Museum

In het Multatuli Huis, het geboortehuis van de schrijver, vindt u zijn belangrijkste meubels, gebruiksvoorwerpen en zijn boeken. Het is alsof de schrijver elk moment kan binnenlopen om de pen weer op te nemen. Regelmatig wordt er een nieuwe tentoonstelling ingericht.

Kenniscentrum

In de studieruimte van het Multatuli Huis valt een rijke documentatie van en over Multatuli te raadplegen. Hieronder vindt u een overzicht van de aanwezige archiefstukken. Ook kunt u online een selectie uit de Multatuli Encyclopedie bekijken en de inhoudsopgave van het tijdschrift Over Multatuli/ Jaarboek Multatuli, zie rechtsonder. Meer informatie: mail de conservator, Klaartje Groot (info@multatuli-museum.nl).

Zie ons profiel en jaarverslag op http://anbi.federatiecultuur.nl

Multatuli als borstbeeld

Idee 247: Toen ik laatst droomde dat ik van steen was, en als borstbeeld in 'n museum van grote mannen logeerde, kwam myn moeder: 'Arme jongen,' zei ze, 'wat heb je toch gedaan! Heb ik je dáártoe opgebracht!'   Och, 't was zo koud in dat Pantheon!  (Ideën, eerste bundel, Volledig Werk, boek II, p. 459)

A

Aan de stemgerechtigden in het kiesdistrikt Tiel, open brief, geschreven door M. in oktober 1860 en gepubliceerd als Indrukken van den dag, medegedeeld door Multatuli nr. 2 (Arnhem, 1860; VW I, p. 431-449).

M. schreef deze brief naar aanleiding van zijn kandidatuur voor *Tiel. De open brief begint als volgt: 'Ik heb myn wens te kennen gegeven, om te worden in aanmerking gebracht by de aanstaande verkiezing van een lid der Tweede Kamer voor Uw Distrikt, en gevoel my verplicht U de redenen meê te delen, die my tot dien wens bewegen.' (VW I, p. 433)

M. vraagt de lezer vonnis uit te spreken in het geding tussen hem en het ministerie van Koloniën.

Hij schrijft verder niet te strijden tegen personen, maar wijst wel op de onbekwaamheid van de huidige gouverneur-genecaal *Duymaer van Twist. Hij informeert de lezers over de misslagen van deze gouverneur-generaal en verzekert het zijne te willen doen om een einde te maken aan de gruwelen in Indië.

Hij neemt in deze brief zijn artikel uit de Amsterdamsche Courant (1859) op, dat hij geschreven had bij de dood van kamerlid *Stolte, alsook de *'Brief aan de kiezers te Amsterdam'.

Hij besluit de brief als volgt: 'Toen ik de medegedeelde stukken schreef, had ik my zelf niet verkiesbaar gesteld. Integendeel had ik een door voortvarende vrienden gestelde kandidatuur laten terugnemen. Ik was op dien ogenblik niet gereed, om niet gekozen te worden: de Max Havelaar was niet verschenen. Ik wilde namelyk niet dat het afwyzen van myn beroep op de kiezers, een gevolg wezen zou van onbekendheid met myn persoon. (...) Ook in politieke geloofsbelydenissen heerst veelal leugen voor. Ik weet dit, en waarschuw u daarvoor. De proef is zeer eenvoudig. Men vrage niet: «wat zegt gy?» Men vrage: «wat hebt gy gedaan?» En met deze eenvoudige opmerking sluit ik dit eerst beroep op het volk van Nederland.' (VW I, p. 448-449)

Ondertekend: 'E. Douwes Dekker Op verzoek eervol ontslagen Adsistent-Resident van Lebak'. Hij kreeg op 16 oktober slechts 9 van de 945 stemmen.

Aan het Volk van Nederland, een beroep op het volk in Idee 290 (VW II, p. 482-486). M. stelde zich in 1862 verkiesbaar voor de Tweede Kamer. Een programma had hij niet, hij minachtte namelijk 'die zogenaamde partyen in den Staat, of liever ik erken die partyen niet'. Al hij gekozen wordt wil hij de minister vragen wat deze gedaan heeft om 'al de ellendelingen af te straffen, die den Javaan (ook thans weer) periodiek laten hongeren?' (VW II, p. 484). Aan de Kamer zal M. vervolgens rekenschap vragen van 'al de ellende die de verrotte politiek der laatste jaren heeft teweeggebracht ginder, en voorbereid hier!' (VW II, p. 485).

Aan het volk vraagt hij om hem te steunen in zijnstrijd tegen het onrecht in Nederlands-Indië: 'Nederlanders, leest gy de couranten niet? Staat er niet duidelyk te lezen, dat er wederom hongersnood is op Java? (...) Honger en zeeroof? En hier spreekt men van consignatie! En de dagbladschryvers wawelen van stelsels! En de Kamerleden van *Maas-aftapping!'

De oproep in de Ideën wordt gevolgd door de oproep 'Aan de Lezers myner Ideën', een beroep op dat gedeelte van de natie «dat nog niet geheel is verleugend»'. M. schrijft hierin dat hem de roeping is opgelegd om 'een einde te maken aan de schande der Natie'. Men kan hem hoogmoed verwijten, maar hij meent juist hoogmoed à la *Curtius, *Cambronne en *D'Assas - die zichzelf hebben op geofferd -, nodig te hebben om zijn taak ten uitvoer te kunnen brengen (VW II, p. 487).

Aantekeningen, 1.geplaatst in de vierde druk van de Max Havelaar, de eerste door M. zelf gecorrigeerde druk (Amsterdam: G.L. Funke, 1875), en in de vijfde druk, die in 1881 'herzien, gewyzigd en aangevuld' bij Uitgeversmaatschappij Elsevier verscheen. De laatste aantekening luidt: 'Volgens de laatste berichten uit Indiën is Lebak een woesteny. Gehele dorpen zyn uitgestorven. (Nieder-Ingelheim, augustus, 1881)' (VW I, p. 297-376). Ook bij de herdrukken van de meeste andere werken voegde M. in de loop der jaren 'aantekeningen en ophelderingen' toe.

2.de door M. gemaakte aantekeningen gedurende zijn 'smartelyke Odyssee', nl. de tijd na Lebak (Idee 951, VW VI, p. 147-148; *Odyssee). Door het verloren gaan van deze aantekeningen ('De lyst der onderwerpen in Sjaalmans pak (...) is grotendeels uit het geheugen opgesteld, en zeer onvolledig.'), was hij genoodzaakt zich 'te bepalen tot noten van vry laten datum' (Idee 957, VW VI, p. 252-253).

Ablaing van Giessenburg, Rudolf Charles d', 26 april 1826 - 13 maart 1904, geb. te Amsterdam, aangegeven als Rudolf Carel Meyer (hijzelf spelde Meijer; zie hierover Over Multatuli, 1979, nr. 3, p. 57), buitenechtelijk kind van een dienstbode, in 1861 officieel erkend als zoon van Johanna Maria d'Ablaing van Giessenburg. Op 18 april 1861 trouwde hij met

Josephine Maria A. Luken. D'Ablaing van Giessenburg was van 1847-1849 werkzaam te Batavia bij de firma Krelinger, Dünler & Co en de firma Maclean Watson & Co, sedert 1850 boekhandelaar en uitgever te Amsterdam onder de naam R.C. Meijer. In 1857 opende hij zijn reeks 'Boekerij der vrije gedachte' met een eigen vertaling van Voltaires Examen important de Milord Bolingbroke ou le tombeau du fanatisme (zie G.W. Huygens, 'Voltaire en zijn nawerking bij Multatuli', in: Over Multatuli, 1979, nr. 3, p. 44-46). Verder gaf hij in 1860 een derde druk uit van La France mystique ou tableau des excentricités religieuses de ce temps (eerste druk 1855) van *Alexandre Erdan en in 1864 Le Testament de Jean Meslier, Curé d'Etrepigny et de But en Champagne, décédé en 1733 (VW XI, p. 406-407). Zelf schreef hij de studie L'Evolution des idées religieuses dans la Mésopotamie et dans l' Egypte depuis 4400 jusqu'à 2000 avant notre ère over vergelijkende godsdienstgeschiedenis. Het eerste deel hiervan verscheen in 1889; het werk werd nooit voltooid. D'Ablaing van Giessenburg was verder oprichter van diverse tijdschriften, zoals de Verzamelaar (1852), *Omnibus (1865) en Recht door Zee (1883). Ook gaf hij werkjes uit als Curiositeiten van allerlei aard. Hij was lid van de vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux, waarin een aantal geloofstwijfelaars zich verenigd had.

In 1855 richtte deze loge het tijdschrift De Dageraad op, waarin M. in 1859 zijn 'Geloofsbelydenis' publiceerde. In 1856 werd d'Ablaing van Giessenburg voorzitter van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, die officieel geen binding had met het gelijknamige tijdschrift. Dat werd nog eens onderstreept door het feit dat d'Ablaing van Giessenburg in 1859

een eigen tijdschrift oprichtte, dat duidelijk radicaler van inhoud was, en zich meer met politieke zaken bezighield: de Tijdgenoot op het gebied der rede, gewijd aan de bevordering der kennis van de hedendaagsche wijsbegeerte, de leer der humaniteit en de emancipatie der vrouw. D'Ablaing van Giessenburg bleef tot 1864 voorzitter van de vereniging De Dageraad; hij werd opgevolgd door *H.H. Huisman. In 1861 gaf hij de brochure Max Havelaar! Een beroep op de Nederlandsche vrouwen uit. Onder het pseudoniem Hagiosimandre trachtte de journalist *G. Broens hiermee geldelijke steun te verkrijgen voor de noodlijdende schrijver M. In 1862 publiceerde d'Ablaing van Giessenburg - inmiddels bevriend geraakt met M. - diens geschrift Over vryen arbeid, vervolgens de eerste twee bundels Ideën (1862 resp. 1864), De Bruid daarboven (1864), de vierde druk van de Minnebrieven (1865) en Herdrukken (1865), waarin onder andere de Japanse gesprekken, Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb en De Zegen Gods door Waterloo zijn opgenomen. Van de laatste bundel kwam nog hetzelfde jaar een herdruk uit onder de titel Verspreide Stukken. Om de uitgave van de Ideën mogelijk te maken gaf Jan Douwes Dekker d'Ablaing van Giessenburg in 1862 een voorschot van ƒ 1000,- (VW XI, p. 79).

D'Ablaing van Giessenburg verzorgde verder nog enkele afzonderlijke uitgaven van o.a. Wijs mij de plaats. Als vlugschrift verscheen bij hem de Brief aan Mevr. P... (*Pruimers). In juni 1864 betrekt M. de zolder boven de zaak van d'Ablaing van Giessenburg in de Kalverstraat, waar hij snel en regelmatig aan de tweede bundel Ideën werkt, tot hij in oktober 1864 naar Parijs vertrekt om mee te helpen aan een Franse vertaling van de Max Havelaar die *E. Reclus zou verzorgen. Op 16 december is hij weer terug in Amsterdam, waar intussen de zolderkamer gerieflijk is ingericht door leden van De Dageraad, onder leiding van de reeds genoemde oud catechiseermeester Huisman en de timmerman Christiaanse. De relatie tussen M. en d'Ablaing van Giessenburg, die aanvankelijk kameraadschappelijk van aard was, verslechtert in deze tijd snel. M. komt zijn belofte om regelmatig vellen kopij te leveren niet na en d'Ablaing van Giessenburg - die zelf slecht bij kas is - kan hem niet langer geld aan geld helpen. Op 19januari 1865 schrijft d'Ablaing van Giessenburg aan D. Koning dat zij een hevige woordenwisseling gehad hebben en vervolgens overeengekomen zijn dat hij het eigendomsrecht zal kopen op alles wat hij van M. heeft uitgegeven tot en met de tweede bundel Ideën, vel 1-16, voor ƒ 600 meer dan de voorschotten bedroegen (VW XI, p. 432-433)- Verder zal M. in de toekomst ƒ 40 per vel kopij ontvangen. Het aantal intekenaren op de Ideën bedraagt op dat moment 694. In deze tijd vindt de rampzalige geschiedenis plaats met de te Brussel vervaardigde portretten (*portretten, verkoop van), die in de boekwinkel van d'Ablaing van Giessenburg verkrijgbaar waren, maar die door de (te) hoge verkoopprijs geen aftrek vonden.

D'Ablaing van Giessenburg begon zich meer en meer te ergeren aan het karakter van M., getuige de volgende aantekening: 'M. is een moderne Narcissus. Hij is zoo verliefd op zich zelf dat hij zijne gebreken als begaafdheden aanmerkt. (...) Bijna uitsluitend met zich zelf bezig bestaat het grootste gedeelte van zijn arbeid uit het likken van zijn portret en het oppoetsen van den breeden vergulden lijst dien hij zelf er om gemaakt heeft' (VW XIII, p. 33-34).

Als Tine in het voorjaar van 1866 uit Brussel moet vluchten, betrekt zij met haar dochter Nonnie op 29 maart de zolderkamer; M. bevindt zich op dat moment in Duitsland. D'Ablaing van Giessenburg moet grotendeels voor haar onderhoud zorgen tot zij 1 juli naar Milaan vertrekt.

Begin april 1866 stelt d'Ablaing van Giessenburg M. voor om diens opgelopen schulden te verrekenen met het leveren van kopij voor zijn nieuwe blad Omnibus. 'Stukken van uwe hand zouden het debiet van dit blad stellig genoegzaam bevorderen, om mij in staat te stellen, eerstens uwe schuld bij mijne vrouw en mij te delgen, en voorts in het bestrijden der kosten van woning en onderhoud voor uwe vrouw en Nonnie, voorloopig ten minste, te voorzien'. Hij voegt eraan toe: 'Er zijn gebreken en verkeerdheden genoeg op sociaal gebied dat ge niet beperkt behoeft te zijn in uwe keus of verlegen over een onderwerp' (VW XI, p. 574-575). M.'s honorarium zou hetzelfde bedragen als voor de afleveringen van de Ideën, namelijk ƒ 40,- per vel. M. toont zich in een brief aan Tine d.d. 4 april 1866 diep beledigd door deze 'chantage'; hij noemt d'Ablaing van Giesenburgs handelwijs 'infaam' en d'Ablaing van Giessenburg zelf een 'canaille'. Bovendien vindt hij het honorarium een lachertje. Hij noemt de Omnibus een 'voddig krantje' en vervolgt:

'Nu moet je weten dat die Omnibus volstrekt geen waarde heeft, en door myn medewerking waarde krygen zou. Als nu zoo'n krant daardoor een gevestigd blad werd, zou 't een zaak worden van duizenden (dat namelyk had ik zelf willen stichten als 't met de portretten niet zoo ellendig gegaan was.) Zyn voorstel is dus een ware afzettery. Hy weet zeer goed dat juist myn naam z'n onbekend krantje gewild maken zou.' (VW XI, p. 576-577)

M. verbreekt hierna het contact met zijn uitgever. De laatste brief die M. van hem ontvangt is een aanmaning om zijn schuld van ƒ 305,75 te betalen (16 januari 1867, VW XI I, p. 41). In 1870 verkoopt d'Ablaing van Giessenburg zijn Multatuli-fonds met de kopijrechten voor ƒ 5000; aan *G.L. Funke (VW XII, p. 66), een bedrag dat, aldus de laatste, 'mijn finantieele krachten ver te boven ging' (brief aan M. d.d. zo augustus 1871, VW XlV, p. 602).

In december 1870 schrijft M. aan S.E.W. Roorda van Eysinga dat hij hem helaas geen portret kan sturen aangezien de portretten in handen zijn van iemand 'die hem voor duizenden bestolen heeft' en hem desalniettemin aanmaant voor een paar honderd gulden (VW XIV, p. 263). Eveneens aan Roorda van Eysinga schrijft hij op 11 januari 1871: 'Wat van d'Ablaing komt, is gewoonlyk leugen. Dat oordeel kan ik verantwoorden, weisz Gott! Die kerel is een komiek modelletje van beroerdheid. Ik zal by gelegenheid zyn type eens schetsen. "Liberaal m'nheer!

Denk je dat ik wat om den zondag geef, den dag des Heeren ? Niets!" En... hy laat z'n bediende zeven dagen in de week werken, ter eere van 't Onbevlekt Liberalisme!' (VW XIV, p. 357)

Enkele jaren daarvoor had M. d'Ablaing van Giessenburg in zijn Ideën nog genoemd onder degenen 'die smaad verdragen om den wille der waarheid' (Idee 482, VW III, p. 230-231). *F.C. Günst (Lit. M. "P.J.A. MeerSmans", Rudolph Charles d'Ablaing van Giessenburg (Firma R.C. Meijer, Amsterdarn, Damrak 97) Persoonlijke herinneringen. Alsmede d'Ablaing's omgang met Multatuli (Ed. Douwes Dekker) in de jaren 1860-1866, geschetst uit beider nog onuitgegeven brieven en bescheiden, Amsterdam, 1904; Hidde R.J. van der Veen, 'Uit het kasboek van D'Ablaing', in: Over Multatuli, 1986, nr. 16, p. 54-70; T. Haan, 'Rudolf Charles d'Ablaing van Giessenburg', in: Woordenboek van Belgische en Nederlandse Vrijdenkers I, Brussel 1979, p. 29-61, Marja Keyser, 'De helse vruchtboom of hoe R.C. Meijer in het boekenvak terechtkwam, 1847-1857', in: De Boekenwereld, jrg. 10, 1994, nr. 3, p. 131-136. Portretten van d'Ablaing van Giessenburg zijn opgenomen in T. Haan, 'Enkele verspreide biografische dokumenten', in: Over Multatuli, 1978, nr. 2, p. 58 en in W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987, p. 220)

Abrahamsz, Anna, 1837-1908, dochter van M.'s zuster Catharina, zuster van Sietske, Catharina en Theo, ongetrouwd. M. schrijft Tine op 27 maart 1861 over haar: 'Anna is ten huwelijk gevraagd door een jongen dominé maar 't is afgesprongen ik geloof door haar weifelen. Zij weet niet wat zij wil. Ja, neen, neen, ja. Zij is gedecideerd de minste van de drie, zoowel in kennis als oordeel.' (VW X, p. 423)

Enkele dagen later schrijft hij: 'Die Anna is waarachtig in de war, ik geloof nu met Siet en Catharina dat er een streep doorloopt. Zij heeft mij een brief geschreven die wel lijkt te wezen van een kind van tien jaar. Dit is te meer opmerkelijk omdat Siet zoo bijzonder goed schrijft.' (wsch. 30 maart 1861, VW X, p. 427)

In 1860 stuurt M. Anna, die zelden met haar zusters en hem meeging naar het park, theater etc., zijn toneelstuk De Bruid daarboven om haar 'eenige verstrooijing te verschaffen' (VW X, p. 310).

De krankzinnig geworden dochter ('behoorlyk bebraafheid, begoddienst en behuishoud') uit Idee 209 (VW II, p. 421) is op Anna geïnspireerd (cf. brief van DD. aan Mimi d.d. 20-26 maart 1863, VW XI, p. 114).

Van Anna is in 1993 Journaal eener Oostindiesche Reis. De belevenissen van een tienjarig meisje in 1847 en 1848 (red. Leonoor Kuijk e.a.; met een inleiding en slotbeschouwing door Marc A. van Alphen; Amsterdam: Terra Incognito) verschenen.

Abahamsz, Catharina, 1835-1876, oudste dochter van DD.'s zuster Catharina, zuster van Anna, Sietske en Theo. Zij trouwde met de scheepskapitein Pieter Sorgdrager en kreeg twee zonen. Aan haar en haar zus Sietske las DD in 1861 zijn Wijs mij de plaats voor. Ook leerde hij deze beide zusters schaken. Aanvankelijk is hij zeer ingenomen: zij is een 'soliede opregte knappe meid, wij hebben haar miskend.' (brief aan Tine d.d., 27 maart 1861, VW X, p. 423).

Enkele maanden later schrijft hij Tine echter dat Sietske thuis, met name van Cataharina, veel narigheid ondervindt door haar omgang met hem: 'Catharina is in Den Haag geheel verkneed, en huilt over de verdorvenheid van Siet, ofschoon zij vroeger, even als Siet nu, klaagde dat haar vader zoo flaauw en vervelend was. Je hebt dan ook geen begrip van die gêne, die dorheid, die verveling.' (VW X, p. 499)

Abrahamsz, Cornelis, 1802-1879, geb. te Amsterdam, kwam in 1822 als stuurmansleerling op het schip Maria bij kapitein Engel Douwes Dekker, waardoor hij in vriendschappelijk contact met de familie Douwes Dekker kwam te staan. Dit leidde in 1832 tot het huwelijk met DD.'s zuster Catharina. Na haar dood in 1849 trouwde hij met Helena Elisabeth Onnen (1802-1879). DD. schildert diens gezin rond 1860 aan de Geldersekade te Amsterdam in de Minnebrieven als erg conservatief, bekrompen en verstikkend. Van 't Veer vermeldt in Het leven van Multatuli (1979, p. 22-28 en noot 22) Abrahamsz' angst voor DD.'s bemoeizucht (jaloezie) bij de opvoeding van zijn kinderen, als daterend van lang voor 1860. (Lit. zijn dochter Anna Abrahamsz publiceerde een Biographie van C. Abrahamsz jr. en het Journaal eener Oost-Indiesche reis; over Cornelisz Abrahamsz en de volgende leden van de familie Abrahamsz zie J. Pée, Multatuli en de zijnen, Amsterdam, 1937, p. 410-422)

Abrahamsz, Sietske Cornelisdr, 1842-1912, dochter van Multatuli's zuster Catharina. Zij maakte op 18-jarige leeftijd een grote indruk op M.: zij stond model voor *Fancy in de Minnebrieven (1861). M. leerde haar nader kennen in juli/augustus 1860, toen Tine en de kinderen - in grote armoede - in Brussel verbleven. Op 12 augustus 1860 schrijft hij Tine over haar: 'Ik ga nog al dikwijls naar de Abrahamsjes. Kees en vrouw zijn naar de Buthe. Cath. en Sietske alleen zijn tehuis. Die Sietske is een engel van een meisje, ik heb pleizier om met haar te spreken. Zij is lief en hartelijk.' (VW X, p. 283)

En op 17 september 1860: 'S. die ik voor een genie houd, of althans voor een bijzonder krachtige ziel. Ze is pas achttien jaar maar ze heeft een lip die wil... neen, ze heeft geen lip. Ze is puur leelijk uit overmaat van expressie in 't gelaat.' (VW X, p. 314)

Wanneer M. na een verblijf van ongeveer twee maanden in Brussel medio februari naar Amsterdam terugkeert, verandert zijn verhouding met Sietske in een liefdesrelatie, ondanks waarschuwingen van Tine en verzet van Sietskes vader en stiefmoeder.

Hij schrijft Tine op 27 maart 1861:

'Siet is heel hartelijk en zelfs hartstogtelijk. (...) Ik beken dat ik veel van haar houd. Tine, kind, hoe kan je zoo achteruitgaan? En ik zeg haar altijd dat je daar boven bent! (...) lk voel mij door het vurig gestel van Siet zeer aangetrokken want, noch voor haar, noch voor mijzelf, zoek ik deugd in flaauwheid van temperament, maar nooit heb ik u een haarbreed opgeofferd noch in mijne gedachten noch in mijne gesprekken.' (VW X, p. 423)

Vijftig jaar later publiceert Sietske haar 'Multatuliherinneringen' in het tijdschrift Nederland (dl. I,

1910, p. 73-94). Volgens haar mededelingen zou zij 'Hertogin van Sumatra' worden wanneer M. 'Keizer van Insulinde' werd: 'Eens mij alleen treffende, verklaarde hij me in een soort extase, Keizer te willen worden, en dat daarheen zijn politieke plannen leidden. Schriftelijk volgde uiteenzetting van de erfopvolging bij de inlandsche vorsten van Sumatra. Geen zoons of dochters erfden den troon, maar de zusters kinderen, en door Multatuli werd ik uitverkoren als Kroonprinses van Insulinde. Op de munt van 't nieuwe Keizerrijk zou de beeldenaar mijn kop

vertoonen. Voorloopig zou mijn titel worden: Hertogin van Sumatra' (a.w., p. 78). Zij vertelt dat haar vader en stiefmoeder weinig sympathie voelden voor 'de martelaar' en blij waren met diens voorstel de beide meisjes schaken te leren omdat daarbij niet gesproken werd. Over de brieven waarin M. zijn denkbeelden over godsdienst, staatkunde, zedenleer, vrouwenrechten enz. ventileerde, schrijft ze: 'Brieven en 't levende woord brachten me onder eene begoocheling die me bezielde met een geloof, dat bergen verzetten kon'. Verder vertelt ze dat M. het plan had om haar voor ƒ 100,- in de maand als secretaresse aan te stellen voor het blad dat hij samen met *d'Ablaing van Giessenburg zou gaan oprichten. Voor dat salaris zou zij bovendien een klapper op de Ideën vervaardigen. Van haar dertiende tot en met haar zestiende had Sietske een particuliere meisjesschool doorlopen, waar zij de latere multatuliaan A.S. Kok als leraar had. Multatuli stimuleert haar tot verder leren en zo behaalt zij haar akte tot onderwijzeres, een akte

Frans lager onderwijs, en het diploma van hulponderwijzeres. Deze rang stond tussen die van onderwijzer en hoofdonderwijzer in. Op catechisatie bij de doopsgezinde predikant Van der Goot, toont zij zich zo kritisch, dat ze geen geloofsbelijdenis mag afleggen. In 1863 vertrekt ze voor een stagejaar naar een Engelse school. Ze treedt daar op als 'pupil-teacher' voor Frans en piano. Tijdens haar verblijf daar ontvangt ze maar één brief van Multatuli, maar Tine schrijft haar regelmatig.

In 1864 keert zij naar Nederland terug, waar zij op 28 augustus als eerste vrouw lid van de vereniging *De Dageraad wordt (VW XI, p. 371). In oktober houdt ze enkele voordrachten over de emancipatie van de vrouw en nog in hetzelfdejaar bezoekt zij M., die op dat moment bij d'Ablaing van Giessenburg in de Kalverstraat woont. Zij wordt aangesteld als secretaresse voor ƒ 25 in de maand, wat ze slechts eenmaal ontvangt. Voor dit salaris zou zij de manuscripten van De Bruid daarboven en van de Woutergeschiedenis overschrijven.

In 1865 eist ze haar moederlijk erfdeel op, waarvan ze een deel aan M. schenkt voor een reis naar een Duitse speelbank met Mimi. Het overige geld brengt Sietske naar Tine in Brussel. Weldra is Sietske in Amsterdam terug, waar ze tweejaar lang als gouvernante werkzaam is bij *Koning, een vriend van Multatuli. Sietske vermeldt dat zij in deze jaren voorgoed het geloof in M.'s grootheid verloren heeft. In 1866 publiceert zij bij J.C. Schlömann, ongetwijfeld voor auteursrekening, Eene Dames-theevisite en Klaasje Zevenster. Zij ondertekent met S...A...Z. Zij vertrekt in 1867 als gouvernante naar Indië. In juli 1870 trouwt zij daar met dr. Georg Julius Wienecke, Duits legerarts in dienst van het gouvernement. In 1871 keert het echtpaar terug naar Europa, eerst naar Duitsland, maar als spoedig naar Nederland. Wienecke vestigt zich als huisarts in Aalten en later in Oosterbeek. Hij overlijdt in 1884. Van haar huwelijk en het overlijden van haar man stelde Sietske Abrahamsz M. niet op de hoogte.

Over de affaire *Bogaardt schrijft Sietske negen jaar na dato een brief aan M.'s zoon Edu, waarin zij hem tracht te troosten met de mededeling dat de hoofdcommissaris van politie zijn vader een 'formeel standje' gegeven heeft (cf. De Waarheid over Multatuli en zijn gezin, door 'De Schoondochter', 1939, p. 456).

Uit haar brieven aan Edu blijkt verder dat zij sterk tegen Mimi gekant was. In een brief van 30 augustus 1887 spreekt zij van 'de duivelsche Mimi'; Mimi was M.'s 'booze geest, die zich steeds storend op zijn weg had geworpen'. Van 'malle vrouwenjalouzie' was hier echter geen sprake, beweert zij eveneens in een brief aan Edu: met Mimi is zij steeds vriendschappelijk omgegaan.

Zij weigerde haar medewerking te verlenen aan de Brieveneditie van Mimi: zij schrijft al haar brieven 'op last van Dek te hebben verbrand' (J. Pée, Multatuli en de zijnen, 1937, p. 320; G. Stuiveling, 'Uit het Multatuli-Museum III; Een brief van Sietske', in: Over Multatuli, 1979, nr. 4, p. 55-57).

Over de Minnebrieven merkt zij in haar Multatuli-herinneringen (p. 83) op: 'Bij 't verschijnen der Minnebrieven werd 't me zonderling te moede, wordende ik ten tooneele gevoerd in klachten over 't ouderlijk huis en de stiefmoeder, meest foutief geteekend. Multatuli gebruikte mij tot 't voertuig zijner indrukken en heeft me soms woorden in den mond gelegd, die ik geschreven noch gesproken heb.'

Op 18-20 december 1903 schrijft Sietske Abrahamsz een lange brief aan haar oud-leraar Kok, die ook al leraar van haar zoon Alexander was geweest. Deze brief kan gelden als een ruwe schets van haar in 1910 gepubliceerde 'Herinneringen'. In 1903 was Sietske Abrahamsz een invalide oude dame. Zij leed aan een vorm van gewrichtsreumatiek en kon zich buitenshuis alleen verplaatsen in een invalidenwagentje. De 'Herinneringen' in tijdschrift Nederland schreef zij op verzoek van Kok, die enigszins mee redigeerde.

Haar beide zoons werden bekend: Johannes Cornelis Wienecke als stempelsnijder-beeldhouwer en Carl Alexander Wienecke als rechter (de laatste stelde in 1902 de Registers op de Ideën van Multatuli samen).

(Zie over de tak Catharina-Sietske: J. Pée, Multatuli en de zijnen, p. 410-422.)

Abrahamsz, Theodoor Swart, 1848-1912, geboren op het schip van zijn vader, Cornelis Abrahamsz, in de buurt van het eiland Mauritius,jongste kind en enige zoon van DD.'s zuster Catharina, broer van Sietske, Anna en Catharina. Hij liet zijn naam veranderen in Swart Abrahamsz; de toevoeging Swart is afkomstig van zijn grootmoeder, Anna Swart. Hij

promoveerde in Utrecht bij de oogheelkundige F.C. Donders (1818-1889) tot doctor in de geneeskunde, later werd hij officier van gezondheid bij de marine en ging in die functie naar Indië. Teruggekeerd stichtte hij een oogheelkundige kliniek in Maastricht en vertrok vervolgens weer voor enkele jaren naar de Oost, waar hij onder meer werkzaam was als garnizoensarts te Padang (1880) en Atjeh (1884), later als scheepsarts (1885). Enkele maanden na de dood van Swart Abrahamsz stierf ook zijn tweede vrouw.

De twee (buitenechtelijk geboren) kinderen uit zijn tweede huwelijk, Henriette D. (Hoogendijk-) Voorstad en Theodoor H.R.L. Voorstad, werden in huis genomen door Edu Douwes Dekker en diens vrouw. Zij speelden later een ondergeschikte rol in de polemiek tussen Julius Pée (Multatuli en de zijnen, Amsterdam 1937, p. 365) en *A.G. Douwes Dekker-Post van Leggelo (De waarheid over Multatuli en zijn gezin, door 'De Schoondochter', 's-Gravenhage 1939, p. 54-58).

Als M. in de zomer van 1860 kennis maakt met de kinderen Abrahamsz is Theo pas twaalf jaar. M. is erg met hem ingenomen, en noemt hem een 'juweel van een jongen' (brief aan Tine d.d. 7 juni 1861, VW X, p. 469). Hij schrijft verder over hem:

'Die Theodoor is een lieve trouwe jongen en knap ook. Het is bewonderenswaardig hoe flink hij de ruwheid van die moeder verdraagt, en volstrekt niet uit lamheid, maar omdat zijne zusters hem dat, om de vrede, verzocht hebben. Die vrouw is niet kwaad, zelfs heeft zij veel goeds, maar ze is ruw. Wat ook lief is, dat is de verhouding van Theo en Siet. Dat heb ik zelden zoo gezien tuschen broer en zuster.' (brief aan Tine d.d. 30 maart 1861, VW X, p. 427)

In 1888 verschijnt van Swart Abrahamsz' hand Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Eene ziektegeschiedenis (in artikelvorm verschenen in juli 1888 in De Gids). Hierin tracht de schrijver een psychologische analyse van M. te geven; zijn oom zou een zenuwlijder geweest zijn. De zeven bundels Ideën vormen ' ééne ziektegeschiedenis', de geschiedenis van een 'slepende, intermitterende exaltatie-toestand met tijdelijke verheffingen en perioden van uitputting', aldus Swart Abrahamsz. De voorstellingen van deze zenuwzieke 'bewegen zich onophoudelijk om den overprikkelde sexueelen sfeer'. Deze 'overprikkeling' was de primaire oorzaak, 'grootheidsphantasiën, vervolgingsangst en speelzucht' waren secundaire gevolgen. Tenslotte schrijft hij dat M. een 'monstrum' was 'met een onevenredig ontwikkeld talent, om denkbeelden onder woorden te brengen... Dat weergeven van indrukken was zijneenige kracht, zijn eenige bezigheid'. Swart Abrahamsz' artikel werd in de Nieuwe Gids veroordeeld door F. van der Goes (Dr. Swart Abrahamsz over Multatuli, Amsterdam 1888), Willem Kloos ('Dr. Th. Swart Abrahamsz: Eduard Douwes Dekker', in: de Nieuwe Gids, III, p. 468-474), H.J. Top (Multatuli. Een valsche diagnose van een dolenden gids, Amsterdam, 1888) en Albert Verwey ('Dr. Swart Abrahamsz', in: de Nieuwe Gids, III, p. 478-480). Ook in andere periodieken en brochures werd gereageerd op het artikel van Swart Abrahamsz, onder meer door H.J. Betz, J. ten Brink, L.G. Gerhard, *A. Gorter, *H.C. Muller, C.E. van Kesteren, T.C. van der Kulk, J.H. Rössing en A.H.E. Douwes Dekker (zie A.J. de Mare, Multatuli-literatuur, Leiden, 1948, p. 93 e.v.).

In 1894 verschijnt Swart Abrahamsz' artikel 'Naar aanleiding der Brieven van Multatuli' (Tijdspiegel, dl. I, p. 269-303), waarin hij zijn standpunten verdedigt en nieuwe 'bewijzen' geeft voor de zenuwziekte waaraan M. zou hebben geleden.

Advertentie bij het overlijden van Multatuli, werd geplaatst in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 21 februari 1887 (VW XXIV, p. 74) en luidt:

'Heden overleed te Nieder-Ingelheim bij Mainz, in den ouderdom van bijna 67 jaren, de Heer EDUARD DOUWES DEKKER, geliefde echtgenoot van M. HAMMINCK SCHEPEL.'

Advertenties bij het overlijden van een kind, In Idee 176 bespot M. deze advertenties, die met name in de Opregte Haarlemsche Courant verschenen:

' "Heden overleed ons jongste kindje. Ofschoon diep getroffen, wensen wy te berusten. Wy buigen ons onder Gods hand..." Ik verzeker u dat ik altyd berust in den wil van myn god, dat ik me altyd buig onder den wil van myn god, en dat ik vér lopen zou om 't zeer curieus schouwspel te zien, van iemand die niet boog onder de noodzakelykheid, die niet berustte in haar wil.

Nooit heb ik in den oprechten Haarlemmer, die zo byzonder ryk is in zulke vrome ontboezemingen, gelezen: ons kindje stierf, maar wy laten 't er niet by.' (VW II, p. 392)

Advertenties op spoorkaartjes, middel om 'waarde te scheppen', m.a.w. om veel geld te verdienen, uiteengezet in het slot van de Millioenen-studiën (VW V, p. 302-304).

M. bedacht het plan om op spoorkaartjes betalende reklame te laten plaatsen. In 1873 benaderde hij hiervoor regeringen van maar liefst 59 landen (aanvankelijk d.m.v. handgeschreven brieven, later d.m.v. een gedrukte circulaire) alsook een vijftigtal dagbladen over de hele wereld (VW XVI, p. 150-153).

De publikatie van Millioenen-studiën moest als patent fungeren; met de inkomsten hiervan zou M. zijn plan om Java te redden ten uitvoer kunnen brengen:

'Als Spoor-kaarten-inventie niets opbrengt, bedenk ik iets anders. Ik moet geld hebben, veel en spoedig. Anders wordt America en verder gespuis uit de heele wereld baas op Java!' (brief aan S.E.W. Roorda van Eysinga d.d. 16 september 1873, VW XVI, p. 188).

Reacties kwamen er van de regeringen van Engeland (VW XVI, p. 155), Saksen-Weimar (p. 175-176), de Verenigde Staten (p. 191-192), Baden (p. 197), Oostenrijk (p. 246) en België (p. 358-359). Alle regeringen reageerden echter afwijzend op het voorstel.

Jaren later schrijft M. aan Marie Berdenis van Berlekom dat hij een brief van spoorwegingenieur B. de Jong heeft ontvangen, die hem meedeelde dat het plan thans in Italië veel geld oplevert. Hij vervolgt:

'Welnu, ik zeg over 10 jaar zal 't overal ingevoerd zyn en honderdduizenden opbrengen! Het doet me genoegen omdat het den stempel zet op m'n beweren dat de ware poezie zich grondt op werkelykheid en dus praktisch is.' (29 juni 1886, VW XXIII, p. 625)

Advertenties (van Multatuli), M. heeft verscheidene keren advertenties in dagbladen geplaatst. Enkele opmerkelijke voorbeelden hiervan zijn:

1. advertentie in het Algemeen Handelsblad van 4 februari 1862, ook opgenomen in enkele andere bladen (VW X, p. 584-585):

'Ik geef kennis aan 't volk van Nederland, dat ik voor mij heb liggen een Brief, waarin men mij dreigt met den Verkoop van mijn "Boedel." Mijn Boedel is: De Kleêren mijner kinderen. Anderen Boedel heb ik niet. Dat is weêr UWE schande, Nederlanders, dat is niet MYNE schande. Eduard Douwes Dekker.'

Op deze advertentie doelt M, wanneer hij in Idee 84 meedeelt:

'Ik heb gister een dertigponder afgeschopt, die me sedert vier jaren hinderde in 't zwemmen. (...) Die advertentie moet zo lang leven als m'n Ideën.' (VW II, p.327)

2. advertentie in het Algemeen Handelsblad van 7 februari 1862 (VW X, p. 587-588):

'Ideën van Multatuli. Ik lees in "de Dageraad" eene oproeping om mij te steunen. Die oproeping is niet van mij, of geschreven met mijne voorkennis. Ik lees in het Handels- en Effectenblad

eene dergelijke oproeping. Ook die is niet van mij en evenmin geschreven met mijne voorkennis. IK schrijf mijne ideën, ik schrijf alleen mijne ideën, en wie iets van mij weten wil, moet dat zoeken in mijne ideën. Proces van Lennep, strijd tegen droogstoppelarij, mijn oordeel over Kerk, Staat, Huisgezin, Policie, Justitie, Deugd, Zeden, Geloof of wat het zij... alles leg ik neer in mijn Ideën. Wat elders, direct of indirect in verband met mij of mijn zaak wordt gepubliceerd, is voor rekening van wie 't teekent of niet teekent. Ik schrijf alleen mijn Ideën.'

3. advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 18 september 1872, ook geplaatst in vier andere dagbladen (VW XV, p. 352):

'De ondergeteekende, vernomen hebbende, dat velen in de meening verkeeren, alsof hij iets zou ontvangen hebben van de gelden, die indertijd door de dusgenaamde MULTATULI-COMMISSIE te zijnen behoeve verzameld zijn, acht zich verplicht tot de uitdrukkelijke verklaring: dat dit niet geschied is, en niet geschieden zal. Hij meent alzoo gerechtigd te zijn, de welwillenden, die hunne bijdragen tot het MULTATULI-FONDS hebben aangeboden, te verzoeken over hunne bij bedoelde Commissie gestorte gelden wel te willen beschikken.'

4. advertentie in De Amsterdammer van 28 november 1884, overgenomen door Het Nieuws van den Dag, het Algemeen Handelsblad en de NRC, besproken in De Nederlandsche Spectator van 13 december 1884 (VW XXIII, p. 252, cf. brief van Mimi aan G.C. de Haas-Hanau d.d. 21 december, VW XXIII, p. 263):

'Door lezing van - zegge: door het lezen der werkjes van - Multatuli zijn deftige heeren en aanzienlijke dames, jonge mannen en zelfs meisjes... verzoend geraakt met wat gemeen, gewend aan wat vuil is'. Aldus staat (...) te lezen in De Protestant. Daar het Weekblad misschien niet zoo algemeen verspreid is als om de daarin verkondigde godsdienstig-vrijzinnige denkbeelden wenschelijk ware, meen ik ter bevordering van heilzame zelfkennis 'n goed werk te doen, door de niet vuile, niet gemeene, maar echt godsdienstig-vrijzinnige bewering van genoemde redactie ter kennis te brengen van de velen die ze aangaat.'

De Dageraad (jrg. 36, 1884-1885, p.479) neemt bovenstaand citaat over met het antwoord van de redactie van De Protestant, dat zij zich 'wellicht aan zekere onhandigheid schuldig gemaakt' heeft (VW XXIII, p.260-261).

5. advertentie in het Rotterdamsch Nieuwsblad en overgenomen in verschillende bladen (15 november 1886, VW XXIII, p. 730):

'Om misverstanden uit den weg te ruimen, verklaar ik dat de meeningen der SOCIAAL-DEMOCRATEN over de middelen ter verbetering van den treurigen toestand, waarin 'n groot gedeelte der bevolking van Europa verkeert, mij voorkomen in hoofdzaak ONJUIST te zijn.

MULTATULI'

Deze advertentie is wellicht een reactie op het op 9 november verschenen bericht van *J. Hobbel in dezelfde krant (VW XXIII, p. 728; *Domela Nieuwenhuis).

Albert, personage uit Vorstenschool, de verloofde van het naaistertje Hanna. Hij is één van de vertegenwoordigers van het 'volk', hoewel zijn beroep - hij is schrijver op het departement - hem vrij hoog op de maatschappelijke ladder plaatst. Naast zijn werk schrijft hij gedichten; hij is een *'urist'. In het vierde bedrijf reciteert hij één van zijn poëticale gedichten:

'Daar is een kracht, uit hoger kracht gesproten,/Die 't zinkend hart des mensen schoort,/Die 't opvoert naar een hoger oord,/Die 't vastklemt, als de stam z'n loten,/Als moederarmen 't schreiend wicht,/Aan de eerste bron van liefde en licht.' (VW VI, p. 72-73)

Albumversjes,

1. Vlak voor zijn vertrek naar Indië in 1838 schreef DD. het versje 'In den vriendenrol van den Heer A.C. Kruseman'. De laatste strofe hiervan luidt:

'En gij, mijn vriend, door wien dit blaadje wordt bezeten,/Neem met dit blad, mijn hart, mijn vriendschap willig aan!/En hoe 't op aarde dan met Uwen vriend moog gaan,/Schenk me in Uw hart een plaatsje, en wil mij nooit vergeten!' (VW VIII, p. 58)

In zijn *'Brief aan A.C. Kruseman' uit 1851 (VW IX, p.153-154) herinnert M. Kruseman aan dit albumversje.

2. Gedicht van DD. voor *Caroline Versteegh. Het dateert uit 1841 en is opgenomen in (VW VIII p. 87).

3. Gedicht van DD. voor de 12-jarige *Cornelis (Kees) de Mooij uit Poerworedjo die voor onderwijs naar Nederland werd gestuurd. Het dateert van 27 november 1847 en bevat de regels:

'Tracht naar kennis; volg de wetten/Van getrouwheid, deugd en eer/En kom eens met épauletten,/Knevels en diploma's weˆr.' (VW IX, p. 38-39)

In oktober 1860 zag DD. hem terug in Amsterdam. Kees was inmiddels officier van gezondheid in Middelburg geworden (brief aan Tine d.d. 27 oktober 1860, VW X, p. 346).

4. Gedicht van Abraham des Amorie van der Hoeven jr. voor zijn jeugdvriend DD. Het gedicht begint als volgt:

'Neem van mijn vriendenhand dees onbesmette bladen/En neem opnieuw mijn vriendenhart er bij:/Hou van der zonden smet het blad uws levens vrij/En wandel op bebloemde paden.' (VW VIII, p. 59)

DD. nam het op in zijn Millioenen-studiën en voegde eraan toe: 'Ook hy maakte verzen, en schone, als hy wilde. Een staal? Ziehier, en proef er uit hoe de Krummacherse zekerwetery daarin voorheerst'. (VW V, p. 30; *Krummacher)

5. *De Molenaar van Sans-Souci

6. *Het gebed van den onwetende

Aleid, Twee fragmenten uit een onafgewerkt Blyspel van Multatuli, onder deze titel werd het

onvoltooide toneelstuk van M. in 1891 uitgegeven door Mimi Douwes Dekker-Hamminck Schepel bij W. Versluys te Amsterdam (VW VII, p. 638 e.v.). Het moet geschreven zijn tussen oktober 1872 en december 1876. Aanvankelijk was M. positief over zijn voornemen een blijspel te gaan schrijven, maar dit bleek allengs een uiterst moeizame opgave. Op 11 maart 1873 schrijft hij aan J.N. van Hall:

'Verbeeld u, ik ben m'n uitgever "Funke" 'n Blyspel schuldig. En ik kan maar niet beginnen: ik durf niet! Dit is de zuivere waarheid. Nu moet men daarby weten dat de "comédies" (????) van Molière my niet bevallen. V.d.Berg's "Neven" ook niet. En ik zie tot nog toe geen kans de dingen die me daarin niet aanstaan, beter te maken of te vermyden. Daarom kan ik in waarheid zeggen dat ik niet durf.' (VW XV, p. 671)

Aan C. Vosmaer schrijft hij dat het werk bemoeilijkt wordt doordat het genre van het blijspel in Nederland niet bestaat:

'We hebben geen tweeden persoon. We loopen de kamers niet in en uit, en ook de huizen niet. We hebben geen vocatief voor ongetrouwde dames. (...) Er zou, meen ik, voor ons hollanders, een heel nieuw genre moeten geschapen worden, en dat genre kan ik niet vinden. 't Moet toch kunnen, dunkt me. Ik zoek al jaren!' (wsch. begin 1874, VW XVI, p. 419)

In de zomer van 1876 voegt hij aan deze belemmerende factor nog toe dat het Nederlandse publiek, dat in een oorspronkelijk stuk 'geen verschil weet te maken tusschen straat of salonwaarheid en artistieke waarheid', voltooiing van het stuk bemoeilijkt en dat 'de V. Vlotens' (*J. van Vloten) zijn stemming om te schrijven hebben bedorven (brief aan P.A. Tiele d.d. 14 juli 1876, VW XVIII, p. 413)

Het onderwerp wordt ook regelmatig ter sprake gebracht in brieven aan G.L. Funke (o.a. in een brief van 18 maart 1873, VW XV, p. 684.) en aan *Le Gras en J. Haspels, die het stuk zouden gaan opvoeren. In 1875 verneemt M. van uitgever J. Waltman Jr. dat het stuk klaar zou zijn (cf. brief aan Waltman Jr. d.d.15 september 1875, VW XVIII, p. 35). Op 10 januari 1877 verschijnt er zelfs een bericht in de Nederlandsche Kunstbode waarin wordt aangekondigd dat het blijspel waarschijnlijk op korte termijn 'ter opvoering gereed' zal zijn (VW XVIII, p. 620). Hoe men aan dit bericht komt, weet ook Mimi niet (brief aan A.C. Loffelt d.d. 17 maart 1877, VW XVIII, p. 647-648).

De fragmenten werden in 1891 door Haspels ten tonele gebracht; later werden ze nog opgevoerd door het Rotterdamsch Tooneel (1907) en op de Multatuli-herdenkingsdag van 7 mei 1910, met Alida Tartaud in de titelrol. Een diplomatische uitgave van M.'s manuscript werd verzorgd door H.H.J. de Leeuwe in Multatuli, het drama en het toneel (Amsterdam, 1949, p. 281-326).

Algemeen kiesrecht, Na de grondwetsherziening van 1848 kwam het algemeen of rechtstreeks kiesrecht tot stand, waarbij de leden van de Tweede Kamer door de meerderjarige belastingbetalende burgers werden gekozen. 'daar nu m'n Papa zegt dat ze Algemeen Stemrecht hebben zullen, zal 't gebeuren ook', zegt Fancy in de Onafgewerkte Blaadjes. Ze vraagt zich echter af of 'spekpannekoeken wel zo heel nadelig zyn voor 'n zieke als er tóch geen kans is op herstel' (VW VII, p. 749).

M. gebruikt ook de schampere uitdrukking 'allemans-meekakelen': 'Het uit de veranderingen in '48 voortgevloeid allemans-meekakelen werkt, ook in Indië, desorganiserend.' (noot 116 uit 1881 bij Max Havelaar, VW I, p. 350) In noot 131 (1881) bij de Max Havelaar lezen we:

'Wat - onder veel andere redenen - alle verbetering in den weg staat, is onze Kieswet. Het bederf in den Staat (...) dat thans allerwege erkend wordt, is niet te genezen voor we van dat immoreel en onpraktisch thorbeckiaans vod verlost zyn.' (VW I, p. 353)

Ook in Over Specialiteiten gaat M. in op (de nadelen van) het algemeen kiesrecht:

'De specialiteit-fabriekheer, al weefde hy nooit iets anders dan slaapmutsen, stemt in marinezaken even onbeschroomd en met gelyken invloed op den uitslag, als de marine-specialiteit over kwestiën van industrie, handel of landbouw.' (VW V, p. 522)

De enige mogelijkheid tot gedeeltelijk herstel van deze situatie ziet M. in 'algehele afschaffing van census en incompetentie.', waaraan hij toevoegt: 'Ik ga in dit beginsel verder dan iemand, daar ik beweer dat ook aan tuchthuisboeven en publieke vrouwen het recht van stemmen moet worden toegekend.' (aantekening, VW V, p. 641).

In Pruisen en Nederland omschrijft M. de 'vruchten' van het algemeen kiesrecht: 'De toestand van het Volk is ellendig; de financiën zyn in slechten staat; er heerst een Babel van verwarring in het beheer van Indië, dat ontevreden en onrustig is; eindelyk (nu met Bosscha's woorden:) "de gevaren waaraan wij... blootstaan, zijn in den tijd dien wij beleven, groter dan ooit", en: "het is met onze militaire verdedigingsmiddelen jammerlijk gesteld". (VW IV, p. 86)

Bij de Grondwetsherziening van 1887 werd bepaald dat de leden van de Tweede Kamer konden worden gekozen door de 'mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten'. Pas in de Kieswet van 1917 werd krachtens de nieuwe grondwet algemeen kiesrecht voor mannen toegekend; in 1919 ook voor vrouwen.

*Grondwet van 1848 *parlementair stelsel *welzijn des volks *Tweede Kamer *democratie

Algemene Rekenkamer, instelling belast met het toezicht over het beheer van 's lands geldmiddelen, waar M. het eerst te werk gesteld werd na zijn aankomst in Batavia (P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 74).

Hij begon er op 15 januari 1839 zonder bezoldiging. Vanaf 1 maart ontving hij als klerk een wedde van ƒ 80,- per maand, op 17 april werd dit bedrag verhoogd tot ƒ 125;. Op 6 februari 1840 werd hij er tweede kommies op een traktement van ƒ 220;-. In de missive waarin hij voor deze bevordering werd aanbevolen, schrijft de Rekenkamer op 31januari 1839 dat DD. 'zich door bijzondere vlijt en werkzaamheid heeft onderscheiden, niet alleen, maar ook de ontbetwistbaarste bewijzen van vlugheid, doorzigt en kunde, in al hetgeen hem wordt opgedragen heeft aan den dag gelegd' (VW VIII, p. 77). Erg gelukkig was DD. er niet, zoals blijkt uit een brief aan Tine

van november 1845 (VW VIII, p. 528). Op 7 december 1872 noteert Mimi in haar dagboek dat DD. eens een gedroomd had dat hij zijn taak bij de Rekenkamer, het bijhouden van een index, verwaarloosd had (VW XV, p. 509).

Allah, In de Max Havelaar zegt Havelaar in zijn *Toespraak tot de hoofden van Lebak:

'Want ik weet dat Allah den arme lief heeft, en dat hy rykdom geeft aan wien hy beproeven wil. Maar tot de armen zendt hy wie zyn woord spreekt, opdat zy zich oprichten in hun ellende. Geeft Hy niet regen waar de halm verdort, en een dauwdrup in den bloemkelk die dorst heeft?' (VW I, p. 105)

Wanneer M. er zich in Idee 735 over beklaagt dat tekenaars en schilders geen *illustraties bij zijn werk maken, schrijft hij ironisch dat zij hem daarmee 'verheffen' tot Allah 'van wien men geen beelden maakt' (VW IV, p. 458).

Allebé, August, 1838-1927, schilder en lithograaf, vanaf 1870 hoogleraar en sedert 1880 directeur van de Rijks-Academie van Beeldende Kunst, kennis van C. Vosmaer. Hij vervaardigde in 1875 een lithografie van M., die in mei van dat jaar door G.L. Funke te koop werd aangeboden (aanbiedingscirculaire, VW XVII, p. 709-710). Deze lithografie noemt M. in een brief aan zijn

neef Engel Douwes Dekker 'te akademisch' (17 februari 1881, VW XXI, p. 162). *portretten 5

(Lit. Waarde heer Allebé! Leven en werk van August Allebé (1838-1927). Tentoonstellings-catalogus. Zwolle, 1988)

Alles is in alles, stelling van M. dat alle dingen onverbrekelijk met elkaar samenhangen, want de 'Natuur, die grote tokohoudster', 'geeft alles door elkaar, en weet steeds middel te vinden om een geheel te vormen, zonder de delen te katalogiseren' (Idee 566, VW IV, p. 326). Dit thema keert steeds terug in zijn werk, bijv. in Millioenen-studiën, waarvan één van de hoofdstukken 'Alles in alles' getiteld is (VW V, p. 89-99). *Natuur

Amboina, (Ambon) eiland in het noordoosten van Indië met gelijknamige hoofdplaats, onderafdeling van de residentie Amboina, afdeling van het gouvernement der Molukken. DD. werd er bij besluit van 8 oktober 1851 aangesteld als assistent-resident, magister en commandant van de schutterij (VW IX, p.230). Hij arriveerde er eind februari 1852; op 24 juli van datzelfde jaar vertrok hij met Europees verlof naar Nederland. Pas in 1855 keerde hij terug naar Indië, waar hij tot assistent van Lebak benoemd werd. DD.'s verhouding tot zijn superieuren en ondergeschikten was er uitstekend (*Visser), met de Ambonezen kon hij het echter minder goed vinden. In zijn ogen waren zij twistziek:

'Ja zelfs, 't kwam my voor dat velen twist maakten óm te twisten, en dat ze 't in zeer afgelegen dorpen beschouwden als iets eervols: '"met een zaak voor de Heren geweest te zyn". (...) de halfwekelykse politie-rol was altyd voor drie-vierdedeel opgevuld met hal makki makki d.i. scheldzaken. (...) Myn vonnis?... Heel eenvoudig: - Gy beiden hebt volkomen gelyk, o Jozef en Abraham - of Ezechiël - gaat nu maar welgemoed naar huis!' (Minnebrieven, VW II, p. 121-122)

Het werd een tijd van teleurstellingen:

'Amboina toch was in onrust en spanning. (...) Ik heb te Amboina niet kunnen doen wat ik wilde. Ik had te kampen met oproer onder my, met lauwheid of timiditeit boven my. Ergernis over het laatste heeft my ziek gemaakt. Ik werd in 1852 bewusteloos ingescheept naar Europa.' ('Brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste', VW I, p. 401-402)

Ook in de Max Havelaar brengt DD. zijn tijd op Ambon te berde: Havelaar trof er de bevolking aan in 'een gistende en oproerigen toestand' als gevolg van 'de vele verkeerde maatregelen die in den laatsten tyd genomen waren' (VW I, p. 96; ook noot 45 uit 1881, p. 330).

Deel IX van de Volledige Werken bevat de brieven en dokumenten uit deze periode, alsmede een beschrijving van het Ambon uit die dagen (VW IX, p. 245 e.v.). In dit deel is ook de brief van DD. aan den Gouverneur der Molukse Eilanden te Amboina van 12 juni 1852 opgenomen (p. 255-257). Hierin dringt D.D. onder meer aan op een goede voedselvoorziening voor de bevolking. (Lit. W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987, p.31; P. van 't Veer, Het leven van Multatuli, 1979, p. 246 e.v.)

Amoerang, havenplaats aan de noordkust van de *Minahassa, ten zuidwesten van Menado. In juni 1850 reisde DD. met het schip van kapitein C. van der Hart vanuit Menado naar Amoerang. Op 22 februari 1851 schreef hij een missive, vermoedelijk gericht aan de gezaghebber te Amoerang, over de toestand van het geschut te Amoerang en Tanawanko (VW IX, p. 113).

Amorie van der Hoeven jr., Abraham des-, 1821-1848, studeerde theologie, promoveerde op 6 juni 1843 te Leiden in de klassieke letteren en de godgeleerdheid. Vanaf 15 juli 1843 was hij remonstrants predikant te Utrecht. Hij stond - evenals zijn vader - bekend als een gevierd redenaar. Daarnaast was hij romantisch dichter van stichtelijke verzen. Hij raakte bevriend met DD. in de tijd dat zij beiden de Latijnse school bezochten. Met hem las DD. in de zomer van 1833 Krummachers Parabelen (*Krummacher) en *Lamartine, toen hij enkele dagen te gast was bij bij Abrahams ouders in hun buitenhuis bij Overveen. DD. herinnert in zijn Millioenen-studiën

(VW V, p. 28 e.v.) aan deze logeerpartij en aan zijn vroeg gestorven vriend. Hij citeert een gedeelte uit een gedicht dat Abraham voor hem geschreven had (*albumversjes 4): 'Neen, neen, 't zyn hier op aard niet enkel schone dagen!/Soms waaien buien woest en wild'. Jaren later eageerde zijn vriend hierop met:

'"Buien? Woeste buien?" Beste Abraham, gy waart profeet, toen ge die woorden neerschreeft op 't eerste "onbesmette blad" van dat album. "Buien?" Stormen waren het. Stormen zyn het nóg. Sedert jaren giert my de orkaan om de oren. Sedert jaren zoek ik vruchteloos naar haven en ree, en toch, toch ben ik niet yverzuchtig op den spoed en 't gemak van uw reize. Luctor et emergo.' (VW V, p. 30-31; zie ook M.'s bijdrage 'Uit Multatuli's Leven ' in de Locomotief van 28 juli 1870, opgenomen in VW XIV, p. 156-158)

In een brief aan Tine van 19 oktober 1845 noemt DD. hem zijn beste vriend: 'met Van der Hoeven ben ik opgegroeid en sedert 15 jaren droegen wij alles te zamen. Onze onderscheiden carrière heeft die betrekking nooit geheel verbroken, wij waren steeds gewoon alles te deelen' (VW VIII, p. 491). Op 19 augustus 1846 schreef Abraham DD. - toen op wachtgeld te Poerwakarta - een brief om hem te feliciteren met zijn huwelijk. Ook daarin profetische woorden:

'Ik heb nog altijd, en nu meer dan ooit, groote dingen met U voor. Als gewoon ambtenaar kan ik U daar in O. Indiën niet laten ; daarvoor zijt gij mij te veel waard en de O.I. mij van te veel belang. Gijl: hebt daar ginds een goed deel van Nederlands toekomst in handen. Neen! zeg mij nu niet dat er "onder zulk een bestuur" niets is aan te vangen, en dat binnen vijf-en-twintigjaar alles verloren is wanneer er geen verandering komt die veel van een omwenteling moet hebben. (...) En onder die goede bestuurders moet gij boven aan komen, zoo 't kan in rang, maar - wat zeker kan - in krachtbetoon. Het Vaderland heeft regt om wat uitstekends van U te verwachten, Uw verblijf in de O. mag niet spoorloos voorbijgaan. Men moet er na honderd jaar nog spreken van 't geen gij goeds en groots gewerkt hebt.' (VW IX, p. 21-22)

Amorie van der Hoeven, Herman Agatho des-, 1829-1897, broer van de voorgaande, studeerde rechten en was tot 1869 advocaat op Java. Daarnaast was hij jarenlang redacteur van het Bataviaasch Handelsblad en later van het Nieuw Bataviaasch Handelsblad. In eerstgenoemde krant verscheen in het najaar van 1860 zijn recensie van de Max Havelaar, getiteld 'Multatuli's Grieven' (als bijlage verschenen in W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli, 2e druk 1987).

Na zijn terugkeer in Nederland bekeerde hij zich tot het katholieke geloof, waarover hij Mijn terugkeer tot de kerk van Christus schreef (1870; opgedragen aan J.A. Alberdingk Thijm). In 1875 werd hij liberaal lid van de Tweede Kamer voor Breda en in hetzelfde jaar verscheen zijn boek De cirkelgang der menschheid. Vanaf 1885 was hij lid van de Raad van State.

Op 18 februari 1861 schrijft DD. Tine over bovengenoemde recensie:

'Er is in 't stuk van van der Hoeven veel wat ik toestem, en dat zal ik ronduit zeggen. Hij verwijt mij voornaamlijk hoogmoed, en daarin heeft hij waarschijnlijk regt; ik ben zeer hoogmoedig. Maar hoogmoed is geen reden om mij te laten leven als een bedelaar. Ik ben zeer hoogmoedig, maar v.d. H. had, om mij van hoogmoed te genezen, zijn artikel niet moeten schrijven, want na het lezen daarvan ben ik nog veel hoogmoediger geworden.' (VW X, p. 395)

Volgens Mimi was Herman des Amorie van der Hoeven de enige persoon van wie DD. vriendschap en steun ondervond in de tijd na zijn ontslag te Lebak (Brieven WB II, p. 151). Ook hielp Des Amorie van der Hoeven DD aan diens baantje bij de *Locomotief (mededeling Mimi, Brieven WB IX, p. 7). Toen DD. in het najaar van 1870 over geldnood klaagde, stuurde Des

Amorie van der Hoeven hem 35 thalers (22 september 1870, VW XIV p. 177) en schreef hierover aan zijn vriend J. van Gennep. Dit was de aanleiding voor diens oproep tot steun in de NRC van 4 oktober 1870 (*Multatuli-Commissie 3).

Naar aanleiding van het betoog dat Des Amorie van der Hoeven op 26 oktober 1876 in de Tweede Kamer hield over de machtsuitbreiding van de partij van de planters in Indië met als gevolg dat de misbruiken die vroeger aan de gouvernementscultuur kleefden nu door particuliere ondernemingen werden ingevoerd, verscheen in de De Nederlandsche Spectator van 28 oktober 1876 een prent waarop M. met de Max Havelaar in de hand en Des Amorie van der Hoeven met

zijn Cirkelgang, elkaar de hand drukken (afgedrukt in VW XVIII, p. 477).

Amsterdam, M. werd op 2 maart 1820 als Eduard (Douwes) Dekker in de *Korsjespoortsteeg nr. 20 te Amsterdam geboren. Het gezin bewoonde er twee etages. In zijn jeugd verhuisde de familie achtereen volgens naar de Binnen Brouwerstraat 15 en de *Haarlemmerdijk 94. De Latijnse School en de firma *Van de Velde, waar M. zijn eerste baantje als loopjongen had, bevonden zich aan het Singel. In 1838 vertrok M. op het schip van zijn vader (waar zijn broer Jan stuurman was) naar Indië. Hij keerde in 1853 met Europees verlof terug naar Amsterdam, waar hij met zijn vrouw Tine aanvankelijk zijn intrek nam in het Doelenhotel. Later verhuisden zij naar het Singel 331, waar op 1 januari 1854 hun zoon Edu werd geboren. De terugtocht naar Indië vond plaats in 1855.

Na zijn eervol ontslag verbleef hij in november 1859 korte tijd in Amsterdam i.v.m. de onderhandelingen over de publikatie van de Max Havelaar (VW X, p. 129-134); in 1860 kwam hij weer naar Amsterdam, dit maal om er te gaan wonen. Hij huurde een kamer aan de Botermarkt (thans Rembrandtplein), maar vertrok nog in december van hetzelfde jaar naar Brussel.

In de jaren hierna zou hij zonder zijn gezin regelmatig enkele maanden in Amsterdam verblijven. Zo woonde hij in het voorjaar van 1862 boven banketbakker *Knobel in de Kalverstraat (VW X, p. 538). In 1864 was aanvankelijk het *Bijbelhotel in de Warmoesstraat zijn onderkomen; eind juni van dat jaar nam hij zijn intrek op de zolder van *d'Ablaing van Giessenburg, boven diens boekhandel in de Kalverstraat. Ook in 1865 bracht hij nog enige tijd op deze zolderkamer door, waar Tine en de kinderen hem in november opzochten (VW XI, p. 420).

Op 17 januari 1866 - de dag van zijn proces over de *klap - verliet M. Amsterdam en vertrok naar Keulen. In zijn werk heeft M. zijn geboortestad onder andere gebruikt als decor voor verscheidene plaatsen in de Max Havelaar (o.a. Lauriergracht, Kalverstraat, Nieuwmarkt) en voor de Woutergeschiedenis. In de aanhef van de Woutergeschiedenis schrijft hij dat hij de hoofdgrachten zou willen laten dempen om 'Amsterdam te maken tot een der schoonste hoofdsteden van Europa' (Idee 362, VW II, p. 526; *schoonheidsgevoel). In een noot van 1872 komt hij hierop terug: de hoofdgrachten moeten bij nader inzien niet gedempt worden, maar de stad heeft wel behoefte aan een 'flinke passage-galery in de buurt van mol- en torenstegen, en vooral aan Markten'. Men zou een voorbeeld moeten nemen aan de markten in Brussel (VW II, p. 714). Amsterdam is geen stad voor romantische voorvallen, schrijft hij ironisch, omdat er 'geen Ghetto, geen Templebar, geen Chinese kamp, geen Cour des miracles "wijk te Parijs waar veel bedelaars bijeenkwamen)...' is. 'Er is moed nodig om 'n verhaal te doen aanvangen in een plaats die op "dam" uitgaat, en waar men dus moeilyk Emérence's of Hélo‹zes kan laten wonen.' (VW II, p. 526).

Wouter moest in de Jodenhoek zijn * 'smerig papiertje' innen voor Ouwetyd & Kopperlith (Idee 1223, VW VII, p. 405 e.v.).

Over het Amsterdams gemeentebestuur handelen de Ideën 306-308 (VW II, p. 498-499). In Idee 308 schrijft M. bijv.:

'Welnu, ik verklaar, nergens zulke totale absentie van plichtsbesef, nergens zo'n walglyke onbekwaamheid te hebben aangetroffen, als by 't bestuur der stad Amsterdam. Amsterdammers, ziet ge dat niet? Reist eens wat, merkt wat op, en als gy terugkeert, gaat naar 't stadhuis, en gooit... neen, gooit niets. Maar eilieve, kiest anders.' (VW II, p. 499)

Het *Doolhof wordt genoemd in Idee 357 (VW II, p.522 en p. 714), *Kattenburg en Wittenburg in Idee 397 (VW II, p. 596-597), het sluiten der poorten in Idee 518 (VW III, p. 306-307), de schouwburg in Idee 1050 (VW VI, p. 444-445) en in Idee 1188 (VW VII, p.289). In laatstgenoemd Idee, waarin Wouter een boodschap moet doen op de Keizersgracht, wordt

ook uitgebreid ingegaan op de bewoners van genoemde gracht en hun deftige huisdeuren (VW VII, p. 286-z88).

Ook in de 'Brief van Max Havelaar aan Multatuli' (*Max Havelaar aan Multatuli 2) spreekt de schrijver over Amsterdam:

'Ge zyt immers een Nederlander, een Amsterdammer zelfs, geloof ik. (...) Gylieden ademt dampen in van vuil water, - het ziet zwart. Toch zyn er in uw stad dichters die verzen maken, waarin kristalbeekjes eeuwige liefde ruisen... of murmelen, ik weet het niet. (...) Uw straten zyn krom, benauwd en morsig. Uw dochters lopen over die straat. Dat hindert U niet: gebrek aan schoonheidsgevoel.' (VW I, p. 458-459)

In het pak van Sjaalman komt een verhandeling voor met de veelzeggende titel: 'Over het wonen in kelders, te Amsterdam' (Max Havelaar, VW I, p. 43).

Amsterdamsche Courant, conservatiefdagblad, waarvan *De Bull hoofdredacteur was. De krant plaatste op 9 en 10 december 1859 twee ingezonden artikelen van M. Het waren zijn eerste publikaties na de 'Geloofsbelydenis'. Het eerste artikel schreef hij n.a.v. het overlijden van politicus *Stolte (VW X, p. 150-153). Het werd door hem ook verwerkt in * 'Aan de stemgerechtigden in het kiesdistrikt Tiel' (VW I, p. 441). Het tweede artikel - dat tevens aan het

liberale Algemeen Handelsblad werd aangeboden - schreef M. n.a.v. een telegram uit Indië over een opstand (VW X, p. 159-163). Doel hiervan was, zoals blijkt uit een brief aan 'Tine d.d. 5 december 1859, om J.J. Rochussen te laten zien dat hij nog steeds actief was en lid van de Kamer zou kunnen worden. Door deze actie zou Rochussen wel gedwongen worden hem lid van de Raad van Indië te maken. Over zijn voornemen om het artikel naar twee kranten van verschillende signatuur te zenden, schrijft hij in dezelfde brief: 'Dat is om R. "=Rochussen" te doen zien dat ik geagreëerd word door twee partijen.' (VW X, p. 139-140).

In de Amsterdamsche Courant van 5 juni 1860 (VW X, p. 239-241) verscheen een zeer positieve recensie van de Max Havelaar met de lovende zinnen: 'Wij hebben in langen tijd geen zoo merkwaardig boek ter aankondiging voor ons gehad' en 'Wij houden ons overtuigd, dat hij zich met dit boek eensslags een eerste plaats onder onder onze hedendaagsche schrijvers veroverd heeft'. Was de krant aanvankelijk op de hand van M., in een brief aan Tine d.d. 16 mei 1861 reageert de schrijver furieus op een verslag inzake zijn proces tegen *J. van Lennep: 'daar heeft de Amst. Ct. een zoo partijdig en gemeen verslag gegeven van de zaak dat ik daar wat tegen doen moet. Ik heb dus te overleggen met mijn advokaat.' (VW X, p. 454).

In Over vryen arbeid noemt hij kranten in het algemeen onbetrouwbaar, waarbij ook de Amsterdamsche Courant het moet ontgelden: een persiflage in een Duitse krant werd door deze krant als informatie overgenomen (VW II, p. 220; *De Tounens).

Anarchisme, In Idee 119 schrijft M.:

'Het ideaal ener regeringsvorm is: absentie van regering. Wat maakt het naderen tot dat ideaal mogelyk? Vermindering der behoefte van een Volk om geregeerd te worden, dat is: ontwikkeling, beschaving, verlichting, enz. Als ieder wist wat hy doen moet, en daarnaar handelde, ware alle regering overbodig.' (VW II, p. 338)

De eerste regel van bovenstaand citaat werd het motto van De Anarchist, 'orgaan van goddeloozen, haveloozen en regeeringsloozen' (1888). *regering

Anderson, Anna Maria- (Marie), 1842-1917, geb. te Den Haag, dochter van Peter Anderson en Maria Wijnanda van Goudoever. Peter, roepnaam Pieter (1800-1865), was commies bij het Provinciaal Bestuur van Zuid-Holland. Marie had een oudere zuster, Agnes Anna Maria (geb. 1829). Marie Anderson schreef schetsen, romans of romanfeuilletons, brochures en artikelen en had daarbij een voorkeur voor het pseudoniem: Mevrouw Quarlès (latec Quarles), Dr A. Dondorf, Veritas, Dr (D.) F. van Goudoever. In 1864-1865 werkte zij onder eigen naam mee aan het tijdschrift De Dageraad, maar haar bijdragen wekten zoveel weerstand bij o.a. J. van Vloten, N. Braunius Oeberius en Sietske Abrahamsz, dat zij haar medewerking moest staken. Haar afscheidswoord staat in het eerste nummer van De Dageraad (dl. XX, april 1865). In 1908 publi-

ceerde zij zeventig van 1875 t/m 1878 aan haar gerichte brieven van Wilhelm Busch (1832-1908), Duits humoristisch schrijver van o.a. Max und Moritz. Deze correspondentie is opgenomen in de verzamelde brieven uitgave van Busch. In 1869 had Marie Anderson een verhouding met de getrouwde *jhr. F.A. Hartsen. Daaruit werd op 25 april 1870 haar zoon Frédéric Marie Anderson geboren, te Pau (Frankrijk). Omdat Hartsen zijn zoon niet wettelijk kon erkennen, deed hij het per advertentie in het Utrechts Provinciaal en Stedelijk Dagblad van 29 april 1870. Frédéric heette later in Duitsland Friedrich Maria, ook wel Fritz, en werd door Multatuli en Mimi Riekje of Richje genoemd (dagboek Mimi van 6 augustus 1872, VW XV, p. 301). Na de geboorte van haar zoon week Marie Anderson uit naar Duitsland, waar zij in Keulen een winkel begon. Van september 1871 tot oktober 1872 verzorgde *Mina Deiss met haar zoon het huishouden. Omdat Mina nogmaals ongetrouwd zwanger raakte, ging zij weer terug naar Den Haag. Van Friedrich is een foto bewaard uit 1887 met opdracht aan zijn 'zweite Mutter' Mina Geerling-Deiss.

In 1872 probeerde Marie Anderson haar winkel te verplaatsen van Keulen naar Wiesbaden. Zij kwam zo voor een aantal jaren in de nabijheid van M. en Mimi te wonen. In 1886 vertrok ze met Friedrich naar Würzburg, waar hij een muziekopleiding volgde. Hij werd later violist aan de stadsschouwburg te Mainz (1891-1914), vecvolgens antiquair te Heidelberg.

In Den Haag 1862 was Marie Anderson één van de jonge vrouwen die onder invloed van M.'s geschriften kwam. Zij had geloofsbelijdenis gedaan bij de Nederlands Hervormde predikant Zaalberg en volgde een aantal jaren samen met Mimi Hamminck Schepel zijn lidmatencatechisatie. Aan Mimi leende zij de Minnebrieven en (afleveringen van) de eerste bundel Ideën.

In 1862 ontmoette zij M., nadat zij hem in mei van dat jaar een brief geschreven had. (*Maria Theresia en de vrijmetselaars).

Over haar relatie met hem schreef zij Multatuli-Wespen (1888; onder het ps. Veritas) en Uit Multatuli's Leven. Bijdrage tot de kennis van zijn karakter (1901, Amsterdam: C. Daniëls; heruitgave met inleiding en annotaties door Kortenhorst, Utrecht, 1981).

M. had aanvankelijk een hoge dunk van haar en beschouwde haar als behorend tot zijn legioen van Insulinde (VW XI, p. 115; *Insulinde). De aantekeningen die hij in Van Vlotens exemplaar van de Minnebrieven maakte, bevestigen dat ook (VW II, p. 179).

In Idee 482 wordt Marie geprezen als één van de jonge vrouwen die voor de waarheid durfden opkomen: 'Marie Anderson - gewezen leerling van den schipperenden Zaalberg - geeft haar geachten naam onbeschroomd en pâture om getuigenis te geven van haar eerlyk ongeloof.' (VW III, p. 231)

In Idee 55 herhaalde hij zijn steunbetuiging, omdat Marie in moeilijkheden was gekomen na de publikatie van haar aforisme 'Nasionaliteit is st...' in De Dageraad (dl. XIX, november 1864).

In deze jaren leefde Marie Anderson van de pen, o.a. mee bijdragen aan Feringa's Vrije Gedachte.

In Pruisen en Nederland citeert M. met instemming uit haar werk de regels: '"God en Jezus staan tot elkander als brood en boter; God alleen is niet genoeg, er moet altyd wat Jezus op" (VW IV, p. 21).

In Uit Multatuli's Leven beschrijft Marie Anderson haar contact met M. Zij geeft haar wandelingen

weer, die zij samen met M. maakte door Den Haag en omgeving, en die vaak aanstoot gaven aan familie en bekenden. Ze schrijft verder over hun vrijpartijtjes in het Dekkersduin. Over een grote zandkuil, door hem omgedoopt in 'de woestijn van Sahara', schrijft zij: 'Een andere avond aldaar doorgebracht, viel minder onschuldig uit. Het was donker geworden, en we konden den weg niet meer vinden, liepen hoogteges op, hoogtetjes af, en door aardappelenland. En hij zei: "Als we nu den weg niet vinden, dan wor'je vannacht hier mijn vrouw." - Maar ik vond den weg, al kwam ik laat thuis.' (a.w., p. 71).

Over zijn aantrekkingskracht: 'Ja, dwaas en verkeerd, ook ik werd door hem medegesleept, maar

niet geheel. Zijn persoonlijkheid trok mij aan, stiet mij toch af, trok mij aan... en zoo is 't gebleven - en zoo is 't gekomen, dat ik toch niet een zijner vrouwen ben geweest, al was het meermalen op 't kantje af. "'t Is geen eer voor me, dat je me niet hebt willen hebben", zei hij na veel jaren nog.' (a.w., p. 69). 'Ik heb haar nooit aangeraakt' schrijft M. in 1873 aan Funke wanneer zij ter sprake komt (7 februari, VW XV, p. 598).

In een brief aan Feringa van 4 september 1874 schrijft M. over een stuk van Marie - die zich in die tijd met dierenbescherming bezighield. Hij ergert zich aan 'die gemaaktheid in haar schryvery':

''t Is of ze tot zichzelf zegt: als ik dan niet goed schryven kan, zal ik ten-minste ánders schryven dan 'n ander. (...) Ik ben overtuigd dat ze van Descartes, Malebranche, Racine niets gelezen heeft dan zoo'n citaat in 'n stuk dat voor haar ligt. (...) Marie heeft niet gewerkt, werkt niet, wil niet werken!' (VW XVI, p. 697-698)

Wanneer M. op 1 maart 1875 in Nederland is i.v.m. de opvoering van Vorstenschool, schrijft ze hem een hartelijke brief voor zijn verjaardag, waarin ze hem een lang bezit van al zijn 'geestvermogens' en zijn potentie toewenst. Tijdens die periode heeft Marie blijkbaar voor M.'s hond Max gezorgd (VW XVII, p. 429-432). M. wilde echter niet dat Mimi tijdens zijn afwezigheid in 1878-1879 zich teveel met Marie in het openbaar zou vertonen. Op 26 februari 1878 schrijft hij aan Mimi:

'Evenmin mag ik toestaan dat je met M.A. in haar hotel komt (...). En M.A. is compromittant. Ik zie haar liever 3 maal in huis dan eens op straat.' (VW XIX, p. 208)

Marie Anderson heeft contact met de familie Douwes Dekker gehouden, ook na haar vertrek uit Wiesbaden. In de laatste brief, die dateert van 10 januari 1887, bedankt Mimi haar voor enkele prenten die Wouter van Fritz gekregen heeft (VW XIX, p. 37).

Het allerlaatste bericht is gedateerd 21 februari 1887 en luidt: 'L.M. "Lieve Marie" Dek is: 19 febr is hy overleden.' (VW XXIV, p. 75).

Arbeiders, in de Millioenen-studiën schrijft M. over het gebrek aan saamhorigheid onder de arbeiders: 'Voelt de arme meewarigheid voor de rampen van z'n lotgenoten ? Minacht niet de werkman zyn medewerk lieden? Heerst er iets als broederschap tussen de minder bedeelden, zy die zo klagen - en overigens met recht, waarlyk! - dat de ryken onbroederlyk zyn?' (VW V, p. 85)

In Idee 451: 'Wat zullen wy den arme antwoorden, den Nederlandsen werkman, als deze ons vraagt: waarom hy met harden arbeid niet in staat is, den zynen het nodige te geven? Waarom hy z'n aanwezen moet voortslepen in ellende, veroordeeld tot onbeschermde slaverny? Waarom z'n kinderen bleek zien? Waarom z'n vrouw schrikt by de ontdekking, dat er weldra een mond meer zal verschynen aan den nu reeds al te schralen dis? Waarom hy gedoemd is tot eeuwigdurende tantaluspyn, by 't denken aan wat vriendelyk geluk?' (VW III, p. 180)

*armoede *socialisme

Arbeidersbudget

*Ris *LePlay

Armoede, was het antwoord van Nederland aan M. na de verschijning van de Max Havelaar (*advertenties van Multatuli 1), armoede werd de reden om te schrijven: ' 't Is dan ook alleen aan armoede te wyten, dat men nog een regel schrift van my te zien krygt' (Idee 1252, VW VII, p. 505).

Al in Idee 62 noemt M. dit, wanneer hij zich realiseert dat (ook) hij zichzelf verkoopt (VW II, p. 320). In het buitenland krijgen schrijvers w'l de beloning die hun toekomt: 'Maar Holland is 'n klein land, en kan z'n schryvers niet dan met moeite in 't leven houden. Men betaalt me niet het honderdste deel van wat in 't buitenland wordt genoten door schryvers van lager rang dan den

mynen.' (Millioenen-studiën, VW V, p. 291)

In de Max Havelaar heeft Droogstoppel zo zijn eigen ideeën over armoede: 'en ik houd niet van arme mensen, omdat er gewoonlyk eigen schuld onder loopt, daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. (...) Armen moeten er zyn, dat is nodig in de maatschappy. Als hy maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb ik er volstrekt niets tegen dat hy arm is (...). Bovendien, ik geef nooit op straat - dat is een principe van me - want ik zeg altyd als ik zo arme mensen zie: wie weet of het hun eigen schuld niet is, en ik mag hen niet styven in verkeerdheid.' (VW I, p. 24, 28-29, 231)

Daarentegen wordt armoede in de *Toespraak tot de hoofden van Lebak een 'schone roeping' genoemd, om er welvaart voor in de plaats te brengen (VW I, p. 105-106). Nogmaals bevestigd in vraag 23 van de vraagpunten aan de Controleur: 'Bleek u niet, dat ik verheugd was over de armoede der bevolking te Lebak, in dien zin dat ik het als een schone roeping beschouwde, die te doen wyken?' (Minnebrieven,' VW II, p. 140)

In de 'Brief van Max Havelaar aan Multatuli' (*Max Havelaar aan Multatuli 2) lezen we: 'Armen, byvoorbeeld, of de zodanigen die den gehelen dag nodig hebben voor de zorg om in 't leven te

blyven, mogen en kunnen niet treuren. Treuren is weelde.' (VW I, p. 453)

Van de armen wil M. voortaan de vertegenwoordiger zijn: 'Hoe zal de mishandelde arme zich doen horen?; Dáárvoor zal ik optreden. En dit schryven is een begin. De arme wordt niet vertegenwoordigd? Welnu, van heden af, ben ik de vertegenwoordiger van dien arme. De Regering draagt geen kennis van de behoeften des Volks? Ik zal haar die behoeften doen kennen. En als 't tyd is, zal ik haar bericht doen van de eisen des Volks. De arme die stom was, zal voortaan spreken. De hongerlydende bevolking van Nederland zal niet langer zwygend hongerlyden. - Wy willen eten, waarlyk leven, genieten. Wy willen gelukkig zyn. Ziedaar de eerste,

zeer onparlementaire, redevoering, die ik namens den arme, den werkman en de grootste helft der burgerklasse, richt tot de Regering van Nederland.' (Idee 451, VW III, p. 141)

In de derde en vierde bundel Ideën schrijft M. over de armoede van het volk: 'Met al onze Industrie, met onzen Stoom, met onze Werktuigkunde, met onze fabriekmatige verdeling van den arbeid, lydt het merendeel des Volks gebrek. (...) Niets is onzedelyker dan armoed, heren hemel-moralisten!' (Idee 914, VW IV, p. 654)

In Idee 919: 'En een hongerend volk is een barbaars Volk, al kon het duizend gebedjes opzeggen, met of zonder kruis slaan.' (VW IV, p. 661). In de vierde bundel Ideën, in zijn betoog tegen *J.R. Thorbecke schrijft hij hierover: 'De toestand van 't Nederlandse Volk, sociaal en poli-

tisch, is gevaarlyker dan ooit. Sociaal: de armoed kankert van onderop met gierigen klauw omhoog.

Straat-armen hadden wy immer, doch 't gebrek greep al hoger en hoger. Het maakte zich meester van den kleinen burgerstand, van den middelstand, van den zogenaamd-hogeren burgerstand. De tyd is zeer na, dat Nederland bewoond wordt door 'n paar honderd millionairs en... drie millioen hongerlyders.' (Idee 969, VW VI, p. 170)

Idee 1260a luidt: 'Het pauperismus is 'n pestbuil van 't geloof.' (VW VII, p. 546). Hierop volgt de voortzetting van de *Woutergeschiedenis waarin Styntje, de huishoudster van pater Jansen, geconfronteerd wordt met bedelaars. Haar reactie: 'Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. 't Is maar begieten van onkruid, zeg ik!' (Idee 1260d, VW VII, p. 554; cf. het verslag van M.'s lezing te Zaandam op 15 april 1879 in De Zaanstreek van 20 april 1879; VW XIX, p. 912-918).

En Idee 1273a luidt: 'Armoed, ondeugd en filantropie - of wat daarvoor zo dikwyls doorgaat - zyn drie variëteiten van dezelfde ziekelykheid, die elkaar vice-versa veroorzaken, styven, completeren en in leven houden.' (VW VII, p. 626)

Het voederen van vogels 'in den sneeuwtyd' is geen goede zaak, eveneens als het in stand houden van armoede, betoogt M. in een noot bij Idee 1259: 'Werkelyk wreed is 't ziekelyk sentimenteel geknutsel dat onder voorwendsel van Armen te voeden, de Armoede in 't leven houdt. Als 't 's winters niet sneeuwde, zouden we weldra genoodzaakt zyn, des zomers op de mussenjacht te gaan.' (VW VII, p. 681)

Artis, het in 1838 opgerichte genootschap Natura Artis Magistra (Lat. de natuur is de leermeesteres van de kunst), dat te Amsterdam de gelijknamige dierentuin heeft ingericht. Droogstoppel wenst dat Stern aan zijn vader schrijft dat hij, Droogstoppel, lid is. Verder zegt hij:

'Kan je niet naar Artis gaan - je weet dat ik lid ben- als je volstrekt vreemde dieren zien wilt? Moeten het juist die gazellen aan den Ganges wezen, die toch in het wild nooit zo goed zyn waar te nemen, als in een nette omheining van gekoolteerd yzer?' (VW I, p. 134).

Idee 213 handelt over het opvoeden van kinderen, een taak waar niet alle ouders even geschikt voor zijn: ''t Is zonderling dat zoveel mensen zich verstouten kinderen te hebben. In Artis ken ik een oppasser die weet om te gaan met de tygers. Een ander is geschikt voor de vogels. Ook de kunstmatige visteelt heeft z'n specialiteiten. Maar kinderen houdt ieder.' (VW II, p.423)

Kinderen in Artis gaan steeds weer naar de apenkooi en ouders, onderwijzers en opvoeders behoren dat te weten. Dat is meer waard dan de 'leer van 't "mooie handje"' (Idee 215, VW II, p. 425). M. komt op het onderwerp terug in Idee 380. Ook de leerlingen van 'M'sieu Willaire' (*Meskendorff) staan allemaal bij de apen, maar deze maakt zich niet ongerust: 'Och, ik heb hun gezegd dat hun lichaam is 'n tempel Gods, en dus...' (VW II, p. 549).

Nadat Mimi het contact met M. op aandringen van haar familie had verbroken, kwam zij hem in september 1862 toevallig tegen in Artis. Zij logeerde op dat moment bij haar oom Burlage aan de Amstel in Amsterdam (cf. brief aan Mimi d.d. 10 september 1862, VW X, p. 686).

As van Multatuli, 'Naar aanleiding van een verzoek van de Multatuli-Vereniging wordt besloten een waardige plaats in het columbarium beschikbaar te stellen voor de bijzetting van de as van M. en diens echtgenote Mevrouw Douwes Dekker-Schepel. Hierin moge worden gezien een hulde onzerzijds aan de nagedachtenis van deze grote figuur, die de eerste Nederlander was, die zijn stoffelijk overschot liet verassen.' Aldus het Bericht van de Vereniging voor Facultatieve Lijkverbranding, juli 1947. De gebeurtenis vond plaats op 6 maart 1948 te Westerveld, waarbij G.

Stuiveling als voorzitter van het Multatuli-Genootschap een toespraak, en Jan Musch voordrachten hield. Het monument in de urnentuin is van A.H. Wegerif.

In 1967 deed het gerucht de ronde dat de as van M. zoek geraakt was en door sigare-as was vervangen. Het hele verhaal berustte op een practical joke: *crematie 1.

(Lit. Jaap van der Does, 'Wat rest van Multatuli - en waar?', in: Over Multatuli, 1991, nr. 26, p. 5-10)

Asmodée, (boze geest, genoemd in het apocriefe boek Tobias), titel van een schimpblad, oorspronkelijk een in het Frans gesteld zondagsblad van Jhr. Van Bevervoorde, vanaf nr. 22 getiteld Le Courier Batave.

Het blad verscheen in de perioden 1845-1848 en 1850-1851. Daarna werd Asmodée het ps. van Johan de Vries, die in 1854 het schotschrift Een standbeeld in een zak, over het beeld van koning Willem II, publiceerde. Het geschrift beleefde drie drukken binnen één jaar. Op 3 mei 1854 verscheen de eerste aflevering van het satirisch weekblad Asmodée, dat tot 1895 zou bestaan. Het veroorzaakte enkele malen opschudding door zijn vrijmoedige kritiek op het privéleven van leden der koninklijke familie. In 1860 nam het blad een proclamatie op (7 maart 1860; VW X, p. 215), zgn. van M.'s hand, met daarin een ironische toespeling op diens artikel in de *Amsterdamsche

Courant van 9 december 1859.

Op 26 september 1867 schrijft M. C. Busken Huet n.a.v. confrontatie met de hoogleraar *Vreede:

'De heer Salvador, wien ik verzocht my op de hoogte te houden van de zaak, zond my, behalve 't Handelsblad, een nummer van de ASMODEE. (dáárin schynt myn naam geen tache te maken) die een stuk overneemt uit een courantje van Dendermonde. Behalve de ophemeling van myn speech (...) moet ik zeggen dat die Dendermonder vry wel de waarheid vertelt. Ik wil niet gaarne uw naam op 't kruisband van een Asmodee zetten, anders zond ik U 't ding. Gedoogt uw fatsoen het te bestellen? 't Is No 37. Maar 't zal de moeite niet waard zyn, vind ik.' (VW XII, p. 436-437)

Ook daarna bleef M. het blad lezen. Zo schrijft hij bijv. G.L. Funke in januari 1876 in de Asmodée een aankondiging gezien te hebben van J. van Vlotens uitgave van de Galante Dichtluimen van Hendrik Riemsnijder en Willem Bilderdijk (1869, Amsterdam: A. van Brussel). Hij heeft dit werk nog nooit in een fatsoenlijk blad geannonceerd gezien en vervolgt:

'Vraagt ge hoe ik aan Asmodee kom? 't Wordt me geregeld gezonden door iemand te Rotterdam "=*Ferdinand Jongen". Soms staan er goede stukken in waaruit fatsoenlyke redakteuren wat konden leeren. Maar 't geheel is naar, vooral nu die v.Brussel in katholiek geloof doet. In 't voorlaatste nummer stonden twee aardige versjes, wezenlyk van letterk. waarde.' (VW XVIII, p.

225-226)

Aan H. de Haas schrijft hij op 5 november 1879: 'De fatsoenlykste krant is Asmodee. Dat blad is

dikwyls franchement gemeen-gemeen. ("dikwyls" zeg ik, want soms doet het ook aan nagemaakte deftigheid, midden in de smeerigheid van de rest) maar de andere bladen zyn huichelachtig fatsoenlyk-gemeen. Ze staan tot 'n z.g.n. schendblad als "uwéé" tot "jou".' (VW XX, p. 108)

In de nummers 36 (5 september 1867), 37 (12 september), 38 (19 september) en 40 (3 oktober) plaatste Asmodée de 'Ideën van Multafero, door B. (= *A. van Brussel). Enkele artikelen van A. van Brussel, *A. Buijs en *F.A. Hartsen, die in 1870-1871 in de Asmodée verschenen, zijn opgenomen in VW XIV. Buijs - op dat moment een groot bewonderaar - prijst M.'s verdediging van *De Vletter en beveelt in hetzelfde stuk M. als gouverneur-generaal van Indië aan (8 decem-

ber 1870, VW XIV, p. 258-260). Hoofdredacteur A. van Brussel is een andere mening toegedaan en distantieert zich in een kanttekening van deze aanbeveling. Op 6 maart 1873 wijst het blad op de juistheid van M.'s voorspelling aangaande de oorlog met *Atjeh (VW XV, p. 665-666).

Op 25 februari 1875 verschijnt in de Asmodée een schertsend stuk over Mina Krüseman, die voor de eerste opvoering van Vorstenschool de voorkeur gaf aan Utrecht boven Rotterdam (VW XVII, p. 409-410).

M. kreeg de Asmodée niet alleen via F. Jongen en *M. Salvador in handen, ook *H.H. Huisman wist M. met de Asmodée te verrassen (cf. brief van M. aan Huisman d.d. 12 juni 1871, VW XIV, p. 581).

Assistent-resident, Nederlands-Indisch ambtenaar die aan het hoofd stond van een der drie, vier of vijf afdelingen, assistent-residenties, waarin een residentie verdeeld was. Bij het bestuur van deze afdeling, onder het gezag van de resident, moest de regent hem terzijde staan. De assistent-resident moest volgens de instructies deze inlandse vorst behandelen als zijn jongere broeder. DD. was assistent-resident te *Amboina en *Lebak. M. spelde zelf meestal adsistent-resident (bijv. in VW I, p. 349).

Astma, kwaal waaraan M. leed. Hij maakt er onder meer melding van in een brief aan Mimi d.d. 5 februari 1878: 'Telkens voel ik me kortademig, ook 's avends. Dat begon al den eersten avend. Dus: van de lucht, denk ik.' (VW XIX, p. 55).

Marie Anderson schrijft er over: 'Ook het asthma, waaraan hij is bezweken, kan (al wil ik 't niet beweren) een gevolg van den staat zijner zenuwen zijn geweest; - 'n 25 jaar voor zijn dood reeds placht hij zóo diep te zuchten alsof hij dan den adem kwijt was.' (Uit Multatuli's Leven, 1981, p. 43).

*keelaandoeningen *H. de Vries

(Lit. Tjasse Bruintjes en Dik van der Meulen, 'Het ziekbed van Multatuli', in: Over Multatuli, 1993, nr. 31, p. 35-43)

Atheïst, gevormd met de alpha privans, de a die 'zonder' betekent. 'Er is iets kwaadaardigs in de alpha privans van 't woord atheïst.', schrijft M. in Idee 98 (VW II, p. 331). ln een noot uit 1872 komt hij hierop terug: 'volwassenen storen zich niet aan zulke domheden' (VW II, p. 676).

Geloven en niet geloven is één van de thema's die steeds terugkeren in M.'s oeuvre. Bijv. in Idee

919: 'De atheïst die aan elken 'Heer' (...) den dienst opzei, heeft hoger plichten te vervullen, en moet zyn genot zoeken in zware verantwoordelykheid.' (VW IV, p. 659)

Dat M. zichzelf als atheïst beschouwde, blijkt onder meer ook uit de volgende regels in hetzelfde Idee: 'Ik verzeker u dat we talryker zyn dan ge meent... al blyft het me leed doen dat gy gewacht hebt op deze verzekering, voor ge besloot getuigenis af te leggen van uw vererend ongeloof. (...) Komaan, niet gehuicheld! niet geschipperd! twee maal twee is vier, en een persoonlyke God is 'n ongerymdheid!' (VW IV, p. 660)

Het gedrag van de athëistische leden van de *Commune van Parijs keurt hij echter af: zij hebben zich gedragen als christenen (VW IV, p. 656).

M. bezwaren tegen *geloof, 'god-dienery' en *moderne cheologie stonden echter niet zijn sympathie voor sommige 'oprecht gelovigen' in de weg, zoals blijkt uit zijn beschrijving van de monnik Anselmo in de *zeeziektegeschiedenis, zijn reacties op rabbijn *Tal, straatprediker *Esser e.a. Bezoek van de ongemanierde atheïst Pop van Asperen werd door hem niet op prijs gesteld (cf. brief van M. aan V. Bruinsma d.d. 17 februari 1875, VW XVII, p. 365-366; *Samojedië). *H.J. Betz

Atjeh, (Atchin, Atjin) het noordelijk deel van Sumatra, waaraan in 1873 de oorlog werd verklaard. Engeland en Nederland regelden in 1824 bij het Traktaat van Londen alle geschillen die uit de koloniale overdracht van 1816 waren voortgekomen. Engeland zag af van alle aanspraken op Sumatra. Nederland verbond zich wel om bij verdere gezagsuitbreiding op Sumatra de onafhankelijkheid van Atjeh te ontzien. Uiteindelijk werd het gebied aan Nederland overgedragen: in november 1872 werd het zogenaamde Sumatra-Traktaat door de Nederlandse regering goedgekeurd. Daarmee waren de beperkingen van het Londens Tralctaat ten aanzien van Atjeh opgeheven: Engeland verplichtte zich af te zien van alle 'vertogen' tegen uitbreiding van het Nederlands gezag in enig gedeelte van Sumatra. In ruil hiervoor werden de Nederlandse bezittingen op de Kust van Guinee achtergelaten. De Atjehers gaven zich echter niet gewonnen. Zeeroof en plundering maakten, meende men, optreden noodzakelijk. In een reeks opeenvolgende bloedige oorlogen trachtte men Atjeh aan het Nederlands gezag te onderwerpen. In maart 1873 vertrok de eerste expeditie. *Nieuwenhuijzen werd benoemd tot regeringscommissaris, militaire opperbevelhebber werd generaal-majoor J.H.R. Köhler, tweede commandant was kolonel E.C. van Daalen. Deze eerste expeditie mislukte en bij een tweede poging in april 1874 onder leiding van luitenant-generaal *Van Swieten als regeringscommissaris en opperbevelhebber, met generaal-majoor G.M. Verspijck als tweede bevelhebber, werd de *kraton van de sultan van Atjeh bezet. In Nederland en Batavia werd de val van deze kraton,

door de Nederlanders Koetaradja (sultansstad) gedoopt, gevierd als een belangrijk succes, in werkelijkheid betrof het de verovering van een weinig beduidende vesting en geenszins het paleis van de sultan, zoals men meende. Er volgden nog vele schijnoverwinningen. Rond 1908 werd Atjeh onderworpen, in 1942 trokken de Nederlanders zich definitief terug uit Atjeh.

Dat een en ander inderdaad op oorlog uit zou lopen, voorspelde M. al in februari 1872 in een brief aan zijn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga, die hij eindigt met de woorden:

'het is er om te doen om Atjin intepalmen. Het zal dan ook geschieden, maar niet zonder moeite, want de Atjinezen zyn strydbaar. Ik schreef u immers reeds: We zullen hooren van oorlog op Sumatra?' (27 februari 1872, VW XV, p. 114)

In oktober van datzelfde jaar herhaalt hij zijn profetie in zijn open 'Brief aan den Koning':

'Uw Gouverneur-Generaal, Sire, staat op het punt, onder gezochte voorwendsels, hoogstens op grond van kunstig geprovoceerde reden, den oorlog te verklaren aan den Sultan van Atjeh, met het voornemen dien Souverein te beroven van zyn erfdeel. Sire, dit is noch dankbaar, noch edelmoedig, noch eerlyk, noch verstandig. (...) Reeds te lang, Sire, hebben wy door onze wanbe-

dryven in Indië, alle aanspraak op de sympathie van Europa verbeurd. Het aanvallen van Atjeh zou een door uw vyanden gewenst zegel zetten op de algemene verachting.' (VW V, p. 682-683)

Het betreffende gedeelte uit deze brief werd met instemming geciteerd in de Sumatra-Courant van 9 en 12 juli 1873 (A.C., 'Multatuli en de oorlog tegen Atchin VW XVI, p. 80-83, 89-92).

Wanneer de eerste nederlaag een feit is, schrijft M. G.L. Funke op 24 april 1873 dat de gebeurtenissen in Atjeh, 'middelyk 'n gevolg van 't vry-arbeids-principe!', hem zeer treffen, 'ja om zoo te zeggen persoonlyk (Doch dit gaat het Publiek niet aan)' (VW XV, p.730). Hij verzoekt Funke hem een exemplaar te zenden van P.J. Veths Atchin en zijne betrekkingen tot Nederland (Leiden, 1873, een citaat uit dit werk m.b.t. de gezanten van Atjeh in 1601 is opgenomen in de biografische aantekeningen van VW XV, p. 794). Funke raadt hem aan een apart werk aan deze kwestie te wijden. Ook in enkele volgende brieven schrijft M. Funke hierover. Hij besluit er echter niet afzonderlijk over te publiceren. Wel schrijft hij over de kwestie in de vijfde bundel Ideën, waaraan hij op dat moment bezig is. In Idee 1066 neemt hij de dagorder van *Van Swieten onder de loep en voegt daaraan toe dat een dergelijke analyse ook te maken zou zijn

van de nota's over Atjeh. Het is echter weinig zinvol, zo meent hij, otn te betogen en te bewijzen dat de oorlogsverklaring een 'schelmstuk' is. Hij vervolgt: 'Maar, Nederlanders, uw oorlogsverklaring - dat heet: de oorlogsverklaring van den suiker - en fortuinmaker Van de Putte - is 'n domheid. Ze zal u op 't verlies van zeer veel geld te staan komen, juist en vooral ná de

verovering van Atjeh. Dit weet Van de Putte niet, omdat hem de politieke verhoudingen in den Archipel volkomen onbekend zyn, maar ik weet het. Verkiest ge hiervan opheldering, toelichting... welnu, nog eens, dat ze my zeer nederig door de Regering of de Kamers gevraagd worde. Sinon, non! Ik heb m'n plicht gedaan en bytyds gewaarschuwd. (...) Het verklaren van den

oorlog aan Atjeh is 'n schelmstuk, en 'n domheid. Meer nog: ze zal blyken 'n straf te zyn. Men heeft het zo gewild.' (VW VI, p. 705-706)

In een aantekening uit 1874 bij Idee 760 laat hij zich uiterst kritisch uit over de verslagen van de verovering van de kraton: 'Het nederlands publiek heeft al deze zotternyen weer goedmoedig aangenomen, en staat gereed z'n Fransen van de Putte de millioenen te verschaffen, die nodig

wezen zullen om in den Noordhoek van Sumatra vasten voet te houden. Het innemen van dien Kraton - niet eens 'n vesting... cyfer der gesneuvelden: drie man! - betekent niets. Zal 't den minister gelukken de Natie wys te maken dat er op Sumatra hoofdsteden zyn, waarnaar het Land zich regelt? (...) Nederlanders, van Atjeh begint de neerlaag!' (VW IV, p. 696)

De laatste zin herhaalt hij in een noot uit 1875 bij de Max Havelaar, waarin hij ageert tegen de beschuldiging van *zeeroof door de Atjinezen.

Te Natal heeft hij vaak Atjinezen ontmoet - Si Oepi Keteh was een Atjinese - en hij heeft bij hen zeer veel goede eigenschappen gezien (VW I, p. 340-342). In deze aantekening wijst hij verder op het feit dat hij al vóór zijn 'Brief aan de Koning', namelijk in het dertiende hoofdstuk van de Max Havelaar, gewezen had op 'onze gespannen houding met het Atjinse Ryk': 'De onbesuisde oorlog met Atjeh was een der laatste duitenplateryen die 'n minister nodig had om de aandacht af te leiden van z'n onbekwaamheid, en zal blyken even noodlottig te zyn van uitslag en invloed, als

ze lichtvaardig en misdadig was van opzet. Het wankelend Nederlands gezag is tegen échecs als dáár door ons geleden worden, niet bestand.' (VW I, p. 301-302)

Hij verwijt *Fransen van de Putte dat hij de natie in een toestand heeft gebracht die haar 'op zóveel millioenen schats, op zóveel mensenlevens te staan komt' (VW I, p. 302). ln 1881 schrijft hij in een noot bij de laatste zinsnede bovenstaand citaat uit: 'Dat Atjeh zou veroverd en de Atjinees overwonnen zyn, is 'n leugen'. *De Nisero (Lit. P. van 't Veer, De Atjeh-oorlog, Amsterdam, 1969. Van 't Veer onderscheidt vier Atjeh-oorlogen: eerste 1873; tweede 1874-1880; derde 1884-1896; vierde 1898-1942)

Atomen, Chemici beginnen weer te spreken van atomen, meldt M. in een noot uit 1872 bij Idee 503: 'Een chemisch atoom is dus - 't moet naar den zin des woord, ondeelbaar zyn - een uitgebreidbeid zonder uitbreiding. (...) Het woord atoom is 'n uitdrukking die alleen in bespiegelende wysbegeerte mag gebruikt worden. Voor den scheikundige blyve het een ketterse

klank. Hy is dit verplicht aan de eer van z'n wetenschap, die van scheiden haar naam ontleent. Wie aan atomen gelooft, moet eo ipso genoegen nemen met halve, kwart, enz. atomen, waaruit blykt dat z'n geloof ongeloof is.' (VW III, p. 419)

Au Prince Belge, herberg, 'een klein logement' (brief van DD. aan Van Hasselt d.d. 19 oktober 1859, VW X, p. 80) te Brussel in de Bergstraat (Rue de la Montagne), schuin tegenover het postkantoor. Inmiddels is dit stadskwartier gesloopt en onherkenbaar veranderd. Wel is op de plaats van het logement een (tweetalige) gedenkplaat aangebracht met de verkeerde spelling Edward. Mimi noemt het hotel 'in hoofdzaak een bierkroeg, "estaminet"' waar veel 'ondergeschikte postbeambten verkeerden' en 'mannen in blousen' hun faro, een zoet donker Brussels bier, dronkeu. Zij vertelt verder dat DD. de herbergier zeven maanden lang de betaling voor kost en kamerhuur schuldig bleef en dat 'den goedmoedigen kroeghouder en zyn gezin' hem bovendien nog geld voorschoten (Brieven WB III, p. 7). Volgens opgave van de gemeente Brussel was Laurent François Deprince (1808-1878, geb. te Nieuwkerke bij Ieperen,

gehuwd met Jeanne Françoise Joséphine Elodie Caers, geb. te Brussel 1835) de eigenaar. De veronderstelling van G. Stuiveling (VW X, p. 14-15), dat niet Deprince maar G.Janssens, aan wie DD. zijn brieven liet richten (zo november 1859, VW X, p. 122), de eigenaar was, wordt betwijfeld door Van 't Veer. Volgens hem is het waarschijnlijker dat DD. zijn brieven liet richten aan een medebewoner, uit angst voor zijn Nederlandse schuldeisers (Het leven van Multatuli,

1979, p. 465 en noot p. 287).

DD. vond er onderdak in het voorjaar van 1858 en in het najaar van 1859. Hij schreef er de Max Havelaar. Verder werkte hij er aan zijn 'Brief aan de Gouverneur-Generaal in ruste' en aan de voltooiing van De Bruid daarboven. Bij zijn terugkeer in september 1859 werd hij er naar eigen zeggen hartelijk ontvangen. Men had er zelfs tijdens zijn afwezigheid zijn kennis Pauline, 'die zich verstout een kind te hebben vóór het huwelijk', gratis te eten gegeven omdat men wel wist dat hij er terug zou keren (brief aan Tine d.d. 3-6 september 1859, VW X, p. 42).