kan gelooven. Maar ik heb ook gehoord dat u reeds plaatsingen vanwege het ministerie van Kolonien zijn aangeboden doch dat ze door u zijn van de hand gewezen. Niettemin komt het mij voor dat men genegen zou zijn u toch weder te plaatsen, indien gij verzoek er toe deedt en uwe eischen niet te hoog gestemd waren.' (VW X, p. 392)

Dat M. hem dit toch niet al te kwalijk heeft genomen blijkt wel uit de manier waarop hij twintig jaar later met Mimi over zijn vriend sprak. Dit was tijdens een bezoek aan de apotheek waar Bleeker vroeger gewerkt had. Hij vertelde de bediende dat daar ooit de beroemde Bleeker had gestaan: 'En later, toen hy een ryke vrouw h...d, kon hy zyn ontslag nemen; van toen af leefde hy alleen voor de visschen. Ja, je moogt zeggen wat je wilt, het is ook myn smaak niet, maar eerbiedwaardig is 't toch! Als ik zoo'n leven naga, zoo'n heel leven uit een stuk, éénzelfde streven van den beginne af aan... het is toch ook schoon! Het is waar, er zat hem niet veel in den weg...hy had niet veel 'trainbuben' te overwinnen... maar toch het is eerbiedwaardig!' (Brieven WB V, p. 9)

Bloemlezingen, Van M.'s werk verscheen een groot aantal bloemlezingen. Voor een lijst van de bloemlezingen wordt verwezen naar A.J. de Mare, Multatuli-literatuur (Leiden, 1948, nr. 16 e.v.) en P.C. van der Plank, Multatuli-literatuur 1948-1977 (Amsterdam, 1987, p. 42 e.v.). Tijdens M.'s leven verschenen de volgende twee uitgaven:

1. Bloemlezing door M., verschenen bij R.C. Meijer (*d'Ablaing van Giessenburg) in 1865. Deze bloemlezing in twee-kleurendruk is voorzien van randversierselen en arabesken, die evenals het titelvignet in rood zijn gedrukt. Mimi tekent aan dat M. zelfde inhoud uitgezocht heeft en veel zorg besteed heeft aan de correctie. De uitgever van de Max Havelaar, *J. de Ruyter, heeft hem geen toestemming gegeven om stukken uit Max Havelaar hierin op te nemen. M. schonk het werkje aan veel vrienden en bekenden, omdat hij het een goed reclame vond voor zijn Ideën, schrijft Mimi. De ten geschenke gegeven exemplaren moest hij zelf betalen (mededeling Mimi, Brieven WB VII, p. 36-37).

Het Nieuwsblad voor den Boekhandel voorzag de aankondiging van de volgende informatie: 'In ditzelfde deeltje zal geen enkel stuk worden opgenomen dat over staatkunde of godsdienst handelt, zoodat niemand, wie ook, huiveren kan het in handen te geven van zijne vrouw, meisje, dochter of zuster. Het zal dus ongetwijfeld bij menigten worden gekocht om te dienen tot feestgeschenk voor dames.' (VW XI, p. 498)

2. Multatuli. Bloemlezing door Heloïze, ps. van Mimi Douwes Dekker geb. Hamminck Schepel (Amsterdam: G.L. Funke, 1876). Deze bloemlezing werd door M. en Mimi samengesteld (zie Max Havelaar, ed. A. Kets-Vree 1992, dl. II, p. LXXV-CXXX en M.'s brieven aan Funke 3 mei tot 26 juni 1876, VW XVIII, p. 357 e.v.). Ook bemoeide M. zich met de vormgeving van de bundel; de titelpagina is zelfs ten dele naar zijn aanwijzingen gezet (zie het voorbeeldvelletje in VW XVIII, p. 351). In het voorwoord schrijft Mimi dat ze deze 'verzameling uit al de werken van Multatuli' uitgaf 'om meer algemeene waardering op te wekken voor den man, over wien zoovelen oordeelen zonder iets van hem te kennen.'

Na 1977 verschenen achtereenvolgens de volgende bloemlezingen:
Bloemlezing uit de werken van Multatuli
, Alphen aan de Rijn, 1981 (met een woord vooraf van dr. G.W. Huygens);
Multatuli, Gedichten, verzameld en ingeleid door Sander Blom. Amsterdam 1985;
Multatuli, Mainzer Beobachter, met bijdragen van K. van het Reve en M. Schneider. Haarlem 1987;
Multatuli!, Bloemlezing uit M.'s werken samengesteld en geredigeerd door H. van den Bergh e.a. Den Haag,1987;
Multatuli, Literair werk, met een inleiding door prof.dr. M. Janssens en drs. Ph. Vermoortel. Leuven, 1987;
Multatuli, Aforismen, een keuze door F.J. Schmit. Rotterdam, 1987.
Duitse bloemlezingen verschenen bij Ullstein (1988) en Verlag Verena Franke (1992).

Bosboom-Toussaint, Anna Louise Geertruida, 1822-1886, geb. te Alkmaar, schrijfster, trouwde in 1851 met de kerkschilder Jan Bosboom. Sedertdien woonachtig in Den Haag, waar zij in 1869 tot haar ontsteltenis ontdekte dat het gezin Douwes Dekker zich in haar omgeving (Zuid Binnensingel) gevestigd had (cf. brief van J. Bosboom aan E.J. Potgieter d.d. 10 maart 1869, VW XIII, p. 392-393).

Enkele romans van haar hand: Almagro (1837), De graaf van Devonshire (1838), Het huis Lauernesse (1840), Mejonkvrouwe de Mauléon (1847), De Delftsche Wonderdokter (1870) en Majoor Frans (1874). Ze heeft de neiging haar lezers te overladen met historische gegevens en schrijft in een archaïsche stijl. Het laatste levert haar van M. het predikaat 'Alkmaarsche taalverknoeister' op. Deze schrijft op 2 maart 1852 aan A.C. Kruseman niet van Bosboom-Toussaint te houden: 'Hare Allerheiligheid vergeve het mij dat ik haren stijl voor geaffectcerd houde, - hare intrigues (i.e. de I. harer romans) voor flaauw en ongeknoopt, - haar taal - nu, ga je gang eens - Maria de Medicis sprekende in 't oud Hollandsch! Dat is geene couleur locale, - dat is

lakverf. Er is veel schoons in haar werk, en niemand zou liever dan ik haar ridder willen zijn, - als men haar eenmaal zal beginnen aan- en af te vallen, maar zoolang men haar vergoodt, kan ik niets van haar velen. Misschien is 't jalousie de metier op zigt.' (VW IX, p. 134)

Achttien jaar later schrijft hij zijn uitgever en vriend G.L. Funke: 'Verwonder U als ik U zeg dat ik eerst dezer dagen eigenlyk kennis gemaakt heb met de werken van Juffr. Toussaint. (Lauernesse had ik zeer lang geleden gelezen, maar de indruk is uitgewischt)' (9 juli 1879, VW XX, p. 73).

Zijn mening over de kwaliteit van haar werk is echter niet veranderd: 'Welnu, ik sta VERBAASD. Heeft dàt geschryf opgang gemaakt?'. Haar uitdrukkingen in het Nederlands lijken op zeer slecht vertaald Frans en Duits, vervolgt hij. Hij geeft hiervan een aantal voorbeelden en noemt met name haar roman Mejonkvrouwe de Mauléon: 'O, ik kan 'n lange lyst maken! Net slecht vertaalwerk van 'n schooljongen! En de inhoud komt met die taal overeen. Dat het mensch zoo schryft, kan me niet schelen, maar dat zoo-iets opgang heeft kunnen maken, is verdrietig. Ik had het me zoo erg niet kunnen voorstellen. Dat ze gemaakt schreef, wist ik. Maar zeer dikwyls is 't klinkklare onzin. Een held die flauw viel beschryft ze als getroffen door "matte styfheid" zyner ledematen. Enz. Enz. - misselyk.' (VW XX, p. 73)

Over haar briefroman Majoor Frans is M. evenmin te speken. Deze roman beschrijft de levensgeschiedenis van een zelfstandige jonge vrouw, die Majoor genoemd wocdt omdat zij, als gevolg van de opvoeding door haar grootvader, weinig meisjesachtig gedrag vertoont en min of meer berucht is als amazone. Het werk oogstte veel lof, maar M. bekritiseerde de roman zeer fel. In een brief aan C. Vosmaer d.d. 11 januari 1883 noemt hij het een 'keukenmeidenwerk': 'En niet alleen wat taal betreft, maar ook in karakterschildering is die Majoor Frans 'n prul. Myn god, wat 'n publiek dat dit niet inziet! Ik ben er zeer verdrietig over. Wat geeft het, in den smaak te vallen van 'n volk dat zùlke dingen toejuicht?' (VW XXII, p. 521)

Bosscha, Johannes, 1797-1874, hoogleraar geschiedenis en letterkunde aan de Koninklijke Militaire Akademie te Breda sedert de oprichting ervan in 1828. Hij publiceerde Neêrlands Heldendaden te land, van de vroegste tijden af tot in deze dagen (1834-1856) en Het Leven van Willem den Tweeden (1852). In 1838 werd hij de opvolger van D.J. van Lennep aan het Athenaeum lllustre te Amsterdam. In 1853, na de aprilbeweging, werd hij conservatief lid van de Tweede Kamer, van 1858 tot 1861 was hij minister van de Hervormde Eredienst. Zijn geschrift Pruisen en Nederland, een woord van J. Bosscha (oud-minister) aan zijne landgenooten (1866), leidde tot een schriftelijke reactie van M., getiteld Een en ander naar aanleiding van J. Bosscha's Pruisen en Nederland (1867), waarmee hij Bosscha's publikatie in een klap onsterfelijk maakte.

*Pruisen en Nederland

Braunius Oeberius, Nicolaas, Bolsward 1832 - Ellecom 1894, trouw vriend van M. sinds de eerste aflevering van de Ideën. Hij plaatste in 1862 onder het pseudoniem Quintillianus een oproep in De Dageraad (januari 1862) om M. fnancieel te hulp te komen: 'Mannen van de Dageraad! Daar is iets goeds te doen!'. M. beantwoordt dit stuk in het maart nummer van De Dageraad (p. 565) met zijn 'Brief aan Quintillianus', gedateerd 3 februari 1862, waarin hij schrijft: 'Dat ik gebrek lyd, is waar. Dat ik moeilyk werk met zo'n logge vracht op 't gemoed, is ook waar. (...) Maar toch... emergo... emergo!' (beide stukken zijn opgenomen in VW II, p. 301-306).

Hoewel M. aangeeft dat hij van dergelijke inzamelingen niet gediend is, sluit hij toch vriendschap met Braunius Oeberius. Hij schrijft hem op 22 maart 1862: 'Want nu gij getoond hebt geen bemoeier te zijn maar een bondgenoot, geen visitemaker, maar een helper, nu ik erken dat ge de zaak aanhangt en niet jaagt naar lastige inmengerij (...) Nu neem ik U op mijn agenda en beschouw 't schrijven aan U als behoorende tot mijn zaak.' (VW X, p. 611)

In deze tijd beraamde *d'Ablaing van Giessenburg plannen om via vriendenkringen te komen tot de oprichting van een partij 'voor waarheid en rechtvaardigheid', die naast de liberalen en conservatieven de derde politieke stroming in ons land zou moeten worden. Daarbij wilde hij hulp krijgen van Braunius Oeberius en gebruik maken van diens oproep (17 maart 1862, VW XI, p. 42-43).

Ook Mimi raakte met het echtpaar Braunius Oeberius bevriend. In april 1879 was zij enkele dagen bij hen te gast in Arnhem (cf. brief van M. aan A. en C. Merens d.d. 9 april 1879, VW XIX, p. 908-909). Na de dood van zijn vrouw Ytje in 1881 ging Oeberius samenwonen met zijn schoonzuster Ymke Meyer, met wie hij later zou trouwen. De laatste weken voor M.'s dood verbleef Braunius Oeberius met zijn vrouw in Nieder-Ingelheim. Hij was aanwezig bij M.'s *crematie te Gotha (Ymke bleef ziek te Nieder-Ingelheim). Ook na M.'s dood bleef hij zich een 'echte' Multatuliaan noemen, omdat hij 'den goeden mensch Douwes Dekker, den man van Lebak, die niet loog, persoonlijk gekend had (Het Vaderland van 6-11-1892, opgenomen in Atte Jongstra, De Multatulianen, 1985, p. 96).

Brest van Kempen, Carel Pieter, 1815-1865, geb. te Amsterdam, vertrok in 1834 naar Indië, waar hij achtereenvolgens kommies en secretaris in de residentie Banjoemaas, secretaris van de residentie Batavia (1843-1847), assistent-resident van Madoera (1847), adjunct-secretaris van het Gouvernement (mei-augustus 1851), en resident van Menado (1851) werd.

In 1890 publiceerde Kielstra een artikel in De Gids, waarin hij meedeelt dat Brest van Kempen pionierswerk had verricht op het eiland Madoera. In De Tijdspiegel van 1893 vermeldt Kielstra dat Brest van Kempen zeer flink was opgetreden tegen de resident van Madoera om de bevolking uit een 'zeer beklagenswaardigen toestand' te halen.

In 1854, 1855 en 1857 was Brest van Kempen respectievelijk resident van Riouw, Bantam en Djokjakarta. In Djokjakarta begon hij te lijden aan psychische stoornissen, die in 1863 zo ernstig werden, dat hij, wegens 'zinsverbijstering' met ziekteverlof naar Nederland vertrok. Hij overleed op 4 februari 1865 in het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Utrecht. Hij werd door DD. als *Slijmering - een 'slijmerige' ambtenaar die voortdurend trachtte op goede voet te blijven met de regent en het gouvernement - onsterfelijk gemaakt in de Max Havelaar.

Brest van Kempen wilde dat DD. zijn aanklacht tegen de regent zou intrekken. Tegen deze mentaliteit kwam DD. in opstand en wees zijn superieur op dit gedrag, getuige de missive van 25 februari 1856, die Brest van Kempen onderweg naar Rangkasbetoeng bereikte toen hij DD. wilde bezoeken in verband met diens aanklacht. Hierin schrijft DD. onder meer dat hij 'de meeste hoogachting' voor hem heeft, 'doch ik ken den geest, dien men den geest van O.I. ambtenaren zou kunnen noemen en dien geest bezit ik niet' (VW IX, p. 509).

Voordat Brest van Kempen de directe chef werd van DD. als assistent-resident van Lebak, hadden hun wegen elkaar al twee keer gekruist. Als secretaris van de residentie Batavia trad Brest van Kempen op als ambtenaar van de Burgerlijke stand bij de huwelijksafkondiging van DD. en Tine op 8 april 1846 (VW VIII, p. 675). Het huwelijk werd voltrokken op 10 april.

In 1851 werd Brest van Kempen benoemd tot resident van Menado, als opvolger van *Scherius. De verhouding tussen de resident en de assistent-resident DD. was niet slecht. Op de heen- en terugreis naar en van Lebak vond de laatste met zijn gezin gastvrijheid ten huize van Brest van Kempen te Serang. Pas later heeft bij DD. de mening postgevat dat Brest van Kempen niet vrij stond tegenover de regent omdat deze hem 'meiden' leverde (*Hasselman). In (de later toegevoegde) noot 182 bij de Max Havelaar schrijft DD.: 'Het zou 'n verkeerden indruk hebben gemaakt, indien ik, by 't verlaten van Bantam, blyk had gegeven in onmin met den Resident te zyn, wat dan ook werkelyk het geval niet was. maar zeker zou dit wél 't geval geweest zyn, indien ik toen al de motieven had gekend die hem bewogen moordenaars en dieven de hand boven 't hoofd te houden.' (VW I, p. 373)

Toen DD. zijn aanklacht tegen de regent en diens schoonzoon, de demang van Paroengkoedjang, indiende (VW IX, p. 502-504), weigerde Brest van Kempen aan zijn voorstellen gevolg te geven en eiste eerst opening van zaken. DD. weigerde dit. Brest van Kempen reisde toen naar Rangkasbetoeng, waar hij op 26 februari 1856 alsnog probeerde om DD. op andere gedachten te brengen. Ook bracht hij de regent een bezoek, waarbij hij hem tweehonderd gulden aanbood om de ontvangst van diens neef, de regent van Tjandjoer, te kunnen bekostigen. Dit kwam DD. pas later ter ore; hij vatte het op als tegenwerking van zijn chef, omdat de regent op deze manier in staat gesteld werd zijn klagers tot zwijgen te manen. Op aandringen van DD. werden de stukken voorgelegd aan gouverneur-generaal Duymaer van Twist. Toen deze afwijzend beschikte en bij *kabinetsmissive (VW IX, p. 578-579) DD. ernstig terechtwees, vroeg deze op 29 maart 1856 ontslag aan.

Alvorens de ontslagaanvraag door te zenden, trachtte Brest van Kempen DD. nog te overreden van deze daad af te zien omdat dit noodlottige gevolgen zou kunnen krijgen. DD. liet zich echter niet vermurwen.

In opdracht van de opvolger van Duymaer van Twist, Pahud, bracht Brest van Kempen op 20 september 1856 verslag uit van de toestand in Lebak (VW IX, p. 641-654). Hij erkende dat er buitengewone herendiensten waren gevorderd, maar zag de komst van de regent van Tjandjoer als een verzachtende omstandigheid. Bovendien gaf hij toe dat er op de klagers invloed was uitgeoefend, de oorzaak zou echter gelegen zijn in 'de ongewone wijze, waarop de klagten in den aanvang zijn behandeld' (VW IX, p.646), door DD. wel te verstaan. Verder stelde hij vast dat de demang, Raden Wira Koesoemo, zich, evenals de andere districtshoofden, schuldig had gemaakt aan misbruik van macht. Hij stelde voor om hem 'wegens herhaaldelijk van bestuurswege ondergane berisping' als districtshoofd te ontslaan (VW IX, p. 654). De regent verontschuldigde hij en hij adviseerde om diens voorschot vanf ƒ1650,- kwijt te schelden en hem voortaan beter te bezoldigen (VW IX, p. 652). De directeur der Kultures, *S.D. Schiff, sloot zich in een missive 'handelende over het ontslaan en berispen van eenige voorname en minder inlandsche Hoofden in de afdeeling Lebak' (VW IX, p. 655-657) bij deze voorstellen van de resident aan.

Op 21 november 1860 vroeg Brest van Kempen de gouverneur-generaal toestemming om de officiële bescheiden te mogen raadplegen om 'de door den gewezen Indischen ambtenaar E. Douwes Dekker in het onlangs uitgegeven werk, getiteld "Max Havelaar" enz. zoo op hem als op de geheele Indische Regering geworpen blaam te logenstraffen' (VW X, p. 362-363). Brest van Kempen kreeg toestemming om de stukken te raadplegen, maar mocht niets openbaar maken 'dan na verkregen magtiging van de Regering (VW X, p. 367-368).

Tot een openbare verdediging met bewijsstukken is het nooit gekomen: minister Cornets de Groot van Kraayenburg achtte dit niet raadzaam (8 februari 1861, VW X, p. 393).

Na zijn ontslag heeft DD. nog enige tijd met Brest van Kempen gecorrespondeerd. Deze brieven zijn niet bewaard gebleven. In de Ideën (VW VI, p. 140) refereert DD. aan deze brieven, die het bewijs leveren dat hij ook na zijn ontslag in Indië geacht werd.

*H.J. Lion

(Lit. P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 463).

Brief aan A.C. Kruseman, In 1851 stuurde DD. vanuit Menado een zeer uitgebreide brief aan zijn jeugdvriend *A.C. Kruseman, die inmiddels een gerespecteerd boekhandelaar-uitgever te Haarlem was geworden. Deze 'praatbrief' van 44 pagina's werd geschreven tussen 24 februari en 6 mei (VW IX, 114-200; zie ook Paul van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 239 e.v.). DD. hoopte hiermee een begin aan zijn schrijverschap te maken. In de brief waren gedeelten uit de *Losse Bladen uit het Dagboek van een Oud Man opgenomen. Dit 'Dagboek' uit Menado werd 30 jaar later door Kruseman ter hand gesteld aan *C. Busken Huet, die een deel ervan opnam in zijn schets 'Multatuli' voor Jan ten Brinks Onze Hedendaagsche Letterkundigen (1883-1887).
De brief werd in 1948 teruggevonden.

*Gedichten van Multatuli

Brief aan de gouverneur-generaal Duymaer van Twist,

1. van 9 april 1856, geschreven in Lebak, 5 dagen nadat DD. zijn ontslag gekregen had. De brief is nooit verzonden of openbaargemaakt, totdat Du Perron hem terugvond en publiceerde in De man van Lebak (1937, p. 272). Du Perron kreeg via G.M.G. Douwes Dekker te Bandoeng, een kleinzoon van Jan Douwes Dekker een afschrift in handen, gemaakt door een inlandse klerk. Een afschrift van DD.'s eigen hand is in het bezit van het Multatuli Museum. Hierin ontbreken drie bladzijden. De in VW IX (p. 603-617) opgenomen versie is samengesteld op basis van beide afschriften.

2. van 23 mei 1856, geschreven in Batavia op de vooravond van het vertrek van Duymaer van Twist naar Nederland. DD. vraagt nog éénmaal een ogenblik gehoor. In VW IX p. 634-635 is het (onvolledige) ontwerp van deze brief opgenomen. Op de eerste bladzijde heeft DD. later aangetekend: 'Dit is het koncept waarvan ik de naauwkeurigheid niet waarborg (Max H.) DD'. Deze brief werd door DD. verwerkt in de Max Havelaar (VW I, p. 290-291).

Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste, geschreven in januari 1858 te Brussel. De brief is het eerste openbare document in de *Havelaarzaak en werd na het verschijnen van de Max Havelaar gepubliceerd in De Tijdspiegel van oktober 1860, voorafgegaan door 'Max Havelaar aan Multatuli'. Later werd de brief ook opgenomen in Indrukken van den Dag (nr.1), en in de Verspreide Stukken (VW I, p. 391 e.v.).

DD. herinnert hierin aan zijn optreden te Lebak en besluit zijn brief als volgt: 'Het verzoek dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling myner bede om dezen brief en de daarby gevoegde stukken aandachtig te lezen, en my wel te willen antwoorden op de vraag: of Uwe Exc. daarin niet aanleiding vindt, my te ondersteunen in de pogingen die ik wil aanwenden om op de meest eervolle wyze weder te mogen intreden in Nederlands-Indische dienst?

MAAR, EXCELLENTIE, ANDERS DIENEN DAN IK TE LEBAK DIENDE, KAN IK NIET.' (VW I, p. 419)

Als bijlage voegde hij de stukken toe, die hij destijds geweigerd had aan Brest van Kempen te overleggen.

*Duymaer van Twist heeft nooit op dit schrijven gereageerd. De laatste noot uit 1865 luidt dan ook: 'Antwoord toch eens eindelyk, meester Albertus Jakobus Duymaer van Twist. Antwoord toch eens!' (VW I, p. 429).

Brief aan de kiezers te Amsterdam, titel van een brochure van M., in 1859 uitgegeven door J. de Ruyter (VW X, p. 170). De volledige titel luidt: Brief aan de kiezers te Amsterdam, omtrent de keuze van een afgevaardigde, in verband met Indische specialiteiten en batige saldo's. M. schrijft hierin onder meer dat er vaak onwaarheden zijn in de gegevens die door het Ministerie van Koloniën aan de Kamer overhandigd worden. Daarbij houdt men de Kamer vaak bezig met onderwerpen die de aandacht afleiden van belangrijke zaken. Hij gelooft: 'dat er een man nodig is van studie, maar niet van studie alleen, een man van praktyk, doch niet alleen van praktyk (...) een man, die het goede voorstaat door het streven naar waarheid (...) iemand eindelyk, die ondervinding heeft, bekwaamheid, moed, en, dit vooral, een man, die een hart bezit!...' (VW I, p. 448)
De brief werd later integraal opgenomen in *'Aan de stemgerechtigden in het Kiesdistrikt Tiel'.

Brief aan de kiezers van Nederland, opgenomen in de Minnebrieven (VW II, p. 75-83, p. 120-147). M. laat hierin het belang van Indië voor Nederland zien. Indië zou zodanig bestuurd moeten worden dat de kans van verlies gering is, temeer daar Frankrijk en Engeland zich gereed maken voor een strijd om Indië, aldus M.: 'Én Frankryk én Engeland zullen eerlang Insulinde nodig hebben! 't Zal de vraag niet Wezen, wie trachten zal het te nemen. De vraag voor Nederland is: of 't goed is het te laten nemen door wien ook? Ik vertrouw dat gy volmondig neen zegt op die vraag.' (VW II, p. 83)

De verdediging van Indië is echter onmogelijk als de bevolking gemene zaak maakt met de aanvallers. Daarna volgen als even zovele ernstige waarschuwingen, de *bewijzen dat de Javaan mishandeld wordt (VW II, p. 121 e.v.). M. herhaalt het advies dat hij eerder al in zijn *'Brief aan de kiezers van Amsterdam' gegeven had: 'Ik geloof dat er een man nodig is van studie, maar niet van studie alleen, een man van praktyk, doch niet alleen van praktyk; een man, die het volk in Indië kent, die daaronder en daarmede geleefd heeft, die tevens echter genoeg man van wetenschap is, om niet door zyn praktische richting geleid te worden op bloot empirisch gebied; een man, die het goede voorstaat door het streven naar waarheid; iemand, die (...) durft en kan aantonen, hoe diep de wonde is, die er kankert aan ons Staatsbestuur iemand eindelyk, die ondervinding heeft, bekwaamheid, moed, en, dit vooral, een man die een hart bezit!...' (VW II, p. 144)

Maar eigenlijk moet de Nederlander doorgaan 'den Javaan te mishandelen tot hy opstaat...', en zich volzuigen 'aan welvaart... óvervol... m éér dan vol... tot gy berst!': 'De opgave voor my is alleen, later te kunnen tonen aan de Javanen en aan Europa, dat ik u gewaarschuwd heb... Waarvan ik acte neem by dezen.' (VW II, p. 146-147)

*neutraliteit

Brief aan den Koning, 1. Brief gericht aan koning *Willem III, geschreven in Brussel op 18 januari 1860 (VW X, p. 193-198), vóór het verschijnen van de Max Havelaar. Doel van de brief was niet om medelijden te wekken maar om recht te verkrijgen. M. maakt hierin tevens melding maakt van het slot van de Max Havelaar. Verder wijst hij de hem door minister *Rochussen aangeboden betrekking in de West af, maar over een dergelijke functie in Oost-Indië schrijft hij: 'Eene eervolle plaatsing dáár, zou het principe kroonen dat ik heb voorgestaan.' (VW X, p. 197). Hij zou zo'n aanbod dankbaar aannemen als dat hem in staat zou stellen 'de grondbeginselen te doen zegevieren welker ver- dediging mij mijn bestaan heeft gekost', echter 'zonder de zegepraal dier grondbeginselen, begeer ik arm te blijven'. De brief besluit met de wens: 'God behoede Uwe Majesteit!'. De koning heeft nooit geantwoord.

2. Brief gericht aan koning Willem III, geschreven in Brussel op 5 mei 1860 (VW X, p. 227-228), kort nadat de Max Havelaar van de pers was gekomen. Deze brief was gevoegd bij een door M. aangeboden exemplaar van de Max Havelaar, 'een werkje waarin ik een klein gedeelte ophef van de gordijn die daarginds veel verkeerds bedekt. Mogt die poging niet te vergeefs wezen!'.
Deze en bovenstaande brief werden in 1910 uitgegeven onder de titel Multatuli aan den koning (1860); twee rekesten vóór het verschijnen van den Max Havelaar aan Z.M. Koning Willem III gericht. Met een aantekening van mr. C. Th. van Deventer. s.l. (overdruk uit De Gids 2 (1910), p. 185-198; ook opgenomen in: Publicaties over Multatuli in reprint. s.l., s.a., p. 189-204)

3. Open brief aan koning Willem III, opgenomen in de eerste bundel Ideën (Idee 331, VW II, p. 515-516), waarin M. ingaat op her onbeantwoord blijven van beide bovenstaande brieven. Hij schrijft hierin verder dat de verschijning van de Max Havelaar nog niet tot verbetering van de toestand in Indië heeft geleid. De enige die er wel iets aan gedaan heeft, is luitenant-generaal *Van Swieten, die in zijn dagorder (gedateerd 5 oktober 1860) liet verbranden van inlandse dorpen heeft verboden. M. biedt de koning een exemplaar van de eerste bundel Ideën aan, waarin deze dagorder is opgenomen (Idee 304, VW II, p.495-497).

4. Brief aan den Koning, geschreven door M. in september 1872 en door G.L. Funke als brochure uitgegeven in oktober van datzelfde jaar. De volledige titel luidt: Brief van MULTATULI aan DEN KONING over de Openingsrede (VW V, p. 679 e.v.; ook Idee 982, VW VI, p. 215-218).

M. behandelt hierin de troonrede van 1872 en voorspelt de Atjeh-oorlog (*Atjeh). Bovendien beweert hij dat zijn tijd andere mannen nodig heeft dan ministers 'die evenmin op de hoogte hunner roeping zyn als de Kamers zelf' (VW V, p. 681).

Brieven van Multatuli (postuum gepubliceerd),

1. Brieven van Multatuli. Bydragen tot de kennis van zyn leven. Gerangschikt en toegelicht door Mevr. Douwes Dekker, Geb. Hamminck Schepel, Amsterdam (W. Versluys), 1890-1896, 10 dln.

Na de verschijning van *Theodoor Swart Abrahamsz' Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Eene ziektegeschiedenis, besloot Mimi tot de uitgave van M.'s brieven. De tien delen bevatten niet alle brieven, en vaak zijn deze incompleet afgedrukt. De verschillelr de delen beslaan diverse periodes, waarbinnen de brieven op correspondent zijn gerangschikt. Na de verschijning van deze uitgave kwam E. Douwes Dekker Jr. op tegen het openbaarmaken van de brieven aan zijn moeder. Hij beweerde dat Mimi niet de eigenares van deze brieven was (Prof. Eduard Douwes Dekker, Kermispreten correspondentie over Multatuli's Brieven, Edam 1891; overdruk uit de Tribune, 28 januari 1891). Mr. Tromp Meesters kwam tot dezelfde slotsom en stelde dat *mr. W. Paap, Mimi's raadsman, bewust gelogen had over het, door zijn toedoen, wederrechtelijk laten verdwijnen van de brieven uit de nalatenschap (De Waarheid over Multatuli en zijn gezin, door de schoondochter, 's-Gravenhage, 1939, p. 381). Hij vervolgde met de mededeling, dat Mimi ƒ 3000 had ontvangen voor het rangschikken van de brieven en noemde haar 'bedrieglijk, listig en baatzuchtig' (a.w., p. 382).

Deze brievenuitgave leidde in de pers tot een meer algemene discussie over de vraag of deze uitgave van persoonlijke correspondentie M.'s nagedachtenis niet bedoezelde, zie bijv. A.J. (ps. van Lodewijk van Deijssel) Multatuli (Bussum, 1891).

2. Multatuli. Brieven. Bijdragen tot de kennis van zijn Leven, gerangschikt en toegelicht door M. Douwes Dekker-Hamminck Schepel. Tweede, herziene Uitgaaf. Amsterdam, 1912, 10 delen. Uitgegeven door de Maatschappij voor goede en goedkope Lectuur.

De oorspronkelijk brievenverzameling is in deze uitgave onder meer aangevuld met brieven uit Het leven van Jacob van Lennep (uitgegeven door diens kleinzoon) en brieven van Conrad Busken Huet (door diens zoon gepubliceerd in De Gids, 1910). Het tiende deel bevat een register op personen en onderwerpen.

3. Multatuli, Volledige Werken, dl. VIII e.v., Amsterdam, Van Oorschot 1954-1994. Deze uitgave werd tot en met deel 17 bezorgd door Garmt Stuiveling; vanaf deel 18 door H. van den Bergh en B.P.M. Dongelmans. De volledige correspondentie van M. (voor zover beschikbaar) is hierin opgenomen en van annotaties voorzien. *Volledige Werken

4. In de loop derjaren zijn nog talrijke andere brievenuitgaven verschenen. De belangrijkste zijn:

Brieven van Mevrouw E.H. Douwes Dekker-Van Wijnbergen aan Mejuffrouw Stéphanie Etzerodt..., uitgegeven door dr. Julius Pée. 's-Gravenhage, 1895;

Briefwisseling tusschen Multatuli en S.E.W. Roorda van Eysinga. Uitgegeven door M. Douwes Dekker geb. Hamminck Schepel. Amsterdam, 1907. (bevat brieven uit de periode 12 december 1870 - 22 augustus 1886);

Multatuli, Reisbrieven aan Mimi en andere bescheiden. Met aanteekeningen in het licht gegeven door dr. Julius Pée. Amsterdam, 1941. (bevat brieven uit de periode 1 februari 1878 - 11 april 1881);

Brieven van Multatuli aan Mr. Carel Vosmaer, R.J.A. Kallenberg van den Bosch en Dr. Vitus Bruinsma. Naar het oorspronkelijke uitgegeven door dr. Julius Pée. Brussel/Rotterdam, 1942. (bevat brieven uit de periode 5 augustus 1866 - 3 september 1886);

Keur uit de brieven van Multatuli. Naar tijdsorde gerangschikt en van aanteekeningen voorzien door dr. Julius Pée. Amsterdam, 1944. (bevat brieven uit de periode 28 september 1845 - 20 oktober 1886);

Briefwisseling tusschen Mutatuli en G.L. Funke. Uitgegeven door dr. G.L. Funke. Amsterdam/Antwerpen, 1947. (bevat brieven uit de periode 24 juli 1871 - 29 februari 1887);

Multatuli, Brieven aan J. Waltman Jr. Met een inleiding en aanteekeningen door Henri A. Ett. Amsterdam, 1947. (bevat brieven uit de periode 19 oktober 1872 - 27 maart 1882);

Multatuli, Twee brieven uit Menado. Met een inleiding en aantekeningen door Henri A. Ett. Amsterdam, 1948. (bevat twee brieven aan A.C. Kruseman d.d. 24 februari - 6 mei 1851 en 15-22 november 1851);

K. ter Laan, Multatuli en twee van zijn discipelen Mansholt en De Raaf. Met brieven van en over M. Leiden, 1949. (bevat brieven van M. uit de periode 6 mei 1876 - januari 1878);

Multatuli, Liefdesbrieven. Bezorgd en van aantekeningen voorzien door Paul van 't Veer. Amsterdam, 1979. Privé domein nr. 54;

Brieven van Multatuli. Gekozen door H. Brandt Corstius. Amsterdam, 1990.

Verder verzorgde Wilhelm Spohr in 1906 een grote brieveneditie in Duitse vertaling (Frankfurt am Main: Rütten & Loening).

Bruid daarboven, De, toneelstuk van M. in vijf bedrijven (VW III, p. 447 e.v.). Het vertelt de geschiedenis van *Holm, een overedelmoedige jongeman, die zich opoffert voor een ander en daarin zover gaat, dat hij afziet van zijn bruid hier op aarde. Zij zal echter zijn bruid daarboven, d.i. in de hemel (4e bedrijf worden, want hij is inmiddels eerloos voor het oog van de wereld geworden. Alles komt in het laatste bedrijf toch nog goed. Als het doek valt, speelt de muziek: 'Hoort ge daar ginder in tuinen en dreven/'t Leeuwerikje kwelen, den nachtegaal slaan?'

(*Weller).

Het stuk is een larmoyant, in de opgeschroefde taal van zijn tijd geschreven drama, dat past binnen de traditie van de romantische toneelstukken, het zgn. burgerdrama uit de eerste helft van de ige eeuw.

M. werd bij het schrijven ervan beïnvloed door Die Familie von Halden (1797) van *A.H.J. Lafontaine. Over deze beïnvloeding schrijft hij in zijn naschrift bij de vierde druk (1872; VW III, p. 546). J. Saks geeft in zijn biografie Eduard Douwes Dekker, zijn jeugd en Indische jaren (Rotterdam, 1937) aan dat het model van Holm terug te vinden is in de roturier (burgerman) Saint-Preux uit de brievenroman Julie ou la nouvelle Héloïse (1761) van *J.J. Rousseau. M. zou vooral 'de donkere partijen van het voorbeeld aangedikt' hebben (p. 72-73).

Het stuk geldt als het jeugdwerk van M. Hij schreef het in Padang eind 1843 en begin 1844. De oorspronkelijke titel luidde: 'De Eerlooze'. In 1851 herschreef M. de tekst en stuurde die naar zijn jeugdvriend A.C. Kruseman, uitgever in Haarlem, met de bedoeling het als 'De Hemelbruid' onder zijn eigen naam te laten verschijnen. Volgens de *'Brief aan A.C. Kruseman (24 februari - 6 mei 1851), was hij er bij het overschrijven al niet meer tevreden over: 'Daar heb je mijn Eerlooze - nu vind ik hem nog al wél, - ik herinner me heel goed de opgewondenheid bij 't schrijven, - nu en dan zelfs bij 't nalezen - en vooral toen ik hem voorlas aan mijne vrouw. (...) Maar nu ben ik zeker dat ik dien zelfden Eerlooze vervelend en flaauw vinden zal als ik hem weêr lettertje voor lettertje doorwurm. Dan zal ik niet roepen: dat is mooi!' (18 maart 1851, VW IX, p. 183)

De eerste twee versies zijn niet bewaard gebleven. In1859 bewerkte M. het stuk opnieuw: 'Ik schrijf den ganschen dag aan mijnen Eerlooze. Ik heb idee dat ik daarvan iets maak en als ik slaag schrijf ik meer.' (brief aan Tine d.d. 8 september 1859, VW X, p. 47)

Op 13 september van dat jaar richt hij zich tot de broeders van de vrijmetselarij, met als doel publikatie van het stuk (VW X, p. 48-50; *Stumpff). Hij heeft de titel dan inmiddels veranderd in 'De Bruid daarboven ' (brief aan Tine d.d. 22 september 1859, VW X, p. 55). Na hiervoor toestemming van *Van Hasselt te hebben gekregen, stuurt hij hem een ingebonden afschrift toe. In de begeleidende brief is voor het eerst sprake van zijn auteursnaam 'Multatuli' (VW X, p. 59). Uiteindelijk komt het stuk via Van Hasselt en Van Lennep bij *Jan Eduard de Vries terecht (VW X, p. 66). Maar van publikatie en opvoering kwam voorlopig niets. In december 1864 verscheen het uiteindelijk bij de firma R.C. Meijer.

Tijdens M.'s verschenen er in totaal vijf drukken, alsook een Duitse proza-bewerking, getiteld *Infam cassirt. Nach einem dramatischen Motiv (1875) door Ad. Glaser. Bij de vierde druk (1872) voegde M. 'Enige opmerkingen als naschrift' toe (VW III, p. 533-549), waarin hij schrijft: 'Het is de vraag of de venynigste recensent zoveel fouten in de "Bruid daarboven" zou kunnen ontdekken, als ikzelf. Of liever - want het aantal fouten doet minder tot de zaak - of iemand het gehele stuk zo laag stelt als ik.' (VW III, p. 533). Onderhoudend is het stuk wel, meent M. in het

Naschrift: Holm is niet te sentimenteel, en de bruid Caroline is een 'lief figuurtje'. Zijn conclusie is duidelijk: 'Het hele ding is reminiscence uit de lektuur myner jeugd. Het is geen tekening van de wereld, doch slechts samenkoppeling der gebrekkige schetsen die my door *Iffland, *Kotzebue, en vooral door La Fontaine, van die wereld gegeven werd. Ook die schryvers waren faiseurs. Wat bleef er over van waarheid, nu ik meende hun Machwerk te mogen naäpen? Kopie van kopie. Misdruk van misdruk. (...) Wie de wereld niet kent, en toch voorgeeft haar te kopiëren of te schetsen, is onnozel als ik in '43' (VW III, p. 546, 549). Eind 1864 werden de eerste voorbereidingen getroffen voor opvoering van het stuk, waar echter wel het een en ander in geschrapt moet worden. D'Ablaing van Giessenburg noemde de 'preutschheid die de Directie van de Schouwburg vooronderstelt bij het stedelijk bestuur of bij het publiek' ongelooflijk (VW XI, p. 414).

De eerste opvoeringen vonden plaats in 1865 in Rotterdam (17 januari) en Utrecht (23 januari). De rol van Holm werd gespeeld door *Anton Peters. In de Salon des Variétés werd het stuk op 3 april 1865 in het Duits opgevoerd onder de titel 'Die Braut von oben, oder Edelmuth und Liebe'. H. Zornow verzorgde hiervoor de vertaling.

De recensent in de NRC van 19 januari spreekt van toejuichingen door het publiek, maar is het daar niet mee eens: 'Vraagt men ons echter, of wij deze toejuichingen gerechtvaardigd achten, dan moeten wij in gemoede daarop een ontkennend antwoord geven. Onzes inziens is het motief der handeling onaannemelijk, de fabel onwaarschijnlijk en de bewerking in vele opzigten gebrekkig.' (VW XI, p. 430).

M. beantwoordde deze recensie in de Amsterdamsche Courant van 21 januari: 'Maar de uilige manier waarop de berigtgever van die krant een paar van die fouten opsomt, doet mij overhellen tot de gissing dat, bij slot van rekening, de som dier fouten mijne Jugend-Sünde wel eens tot 'n meesterstuk kon maken. Ik loop te meer gevaar toe te geven in deze verwaandheid, omdat ik bij de (uitmuntende!) voorstelling door 't gezelschap van den Heer De VRIES, ontwaarde dat vele toeschouwers aangedaan waren.' (VW XI, p. 434)

In Utrecht oogstte de schrijver bijval van de studenten. Het Algemeen Handelsblad spreekt van 'eene serenade bij fakkellicht gebragt aan den heer Douwes Dekker' en zegt dat 'stuk en uitvoering' beide voldeden 'zoodat de schrijver tweemaal door het publiek met geestdrift werd voorgeroepen' (26 januari 1865, VW XI, p. 442).

Op 1 maart 1865 was er een voorstelling te Amsterdam in de Hollandsche Schouwburg (directie Tjasink, Peters en Roobol). Voor deze opvoering kwamen Tine en de kinderen over uit Brussel. Volgens een aantekening van d'Ablaing van Giessenburg d.d. 2 maart 1865 (VW XI, p. 467), was M. niet tevreden over de acteur Wijnstok die de rol van Holm speelde. D'Ablaing van Giessenburg schrijft verder dat de leden van De Dageraad de gelegenheid aan hadden gegrepen om M. hulde te brengen: 'Bij het verlaten van den Schouwburg trokken de gezamelijke dageradianen voorbij de loge van D. om hem in een luidruchtige groet eene openlijke manifestatie te brengen van hunnen aanhankelijkheid. Mevrouw D. boog zich over de balustrade en reikte ieder hunner de hand.' (VW XI, p. 467).

Ook Busken Huet bezocht één van de voorstellingen in Amsterdam en schrijft daarover op 15 maart aan Potgieter: 'Gisteren avond heb ik de Bruid daarboven zien vertoonen. Een stel volmaakte Parijsche akteurs en aktrices zou dat stuk in zekeren zin weten te redden. Die van uw stedelijken schouwburg daarentegen hebben het, ik zal niet zeggen vermoord, (dit zou eene te hooge maat van vitaliteit kunnen doen onderstellen), maar afgemaakt. De min of meer komische tooneelen konden er zeer wel mede door; doch al het verheven bedoelde, was in één woord walgelijk' (De volledige briefwisseling van E.J. Potgieter en Cd. Busken Huet, uitgegeven door Jacob Smit. Groningen, 1972, dl. I, p. 201).

Er verschenen verder nog recensies van H.J. Schimmel in De Gids (1865, nr. 4, p. 465) en van M.P. Lindo in De Nederlandsche Spectator (8 april 1865, p. 108). Tegen latere recensenten die het stuk afkraakten, probeert n1. zich overigens wel te verdedigen in een voetnoot uit 1875 bij de Max Havelaar: 'Is de toon dien heden-ten-dage zekere publicisten tegen my aanslaan, wel in overeenstemming met den eerbied dien we gewoon zyn toe te kennen aan ancienneteit in rang? (...) Hoe ikzelf over die "Bruid" oordeel, is bekend, maar 't stuk is toch minstens even goed als de Emilia Galotti, als Kabale und Liebe, als de Minna von Barnhelm, als de larmoyante komedies en Lustspiele van Kotzebue, die nog altyd op 't repertoirc staan.' (noot 91, VW I, p. 344)

Bruinsma, Vitus Jacobus, 1850-1916, werkte na zijn promotie in 1875 als leraar te Leeuwarden (meisjesschool en gymnasium), nam in 1891 ontslag en verhuisde, met achterlating van zijn vrouw naar Gorredijk, waar hij ging samenwonen met Frederica Johanna van Uilkens (1854-1919). In samenwerking met haar bewerkte en vertaalde hij natuurkundige werken. Hij was van huis uit roomskatholiek, maar vervreemdde van de kerk tijdens zijn studie en werd vrijdenker. Hij was lid van de vereniging De Dageraad en werd in 1879 gekozen tot bestuurslid en redacteur van het gelijknamige tijdschrift; hiervoor bedankte hij echter. In 1880 richtte hij de Vereeniging tegen de kwakzalverij op, in 1881 was hij een van de oprichters van de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. Daarnaast was hij een voorman van de Sociaal Democratische Bond. Enkele artikelen in de radicale Sneeker Courant brachten hem in 1874 in correspondentie met M. Dit werd het begin van een langdurige vriendschap (Julius Pée verzamelde de brieven van 6 november 1874 tot 1 september 1886, in zijn Brieven van Multatuli aan Carel Vosmaer, R. Kallenberg van den Bosch en Dr. Vitus Bruinsma Rotterdam, 1942). Op i6 juli 1877 trouwde Bruinsma met Hilda Lucia van den Berg. Hoewel zij eerst wat 'schuwheid' toonde, aldus M. aan Bruinsma, werd na een logeerpartij bij M. en Mimi in juli van datzelfde jaar met haar het ijs gebroken (brief van M. aan Bruinsma d.d 15 juli 1877, VW XVIII, p. 692-693).

In maart 1878 logeerde M. tijdens een voordrachtentoernee bij Bruinsma in Leeuwarden (zie VW XIX, p. 307 e.v.). Hier kreeg hij van Mimi het bericht dat zij een kind had geadopteerd (*Wouter).

Met Versluys en Admiraal richtte Bruinsma in april van dat jaar *Tandem op, in 1882 was hij één van de ondertekenaars van het *Huldeblijk. In De Dageraad van 1892 (p. 7-31) publiceerde hij het artikel 'Ter gedachtenis aan Multatuli'. Fragmenten uit dit artikel zijn opgenomen in VW XVIII p. 693-694 en VW XIX p. 239, 307-308).

Brussel, In deze stad verbleef M. geregeld in de periode eind 1857 tot begin 1858. Hij woonde er in een kleine herberg genaamd *'Au Prince Belge', in de Bergstraat (Rue de la Montagne). Daar schreef hij begin 1858 zijn uitvoerige *Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste, die uiteindelijk na de Max Havelaar uitgegeven werd. In 1859 logeerde DD. opnieuw in dit etablissement. Hij werkte er bij *l'Indépendance Belge, verzorgde er de bewerking van zijn toneelstuk *De Bruid daarboven (toen nog getiteld 'De Eerloze') en schreef er de *Max Havelaar, die op 13 oktober van dat jaar voltooid werd.

Zijn vrouw Tine verbleef van 15 januari 1860 tot 30 maart 1866 in Brussel. Zij woonde er achtereenvolgens in de Antwerpsesteenweg 77 (Chaussée d'Anvers en in de Rue Trankaert boven een café, later in de Rue de Berlin nr. 31 (tegenwoordig Elzas-Lotharingenstraat) en tenslotte in de Rue Sans Souci, een wel zeer toepasselijke naam aangezien Tine daar woonde zonder geld of krediet. Opgejaagd door schuldeisers onder wie haar hospita, vluchtte Tine met Nonnie op 30 maart uit Brussel en vond onderdak op de zolder bij *d'Ablaing van Giessenburg in Amsterdam. Edu logeerde in die tijd bij de familie.

*Koning.

Buffel, of karbouw, het Javaanse rund dat gebruikt werd als trekdier. De buffel was voor de inlanders van zeer groot belang, met name in de landbouw. Daarom was het ook rampzalig dat de bevolking zoveel buffels ontnomen werden ten behoeve van de hofhouding van de regent. M. heeft deze betekenis aangrijpend beschreven in het verhaal van *Saïdjah en Adinda in de Max Havelaar. In de 'Brief aan de kiezers van Nederland', opgenomen in de Minnebrieven (VW II, p. 127), geeft M. een lijst van de in februari 1856 aan de bevolking van één district afgenomen buffels. Dat waren er in totaal 36. M. neemt dit als gemiddelde en berekent vervolgens dat er dus 240.000 buffels per jaar over geheel Java van de inlanders afgenomen worden, dat betekent 2.500.000 buffels, afgenomen van de Indische bevolking onder de regering van één gouverneur-generaal die zijn plicht niet doet. Erger nog acht hij de herendiensten en onbetaalde levering van allerlei zaken (*Parang Koedjang). M. gelast ieder die Duymaer van Twist ziet, in zich zelf te mompelen: 'Eén buffel! En ik veroordeel U tot bewustzyn d t men 't mompelt... ja, ik gelast u het ná te zeggen in uw binnenste.' (VW II, p. 131).

Deze lijst is gebaseerd op een verslag van de geheime politie over Wira Koesoema, demang van Parang Koedjang (VW IX, p. 551-553). In het artikel 'De tienduizend buffels van Max Havelaar' van Frits Jaquet en Rob Nieuwenhuys (Het Oog in 't Zeil, jrg. 6, 1988-1989 nr. 1, p. 1-9) wordt deze lijst toegescheven aan de onbetrouwbare djaksa van Lebak, raden Astra Kesoema. In dat artikel is ook een verslag van een getuigenverhoor afgedrukt uit het rapport van *Brest van Kempen, waaruit zou blijken dat de door de demang van Parang Koedjang gevorderde buffels, vergoed werden.

Buitenissigheid, een door M. gevormd woord met de betekenis: 'buiten het zijnde'. Hij introduceert het woord in Idee 71: 'Natuur is alles. Wat er meer is, noemt men metaphysiek, bovennatuurkunde, d.i. buitenissigheid.' (VW II, p. 322). In Idee 178 schrijft hij: 'Men vraagt me, waarom ik zovele nummers wyd aan buitenissigheden? Eilieve, wanneer gy goederen te laden hebt in 'n vaartuig, en ge vindt dat vol, overvol... begint ge dan niet met lossen, reinigen, schoonvegen?' (VW II, p. 393-394)

De woorden buitenissig en buitenissigheid zijn in onze taalschat opgenomen en kregen de betekenis 'zonderling(s)' en 'vreemd(heid)'. Buitennissig, een veel voorkomende verschrijving, is welbewust door Lucebert gebruikt in het gedicht 'Een dichter dringt door tot de aarde' (Verzamelde gedichten, 1974, p. 424).

Buitenzorg (Bogor), gelegen ten zuiden van Batavia, de zetel van de gouverneur-generaal en van veel regeringsburo's. DD. vertoefde er onder andere in januari en februari 1846 en van eind 1855 tot begin 1856, wachtend op herplaatsing. Op de laatste periode slaat de mededeling van *Duymaer van Twist van 4 april 1882: 'Op de diners, of liever na de diners, waarop bij [DD. met zijn echtgenoote nu en dan werden genoodigd, had ik meertnalen met hem gesproken en had hij mijn sympathie verworven door zijn hart voor den inlander' (VW IX, p. 410).

Busken Huet, Conrad, 's-Gravenhage 1826 - Parijs 1886, vanaf 1851 predikant van de Waalse kerk in. Hij was aanhanger van het vrijzinnig 'modernisme', nam steeds meer afstand van het geloof en legde in 1862 zijn ambt neer. Hij verhuisde daarna naar Bloemendaal, waar hij tot zijn vertrek naar Indië in 1868 woonde. Hij werd redacteur van de *Opregte Haarlemsche Courant en van *De Gids. In 1865 trad hij af als redacteur van het laatste blad, in verband met twee (anonieme) artikelen van zijn hand die onenigheid hadden veroorzaakt in de liberale Gids-redactie. Het eerste artikel, 'Een avond aan het hol', behelst de veroordeling van de almanak Aurora in de vorm van een gefingeerd gesprek tussen koningin Sofie en haar hofdames, hetgeen vooral in Haagse kringen onbehoorlijk werd geacht. M. maakt een ironische toespeling op dit artikel in Pruisen en Nederland (VW IV, p. 32). Het tweede artikel, 'De Tweede Kamer en de Staatsbegrooting' houdt een veroordeling in van de parlementaire welsprekendheid, maar tevens van minister Thorbecke, hetgeen voor de mederedacteuren veel erger was.

In 1868 vertrok Busken Huet, op kosten van de Nederlandse regering, naar Indië waar hij gedurende vier jaar redacteur van de Java-bode was. Van een aanhanger der liberalen was hij inmiddels geworden tot een pleitbezorger van het *Cultuurstelsel en van de conservatieve partij. Hij richtte in 1872 het Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië op. In 1876 keerde hij naar Europa terug en vestigde zich in Parijs, waar hij tien jaar later overleed. Busken Huet geldt als één van de voornaamste literaire critici van de negentiende eeuw. De Franse critici Sainte-Beuve en Taine waren zijn voorbeelden. Zijn kritisch oeuvre op dit terrein is gebundeld in de Litterarische Fantasiën en Kritieken (25 dln., 1873-1903).

In 1890 verzorgden zijn vrouw en zoon een selectie van zijn Brieven in twee delen. Drie delen Brieven aan Potgieter werden in 1926 uitgegeven door Albert Verwey. In 1973 verscheen de Volledige briefwisseling van E.J. Potgieter en Cd. Busken Huet, 1859-1870, uitgegeven door Jac. Smit.

Gedurende enige jaren was Busken Huet een correspondentievriend van M. Deze richtte zich voor het eerst tot hem in september 1864, met de vraag waarom zijn werk niet in De Gids besproken werd. De toen juist verschenen eerste aflevering van de tweede bundel Ideën, de brief aan de mevr. Pruimers, was hem zelfs ongelezen door de redactie geretourneerd. M.'s brief is niet bewaard gebleven, maar het interessante antwoord van Busken Huet wel: 'Ik heet wel mede-redacteur van den Gids, doch feitelijk ben ik weinig meer dan mede-arbeider. (...) Mogten er onder de redactcuren van den Gids - mij is daarvan nooit iets gebleken - enkelen gevonden worden die tegen u vooringenomen zijn, met mij zelven is zulks geenszins het geval. Ik stel prijs op hoogachting van alle onafhankelijke mannen; ook op de uwe; en indien Gij voort wilt gaan met mij, ten blijke uwer bij alle verschil van meening welwillende gezindheid, uwe geschriften toetezenden, zal ik die toezending weten te waardeeren.' (VW XI, p. 383-384)

In mei 1866 behoorde Busken Huet tot de ondertekenaars van de circulaire (*Multatuli-Commissie 2) die ten doel had geldelijke steun te verwerven voor Tine en de kinderen (VW XI, p. 602-604). Tine wilde aanvankelijk met dit geld naar Indië vertrekken. Uiteindelijk werd haar vriendin Stéphanie Omboni-Etzerodt in Italië noodgedwongen haar reisdoel. M., die in grote armoede met Mimi in Koblenz verbleef, kreeg lucht van deze inzameling en vroeg Busken Huet in een brief om opheldering (6 juli 1866, VW XI, p. 622 e.v.). In dezelfde brief bedankt hij hem voor de ƒ 25,- die hij had ontvangen. Busken Huet stuurde hem op 9 juli de circulaire betreffende de Multatuli-Commissie, waar M. niet mee ingenomen was, aangezien hij weer eens afgeschilderd werd als de man die zijn gezin niet kon onderhouden en niet met geld om kon gaan. Busken Huet vermeldt in het begeleidend schrijven verder dat hij, n.a.v. de door M. in de vorige brief gemaakte opmerkingen over de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog, de directie van de *Opregte Haarlemsche Courant had voorgesteld om M. te benoemen als correspondent 'voor eene reeks berigten van den Rijn' (VW XI, p. 626). De eerste afleveringen werden door Busken Huet samengesteld uit de brieven van M. Daarna kwamen de *'Van den Rijn-berichten' rechtstreeks van M. Busken Huet drong al snel aan op kortere, objectievere berichtgeving: 'Ik bid u, geeft den tijd om kort te zijn. (...) Zend ons éénmaal, hoogstens tweemalen 's weeks, in een kort bestek, uwe opmerkingen, en laat daaruit weg al hetgeen uzelven wedervaren is. Objectief, objectief, objectief: nous ne sortons point de l....' (20 juli 1866, VW XI, p. 635)

M. voerde uiteindelijk de gefingeerde *'Mainzer Beobachter' op als bron voor zijn artikelen. Uit de correspondentie in deze maanden blijkt hoe afhankelijk M. was van de steun van Busken Huet. Deze schreef op 15 augustus aan zijn vriend Potgieter: 'Illusiën heb ik niet omtrent dien man ; alleen maar, ik kan het denkbeeld niet uitstaan, dat onze nieuwe hond Veldheer geen honger lijdt, en Multatuli wèl.' (VW XI, p. 661)

Op zijn beurt heeft M. Busken Huet ook een dienst bewezen. In december 1867 bracht hij hem in contact met *Rochussen en daardoor met minister *Hasselman. Busken Huet had namelijk gesolliciteerd bij de Java-bode en wilde naar Indië, maar had geen geld voor de overtocht. In dezelfde tijd was M. bezig met plannen tot steun aan het conservatieve kabinet Heemskerk-Van Zuylen, dat politiek wankel stond. Hij wilde voorkomen dat de liberalen met hun plannen voor Vrije Arbeid weer aan de macht zouden komen. Hiertoe had hij contact opgenomen met oudminister en oud-gouverneur-generaal Rochussen, die wel leek te voelen voor M.'s medewerking en ook zinspeelde op een benoeming voor M. bij het ministerie in Den Haag. In die plannen kon Busken Huet een belangrijke rol spelen, als journalistieke verdediger in Indië van dezelfde politieke idealen. M. schrijft hem dat hij Rochussen de volgende aanbevelingen geschreven heeft: '"de heer Huet is een man van geweten en zou niet te bewegen zyn eene verbetering zyner positie aantenemen ten koste zyner overtuiging." "(...) Ik behoef Uwe Exc. niet te wyzen op het groot gewigt dat iemand van zyn talent in de schaal werpen zou. Hy is meer dan opgewassen tegen de advokatenpraatjes der 'baren' op de hoofdplaatsen die de andere Couranten redigeren."' (21 december 1867, VW XII, p. 572)

Uiteindelijk leverden de onderhandelingen M. niets op, maar Busken Huet wist via Rochussen in contact te komen met minister Hasselman en op diens voorspraak ƒ 2967,50 los te krijgen. Hij kreeg van Hasselman de opdracht mee de aanvallen van de (liberale) Indische pers op de regering 'te breidelen'. Ondanks aandringen van M., zweeg Busken Huet over deze onderhandelingen: 'lk wacht nog altyd eenig berigt over uw bezoek van... 26 December. Dàt ge bij R. geweest zyt, weet ik. Dàt ge later weder naar Den Haag zoudt gaan, schreeft ge me ook. Ik doe een beroep op uwe loyauteit om te beoordeelen of ik al of niet eenig zedelyk regt had iets over het verhandelde te vernemen?' (12 februari 1868, VW XII, p. 675-676)

Ook toen M. in het voorjaar een nacht bij Busken Huet in Bloemendaal logeerde, kwam het onderwerp niet ter sprake. Een half jaar later, toen Busken Huet inmiddels in Indië zat, maakte minister De Waal de officiële documenten openbaar. Door zijn liberale vrienden werd Busken Huet van verraad van zijn beginselen beschuldigd. M. deed dat niet, maar verbrak wel elke betrekking met hem. Zijn 'vriend' had verzuimd om met hem aan een groter plan te werken. Vandaar dat hij nooit heeft gereageerd op de laatste brief die Busken Huet hem uit Indië schreef op 18 december 1868 (VW XIII, p. 262 e.v.), toen hem ter ore was gekomen, dat de toedracht rond de onderhandelingen in Nederland was geopenbaard.

In 1866 schreef M. hem: 'lk kan waarlyk best tegen kritiek (als gy me eens wilt havenen, zult ge 't zien) en ben op dàt punt volstrekt niet prikkelbaar.' (4 september, VW XI, p. 675)

Het eerste artikel van Busken Huet over M. gaf dan ook weinig reden om geprikkeld te raken: het was een uiterst lovende kritiek van Pruisen en Nederland. Hij noemt M. hierin de 'virtuoos van het sarkasme' en maakt er de bekende vergelijking tussen de Max Havelaar en de Camera Obscura (*Beets). De recensie verscheen onder de titel 'Bemoediging' in het tijdschrift Nederland (1867, I, p. 320-335) en werd nog in datzelfde jaar, onder de titel Multatuli uitgegeven als brochure bij C. van Helden (Litt. Fant., II, p. 200 e.v.; VW XII, p. 182). Vanuit Indië volgden recensies van Over Specialiteiten (1871, Litt. Fant., XV, p. 139; VW XV, p. 19) en Vorstenschool in de Java-Bode (1872, Litt. Fant., 16, p. 35; VW XV, p. 446). Vooral deze laatste recensie was veel minder positief.

In 1885 publiceerde Busken Huet een bijdrage over M. in Onze hedendaagsche letterkundigen (red. Jan ten Brink; 1883-1887). Deze bijdrage was in afleveringen eerder verschenen in het Algemeen dagblad van Nederlandsch Indië (tevens opgenomen in zijn Litt. Fant. XXII, p. 127 e.v.). Hierin nam hij een deel op uit de *Losse Bladen en van het zogenaamde Dagboek van M. (*dagboek 1.), beide overgenomen uit de '*Brief aan A.C. Kruseman' (Menado, 1851). M. schrijft hierover op 8 januari 1886 aan R.J.A. Kallenberg vast den Bosch: 'Die Huet (verlegen om kopie zeker) heeft goedgevonden 'n stuk saamteflansen over my, en hy gebruikt daartoe brokken uit brieven en andere schryvery (grootendeels uit m'n jeugd, NB!. Iets er van, dateert van1842. En ook 't andere is heel oud.) Voelt ge hoe zoo'n handelwyze alle vertrouwelykheid in brieven belemmert?' (VW XXIII, p. 544)

Toen Busken Huet hem enkele maanden later die 'zogenaamde biografie' met vriendschappelijke groeten aanbood, weigerde M. hem te antwoorden, aldus schrijft hij aan C. Vosmaer: 'Niets ware me makkelyker dan B.H. te verpletteren. Maar ik heb er geen lust in. Zeker heer Van Eybergen Santhagens schreef eens: "Met B.H. wensch ik geen andere aanraking te hebben dan door middel van de punt van m'n laars". Welke reden die heer had voor deze uiting, weet ik niet, maar wel dat ik ze tot de myne maak.' (5 april 1886, VW XXIII, p. 579)

Dezelfde aanhaling van de woorden van Eybergen Santhagens vinden we in de brief aan G.L. Funke d.d. 8 december 1878, waarin M. n.a.v. enkele artikelen van Busken Huet in Nederland schrijft: 'Ik weet niet of ge weet hoe ik Huet ken? Van 'n zeer ongunstige zyde. Toch prees ik hem wat z'n kritische methode aangaat, en hiermee had ik dan vooral het oog op de zeer algemeene manier van mooi- of lelyk-vinden zonder motiveering. Maar dit sluit geenszins in zich

dat ik z'n dikwyls slordige taal, z'n hinkende wyze van uitdrukking, z'n affektatie, z'n onzuiveren redeneertrant zou goedkeuren. (...) In 't kort, ik moet zorgen dat m'n aanpryzing in bundel VI [van de Ideën] niet van wyder strekking worde dan m'n bedoeling was. (...) Nu ik weet dat die stukken van Huet zyn, lees ik ze anders, en ik vind de oude fouten en knoeieryen.' (VW XIX, p. 614-615)

Zelfs aan het eind van 1886 was zijn woede nog niet afgenomen, zoals blijkt uit een brief aan Marie Berdenis van Berlekom: 'De man weet nagenoeg niets van m'n leven, maar dat kan zoo'n métier-schryver, zoo'n artikel-fabrikant niet schelen.' (10 december 1886, VW XXIII, p. 753)

Busken Huet erkende M. als de oorspronkelijkste schrijver van zijn tijd (Litt. Fant. XXII, p. 164.). Hij prees de Max Havelaar en noemde het boek 'onvergelijkelijk in zijn soort'. Kritiek had hij op sommige van de Ideën: 'Waar Multatuli niet voortreffelijk of niet goed is, daar is hij veeleischend en subtiel, en wordt hij door subtiliteit vermoeijend en langwijlig.' (Litt. Fant., XXII, p. 163)

M. heeft zich op zijn beurt zowel positief als negatief uitgelaten over de literaire arbeid van Busken Huet. Over Busken Huets eerste roman Lidewyde (1868) geeft hij een vernietigend oordeel in een brief aan Feringa d.d. 4 juni 1872: 'Ik heb nooit iets begrepen van wat men over Lidewyde geschreven heeft. 't Komt my voor, dat zelfs zy die 't meest tegen dat ding te-velde trokken, het te veel eer bewezen. Ze hebben 'n inktvlek voor 'n teekening aangezien. Het komt my zeer karakteristiek voor, dat niemand de genesis van dat boek geanalyseerd heeft. 't Is een mismaakt uitwas van fatsoenlyk ingehouden wellust, op frazen gezet. Ik zie kans, de psychologische wording van 't boek, vry nauwkeurig te beschryven. De ware titel is: "Deftig uitstapje naar 'n naakte vrouw, of zwynery zonder toebehooren." "Zonder toebehooren." Ja, want de heele inkleeding is onwaar, slecht geteekend, onbekwaam. Er is iets jongensachtigs in Huet's dévergondage [=schaamteloosheid]. Men kan 't hem aanzien, dat hy geen model had, noch van buiten zich, noch in zich! Hy spreekt van... hooren-zeggen. "Die franschen maken zulke aardige boeken met wellust... kom, ik zal ook eens 'n aardig boek maken met wellust!" Net andersom als de brave Hollandsche critici, geef ik aan Huët een testimonium van prudhommie [=fatsoenlijkheid]! Als z'n vrouw sterft, kan Groen v. Prinsterer hem z'n dochter geven. De Lidewyde stinkt van burgerlijke, onartistieke jan klaassige houterigheid. De lezer komt op 'n naakte vrouw terecht, nu ja, d t was afgesproken tusschen Huet en auteur, maar hoe? (VW XV, p. 240-241)

Met de kritiekbeoefening in de Litterarische Fantasiën kan hij het eens zijn, hoewel Busken Huets mening lang niet altijd met de zijne overeenkomt, aldus schrijft hij in Idee 1197a: 'Wat de fantasieën van Busken Huet aangaat, dát is Kritiek! De heer Huet bepaalt zich niet tot de communicatie, dat zeker stuk hem al of niet behaagt (...) hy behandelt 'n schryver. (...) Onder de Litterarische Fantasieën", zyn kunstjuweeltjes' (VW VII, p. 312).

In een noot uit 1877 bij Idee 1268a schrijft hij over diens Nederlandsche Belletrie (3 dln., 1876): 'M'n oordeel over de daarin vervatte Kritiek is over 't geheel zeer ongunstig, en dit doet me leed.' (VW VII, p. 599).

Aan het eind van datzelfde jaar schrijft hij P.A. Tiele: 'Nu, om licht te verspreiden schryft Huet dan ook niet. Men moet al tevreden zyn als hy 't clair-obscur niet stikduister maakt. De expectoraties van Huet doen me altyd denken aan 'n dievenlantaarn... in den zak van 'n overjas. Ik kan er niet by zien. 't Kan aan my liggen, want ik hoor dat vele anderen gelukkiger zyn, of... zich gelukkiger voordoen.' (9 december, VW XVIII, p. 764)

Feller nog uitte hij zich in Over Specialiteiten, waar hij in hoofdstuk MXIII een bijzondere specialiteit behandelt, namelijk 'de gewezen dominees die overgingen in de schryvery' (VW V, p. 625). Hij noemt hierin 'de gewezen theologant' Busken Huet, aangezien deze had geschreven dat geen enkele vorm van studie de vrij beoefende theologie overtrof. 'Dat gaat de schreef van 't verdraaglyke voorby', was M.'s reactie (VW V, p. 626). In een noot uit 1879 voegt hij hieraan toe:

'maar nu eenmaal in m'n zesden bundel Ideën 't ongeluk gehad hebbende z'n kritische methode aan te pryzen - in tegenstelling namelyk van 't gebruikelyke ongemotiveerd mooi- of lelyk-vinden - moet ik me waarborgen tegen de verdenking dat ik party-trekvoor z'n taal, z'n wyze van uitdrukking, z'n betoogtrant, z'n meningen over Kunst, Letterkunde, Moraal, Poëzie en... meer nog, helaas, al noemde ik reeds veel. Het meeste werk dat de heer Huet in den laatsten tyd geleverd heeft, is kopie for the million en zelfs als zodanig vry slecht.' (VW V, p. 650-651)

Hier wordt duidelijk M.'s mening over de schrijver-criticus verwoord. De manier waarop deze de diverse schrijvers 'behandelde' keurde hij goed, diens literaire oordelen waren echter niet de zijne. Volkomen oneens was hij het bijvoorbeeld met Busken Huets oordeel over C. Vosmaer, dat deze geen dichter was (noot uit 1876 bij Idee 731, VW IV, p. 691; ook in Idee 1197a, VW VII, p. 313).

Busken Huets stijl verafschuwde M. Hij beschuldigt hem in een brief aan Taco de Beer uitdrukkelyk van medeplichtigheid aan het taalbederf waarin onze couranten en hun "onz' eigen correspondenten" zoo virtuozelyk 't byna onmogelyke leveren.' (1 mei 1883, VW XXII, p. 600).

Over Busken Huets Nederlandse vertaling van Sa majesté l'argent (1877) van X.A. de Montépin (Ned. vertaling: De Koning der Eeuw) schrijft M., zonder die echter gelezen te hebben, op 22 november 1879 aan S.E.W. Roorda van Eysinga: 'te oordelen naar ander werk van hem, zal 't hollandsch ellendig zyn, beneden 't geen men vorderen kan van 'n schooljongen van twaalf jaar! Meen niet dat ik hier te veel zeg. De haren ryzen te berge by z'n gallicismen!' (VW XX, p. 129)

*Coquerel

Bijbel, de, wordt door M. vele malen in zijn Ideën ter sprake gebracht. In Idee 437 noemt hij het een boek, 'dat onovertroffen is in schandelyke taal en walgelyke vuiligheden. Wie 't ontkent, heeft nooit dat boek gelezen' (VW II, p. 637). Hij wijst op de geschiedenissen van Abraham, Lot, Jacob, Juda, Delila, Judith, Rachab en Bathseba en vraagt zich af met welk recht men de werken van *De Sade, *Pigault-Lebrun of *Paul de Kock uit zijn huis weert, als men zijn dochters wel deze geschiedenissen in handen geeft. Het gebruik van de bijbel als 'zogenaamd-heilige Schrift', het 'ware enige richtsnoer waarlangs men "het goede" bereiken kan', keurt hij af. Bijbeluitleg in de vorm van verdraaien en aanvullen van de tekst is puur bedrog: 'Dat er (...) hier en daar lessen voorkomen, die de behartiging waard zyn, kan niet ontkend worden. Het tegendeel is dan ook niet te verwachten in een zo veelkleurige verzameling.' (Idee 925, VW IV, p. 669-670)

In Idee 903 heeft hij zich dan al beklaagd over het nog altijd letterlijk opvatten van de bijbel in tegenstelling tot de profane *mythologie. De symboliek, aldus schrijft hij, van een verhaal als bijv. de verleiding van Danaë met behulp van de gouden regen, is iedereen duidelijk: 'Waarom gebruiken wy niet een gelyke maat van ge zond verstand tot het ontkleden van den bybelsen God, van de bybelse parabelen ?' (VW IV, p. 640)

Over 'Waarheid in legende' en de schoonheid van het Adam en Eva-verhaal in Genesis handelt Idee 517 (VW III, 287-292). In Idee 888 schrijft M.: 'Onze Genesis, als sprookje beschouwd, is volstrekt niet lager soort dan vele andere. (...) Er is drama in, namelyk expositie, spanning en tragische ontknoping' (VW IV, p. 617-618)

In de Ideën 904-906 (VW IV, p. 641-647) vergelijkt hij de scheppingsgeschiedenis van Ovidius met die uit Genesis. De minderwaardige rol van de vrouw in de bijbel wordt door M. ook enkele malen aan de kaak gesteld, met verwijzing naar Mattheus XIX (Idee 182, VW II, p. 400) en Richteren XIX (Idee 188, VW II, p. 406-407) In Idee 183 schrijft hij dat de vrouw in de bijbel 'niets, niets, volstrekt niets' is. 'Elders worden haar rechten miskend, om alleen te spreken van haar verplichtingen.' (VW II, p. 401).

In Idee 183 (VW II, p. 401-404) geeft M. een nieuwe lezing van 'Mattheus XIX: 10-46. In Idee 196 merkt hij vervolgens op: 'Zou er ook misschien 'n fyne - neen, een zeer grove - ironie liggen in Mattheus XIX? Parbleu... daar hebben we 't! Jezus doelde op de wenselykheid van 't uitsterven der kappellui. Larochefoucauld heeft gelyk: men moet geen tekst afkeuren, zonder dien van alle kanten bekeken te hebben. Nu zie ik in, waarom de kappellui van dien tyd, Jezus' bedoeling niet verkozen te begrypen (...) Ik laat dus Mattheus XIX in z'n geheel, en doe afstand van m'n voorgestelde nieuwe lezing. 't Was ook dom van my, te menen dat ik hem kon verbeteren, of de vertalers, of de overschryvers... ik zal 't nooit weer doen. En... zie eens die schriftuitleggende werking myner Ideën: Nu wordt ook dat donkere zevende hoofdstuk uit den brief aan de Corinthers duidelyk. Wat me daarin vroeger schandelyk voorkwam en vuil, vertoont zich nu rein en verheven. Wel zeker is branden beter dan kappelteelt, wel zeker! Paulus had groot gelyk. Hy zegt, in wat meer woorden, en met wat omslag, 't zelfde wat ik in den Havelaar m'n vriend Droogstoppel toeriep. Alleen gaat hy verder dan ik. Hy is radicaler. Ik laat maar één persoon stikken, en in de aangehaalde teksten wordt 'n heel ras uitgenodigd om weg te blyven. Ik mag dat wel... dát noem ik entiérisme!' (VW II, p. 410-411)

In Idee 431 (VW II, p. 633) laat hij een vrome zeggen: 'Ik ontbyt met Ezechiël', en hij legt in een noot uit dat het hier hoofdstuk 4 vers 12 betreft, waar sprake is van een gerstekoek die met drek gebakken is. Hij tekent hierin verder aan dat het niet zo smerig is als het klinkt (en als Voltaire dacht), omdat de drek gediend zal hebben als brandstof (VW II, p. 725). Een andere vrome merkt op: 'Ik lees alle dagen in 'n boek dat hond noch kat verstaan kan. Als-i daarmee niet gediend is, verklaar ik hem voor zeer exigent' (VW II, p. 633).

Herhaaldelijk trekt M. van leer tegen de moderne dominees (*moderne theologie), zoals Zaalberg, die de bijbel niet aannemen als Gods eigen heilige woord, maar die er wel uit preken (Idee 454, VW III, p. 187-221).

In Idee 107l prijst hij de bijbel omdat dit boek oprechter geschreven is dan veel negentiende-eeuwse werken, die zogenaamd geestig zijn door dubbelzinnig taalgebruik: 'In den bybel, die zoveel heerlyke modellen bevat van alle soorten van litteratuur - het geestige vooral niet uitgesloten - komt geen enkel gezegde voor dat door dubbelzinnigheid tot lachen opwekt. De oorzaak ligt in de oprechtheid waarmee daarin alles by den naam genoemd wordt. De naieve schryvers maakten van den byslaap zo min 'n mysterie als van eten en drinken' (VW VI, p. 720)

In een noot bij Idee 925 schrijft hij dat de 'literarische schoonheid van sommige stukken in den Bybel' niet te overtreffen is. De christenen slaan hier echter geen acht op, terwijl de moraal die ze zo eren 'byna doorgaand infaam' is (VW IV, p. 670).

*Woutergeschiedenis *christenen *Jezus *Job *Tien Geboden